Voltaire in Scheemda
Geplaatst op: 27 oktober 2009 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Dit boek met dichtwerk van de Pruissische koning Frederik de Grote, dat in 1760 te Londen in het Frans verscheen, staat zeven jaar later op de boedelinventaris van wedman Sijpko Stheeman van Scheemda.
Frederik de Grote, die in 1768 het stadhouderlijk hof op ’t Loo bezocht, maar er helemaal niets aan vond. was een grote fan van de verlichte wijsgeer Voltaire, aan wie hij een ode in dat boek van hem opdraagt.
Sijpko Stheeman had ook een werk van Voltaire in bezit: diens biografie van de Zweedse koning Karel XII. Maar verder overwoog toch stichtelijk werk in zijn boekerij. Weliswaar zaten daar enkele wat meer verlichte predikanten tussen – Vitringa, Alberthoma, Busscher – voor het merendeel waren het echter de zwaardere, orthodox-bevindelijke broeders als Brakel, Appelius, Hellenbroek, Verschuir en Lodenstein die Stheemans’ boekenkast vulden.
De redelijk vermogende Stheeman was een invloedrijk man in zijn omgeving. In 1748 kozen de gewapende manschappen van Scheemda hem tot bevelhebber van hun oranje vrijcorps. De wedman wilde eigenlijk onder de benoeming uit, want aanvaarding kon hem zijn functie kosten, maar dat hij gekozen werd stempelt hem wel tot een verklaarde orangist.
In dat Oldambster orangisme van 1748 was het gereformeerd-bevindelijke element vrij sterk aanwezig. Als Stheeman in 1767 Voltaire en Frederik de Grote las, zal hij afstand hebben genomen van dat gedachtengoed.
Dat namen er wel meer in die tijd. Alleen was Stheeman een grote uitzondering in het Oldambt.
14.000 boedelinventarissen online
Bijnamen uit het archief
Geplaatst op: 25 oktober 2009 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesKijk, ook in studentenkringen had je bijnamen. Zo bevat het archief van Vindicat een gedenkboek door W.J. Veenhuizen, de redacteur van de Provinciale Groninger Courant, die onder studenten bekend stond als ’t Wieze Heufd. Terwijl het Reünistenmarslied van 1914 een compositie was van de kennelijk nogal venijnige C.F. Koch, alias Jan Wesp.
Maar, moet er meteen bijgezegd worden, zulke bijnamen uit de hogere kringen zijn goedmoedige luim. Het echte werk vinden we natuurlijk in de gerechtelijke archieven. Bij het schorriemorrie, dat is, en dan vooral uit de achttiende eeuw, omdat de archieven uit die tijd het best ontsloten zijn..
Zo bevat het archief van het Provinciaal Gerechtshof dossiers over de Muntendammer inbreker en dief Jan Keutel en de gewelddadige Slobbe uit Veele.
Beiden opereerden in het oosten van de provincie. Daar kwamen inderdaad de mooiste bijnamen voor. In het Gorecht en Sappemeer had je de dief Piknaald. En in het Oldambt een logementhouder die in de wandeling De Hingste heette, een opruier die door het leven ging als Beere en een mishandelaar die Misverstand genoemd werd. In die laatste naam zit het zinloos geweld al bijna ingebakken.
Ja, hoe oostelijker je kwam, hoe beeldender de bijnamen waren. Oude Pekela spande daarbij zonder enige twijfel de kroon, met types als de Roode Doctor (een ruziemaker), Harm Oorlog (een dief) en Poedel (een mishandelaar)
Daar kon zelfs de stad niet aan tippen, met zachtaardige aliassen als Jan Pannekoek (bendelid en dief), Koffiedik (mishandelaar), Roukou (bordeelbaas), Keekelbekje (schelder) en Pennevogel (dief). De uitzondering, de scharenslijper en dief Pieter Hangop, bevestigt zelfs de regel. Naar ik me meen te herinneren kwam hij niet in Groningen aan zijn voorspelbare eind, maar in Drenthe.
Bron (en dan zoeken met: alias)
Lange rijen op straat voor de fotograaf
Geplaatst op: 22 oktober 2009 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieEen van de eerste dingen die de bezetter in 1940 invoerde, was de legitimatieplicht. Elke Nederlander moest een persoonsbewijs of Ausweis met een pasfoto. De fotografen kregen het smoordruk:
Strijder tegen Satans’ rijk in Finsterwolde
Geplaatst op: 15 oktober 2009 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenFinsterwolde staat al heel lang bekend als een ontkerstend, onkerkelijk en onkerks dorp. Toch stonden hier ooit zware predikanten op de kansel. Bijvoorbeeld Christophorus Eyssonius. Hij had nogal wat te stellen met zijn gemeente.
In de kerk van Finsterwolde staan op een grafsteen deze regels:
‘Eyssonius, Gods trouwen knegt, bedekt dees Zerk
so nuttig voor ons land, so dierbaar voor Gods kerk
manmoedig voor Gods saak en tegen ’s Satans ryk
die na voltrokken stryd by Godt leeft eeuwiglyk’ .1)
Dat een predikant nuttig en dierbaar was, zegt niets over zijn richting. Maar die ‘voltrokken strijd’ daarentegen, ‘tegen ’s Satans rijk’ laat zien dat het om een zware broeder ging. Zoeen die zich ergerde aan allerlei slapheid, en vurig ijverde voor een verdieping van het geloofsleven. Zoeen die vond dat mensen de gereformeerde dogma’s niet alleen verstandelijk moesten onderschrijven, maar ook emotioneel moesten ondervinden. Je zou Eyssonius ook een fijne, een piëist of een zwartkous kunnen noemen, maar dat zijn scheldwoorden, en daar schiet je weinig mee op.
Eyssonius was eind dertig, toen hij in 1728 naar het nog armoedige garnalenvissersdorpje Finsterwolde werd beroepen. Dat gebeurde op een verdeelde stem van de collatoren, de stemgerechtigde grondeigenaren. Zelf kreeg hij 21 van hun stemmen bij de verkiezing, terwijl zijn concurrent, ds. Costerus, er slechts 12 ontving. 2)
Een mooie meerderheid zou je denken, maar Oldambster predikanten werden veelal unaniem beroepen. Een verdeelde stem was minder mooi. Dat Eyssonius won, dankte hij ook nog eens aan de collatoren van buiten het dorp. Zeker 17 van zijn 21 stemmen kwamen van uitwonende grondeigenaren. Vooral de 10 stemmen van de stad Groningen vallen op. Die gaven de doorslag. Op Costerus daarentegen, stemden louter Finsterwoldigers. Om te beginnen de ouderlingen en diakenen, maar ook de zespaards akkerbouwer Pieter Roelfs. 3) Dat de lokale elite tegen Eyssonius’ komst was, geeft te denken.
Wrevel
Vlak na zijn verhuizing naar Finsterwolde maakte Eyssonius een eind aan een zaak die zijn voorganger inzette. Een van het avondmaal geschorste lidmaat kreeg weer toestemming om, ‘so hij sig beproeft en in de Here waardig vond’, deel te nemen aan het ritueel van brood en wijn. Hoewel Eyssonius later opmerkte dat hij zijn werk al vanaf 1730 ‘met smerte’ deed, ‘sugtende onder allerlei tegenstaat (…) door wrevel van sommige toehoorders’, merk je dat vooreerst niet aan zijn kerkeraadsverslagen. 4) Pas in 1734 openbaarde zich een conflict. De vaandrig (militaire officier) Heddema, dankzij zijn huwelijk een gezeten eigenerfde in Finsterwolde, dacht als collator drie stemmen bij de verkiezing van een nieuwe armvoogd in te kunnen brengen. 5) Hij zag zich echter gedwarsboomd door de kerkeraad onder Eyssonius’ leiding. Ook in de classis, de toezichthoudende predikantenvergadering, kreeg Heddema nul op het rekest. Hij was geen lidmaat. En niet-lidmaten hadden bij dit soort verkiezingen nu eenmaal niets in te brengen dan lege briefjes. In 1735 verwees de classis de dikke boer Pieter Roelfs, die in 1728 al tegen de komst van Eyssonius stemde, en in de classis enige bezwaren tegen dominee in kwam brengen, terug naar de kerkeraad van Finsterwolde. Voor dat orgaan wilde Roelfs samen met een aantal getuigen optreden, maar ook daar stak de kerkeraad een stokje voor. Al was men ‘seer verwondert dat die man ons metten wou voorschrijven.’ 6)
Op de rug
Roelfs was dan ook slechts woordvoerder, en niet de opsteller van de aanklacht die hij bij de kerkeraad deponeerde. De opsteller, het brein achter de schermen, dat was vaandrig Heddema. Diens handtekening stond ook wel onder het stuk, maar de kerkeraad wees hem als getuige af, ‘also hij geen lidmaat zijnde buiten haar regt en magt is’. Toen Heddema hierover opnieuw bij de classis klaagde, ving hij andermaal bot. Roelfs bleef woordvoerder van de oppositie tegen Eyssonius, met nog vijf getuigen tot zijn beschikking.
Hun eerste klacht kwam erop neer dat Eyssonius bij het voorlezen van het avondmaalsformulier de woorden ‘ons en wij’ verving door ‘de sijne of de gelovige’. Waarmee dominee liet merken dat niet iedere avondmaalsganger volgens hem bekeerd was. Verder zou dominee zich in een preek hebben laten ontvallen, dat sommige mensen in de gemeente Finsterwolde hun voorganger weg wilden jagen. Een andere keer zou hij gerept hebben van ‘godloze toehoorderen’, die geen rust konden vinden, voor ze hun ‘getrouwe predikant’ op de rug zagen liggen. Op het verzoek van de klagers om dat eens uit te leggen, noemde Eyssonius alle hem toegeschreven uitlatingen verzonnen. Hij wist niet van heimelijke moordenaars in Finsterwolde. Althans, dat liet hij aan de alwetende rechter over.
Vervolgens koos hij de aanval. Roelfs had hem al meermalen bij mantel en bef gevat en bedreigd, zowel binnen als buiten de kerk. Roelfs was antwoorder in de zaterdagse catechisatie, en stond in die rol onlangs met een ‘verwoet gelaat’ vlak voor dominee, alsof hij deze wilde slaan. Dit tot ontsteltenis van de andere aanwezigen. De dienst werd er bijna om gestaakt. Wellicht kapittelde Eyssonius Roelfs bij deze catechisatie wegens een ‘fout’ antwoord?
De kerkeraad koos de kant van Eyssonius en schorste Roelfs als lidmaat wegens het tekenen van een valse verklaring en wangedrag jegens de predikant. Vier van Roelfs’ getuigen verklaarden nu ijlings, dat ze zich wel konden hebben ‘mishoord’. Een volgende keer, zo beloofden ze, zouden ze eerst eens met dominee zelf praten voor ze actie ondernamen. Ze gaven dominee een hand, en kwamen er met een eenmalige avondmaalsontzegging vanaf. 7)
De kroongetuige van Roelfs – die eerst maar eens berouw moest komen tonen – ontbrak echter op het appel. Vermaningen Van deze Edzo Geerts kwam de klacht over Eyssonius’ eigenzinnige interpretatie van het avondmaalsformulier. Hij had als familiehoofd nog een appeltje met dominee te schillen, omdat deze weigerde zijn nicht te accepteren als doophefster voor haar zusters’ kind. Die nicht, een ‘wilt, ijdel, en tegen de predikant kwaadaardig meisje’ had zich volgens Eyssonius nooit gestoord aan zijn vermaningen om eens catechisatie te gaan volgen. Zij was zelfs op zondagen aan de weg gezien, waar ze zich vermaakte met ijdele kinderspelen.
De keer dat Edzo Geerts wèl aan de indaging van de kerkeraad gehoor gaf werd hij, terwijl dominee buiten de deur zijn nieuwsgierigheid stond te bedwingen, dadelijk voor schut gezet. De ouderlingen vroegen hem of hij inderdaad de bedoelde preken had gehoord. ‘Met veel bijgevoegde driften en toorn’ moest hij toegeven dat dit niet het geval was. Die verklaring voor Roelfs had hij ‘om des pastoors beste’ getekend. Tijdens het verhoor kwam Eyssonius weer binnen, en toen richtte de woede zich tegen hem. Geerts verweet hem, dat hij zijn nicht helemaal nooit aangemaand had tot het volgen van godsdienstonderwijs. Dominee diende hem koeltjes van repliek. Als herhaalde afkondigingen vanaf de kansel niet genoeg waren, dan moesten Edzo en zijn nicht ‘haar veest’ maar ergens anders zoeken. Dit werd Edzo te veel. Hij beende de kerk uit. Wegens het afleggen van een valse verklaring werd hij als lidmaat geschorst 8)
Van beide resterende zondaren kreeg Pieter Roelfs het eerst de dominee en een ouderling op huisbezoek. Hij was op zich wel genegen tot verzoening. Toch duurde het nog zes jaar, voor het zover was. Eyssonius vermaande hem bij die gelegenheid ‘niet alleen op dit uiterlijke in opsigt des H. Avondmaals te rusten, maar te staan na ware grond van salige genade en regte gemeenschap van den H. Jesus.’ 9)
Cajaphas
Met Edzo Geerts daarentegen, kwam het nooit meer goed. Geerts meende dat hij vanwege de doophefferskwestie als lidmaat geschorst was, en noemde dominee een ‘godloos dienaar’ van een ‘heerscher die op leugentale agt geeft’. De kerkeraad kreeg van hem ook nog een veeg uit de pan. Geerts vergeleek dit orgaan met Cajaphas, die Christus zonder wederhoor veroordeelde. Opmerkelijk waren enkele uitlatingen die Geerts Eyssonius aanwreef. Zo zou dominee vanaf de kansel over zichzelf hebben beweerd dat hij zelf ‘so hoog verligt, so wijs, en getrou was’.
Volgens de predikant was dit alles even vals als Edzo’s eerdere beweringen. Na enige contacten in deze sfeer werd de zondaar aan ‘den here overgegeven’, en ging men zijn huis voortaan voorbij. In december 1744 hield de zaak Geerts op, wegens zijn overlijden. Negen jaar lang was hij van het avondmaal geweerd. 10)
Drie maand later, in maart 1745, overleed Eyssonius zelf. Zijn vriend en geestverwant, de bekende ds. Wilhelmus Schortinghuis van Midwolda, beweende hem in maar liefst 22 coupletten. 11) Hier drie stuks:
‘Wie siet niet tot zijn Ziels-verbasen?
Dat Sij die bids en sinnloos rasen
in sporelose vijandschap
Ia, dat Sij die den Hemel tarten
En ’t Salig volk, bedrukt van harten,
Bestormen met hun sot geklap;Dat dese Wijsen, schoon maar Sotten,
Die ’s Geestes ligt en werk bespotten,
Hier bloeyen grijs en Oud bedaagt;
Daar sij die voor den Koning stonden
En ’t heyl verbreiden in Sijn wonden,
hun draad so vroeg wort afgeknaagtSo gaan in donker oordeelsdagen
D’Anbidders heen, en doen ons klagen
Helaas, Wij sien geen teeknen meer!
Wie is er nu die weet hoe lange
Wij treuren en ons harpgesangen
Veranderen en nemen keer?’
NOTEN
1) A. Pathuis – Groninger Gedenkwaardigheden (Assen / Amsterdam 1977), pag. 259, nummer 1203
2) Groninger Archieven, Toegang 731 – Gerechten in het Oldambt. inv. nr. 6145 register stemgerechtigden (= collatoren), verkiezing predikant Finsterwolde 26 augustus 1728.
3) Gerechten van het Oldambt, inv. nr. 2947
4) Groninger Archieven, Toegang 232, inv. nr 1 kerkeraad Finsterwolde, notulen
5) Over Heddema: Pathuis a.w., pag. 259, de nummers 1204 en 1205
6) Kerkeraadsnotulen 8 april 1735
7) idem, ??, 16, 21, 26 en 29 april 1735
8) idem, 6 mei 1735
9) idem 9 december 1735 en 9 juni 1741
10) idem 9 maart, 20 april en 7 september 1736, 1 juni 1738, december 1744
11) Groninger Archieven, Toegang 1772 – Catalogus verzameling pamfletten Gemeentearchief Groningen, inv. nr. 167g, Treurdigt op het seer smertelik. dog zalig overlyden van den wel eerwaarden, seer geleerden en godvrugtigen heere Christophorus Eyssonius’, Groningen, 1745. Schortinghuis ondertekende het gedicht.
Galei zonder roeiers
Geplaatst op: 12 oktober 2009 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesDit is een laat-middeleeuse galei met de maagd Maria hoog in het vaandel, vlakbij het kraaienest. Als je het zo niet zien kunt, door het kleine formaat van deze pika, dan kan je hem hier groot bekijken. En als je dan omlaag gaat langs die mast, zie je een stel trompetters achter dat grootzeil staan. Nog verder naar beneden is een soort draaibassen op de reling gemonteerd. Waarschijnlijk is dit dus een soort van oorlogsbodem. In elk geval varen er pelgrims op die zo nodig naar Jeruzalem moeten. Maar wat nu zo vreemd is: benedendeks zit er niemand aan de riemen. Waar zijn de roeiers? Allemaal met de muziek mee?
Ook bij een open bekkencollecte was discretie gewenst
Geplaatst op: 11 oktober 2009 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesBij begrafenissen stond altijd een bekken (of schaal) van de diakonie op het kerkhof en mensen deponeerden daarin open en bloot hun gift voor de armen. De grootste som kwam van de naaste familie. Of deze gift ook met papier en lint omwikkeld was, zoals in Drenthe, heb ik voor Groningerland nooit kunnen documenteren. Maar dat inpakken was natuurlijk wèl effectief tegen nieuwsgierige blikken. Hoewel de diakenen (kerkelijke armvoogden) die naderhand het geld telden, ook wel eens uit de school zullen hebben geklapt.
In elk geval zeggen de ingezamelde sommen bij zulke begraafcollectes, zoals ze in diaconierekeningen verantwoord zijn, erg veel over de status van een overledene. Chargerend: arbeiders deden in het Oldambt van de achttiende eeuw hooguit een stuiver of tien, gezeten middenstanders rond de vijf gulden, maar bij een beetje boer kwam er minstens twintig gulden uit het bekken.
In het lidmaten- en kerkeraadsprothocol van de nog gecombineerde gemeente Scheemda-Eexta, die op het web gezet is door de onvolprezen Menne Glas en de zijnen, komt een zaakje voor waaruit blijkt dat nieuwsgierigheid naar de grootte van bekkengiften bijzonder ongepast werd gevonden.
In het voorjaar van 1698 overleed dominee Van Oostbroeck. Na de begrafenis zou Albert Jans aan andere bijwoners gevraagd hebben, hoeveel ze in het armbekken hadden gedeponeerd.
Althans, dat beweerde schoolmeester Siwert Klugkist een paar dagen later. Albert Jans pikte dit niet, en stapte op hoge poten naar de kerkeraad. Meester Klugkist gaf daar ruiterlijk toe dat hij de belastende bewering deed, maar zei dat hij deze weer had gehoord van een Sicco Hindricks. Meester was dus niet de bron van het lasterpraatje. Op zich wilde Albert Jans het doorvertellen wel door de vingers zien, en zich met meester verzoenen, maar hij wilde ook zijn naam gezuiverd hebben. Daarom werd ook Sicco Hindricks erbij geroepen. Die zei echter dat hij het gewraakte praatje in het huis van Claas Ubbes gehoord had. En Claas Ubbes, vervolgens eveneens op het matje geroepen, wist van niets. Hoewel Sicco Hindricks nog verklaarde dat het hem speet dat zijn woorden zoveel leed teweeg hadden gebracht, liep Albert Jans kwaad uit de kerkeraadsvergadering weg zonder zich te verzoenen. Waarschijnlijk omdat de bron van de laster niet bereikt was.
Daarom werd er een week later nog een buitengewone kerkeraadsvergadering belegd om partijen vrede te laten sluiten. Wat na een lang verhaal van een ouderling, die er in huize Ubbes bij geweest was, eindelijk lukte.
‘Welk een verbazend gezigt trof mijn oog!’ Een dagje Schier anno 1808
Geplaatst op: 10 oktober 2009 Hoort bij: Geschiedenis, Wadden 3 reactiesHebelius Potter, ambteloos predikant in Dokkum, proto-romantisch reisbeschrijver en zelfverklaard eilandgek, ondernam in 1808 een tochtje naar Schiermonnikoog. Hij schreef er een brief over naar Londen, die naderhand terechtkwam in zijn boek Wandelingen en kleine reizen: “De vrouwen zijn zeer schuw, loopen weg, of verschuilen zich achter eene deur of ergens anders, zoo dra zij eenen vreemden bemerken.”
Potter stapte aan boord in Oostmahorn, waar toen alleen maar een herberg stond, Daar hoefde hij niet te wachten. Precies op het moment dat hij erankwam, stond een schip op punt van vertrek naar Schiermonnikoog. Aan boord trof de werkloze predikantj een andere Dokkumer aan, en een al wat oudere proponent (aankomende predikant) uit Groningen, die de volgende zondag op Schier zijn preektalenten moest komen tonen.
Er stond een gunstige wind, aldus Potter:
“Ik vond er een zeker genoegen in mij eens wederom op zee te bevinden, en vooral ook in het denkbeeld dat ik naar een eiland voer. Het is toch zoo, sints mijn verblijf op het schoone onvergetelijke Sint Helena, heeft de naam van eiland voor mij iets streelends en bekoorends, hoewel ik ook bij een weinig nadenken gemakkelijk overtuigd kan worden dat alle eilanden geene Sint Helena’s zijn of kunnen zijn.
Intussen gaf het schommelen van het vaartuig mij eene aangename beweging en het geklots der golven was een streelende muziek voor mijn gehoor. Denkbeelden en herinneringen aan voorledene gebeurtenissen en lotgevallen kwamen in mij op, en veraangenaamden zeer dit overtogtje. Het kleine vaartuig maakte echter op deze ondiepe wateren eene geweldige beweging…”
De Groninger proponent, die nog nooit op zee was geweest, werd razendsnel misselijk, en zat lijkbleek te zweten met een scheepsputs tussen zijn benen. Potter vertelt dat hij bij de herinnering aan dit tafereel zijn leedvermaak moest onderdrukken, maar ook dat hij zijn reisgenoot probeerde op te beuren.
“Het eiland op eenen kleinen afstand genaderd zijnde, heeft een zeer bevallig voorkomen. De nette eenvoudige huizen, het frissche groen der boomen en de agter dezelve hoog als bergen oprijzende witte duinen leveren aan het oog een zoo treffend als grootsch en schilderagtig gezigt op. Binnen een uur hadden wij de geheele overvaart volbragt, en bevonden ons op de plaats van onze ontscheping.”
Schiermonnikoog had nog geen haven. Schepen moesten een flink eind van het strand voor anker blijven liggen, een wagen met paarden kwam dan door de golven om mensen en goederen af te halen. Potter had liever een sloep gehad. Hij vond deze methode maar gevaarlijk:
“Wij plaatsten ons dus in of liever op zulk eene niet zeer fraai bewerkte, losse en ongemakkelijke reismachine en reden op eenen vollen draf door de schuimende golven. Dewijl het op dit tijdstip hoog water was, bevonden wij ons voor eenige ogenblikken op zulk eene diepte, dat de paarden zwemmen moesten. De golven sloegen tegen onze voeten.en wij waren genoodzaakt de ongemakkelijkste en gevaarlijkste houding aan te nemen wilden wij niet doornat worden. Om de waarheid te zeggen: ik had het niet breed op deze pret….”
Maar het gezelschap kwam behouden aan en dronk daar in de herberg “een morgenteugje” op. Daarna ging ieder zijns weegs. Potter wandelde in oostelijke richting:
“Het eerste dat ik ontmoette was de pastorij. Het is eene regt lieve en nette wooning, bevallig verscholen onder rijzend geboomte en omringd van eenen ruimen welaangelegden tuin. De voorgevel van het huis ligt zuidwaarts en geeft aan de vertrekken een heerliijk uitzigt over de Wadden op de Friesche kusten. Voor het overige was deze wooning van binnen maar zeer gemeen (gewoon HP) en niet gemakkelijk, eenige stukken goed weiland behooren bij dezelve, waarvan de predikant de voordeelen trekt.”
Deze collega van Potter was niet thuis. Diens vrouw wel, maar zij was druk bezig met pakken voor een aanstaande verhuizing naar een andere standplaats. Veel tijd voor een gesprek had ze dus niet en Potter liep door…
“…langs eenen zwaren zandigen weg, regt aan op het slot van den jonker Starkenborgh, heer van Wehe en gedeeltelijk van dit eiland. Ik ging intusschen voorbij het huis van jonker Stachhouwer, mede eigenaar van dit land, welk huis echter niets fraais of belangrijks aan het oog vertoonde. Eenige weinige schreden van hier ligt het gemelde slot van den heere van Wehe. Daar ik wist dat mijn reisgenoot de proponent in hetzelve gebilletteerd was, maakte ik aldaar eene boodschap en, schoon hem niet thuis vindende, gaf mij dit toch gelegenheid hetzelve van binnen en buiten te bezigtigen (…)
Genoeg zal het zijn, u hieromtrent te melden, dat het een deftig ruim gebouw is, uit een groot aantal vertrekken bestaande, en te goed om niet bewoond te worden, want, daar de eigenaar van hetzelve meest zijn verblijf houdt te Groningen, of op zijn landhuis te Wehe. en slechts bij gelegenheid eenen enkelen dag op het eiland komt, wordt naar dit huis niet veel omgezien. Het is grootendeels ongemeubeld, en wordt bewoond door een paar bejaarde lieden om het op te passen. Met geringe moeite en kosten zou het voor eenen vriend van eenzaamheid en stilte een bekoorelijk verblijf kunnen worden. Ruime, doch thans slecht bewerkte tuinen en een zeer uitgestrekt bosch omringen hetzelve.”
Potter liep door naar het oosten en kwam bij weilanden:
“En inderdaad had het gezigt van deze groene velden, van het grazend vee, van een paar eenvoudige herders, van enkele groepjes boomen, van de zee aan de eene en de hooge witte duinen aan de andere zijde iets bekoorends en schilderachtigs. Eene enkele hut onder een paar vriendelijke boomen, die eraan ontbrak, zou het gezigt volmaakt en het hart van den wijsgeerigen beminnaar der natuur den wensch ingestort hebben, hier op dit afgezonderd, vreedzaam plekje stille, geruste daagen door te brengen. De weilanden en de nieuw aanslijkende gronden strekken zich uit tot op eenen verbazenden afstand, en verliezen zich geleidelijk in zee. Gelijk het eiland aan de westzijde afneemt, zoo neemt het wederom aan de oostzijde aanhoudend toe.”
Omdat er verder naar het oosten geen ander landschap te verwachten viel, keerde Potter op zijn schreden terug voor het “smakelijk middagmaal”, dat hij ’s ochtends al in de herberg besteld had. ’s Middags bezichtigde hij de andere kant van het eiland:
“De kerk, opgebouwd nadat de vorige met een gedeelte van het land was weggespoeld, is een nog nieuw, doch zeer gemeen gebouw, niets fraais of opmerkelijks bevattende. Zoo zijn ook de drie of vier gelijkvormige rijen huizen laag, donker en meest alle gelijk aan elkanderen, wordende in de meeste het voorste en achterste gedeelte door bijzondere (= afzonderlijke HP) huisgezinnen bewoond. Er zijn geene straten en men moet zich overal door het zware zand henen worstelen.
Van hier begaf ik mij naar de duinen, die bolwerken welke dit eilandje voor eene geheele vernieling bewaren, en beklom het hoogste dat ik vinden kon. Welk een treffend, welk een verbazend gezigt trof mijn oog! Treffend en grootsch was de vertooning van eene geheele keten van ongelijk naast elkanderen oprijzende duinen, door den Schepper der Natuur opgeworpen tot eene verschansing tegen de woedende zee, en tot grenspalen van haar gebied. Voor mij zag ik niets dan eene oneindigheid van water, lucht en wolken. De woeste Noordzee met hare rustelooze schuimende golven, aan beide zijden de trotsche zich in ongelijke gedaanten verheffende witte duinen. Beneden mij overzag ik het geheele eiland, de kleine gelijkvormige huizen, hier en daar een groepje boomen, de sombere kerk en het boven alle gebouwen uitmuntend adelijk slot, zich met eene stille majesteit boven het donker bosch verheffende.
Mij omkeerende, kon ik mijn oog laten weiden over de zich als een zee vertoonende Wadden en de kusten van Friesland en de Ommelanden. Met een streelend vermaak staarde ik op de rustelooze golven, die zich op deze onmetelijke oppervlakte met een zekere trotsche gelijkheid verhieven.”
Terwijl in de verte de branding ruiste, overzag Potter verbaasd en eerbiedig het “grootsch gezigt”, dat hem deed denken aan de “majesteit des Scheppers”. Hij keek naar het westen. “Het vlakke afgebrokkelde strand” aan die kant liet hem opnieuw stilstaan bij het wandelen van het eiland. Ooit zou het zich met het vasteland van Groningen verenigen, was zijn verwachting.
Nu hij alles op het eiland gezien had, keerde hij terug naar zijn herberg, “dronk daar een lekker kopje thee”, en bracht de avond aangenaam door met de proponent, de stadgenoot en een officier van het militaire detachement dat op Schier waakte tegen een Engelse invasie. Terugblikkend leverde de verlichte Potter nog een aantal meteorologische en agronomische observaties:
“Het luchtsgestel is daar, zoo als lieden die jaren op hetzelve gewoond hebben mij verzekeren, kouder dan aan den vasten wal, doch doorgaans zeer gezond. De veld- en tuingewassen komen later tot rijpheid. Aardappelen tieren hier zeer wel en zijn aangenaam van smaak. Alle soorten van groenten willen hier wel voort, doch zijn schaars. Weinige lieden bemoeijen zich met den tuinbouw, waarvan misschien de oorzaak daarin gelegen is. dat het grootst getal der mannen, schippers zijnde, meestal afwezig is, en de weinigen die zich in den zomer op het eiland bevinden, te zeer met andere bezigheden bezet zijn, of tenminsten niet meer dan voor eigenen voorraad bouwen. Van hier schaarsheid en duurte, dewijl meest alles van het vasteland gehaald moet worden.
Zoo is het ook met de vruchten. Boomgaarden zijn er weinige, doch zij die deze aangelegd hebben en behoorlijk voor dezelve zorgen, vinden hunne moeite rijkelijk vergolden. De slottuin leverde voor jaren eenen verbazenden voorraad fruit en fijne vruchten, doch tegenwoordig niets. De boomen zijn verwaarloosd en meestendeels gestorven.”
Over de eilanders kan Potter weinig zeggen, omdat hij er onvoldoende omgang mee had. Maar dit had hij over ze gehoord:
“Hun karakter wordt algemeen geprezen als opregt en gul. De taal is eene aan dit eiland bijzonder eigene, en voor den vreemdeling onverstaanbaar. De kleeding, vooral die der vrouwen, is stijf en onbehagelijk. Ook zijn deze laatste zeer schuw, loopen weg, of verschuilen zich achter eene deur of ergens anders, zoo dra zij eenen vreemden bemerken, en loeren die dan uit een verborgen hoekje na, zoo lang zij kunnen.
De verkeering (=het sociale verkeer HP) is er stijf en onaangenaam en, zoo als men mij verzekerde, voor den vreemdeling, buiten twee of drie fatsoenlijke huizen, volstrekt niets waardig.
De gewoone dagelijksche kost bestaat uit aardappelen, pannekoeken en visch.”
Met zijn stadsgenoot wilde Potter de andere morgen heel vroeg vertrekken, maar in de nacht kwam een storm op die dat verhinderde. Tegen tien uur luwde de wind. Binnen een uur stonden ze weer op het vasteland bij Oostmahorn.
BRON:
Hebelius Potter, Wandelingen en kleine reizen door sommige gedeelten van het Vaderland, deel I (Amsterdam 1808), pag. 38-49.

Kroegbazen en de BUMA
Geplaatst op: 8 oktober 2009 Hoort bij: Geschiedenis 6 reactiesUit: De Nieuwe Holevoet van 13 april 1957.
Eega CdK gaf cursus rolpens
Geplaatst op: 6 oktober 2009 Hoort bij: Drenthe vrogger, Geschiedenis Een reactie plaatsenIn 1918, aan het eind van de Eerste Wereldoorlog, moesten boeren al hun graan aan de overheid leveren, zonder dat ze er iets van mochten achterhouden. En dus konden ze geen varkens meer vetmesten. De Havelter familie Veldman, die anders in november altijd twee varkens van elk ruim 400 kilo door de huisslachter liet slachten, besloot daarom in plaats van de magere zwijnen in het voorjaar, in het najaar een vette koe te kopen. Alleen zat ze toen wel met een probleem. Hoe je zo’n rund na de slacht moest verwerken, dat wist vrouw Veldman niet. In de buurt, op Overcinge, woonde echter een reddende engel, in de persoon van mevrouw Linthorst Homan – Kymmell (1843-1918). Deze zei:
“Vrouw Veldman dan help ik oe met. Ie doet ’t wark en ik zeg ’t oe wel…”
En zo leerde vrouw Veldman van de vrouw van de oude Commissaris der Koningin hoe ze pens moest schoonmaken en met karnewelk moest verwerken tot rolpens.
In 1967 deed de toen 67-jarige dochter van vrouw Veldman dit curieuze verhaal aan iemand, die streektaal-opnames maakte voor het Meertens-instituut. Sinds kort staat die opname met talloze andere op een website, en zo hoor ik dan het uitstervende dialect van mijn jeugd nog eens in ingeblikte vorm terug.
Die dochter en haar iets oudere man Geert vertellen ook over het bakken van stoet (kort) en roggebrood (lang) in het stookhok, en het koeiendrijven dat de kinderen moesten doen voor ze naar school toe gingen.
Geert en een kennis Roelf, een oud-winkelier uit de omgeving, leggen bovendien uit hoe het hooien ging. Dat werk begon pas na de langste dag, terwijl het in 1967 vaak al in mei plaatsvond, ruim een maand eerder. De madelanden waren begin twintigste eeuw lang niet zo goed als later, want ze werden nog niet bemest, hooguit bevloeid:
“Dat waren allemoal van die blauwgies, dat was blauwgras hè.”
Ook het steken van heideplaggen voor de potstal, de brandcultuur van veenboekweit, het turfgraven en -trappen, de boterbereiding en het dorsen komen ter sprake. Je raakt nog eens op de hoogte van het oude boerenbedrijf in Havelte. Jammer alleen, dat dat de respondenten hun verhaal nogal haastig doen. Voor mij hadden ze best wat meer mogen uitweiden.
“Kiek zegt ze, het is er al!”
Geplaatst op: 6 oktober 2009 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties“Het meeste viel mij op, dat er bij de mensen die arm waren, daar was de steriliteit niet zo geweldig. Maar de mensen kregen geen koorts of borstontsteking of weet ik wat. En bij de rijkeren, die alles schoon en netjes en steriel hadden, was er om de haverklap een borstontsteking of baarmoederontsteking en van alles, omdat ze het zo schoon hadden.”
Jeanne Pragt (83), vanaf 1952 vroedvrouw in Klazienaveen en wijde omgeving, gister op rtv Drenthe.
Groninger matroos naar Australische strafkolonie
Geplaatst op: 2 oktober 2009 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesZo schrijf je over gespuis dat vanuit Engeland naar Australië werd opgezonden, en zo ontdek je dat ook een Groninger die weg is gegaan.
Het betreft de in 1845 geboren tuinierszoon Hinderikus Johannes Erenshuizen. In 1865 stak hij als matroos in een kroeg te Yarmouth de scheepskok A. Hinsman onverhoeds in het hart. Dader en slachtoffer waren collega’s op het Groninger galjootschip Secundus, dat met een lading tarwe in die Oost-Engelse haven lag.
Erenshuizen werd als Heinrich J. Erenshuisen veroordeeld tot een langdurig verblijf in de strafkolonie West-Australië, en arriveerde op 13 juli 1867 met het gevangenisschip Norwood in Perth. Waarschijnlijk is hij in de buurt als dwangarbeider ingezet bij de aanleg van infrastructurele werken.
Volgens het West-Australische Politieblad kwam hij in 1886 op vrije voeten als Hendricus Erenshuisen. Intussen was hij in 1880 getrouwd met een weduwe, bij wie hij twee zoons verwekte. Na zijn invrijheidstelling bleef hij in Perth, waar hij werkte als timmerman en scheepstimmerman. Op 12 mei 1921 is hij daar overleden.
De Peizer zenuwkoorts (1808 en 1809)
Geplaatst op: 1 oktober 2009 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties“Hieruit blijkt, dat het dorp Peize zints lang den naam had en verdiende van ongezond te zijn. De ligging op een lagen veengrond tusschen digt geboomte en hooge hopplanten, waardoor de optrekking der dampen en vrije doorspeling der lucht verhinderd worden; de enge en morsige woning der inwoneren, derzelver laffe meelspijzen, rijkelijk met niet genoeg gezoden spek bedeeld: dit gaf veelvuldige aanleiding tot allerlei, vooral asthenische ziekten, en ook tot deze koorts.”
De digitale schoolmeester van Bonda (1779)
Geplaatst op: 1 oktober 2009 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties“Wanneer men, in plaats van onze gewoone 10 Cyffergetallen, maar 2 gebruikte, als 1 en 0, hoe zoude zich dan zulk een Numeratie vertoonen? Antw. aldus:
1 = 1 10 = 2 11 = 3 = 1 + 2 100 = 4 101 = 5 = 4 + 1 110 = 6 = 4 + 2 111 = 7 = 4 + 2 + 1 1000 = 8 1001 = 9 = 8 + 1 1010 = 10 = 8 + 2 1011 = 11 = 8 + 2 + 1 1100 = 12 = 8 + 4 1101 = 13 = 8 + 4 + 1 1110 = 14 = 8 + 4 + 2 1111 = 15 = 8 + 4 + 2 + 1 10000 = 16 10001 = 17 = 16 + 1 10010 = 18 = 16 + 2 10011 = 19 = 16 + 2 + 1 10100 = 20 = 16 + 4 en zoo vervolgens.”
Ongeletterd Sebaldeburen (1811)
Geplaatst op: 1 oktober 2009 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“Allen kunnen hier op verre na niet lezen of schrijven: velen die nog lezen kunnen, lezen slecht; weinigen kunnen dit behoorlijk doen. Er zijn velen, die niet meer schrijven kunnen, dan hunnen naam; eenige weinigen schrijven redelijk.”
Dat schreef dominee Westendorp van Sebaldeburen in 1811 over zijn gemeente. Bij zo’n lage graad van geletterdheid is het geen wonder dat er ook weinig (courante) lectuur in omloop was:
“Met het lezen van nieuwe werken houdt zich slechts eene enkele op: er wordt bijna niet gelezen. De meesten hebben zelfs tegen latere werken een vooroordeel.”
Bij onderzoek naar Noord-Drentse boedelinventarissen uit de achttiende eeuw, bleek me ooit, dat minder dan tien procent van de erflaters daar boeken in huis had, anders dan een bijbel of testament. Slechts een enkeling bezat wat stichtelijke werken, en verder hadden de dominee, de dokter en de rechtsgeleerde boeken op hun vakgebied, maar daarmee hield het wel op. Westendorps opsomming van het boekenbezit in Sebaldeburen sluit naadloos op die bevinding aan:
“Sommige huisgezinnen hebben geen boek, anderen alleen den bijbel, eenige bovendien nog een gebedeboekje of bloemhofje, of een paar kleine methodistische blaadjes, die door omloopsters verkocht worden. Zeer weinigen hebben den een’ of anderen schrijver over den Catechismus, en een boek met predikaties. Brakel is hier van al de schrijvers het meeste in achting. Hij en Cats zijn hier haast alleen bekend.”
De citaten komen uit een bespreking van Westendorps inwijdingspreek voor de nieuwe kerk van Sebaldeburen (1807), die aangevuld met een historisch essay, in 1811 verscheen bij uitgever Oomkens in Groningen. De bespreking stond in de Vaderlandsche Letteroefeningen van dat jaar, die met andere jaargangen van dat literaire tijdschrift door DBNL op het web is gezet.
De miskenning van Abel Tasman
Geplaatst op: 28 september 2009 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties
Nog veertien nachtjes slapen en dan houdt Jeroen Onderwater voor Studium Generale een lezing over de ontdekkingsreiziger Abel Tasman uit Lutjegast. Volgens de nieuwsbrief van SG is Tasman wereldberoemd in Australië en Nieuw-Zeeland, maar wordt hij in ons vaderland schromelijk miskend:
“Voor de Australiërs en de Nieuw-Zeelanders past hij in het rijtje Bartolomeus Diaz, Vasco da Gama en Columbus. Down Under zijn tientallen plekken naar hem vernoemd. In Nederland heeft Tasman zelfs nog geen standbeeld. Hoe komt dat?”
Tsja, tegenwoordig gaat zowat iedere jongeling backpackend door Australië, maar lange tijd was dat beslist niet zo’n florissant oord. Het perfide Albion zond er nogal wat gespuis heen en verder was het er kurkdroog. Je kon er dus geen mooie plantage beginnen. Er viel geen eer mee in te leggen en toen dat bijtrok, was de tijd van de grote nationale heldenvereringen voorbij. Dat zou ik eerst zeggen, in antwoord op die vraag.
Maar qua straatnamen valt het bij nader inzien reuze mee met die miskenning, Zo zijn er Abel Tasmanstraten in Groningen, Delfzijl, Winschoten, Bedum, Emmen, Zwolle, Den Helder, Maasdijk, Rotterdam, Oud Beijerland, Dordrecht, Capelle aan de IJssel, Goes, Utrecht, Best, Den Bosch, Tilburg, Valkenswaard, Roosendaal en Heerlen, om de eerste twintig maar te noemen die ik via Google vind. Al ontbreekt Friesland opvallend genoeg bij dit rijtje plaatsnamen, in de rest van Nederland zijn er wel degelijk tientallen plekken naar de Groninger ontdekkingsreiziger genoemd. Momenteel heet ook weer het hoogste woongebouw van de stad naar de knakker uit Lutjegast. Ik vermoed derhalve dat die geponeerde miskenning vooral een retorische aangelegenheid is.






Recente reacties