‘Osquert is een jenevergat’

Geplaatst op 17 oktober 2007 

De naam van de man is vooralsnog onbekend. Bij de Liederenbank hebben ze zijn gegevens nog niet ingevuld. Maar hij woonde in 1973, toen hij Ate Doornbosch op bezoek kreeg, in ’t Zandt, en hij vertelde deze presentator van het VARA-radioprogramma Onder de Groene Linde over zijn vroegere leven in de Usquerder- en Warffumerpolders, en dan vooral over het vissen en jagen, ook op vogels.

De Liederenbank heeft – voor zover mij bekend is – vier opnamen van hem op haar website staan:

  • Ten eerste een verhaal over de Friese koppelarbeiders en hun zang, het vissen in de gracht rond Groot-Zeewijk, de manier waarop arbeiders verloren jenever van het ijs haalden en het bijzondere karakter van het dorp Usquert.
  • Ten tweede het vogelfluitje waarmee in het najaar wilsters of goudplevieren werden gelokt,
  • Ten derde een relaas over het vogels vangen, wat voor netten daarvoor werden gebruikt, en hoe groot de vogelvangbranche in het najaar wel niet was in Groningerland.
  • Ten vierde een verhaal over eerlijke, individuele jacht tegenover elitaire, collectieve en luie drijfjacht.

Eerder hier over de Liederenbank:

Ap Sap Siepie, wanneer bin ie riepie
(Over Hendrik van der Zweerde uit Uffelte.)

Famde fan de Lytje Pole I
(Over Henriëtte Pieperiet-Van Bon van Schiermonnikoog.)

Famde fan de Lytje Pole II
(Over Greta de Pater van Schiermonnikoog.)

Het lied van de Waddeneilanden
Over een rijm dat de eigenschappen van alle waddeneilanden behandelt.)

Een voetwisritueel bij vuil grondwerk
(Over een lied dat aardappelrooieres, wijkgravers en veenarbeiders hun bazen toezongen, in ruil voor drank.)

Het eertijds beruchte Muntendam
(In een obscuur artikel uit 1904 over Muntendam kwamen wat liedteksten voor, die tientallen jaren later werden opgenomen door Onder de Groene Linde.)


Dag van de Groninger Geschiedenis

Er was een marktje van diverse restauratoren, zoals zilversmid Cees Wolf met een zilveren Martinitorentje, een meubelmaker met een empire-stoel, en een gipswerker met allerlei ornamenten:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Er  was het poppenhuis in de vorm van het Groninger stadhuis, dat prinses Wilhelmina in 1892 op haar twaalfde cadeau kreeg bij een bezoek aan Groningen, en dat ze vijf jaar later op haar beurt weer aan het Groninger Museum schonk:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Er stonden wat kramen van pomologen die oude fruitrassen in stand houden:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

En er lag een Duitse stahlhelm uit de oorlog die geëmailleerd was voor hergebruik als nachtspiegel:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


De kat van ome Izzy

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Uit de Winschoter Courant van 4 februari 1894.


Het Friese secreetzegel in Groninger handen

Geplaatst op 7 oktober 2007

Sommige mensen boffen maar. Bijvoorbeeld Gedeputeerde Ineke Mulder van de provincie Groningen. Zij kreeg gisterochtend in Leens een echte zegelwas-afdruk van een origineel ‘Tota Frisia’-zegelstempel uit de veertiende eeuw.

Op de afdruk flankeren een paar stoere Friese krijgers met hun lansen en ronde schilden de moedermaagd Maria op haar troon. Onderaan het stempel staat de naam van de priester en zegelbewaarder Ubbo. Vermoedelijk was hij hoofdpastoor en seendrechter van Groothusen in Oost-Friesland. Daar heersten spanningen en daarom liet Ubbo zijn signet voor alle zekerheid maar even achter in Appingedam.

Eigenlijk had Ubbo twee van zulke zegelstempels met het opschrift Tota Frisia. Een voor openbare en een voor geheime stukken. Dit is een afdruk van het secreetstempel.

Dat Tota Frisia sloeg op de Friese landen die samen een verbond hadden gesloten, de Upstalboom. Meestal vochten die Friezen veel liever vetes met elkaar uit, maar tussen 1216 en 1361 waren er ook tijden dat ze eendrachtig samen leken te werken. De laatste bijeenkomst was op initiatief van de stad Groningen. Daarna won de verdeeldheid het definitief.

De Groninger gedeputeerde kreeg de afdruk bij de aftrap van ‘Thuis in Groningen‘, een najaarsmanifestatie, op touw gezet door het Groninger Forum, met onder meer lezingen, tentoonstellingen, een literaire woonbotenroute, een verhalenwedstrijd en een meubelruilbeurs voor kinderen. Komt dat zien, zou ik zeggen.


De dood van een journalist

Onder het tussenkopje Winschoten stond er een dik rouwkader. Met daarin de mededeling dat kort voor het ter perse gaan van dit nummer, het vierde van 1894, de redactie van de Winschoter Courant het treurige bericht bereikte dat haar mede-redacteur W.J.N. Landré, tevens notaris alhier, na een zeer korte ziekte overleden was.

Ik had vanochtend even een uurtje over, was toch al op het archief, en vroeg dus de legger van dat jaar aan. De berichten over Landré troffen het meest in de tien nummers die ik door kon nemen. Niet zozeer omdat de man het notarisambt combineerde met de journalistiek, want dat deden wel meer notabelen in die tijd. Maar door zijn loopbaan, die tamelijk exemplarisch was, terwijl ik werkelijk nog nooit van de man had gehoord.

In het volgende nummer stond een in memoriam. Landré werd geroemd om zijn grote kennis, zijn vlugge begrip, zijn ronde karakter en zijn heldere oordeel. Landré aarzelde niet om te zeggen wat hij voor recht en waar hield. Door dat oordeel van hem had hij tal van vijanden gemaakt, zo lezen we. En soms waren die vijanden ook wel machtig.

Hij was geboren in 1841 te Haaften als zoon van een predikant en had eerst zelf ook theologie gestudeerd. Naderhand koos hij voor een juridische loopbaan. Hij werkte eerst mee aan de Middelburgsche, en later aan de Rotterdamsche Courant. Bij die krant was hij tegen de opname van artikelen door prins Alexander geweest. Die zou eerst erg boos op Landré zijn geweest, maar hem naderhand gelijk hebben gegeven, en zou er de hand in hebben gehad dat Landré de notarisstandplaats in Vlijmen kreeg.

Daar in Vlijmen bleef Landré schrijven, onder andere over land- en tuinbouw, en voor De Economist. In 1890 verhuisde hij naar Winschoten, van waaruit hij in de redactie zat van het Tijdschrift voor Notarissen. Bovendien schreef hij voor de Winschoter Courant, en verzorgde hij recensies voor Het Leeskabinet. Het was een man van onvermoeide ijver, die woekerde met zijn gaven.

Tot zover het in memoriam. Het begrafenisverslag, elders in dit nummer, maakte nog melding van zijn lidmaatschap van de Winschoter Tentoonstellingscommissie. De man liet negen onvolwassen kinderen na, die geen van allen al zelf de kost verdienden.

Pas in het zesde nummer stond de overlijdensadvertentie van de weduwe MC Landré-Krah en de weduwe Gori-Landré. Dit familiebericht werd nota bene opgegeven in Leiden.


Het Noordelijk Archeologisch Depot in Nuis

Geplaatst op 27 september 2007 nad nuis

De vondsten bij archeologische opgravingen hoopten zich almaar op in de provinciale musea van Groningen, Friesland en Drenthe. ,,Rond 1990 begonnen die daar de balen van te krijgen”, zegt Ernst Taayke. ,,Ze wilden er wel vanaf.” Daarom kwam er een gezamenlijk depot in het dorpje Nuis, dat geopend werd door staatssecretaris Nuis. Het Nederlands Dagblad had er van de week een groot artikel over.

Dat stuk noemt ook de website van het NAD. Die kende ik nog helemaal niet. De site is duidelijk in opbouw, en volgens mij is het zoeksysteem ook niet erg geacheveerd, maar ik vond – wonder boven wonder – met een paar muisklikken wèl een foto van de prachtige tinnen lavabo uit de weeme van Leens, waarover ik het van de week al even had.

(Met dank aan René F.)


Een lavabo van het Hogeland

b35d797fc4

Bij de statistiekpagina’s van mijn weblog zit er ook een die de urls opsomt van sites waar bezoekers vandaan komen. Op zo’n site staat dan een link naar Gelkinghe. De meeste adresjes zijn me natuurlijk wel bekend, maar eind augustus zat er iets bijzonders bij: een inmiddels verdwenen pagina van ene Martin uit Delfzijl op de veilingsite Kapaza, met een bodemvondst die volgens hem in 1969 opgegraven was op het Hogeland.

Toen Martin zijn advertentie medio juni plaatste wist hij niet om wat voor voorwerp het precies ging, maar hij vermoedde al dat het een waskom betrof. Volgens hem bestond het voorwerp uit twee aan elkaar gesoldeerde helften. Aan de zijkanten zaten twee handvatten die vormgegeven waren als hoofdjes (man en vrouw). Van tuit tot tuit was de kom 25,5 centimeter breed. Hij was 14 centimeter hoog en woog 2,6 kilogram.

Bij de plaatsing van zijn advertentie vroeg Martin al om informatie over “het ding”. Kennelijk vertelde iemand hem van de zomer dat het om een lavabo ging. Zo kwam hij ook bij mijn weblog terecht, want daarop staat sinds begin maart een pagina over de lavabo van Alkmaar, waar hij naar doorlinkte om belangstellenden informatie te verschaffen.

In de drie maanden dat Martins’ advertentie op het web stond zal deze zo’n 120 maal bekeken zijn. Martin wilde een “redelijk bod”, en verwijderde onzinbiedingen, zei hij. Eind augustus stond er maar één enkel bod genoteerd, van ene Jan die begin juli 25 euro voor de lavabo bood. Blijkbaar beschouwde Martin dat niet als een onzinbieding.

Ik wist niet anders dan dat lavabo’s behoorlijk zeldzaam zijn, en het leek me een bijzonder aardig stuk. Ik dacht er nog even over om zelf te gaan bieden, maar vroeg me af of het Gronings Museum wel een lavabo had. Daarom verwittigde ik een mij bekende conservator.

Hij vertelde dat het museum wel een een stuk of vier, vijf bronzen lavabo’s in de collectie had, meestal met mensenkopjes terzijde. Vaak zijn de kopjes en tuiten hiervan erg versleten en komen de lavabo’s uit de antiekhandel, of zijn het erfstukken uit inboedels. De bronzen lavabo’s, ook in andere musea ruimschoots voorhanden, waren volgens hem nog in de zestiende en zeventiende eeuw gangbaar in huishoudens als keukengerei. Naast de bronzen exemplaren beschikt het Groninger Museum over een zeldzaam, heel gaaf exemplaar uit de weem van Leens. Dat exemplaar is van tin gemaakt en heeft een duidelijk afwijkende versiering.

Helaas leek de lavabo die Martin aanbood van brons, en niet van tin. Hoewel het museum al meerdere exemplaren van het aangeboden type had, vroeg de conservator Martin toch, om even contact met hem op te nemen. Dat was ook omdat hij in de vindplaats geïnteresseerd was. Die kon zelfs reden tot verwerving zijn.

Maar tot op heden heeft Martin zich niet bij de conservator gemeld. Wat niet is kan natuurlijk nog komen, maar ik denk dat ik de volgende keer zelf maar bieden ga, in plaats van het museum voorrang te geven. Als die opgraving waar Martin over sprak, niet helemaal zuivere koffie was, kan de benadering door de conservator hem ook kopschuw hebben gemaakt. Mogelijk had ik het ding voor een euro of veertig, vijftig in handen kunnen krijgen, en als het museum het niet wilde overnemen, had ik er altijd nog een leuk prijsje voor kunnen maken op de vrije markt.


Niets beklijft

Ik ben nu twee avonden zoet geweest met het taggen van mijn dit jaar gemaakte foto’s. Daarbij kwam ik ook weer de slijtende, brekende, begroeide en instortende grafstenen tegen, die ik deze zomer op kerkhoven zag. Mensen willen iets moois op hun graf, dat de tand des tijds weerstaat, daarom schaften ze de houten paaltjes op graven af zodra ze rijk genoeg waren om zich iets van steen te kunnen veroorloven. Maar in het licht der eeuwigheid houdt dat hardere materiaal het niet eens zo veel langer vol, dan dat hout, en hun botten in de aarde.

– Stedum:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– Baflo:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– Finsterwolde:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– Nieuwolda:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


IJscokar – 2772 euro

Geplaatst op 19 september 2007

Op de rijtuigveiling in Wapse, afgelopen zaterdag, bracht deze Nederlandse ijscokar van ca. 1930 – oftewel kavel nummer 126 – de somma van 2772 euro op, inclusief ruim een kwart opgeld. Degene die ooit met de gloednieuwe kar ventte, en die er nog ijsjes van 1, 2 en 3 cent uit verkocht, zou er behoorlijk van hebben opgekeken.

Catalogusopbrengsten


Wolven-bestrijding in Groningen en Drenthe

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Otto Knottnerus reageerde vandaag op het stukje over de wolventoponiemen in Groningerland met onder meer een citaat uit 1595 van de predikant van Bunde:

“…dede de Wulff grothen Schaden up dat Letsland manck de Schapen, darna ock binnen Dyckes um Wymehr vnde tho Boen, ock vp Westfalen hen und her.”

Het ging om de streek onmiddellijk over de grens met het Oldambt. Waarschijnlijk had deze regio in 1595 dus eveneens last van wolven.

Otto begon ook over wolvenjachten, en het grappige was dat ik op dat moment nèt een Drentse Volksalmanak bij de UB had geleend met een artikel over dit historische verschijnsel. Hoewel er nog meer Drentse literatuur schijnt te zijn, heb ik vanavond meteen maar even doorgepakt en me naar de Groninger Archieven begeven, waar ik al vlug wat gegevens bij elkaar kon harken over de bestrijding van wolven in Groningerland.

Provinciale Groninger placcaten uit 1595, 1597, 1598 en 1607 noemen de wolf een probleem in het zuidelijke Westerkwartier: Langewold en Vredewold en de streek ten zuiden van het Reitdiep, met name de omgeving Leek. Volgens Gedeputeerden Staten klaagden de bewoners van deze contreien over “merckelicke grote schaeden” aan hun levende have door de wolf, “die soe het schijnt sich op veele plaetsen heefft laeten sien”. Daarom kwam er die jaren in deze omgeving een algemene, soms meerdaagse wolvenjacht, waarbij de ingezetenen zich “mit guet geweer”, dat wil zeggen “roeren, roerjagers, vorcken” en dergelijke moesten voorzien, om de “schaedelicke creaturen” zoveel mogelijk uit te roeien. Gedeputeerde Staten stelden daarbij de Grietmannen als leiders over de drijfjachten aan. Hun aanwijzingen moesten beslist worden opgevolgd, zoniet, dan werden de overtreders van hun geboden naar bevind van zaken gestraft.

De wolvenjachten van 1597 en 1598 vonden plaats in aansluiting op wolvenjachten in de belendende Friese en Drentse gebieden. Tussen het Reitdiep en het Damsterdiep is er nooit sprake van wolven geweest en het oosten van de provincie schijnt iets minder last van wolven te hebben gehad dan het zuidelijke Westerkwartier. In 1598 vond daar een wolvenjacht plaats in de omgeving van Scharmer en het Duurswold en in 1601 gebeurde dat in de omgeving van Slochteren, waar jonker Rengers speciaal voor deze gelegenheid een grote legertrom uit het Provinciale Kruithuis leende. In 1608 wordt dan nog het Oldambt genoemd als lokatie van een wolvenjacht.

Opmerkelijk is, dat het daarna in de hele provincie Stad en Lande lange tijd stil blijft op dit gebied. Pas na exact een eeuw, in 1708, hoort het Groninger stadsbestuur “dat sigh wolven onthielden in ’t Goregt, dewelke reeds veel schade hadden gedaan”. Burgemeesteren en Raad gelasten daarom hun Ambtman in deze stadsjurisdictie, een premie van 100 gulden uit te betalen aan degene die een wolf doodt of levend vangt, welke premie wordt verhaald op de gezamenlijke ingezetenen van het Gorecht. Honderd gulden, dat was in deze periode bijna een jaarinkomen voor een arme sloeber.

In 1737 krijgt het stadsbestuur informatie dat er zich wolven ophouden en verbergen in de stadsjurisdicties in het algemeen, dus niet alleen in het Gorecht maar ook in het Oldambt en Westerwolde. Vanwege het grote gevaar voor schade aan koeien, ossen, paarden, kalveren, schapen en lammeren, breidt het stadsbestuur dan de premieregeling uit. Niet alleen staat er dan 100 gulden op een oude of volwassen wolf, maar ook 50 gulden op een jonge wolf. En de stadsrentmeester moet dan zulke premies voorschieten.

Toch zit er een verschil tussen deze premie-regelingen in de achttiende eeuw, en de drijfjachten in de vroege zeventiende. De premieregelingen zullen individuele en misschien groepen premiejagers hebben aangelokt, maar gaven niet de stoot tot enorme collectieve drijfjachten. Daarvan is in de achttiende eeuw slechts één maal sprake, in Groningerland. En wel in 1772, in Westerwolde. De melding van deze wolvenjacht is tevens het laatste teken, dat de wolf hier in het wild voorkwam.

Die laatste wolvenjacht vond duidelijk plaats in aansluiting op een wolvenjacht in Drenthe. Van die provincie is er ook een gegeven uit de Middeleeuwen bekend, toen er een “oneindelijcke menigte wolven” rondzwierf. Tussen 1679 en 1685 zijn er trouwens soortgelijke klachten, en ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de Drenten veel erger dan de Groningers door wolven werden geplaagd. Hier waren ook meer aaneengesloten woeste gronden, de grote stille heiden waar schaapskudden rondzwierven als denkbare prooi.

In elk geval kwamen in Drenthe veel vaker collectieve wolvenjachten voor, meestal rond het centrale plateau en het Ellertsveld, maar soms ook in de streek tussen Hoogersmilde en Veenhuizen, en aan de Friese kant van Norg. Deze drijfjachten vonden er plaats in de jaren tussen 1606 en 1612, in 1640, van 1643 tot 1666, van 1679 tot 1685, in 1713, 1736, 1737, 1739, 1740, 1758 en 1772. Hier dus geen honderdjarige pauze russen maatregelen, zoals in Groningerland.

Ook waren de wolvenjachten in Drenthe veel massaler dan in Stad en Lande. De ring rond het Ellertsveld in 1772 was zo ruim, dat ze mannen en gronden van de kerspelen Diever, Dwingelo en Norg in het westen, van Peize, Eelde en Anlo in het Noorden, van Gieten, Drouwen en Emmen in het oosten, en van Schoonebeek, Sleen en Zuidwolde in het zuiden omvatte. Slechts enkele kerspelen, zoals Meppel, Vledder en Havelte bleven buiten die jacht. Aan zo’n Drentse wolvenjacht nam ook een menigte mannen deel. In 1737, toen de premieregeling voor het Gorecht uitgebreid werd met jonge wolven, waren er alleen al in Zuidlaren, Anlo en Gieten 598 deelnemers aan de wolvenjacht, terwijl er nog 12 andere Drentse kerspelen in die jacht participeerden. In totaal valt het aantal mannen dat meedeed aan deze wolvenjacht dus te becijferen op een 2500 à  3000 !

In Drenthe waren de wolvenjachten ook veel gedetailleerder gereglementeerd dan in Groningerland. Ze stonden onder leiding van de schulten (voorgangers van de burgemeesters en notarissen), die zich lieten bijstaan door bezoldigde tromslagers of tamboers. Elke huishouding moest twee man leveren. Deze werden militairement onderverdeeld in rotten van achttien. Voor de diverse gevallen van ongehoorzaamheid waren er uitgebreide, expliciete boeteregelingen die in Groningerland juist ontbraken. In brede linies trokken de mannen over de heiden en velden naar het centrale punt, waar een baken opgesteld stond. Natuurlijk joegen ze in hun steeds nauwere kring ook ander wild op, maar dat mochten ze niet schieten, met uitzondering van wilde zwijnen. Ook was het streng verboden om jachthonden bij de wolvenjacht te gebruiken. Die mochten zelfs zonder pardon worden afgemaakt. Een overeenkomst met Groningen was, dat er in Drenthe eveneens 100 gulden premie op een volwassen wolf stond. Maar Drenthe betaalde slechts 25 gulden voor een jong exemplaar – die kon je dus beter vangen in Groningerland.

Anders dan in Groningen zijn er voor Drenthe ook werkelijk bewijzen van gedode wolven. Bewoners van Hijken, Zuidwolde, en Beilen kregen respectievelijk in 1606, 1608 en 1758 premies uitbetaald. In Drenthe lieten de wolvenjachten zelfs een spoor na in de folklore in de vorm van een lied.

Na 1772 is het zowel in Groningen als in Drenthe voorbij. De drijfjachten van dat jaar in Westerwolde en rond het Ellerstveld waren de laatste. Vier jaar later, dus in 1776, werd naar Otto bericht, de laatste wolf in Oost-Friesland doodgeschoten en zo verwijderde het wolvenprobleem zich ook van onze grenzen.

Harry Perton

NB: voor de bronnen zie de eerste reactie.

Aanvulling


Wolf in Groninger toponiemen

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Naast Hongerige Wolf waren er nog enkele Groninger toponiemen met wolf. Voor zover ik weet en in volgorde van vermoedelijke opkomst:

Wolvendijk – bij Groningen
Bij de antenne- en straalzendertoren van de KPN zit er een dubbele knik in de Peizerweg. Het stukje tussen beide kniebochten en het doodlopende weggetje dat vanaf daar noordwaarts naar het spoor en de vloeivelden van de Suikerunie loopt – en dat officieel ook Peizerweg heet – vormen samen een overblijfsel van de Wolvendijk. Vroeger liep dat weggetje (zie foto) helemaal door naar het Hoendiep, waar een tolhuis stond. Ook een tracé parallel aan de Campinglaan achter het Stadspark maakte eertijds vermoedelijk deel uit van de Wolvendijk. De Wolvendijk werd in de dertiende eeuw aangelegd als ontginningsas voor het in cultuur brengen van de enorme strook moeras- en rietland die hier lag. De dijk lag precies op de raai of rechte lijn tussen de torens van Eelde en Dorkwerd, en hij ging als grens fungeren tussen enerzijds de stadsvrijheid en anderzijds Eelde (Drenthe) en Lieuwerderwolde of Hoogkerk (de Friese Ommelanden).
Bron: Jan van den Broek – ‘Een Stad apart‘, diss. Groningen 2007, hoofdstuk II (met name de pagina’s 241 – 271).

Wolfsbarge – tussen De Groeve en Kropswolde
Waar we nu het Zuidlaardermeer vinden, vond in de hoge middeleeuwen een tamelijk grootschalige vervening plaats door de abdij van Aduard. Toen dat meer eenmaal was ontstaan richtte de Aduarder abdij bij Wolfsbarge een Maria-kapel op. Eind dertiende eeuw werd de bewoningskern hier een zelfstandig kerspel, los van Noordlaren. Vanaf 1409 kregen bezoekers van de Maria-kapel in Wolfsbarge een aflaat van veertig dagen, Nog lang na de reformatie bleef de bedevaart populair, want in 1641 klaagden gereformeerde predikanten over de Maria -verering die op Sint Jansdag, midden in de zomer, in Wolfsbarge plaatsvond. Kerkelijk viel Wolfsbarge in die tijd al onder Kropswolde.
Bron: Van der Aa – ‘Aardijkskundig Woordenboek’ (deel met W uit 1849). Zie ook de Wikipedia.

Wolfsland of Wolveland – onder Wagenborgen
Bron: website Otto Knottnerus.

De Wolf – onder Haren
Circa 1760 – 1780 een herberg ten noorden van Haren, later (weer) een hofstede of boerderij, vanaf ca. 1890 een herenhuis.
Bronnen: Van der Aa (zie boven); Rechterlijke Archieven III x (stad Groningen) deel 123 folio 5 vso. Ook zitten er gegevens uit die tijd in Rechterlijke Archieven III a en III ll.

Hongerige Wolf – bij Vrieselo
Herberg? Bron: website Otto Knottnerus.

De Wolf – bij Wedde
Hofstede of boerderij, tevens een herberg.
Bronnen: Van der Aa (1849); Van Goor’s Aardrijkskundig Woordenboek, derde druk bewerkt door A.G.C. Baart (1968).

Aantekening: Opvallend is dat er vooralsnog geen enkel toponiem of huisnaam met wolf in de voormalige Ommelanden (Hunzingo, Fivelingo, Westerkwartier) aangetroffen is. Hier had je ook al cultuurlandschap toen de rest van de latere provincie Groningen nog woest en ledig was. De wolf zal op de kweldereilanden die de Ommelanden vormden veel eerder zijn uitgeroeid, als hij er al rondliep.


Schoolmeesterskrabbels

In het archief van de classis Winschoten, voor 1816 de classis Oldambt en Westerwolde geheten, zit een boekje met een gereformeerde catechismus en een geloofsbelijdenis, waaronder de dominees en schoolmeesters van de streek tussen 1623 en 1797 hun handtekeningen moesten zetten. Vooral de krabbels van de schoolmeesters vormen soms ware kalligrafische hoogstandjes. Een mooi handschrift was natuurlijk sowieso een pre voor een schoolmeester, maar in het Oldambt stonden door de relatief goede salarissen ook vaak vooraanstaande vakbroeders. Zoals:

– J. Waslander (ca. 1690 in Zuidbroek):

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– Petrus Selvius (1711, Termunten):

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Deze Selvius was afkomstig uit Grijpskerk, waar hij in 1686 gedoopt werd als zoon van de schoolmeester Johannes Petrus Selvius. Een oom van hem stond als predikant van Wierum, waar Petrus dus zijn eerste betrekking als onderwijzer kreeg (1706 – 1709). Na zijn Termunter periode (1711-1723), oefende hij zijn beroep uit in Nieuw Scheemda (1723-1724) en in de Martinischool van de stad Groningen (1724-omstreeks 1733). Op dit hoogtepunt van zijn loopbaan raakte hij in financiële problemen, wellicht wegens drankzucht. In elk geval werden de goederen in zijn armetierige woonkelder, waaronder een clavichord, wegens schulden bij opbod verkocht. Hij verhuisde naar de Ommelanden en was nog schoolmeester in Midwolde (1733 – 1739) en Baflo en Niehove (1745-1750), maar werd hier uiteindelijk als onderwijzer afgezet. (Bronnen: Jaap Bottema – ‘Naar school in de Ommelanden’ en Jaap Bos).

Overigens is Selvius niet de enige schoolmeester op deze twee pagina’s met een turbulent leven. Linksonder zien we de handtekening van Pieter Venema. Deze schoolmeester, afkomstig uit de stad Groningen, stond vanaf 1709 in Beerta, waar hij in 1714 een algebraboek schreef. In 1717 ontpopte hij zich echter als een aanhanger van de mystica Antoinette Bourignon, wat nogal tegen het zere been was van de orthodox-bevindelijke predikant van Beerta, die er zelfs een passage in een stichtelijk boek aan wijdde. Omstreeks 1730 keerde Venema terug naar de stad Groningen, waar hij ook weer ruzie had met de kerkeraad, en een paar jaar later emigreerde hij naar New York, waar hij niet alleen opnieuw een wiskundeboek publiceerde, maar om godsdienstige redenen ook weer bonje kreeg, dit maal zowel met de kerkelijke autoriteiten als de gouverneur.

– Lubbertus Römelingh (1716, Noordbroek):

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Deze Römelingh, zoon van een schoolmeester in Farmsum, was tevens organist en stond eerder in Leermens (1713 – 1716), Hij stierf in 1732.

– Berend Derks Olthof (1746 komend van Groningen, stond in Uiterburen onder het kerspel Zuidbroek):

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


“Ik ben zeer goet ontwikelt”

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

(Winschoter Courant 1893)


Spoken op zolder

Geplaatst op 21 augustus 2007  spoken

Dit schilderij in het Breda’s Museum dateert van 1881 en is van de hand van Reinhardt Willem Kleijn. Hoewel het bij uitstek zo’n verhalende, anecdotische voorstelling is waar de moderne kunstkritiek zo’n geweldige hekel aan heeft, weet het Breda’s Museum er niet meer bij te vertellen dan de titel: ‘Spoken op zolder’.

Op een ruime zolder heeft de schilder maar liefst negentien vrouwen neergezet, die bijna allemaal één gemoedsgesteldheid uitdrukken, die van vrees. Veel van de dames hebben een nachtpon aan, kennelijk lagen zij reeds te bed, toen sommige hunner boven op zolder zekere geluiden vernamen, welke het vermoeden deden rijzen dat het daar niet pluis was. Met zijn negentienen gingen de dames erop af. Sommigen wapenden zich voor alle zekerheid met een paraplu, een wafelijzer, of een kleerborstel. De dienstbode van het huis, te herkennen aan haar eenvoudiger kledij, mag de kastdeur opentrekken van waarachter het lawaai komt. In die kast zijn, heel vaag, de contouren van twee katten zichtbaar. Straks zullen zij gaan zorgen voor een grote opluchting bij de dames.

Maar in een normaal huis zouden de heer des huizes en/of andere aanwezige mannen toch op het onraad afgaan. Wat voor vreemd huis was dit, met zijn negentien vrouwen? Opvallend is, bij nadere beschouwing, dat de meeste dames vrij jong en enkele veel ouder zijn. De prima inter pares is ongetwijfeld de bebrilde dame in de gele nachtjapon. Bij haar zoekt menig meisje steun, zij heeft duidelijk de leiding van de operatie. Welnu, ik denk dat een huis met zo’n groep vrouwen een Franse kostschool voor jonge juffrouwen was. Omstreeks 1881 werd dat soort scholen al ouderwets gevonden, opgeheven en vervangen door de vijfjarige middelbare meisjesscholen (MMS). Waarschijnlijk heeft de schilder het verdwijnende schooltype nog even belachelijk willen maken. Maar omdat het schooltype volkomen vergeten is, ontgaat de nazaat deze clou.


Steekproefje Nijsblad

Geplaatst op 19 augustus 2007  esso

Van de week, ook door mijn eigen stommiteit, een paar keer tamelijk lang moeten wachten op de dingen die ik in het archief aangevraagd had. Als vanzelf pak je dan wat microfiches om je te diverteren. Deze keren ging het om losse fiches met elk hooguit een of twee nummers van het Nieuwsblad van het Noorden uit 1960, 1963 en 1966.

Ondanks het oorlogsverleden van de krant werd het Nieuwsblad in die jaren gelezen door beide mijn grootvaders. Ik geloof zelfs dat ze hem per post kregen, want bezorgers voor deze krant waren er nog niet in Havelte en Dwingeloo, laat staan dat er een aparte (Zuidwest-)Drentse editie bestond, zoals nu.

Wat ik voornamelijk herkende waren de strips. Uit de jaargang 1960 met name Polle, Pelli en Pingo, een gag die nu dus totaal vergeten is. Daarentegen wordt Ferd’nand, van Deense makelij, nog steeds geproduceerd, zo ontdekte ik net – elke dag komt er zelfs een nieuwe aflevering op internet te staan!

Kennelijk omdat er vraag naar was, breidde het NvhN zijn assortiment strips, dat een beetje verspreid door de krant heen stond, in de loop van de jaren zestig uit. In 1963 kregen de al vermelde twee gezelschap van Panda door de Toonder Studio’s en Tante Patent van Fiep Westendorp en Annie M.G. Schmidt. Drie jaar later publiceerde het NvhN bovendien Rechter Tie, Batman, kapitein Rijkers en Brammetje Fok.

Qua nieuws nam ik van de jaargang 1960 weinig mee. Uit de jaargang 1963 kreeg ik toevalligerwijs net de nummers met de verslagen van de Elfstedentocht onder ogen. Opmerkelijk is dat zo’n tocht ook toen al met vette letters op de voorpagina terecht kwam. Door de snerpende kou vormde die een ware slachting, slechts 129 van de 10.225 rijders bereikten de finish in de “verschrikkelijkste aller schaatswedstrijden”. “Hoe glorieus was de zege” daarom, voor de uit Dedemsvaart afkomstige Reinier Paping. De Groninger Jan Uitham werd tweede. Als zijn schaats niet krom geweest was, had er misschien wel meer in gezeten.

De vormgeving van de advertenties was in 1960 en 1963 al behoorlijk modern. Van de krantereclames uit 1966 herinnerde ik me Esso’s Stop een tijger in je tank en “Een worst van de Kroon is buitengewoon’. Het summum van de toenmalige mode, een broekpak, kostte 98 gulden bij Gerzon.

Uit het nieuws: “Wij worden dikker”. Althans, de Nederlandse dienstplichtige, die in 1953 nog gemiddeld 63,5 kilogram woog, bleek in 1966 al 67 kilo schoon aan de haak. De criminaliteit maakte al duidelijk een opgang door, want de politie deelde mede dat er in een maand tijds maar liefst 18 inbraken waren gepleegd in Groningen. Op de sportpagina’s domineerde Cruyff. Hij werd gemangeld door de Tsjechische verdedigers en zou een halfjaar niet meer voor het Nederlands elftal spelen. Lokaal speelde de kwestie om de Harmonie reeds – verontruste burgers ageerden tegen sloop van de muziekzaal met zijn prachtige akoestiek. De Oost-Groninger beatgroep The RO-D-YS zou in Staphorst spelen, maar dat bekwam ze slecht want enkele boeren wilden de jongens de lange haar afknippen. “Pekelder beat-musicus vluchtte weiland in”, zo kopte het Nieuwsblad op 14 november 1966.

Interessant was ook de pagina met uitgaans-advertenties die me onder ogen kwam. Frans Poptie en zijn Swing Specials speelden bij Tivoli in Siddeburen, terwijl The New Beat bij Grand Hotel Frigge te zien en te horen was en Cuby & The Blizzards in het Centrum Theater optraden: “Geen C+B fan mag dit verzuimen”. Erg stijlvast bleek het management van die toko niet, want op zondag werd de zaal ingeruimd voor “sfeervol feestvieren” met het Trio Gert Timmerman.