Een badplaats in doodsnood
Geplaatst op: 22 november 2006 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“We hadden nog maar net plaatsgenomen”, schreef Plinius de jongere, “toen het nacht werd. Maar niet zoals bij een maanloze hemel met een zware, laaghangende bewolking. Maar zoals in een gesloten ruimte, waar men het licht had uitgedaan.”
Anno Domini 79 bedolf de Vesuvius een Romeinse badplaats onder tientallen meters lava en gloeiend gesteente. Duizenden mensen kwamen om. Honderden hadden op het strand gewacht op boten die niet kwamen, en in doodsangst hun toevlucht gezocht in botenhuizen. Later vonden archeologen hun skeletten, in enkele gevallen innig omstrengeld sinds het laatste uur.
Plinius over dat uiteind: “Je hoorde vrouwen huilen, kinderen jammeren, mannen schreeuwen; de een riep om zijn ouders, de ander om zijn kinderen, weer anderen riepen om hun mannen of vrouwen en probeerden ze aan de stem te herkennen (…) Velen smeekten uit angst voor de dood, velen baden tot de goden, anderen verklaarden dat er nergens meer goden waren. De laatste, eeuwige nacht zou over de wereld zijn aangebroken.”
Hm, ik weet al een december-uitstapje. Over een week begint in Nijmegen de tentoonstelling over Herculaneum.
Berucht gespuis in het Universiteitsmuseum
Geplaatst op: 16 november 2006 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
In het Universiteitsmuseum begon vandaag een bijzondere expositie over de schedels van een roofmoordenaarsbende. Ooit vormden deze bekkenelen het onderzoeksmateriaal van een frenoloog of schedelkundige. Diens wetenschap wordt ook belicht.
Onlangs kwamen in Leiden allerlei gegevens en ook portretten boven water van de bende Zwartjesgoed. Omdat het Groninger Universiteitsmuseum drie schedels bezit van leiders van deze bende, gaf het opduiken van het nieuwe materiaal aanleiding voor het maken van een tentoonstelling rond de doodshoofden, die als het ware hun gezichten hebben teruggekregen.
De bende Zwartjesgoed maakte vanaf 1797 Holland, Utrecht, Gelderland, maar ook Groningen onveilig. Waarschijnlijk waren de leden van zigeuner-afkomst, want onder elkaar spraken ze ‘Romisceers’, een vorm van Roma. Voor het oog waren ze bedelaars, scharenslijpers en liedjesverkopers, maar in werkelijkheid kwamen ze aan de kost door inbraken, overvallen en meedogenloze roofmoorden.
In 1805 werd de Zwartjesgoed-bende opgerold. De kopstukken kregen de doodstraf en hun lichamen werden ter beschikking gesteld van de wetenschap. In dit geval belandden ze op de snijtafel van de Haagse hoogleraar Pieter de Riemer (1769-1831), waarvan het Groningse Universiteitsmuseum via via de erfgenaam is.
De Riemer was vooral geïnteresseerd in de vorm van de schedels. Volgens hem bestond er verband tussen schedelvorm en emoties, karakter-eigenschappen en intelligentie. Op de wetenschapsgeschiedenis van deze achterhaalde ‘cranioscopologie’ of hersenschedelleer, tegenwoordig frenologie geheten, gaat de tentoonstelling eveneens in.
‘De Bende Zwartjesgoed’, nog tot 19 april 2007 in het Universiteitsmuseum, Oude Kijk in ’t Jatstraat 7a, Groningen.
Een geval van verbastering
Geplaatst op: 17 oktober 2006 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen1632 – In Groningen trouwt een Robert Abercrombie, ruiter van de Schotse brigade.
1835 – Diens nazaat Albert Aberkrom in Oostzaan geeft zijn zevende kind aan bij de burgerlijke stand. De ambtenaar schrijft het jongetje in als Albert Apekrom.
‘Verbazend en onafzienbaar is de vlakte’
Geplaatst op: 10 september 2006 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Op 24 september 1799 schrijft Jacob van Geuns uit Groningen een brief aan zijn familie in Utrecht over het reisje dat hij twee weken eerder met het Stadsjacht naar Bareveld en het nieuwe Stadskanaal maakte. Jacob, een jonge arts die aan de Steentilstraat op kamers woonde, ging mee met de stedelijke commissie die de vierde turf, een belasting in natura, voor de stad moest verkopen.
“Het reysje nae Bareveld waar van ik in mijn laatste gewag maakte dat geschieden zoude, heb ik zeer tot mijn genoegen volbragt. Den 9en ’s middags vertrok ik met de Commissie uit de Municipaliteit, de Rentmeester en de Stadsboumeester in het Stadsjagt, waarin men van alles wat tot gemak, agrement en verkwikking kan dienen rijkelijk verzo[r]gt word.
De vaart ging langs Martenshoek tot Sapmeer, waar wij het kanaal nae Veendam & Wildervank insloegen, en om 10 uur op Bareveld aankwamen. Onderweg viel niet veel bijzonders op te merken, dan algemeen welvaren en bevolking, ’t welk zeker alleropmerkelijkst is, indien men zich circa een eeuw terugdenkt, toen de geheele streek ruwe en onbewoonde wildernis en moeras was, thans door menschenvlijt en industrie herschapen [is] in vrugtbare wei- en zaailanden, alles met regelmatige en nette canalen en vaarten doorsneden. Uitnemend welvarend ziet het er in de streek van de Wildervank en Veendam uit, alwaar men langs de beyde en paralel lopende canalen niets dan goede woningen ziet, meest alle van nog nieuwe datum. De bevolking beloopt daar verscheiden duizenden van zielen, men treft daar al verscheiden bewoners aan die aanzienlijk rijk zijn, jae zelfs sommigen tot de 80 en 100 duizend guldens, alles met veenafgraving en landbouw gewonnen. Zeer veel schippers wonen aldaar welke de turf veelal nae Hamburg, Bremen enz. voeren, en ook niet zelden met graan beladen daarheen reyzen. Inlands word ook heel veel van die turf gebruikt, de ligtere of bovenste voor trafieken en fabrieken, terwijl de onderste of harde turf meest tot huisbrand dient.
Aan ’t huis Bareveld komende, ’t welk 10 uur was, vonden wij daar het soupé klaar. Dit huis dat aan ’t eind van ’t Wildervanger Canaal staat heeft de Stad door aankoop gekregen, en laat daar iemand in wonen, die aldaar ook herberg houdt. De morgen van den volgenden dag 8 uur gingen wij in ’t Jagt, en al dejeuneerende voeren wij ’t Nieuwe StadsCanaal op. Dit Kanaal loopt van Bareveld door ’t veen heen in een regte lijn, en moet volgens het plan over ’t Klooster ter Apel tot in Munsterland lopen. Hetzelve loopt paralel met de Semslinie, 80 roeden daar van af. Voor 30 jaren heeft de Stad begonnen daar aan te laten graven, en thans is dit Canaal 2800 roeden lang. Men rekent dat met vijftig à zestig jaren het met Munsterland kan communiceeren wanneer wegens afvoer van goederen daarvandaan, die nu meest met Hessekarren over Zwol gaan, onberekenbaar voordeel aan onze streken kan worden toegebragt.
Aan weerszijden van ’t Canaal word Jaarlijks een groote quantiteit turf gestoken. Vooraan in ’t kanaal zijn enkelde stukken lands reeds van ’t opliggend veen ontlast, en vertonen reeds in stede van woeste heyde schoon wey- en zaailand. Als het veen van het land af is, heeft men meestal zand, hetwelk vermengd en gebroken met de veenbonken, dat is de bovenste korst van ’t veen, en dan met mest voorzien vrugtbaar land afgeeft. Meest alle Jaren laat de Stad door uitbesteding 100 roeden verder het canaal afgraven en verkoopt dan het veen in reguliere afdelingen aan de liefhebbers. Deze kopers graven de turf af, en geven daarvoor aan de Stad de vierde turf, dat is van de 4 turven een. Nu om deze tijd is de in dit Jaar gegraven turf droog, zijnde het graven met Juny gedaan, en bij hopen van vaste maat, een dagwerk genoemt, opgestapelt. Dit word nu door de Commissie naegezien alsmede de voortgang van ’t Canaal opgenomen. Het afgegraven en afgeveende land blijft het eigendom der Stad, waervan de koper een vaste grondpagt Jaarlijks aan de Stad betaalt, zijnde egter in de eerste tien jaren daarvan vrij. In de Pekel, Wildervank en Veendam bedragen deze grondpagten enige duizend[en] guldens jaarlijks.
Dit nieuwe canaal is ruim en vrij diep, dog terstond valt in het oog de kleur van ’t water ’t welk hoog rood is, welke rode kleur veroorzaakt word door een rode stof, oker ’t welk veel onder ’t veen gevonden word. Ik heb van deze oker enige stukken medegenomen, waaronder die de kleur van krap hebben, en een zeer goede verfstof opleveren, zoals het daartoe in de Coloniën gebruikt word, kunnende gemaklijk fijn gewreven worden. Zeldzamer dog enkel vind men onder ’t veen ook blauwe stof. In mijne wandeling die ik op ’t veen gedaan heb, heb ik bij de afgravingen toch ook daarvan gevonden. Ik heb daarvan ook specimina medegenomen, onder anderen een stukje harde turf waarop een dun laag[j]e van deze stof naegenoeg als ’t Berlijns blaauw. Deze verfstoffen zijn zeker door het ijzer en Calory (?) ontstaan.
Verbazend en onafzienbaar is de vlakte van veen die men ontdekt. Aan ’t eind van ’t kanaal gekomen zijnde, half uur bij ’t zelve is ’t veen reeds bezakt en niet spongieus meer, doordien het water nae ’t kanaal afzakt. De Onstwedder Aa, anders een vrij aanzienlijk water was droog, zodat ik deszelfs bedding zonder nat worden kon doorgaan. Tot tusschen dit water en de Mussel A is het Canaal gevordert. Het veen is van boven geheel bedekt met lange heyde, en aan de grond met mos. Verbazend is de laag die op de grond ligt van veen, van 20 tot 30 jae soms meer voeten. De bovenste 6, 8 à 10 voeten is grijs, en daar vind men zeer duidelijk dat het veen door vegetabelia geformeert word, in al ’t geen ik zag waren de heyde blaadjes en mos zeer duidelijk te onderkennen. Dieper word het veen donkerder van kleur, en eindelijk zwart. Dit geeft de beste turf. Ik zag daar veenhopen leggen, die zeer zwaar en compact van stuk waren, en bros als de Drentsche harde turf. Zoo spoedig als door ’t ruwe veen de gruppen en afwateringen gestoken worden om ’t water af te leiden, bezakt het 5 à 6 voet en word vrij vast, doch dan ook neemt de veenwording of dit vergaan van de stoffe tot turf een einde. Fraai is het gezigt wanneer men bij het afgestoken veen opziet, en het verschil der beddingen opneemt. Zeker moet de natuur langsaam in zijn progressus voortgaan om de vegetabilia in veenstof te doen veranderen, men verliest zich bijkans in de bedenking hoe lange dezelve gewerkt hebbe om die verbazende lagen te formeren. Onder het veen zag ik ook zeer veel hout, ’t welk men meest voor hazelnotenhout aanziet. Hiervan zag ik dat bijnae geheel kool was, ander dat ontvlambaar of bitumineus was, weer ander met geschroeide en koolagtige oppervlakte, inwendig vrij gaaf. Aanmerkelijke stobben en takken vond ik hier en daar leggen, ook daarvan heb ik iets medegenomen.
Wij keerden nae alles gezien te hebben terug, ik voor mij zeer voldaan, terwijl mij de gedagte zeer verblijde en streelde nae verloop van 60 en meer Jaaren zullen deze woeste en onvrugtbare Streken in blakend vrugtbare landsdouwen door des menschen nijverheid verandert worden, en het werk eens voltooid zijnde, onberekenbare schatten en voordelen aanbrengen, nae dat alvorens de ruwe en onvrugtbare schors de kosten der ondernemers rijkelijk zal beloont hebben.
Het was 3 uur namiddag eer wij terug kwamen op Bareveld, alwaar wij het middagmaal namen, wordende verder namiddags door de Commissie de in dit jaar bij ’t Canaal gegravene Stads 4e turf verkogt, ’t welk over de 8 duizend guldens aanbragt. Dergelijke verkoping zoude de volgende week in de Pekel geschieden en wel 18 duizend aanbrengen, in de Wildervank en Eexte moest dat ook nog geschieden, zodat onze stad daar van reeds jaarlijks schone revenuën maakt. De volgende dag ’s morgens reysden wij weer langs dezelfde weg nae de Stad, komende aldaar ’s avonds aan. Ik voor mij met het geziene zeer voldaan, zijnde er ook geen buitengewoon verlet met de practijk geweest.”
Nieuwe theorie over veenlijken
Geplaatst op: 8 augustus 2006 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenEamonn Kelly, conservator Ierse Oudheden van het Nationale Museum van Ierland, heeft een nieuwe theorie over de veenlijken. Volgens hem zijn bijna alle Ierse exemplaren gevonden op een grens van vorsten- of stamland:
“Deze mensen kunnen gijzelaars geweest zijn, of afgezette vorsten of kandidaat-vorsten die geofferd zijn om voorspoed voor de nieuwe vorst te garanderen. De offers maakten deel uit van een ritueel, dat vooral ook een vruchtbaar gewas van de goden af moest smeken.”
Of het nu gaat om Ierse, Deense of Drentse veenlijken, bijna allemaal vertonen ze de sporen van een gewelddadige dood. Er is al heel wat afgediscussieerd over de vraag waarom deze mensen om hals zijn gebracht: voor straf of als menselijk offer? De Romeinse historicus Tacitus, tijdgenoot van menig veenlijk, vertelde dat geëxecuteerde misdadigers in de moerassen gegooid werden omdat hun lichamen er nooit verteerden en hun zielen er nooit meer uit zouden kunnen komen. Maar Tacitus had dat ook maar van horen zeggen. En dat zeggen kwam via via van heel ver weg.
Ook de twee veenlijken van ca. 300 voor Christus, die drie jaar geleden in Ierland tevoorschijn kwamen, vertonen weer de sporen van moord en doodslag. Zo bleek de man van Oldcroghan onthoofd. En de man van Clonycavan, eveneens een twintiger, kwam door messteken om het leven, nadat onder andere zijn tepels grotendeels afgesneden waren. Maar, en dat doet niet bepaald aan misdadigers denken, ze liepen er voor hun dood nog tiptop bij. De man van Oldcroghan had perfect gemanicuurde vingernagels. En de man van Clonycavan, alias de David Beckham van de IJzertijd, droeg een soort van mohikanen-coupe, die in model bleef met een gel waarvan de ingrediënten helemaal uit Zuidwest Frankrijk of Spanje kwamen. Beide mannen, luidt Kellies conclusie, hoorden bij de bovenlaag van hun samenleving.
Rond hun beide, inmiddels gevriesdroogde veenlijken heeft het Nationale Museum van Ierland nu een tentoonstelling opgetuigd, ‘Kingship & Sacrifice’, waar ook wapens, feestspullen, grensmarkeringen en koninklijke waardigheidstekens te zien zijn. Ook deze voorwerpen zijn weer vaak aan het moeras geofferd, en uit het veen opgedolven.
Documentatie:
Het verval van Staveren
Geplaatst op: 5 augustus 2006 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenIk zag op een nieuwe stadsrechten-pagina dat Staveren van alle Nederlandse steden de oudste stadsrechten heeft. Ze dateren van voor 1068, zodat Staveren als erkende stad nog ouder is dan Utrecht, Deventer en Groningen, die pas in de twaalfde en dertiende eeuw stadsrechten kregen.
Die ouderdom van Staveren als stad verbaasde me, want de plaats stelt hedentendage niet zoveel voor. De kennelijke bloei in de hoge middeleeuwen, en het nadien ingezette verval doen uiteraard meteen denken aan de sage van het vrouwtje van Stavoren, een verhaal dat in de loop der eeuwen sterk aangedikt werd. Want in de oudste versie, opgetekend door de Friese geograaf en historicus Cornelius Kempius (ca. 1520-1589) is er nog geen sprake van een vrouwtje, laat staan van een ring, maar alleen van rijke kooplui die graan in zee dumpen, zodat hun haven verzandt.
Die directe causaliteit mogen we dan met een korrel zout nemen, de sage sluit wel aan bij wat bekend is over de geschiedenis van Staveren. Al in de tiende eeuw was het een havenplaats, op het knooppunt van een riviertje en het toen nog belangrijkste zeegat. Vanuit die haven was er vaart op het Rijnland, Vlaanderen, Engeland, Denemarken en het Balticum. Op het stadszegel staat een kogge, een vrachtschip dat na 1100 in de vaart kwam en dat geschikt was voor bulkvervoer van bijvoorbeeld graan, hout, bier en wijn. Voor het faciliteren van die handel kreeg Staveren de beschikking over een muntslag. Ook was de stad lid van het Hanze-verbond en hadden schippers uit Stavoren bepaalde privileges bij het passeren van de Sonttol tussen Noord- en de Oostzee.
Structurele veranderingen in de twaalfde en dertiende eeuw luidden het verval in. Niet alleen sloegen stormvloeden ten westen van Staveren een stuk land weg dat de haven beschermde, ook kwam er een zandplaat in de oude zeeroute en voor de haven te liggen. Tot overmaat van ramp nam de diepgang van het oude zeegat af, ten gunste van een meer westelijk gelegen route, die gaandeweg de voorkeur van de schippers kreeg. Zonder dit veranderende zeelandschap – en de relatief afnemende rol van de IJssel – zou de opkomst van Amsterdam wellicht zijn uitgebleven en had Staveren haar oude rol kunnen behouden.
Eind zestiende eeuw gaat er dus een verhaal rond, dat kooplui graan in zee zouden hebben gestort, waarna die zandplaat voor de haven kwam te liggen. Als we even aannemen dat de sage een historische kern bevat en eeuwenlang mondeling overgeleverd is, dan moeten dumping en verzanding inderdaad vlak na elkaar gevolgd zijn. Zeg hooguit binnen enkele generaties. Het moment van de verzanding is achteraf alleen heel globaal te bepalen, maar naar het tijdstip van die graandumping hebben historici, afgaande op internetbronnen, vreemd genoeg nooit gekeken. Anders dan de sage het wil wordt graan natuurlijk niet zomaar uit hovaardij in zee gestort. Het kan alleen gedumpt zijn bij zeer lage prijzen. Helaas kon ik geen mooie serie van hoogmiddeleeuwse graanprijzen op het web vinden, maar ik denk dat de verzanding van de Staverse haven nader te dateren valt op een moment dat het graan zo weinig opbracht, dat het vervoer niet meer loonde.
Overigens bestaat er ook een verband (pdf pag. 99) tussen graanprijzen enerzijds en anderzijds het onderhoud van dijken. Hoe lager de graanprijzen, hoe geringer de neiging is om dijken te onderhouden. De catastrofale causaliteit voor Staveren bestond dus uit: lage graanprijzen > onvoldoende uitgespaard vermogen om adequate investeringen tegen het wassende water te doen > wegspoelend land en verzanding van de haven.
Sloatje geft kwaalsters
Geplaatst op: 13 juli 2006 Hoort bij: Geschiedenis 9 reacties
Een poos geleden werd er in een stad-Groninger supermarkt een caissière gesignaleerd, die, tot lichte verbijstering van haar collegaatjes, d’r nicotineverslaving onderhield met het pruimen van tabak.
Misschien deed ze het idee op in Zweden of Noorwegen, waar ’t pruimen van tabak langer beklijfde, en sinds het algehele rookverbod in de horeca een ferme opleving kent. Het valt tenminste moeilijk voor te stellen, dat ze de gewoonte van haar grootvader overnam.
Want hier in Nederland is het pruimen allang een aflopende zaak, die we nu nog associëren met een zeldzaam oud mannetje. In de wijkwinkel van Wildschut in de Oosterpoort was het rond 1980 een oude schipper die de laatste pakjes pruimtabak kocht. En bij de tabaksspeciaalzaak van Homan op de hoek van de Herestraat en het Zuiderdiep verkopen ze ’t spul nog steeds wel – de merken op voorraad zijn Kentuck en De Witte Os – maar er komt nog maar “heel sporadisch” een klant voor, aldus een zegsman.
Het valt ook nauwelijks voor te stellen dat tabakspruimen hier weer in zwang raakt. Om sociaal-culturele redenen niet, en om hygiënische redenen al helemaal niet.
Het pruimen van tabak was namelijk bij uitstek een gewoonte van pettenvolk: landarbeiders, veenarbeiders, fabrieksarbeiders, veeboeren en -handelaren en schippers. Pruimen voorkwam brandgevaar voor hooi, stro en turf, en je hield er de handen bij vrij. In elk geval zag je notabelen en andere hoedendragers nooit een ‘slaatje’ achter hun kiezen steken. Die rookten sigaar of pijp.
Bovendien was het ronduit een gore bedoening. Want een tabakspruimer kreeg nogal wat overtollig, met tabakssappen doormengd speeksel in zijn mond, dat hij niet in mocht slikken, en dus uit moest spugen. De meesten ontwikkelden daar een grote bedrevenheid in en bij deze pruimers kwam de geelbruine fluim in een mooie rechte straal uit de mondhoek. Al moet er bij het zich bekwamen in deze vaardigheid ook wel eens wat mis zijn gegaan, besef je achteraf.
Huismoeders wilden dat spugen binnenshuis niet hebben. Beide grootvaders van Henk Scholte gingen dus de deur uit, als ze “’n sloatje van Drie Sterren of Drachtster Kei achter waange zetten”. Maar sommige tabakspruimers hadden ook wel een bakje in de binnenzak. Bij de dokters in de stad stond er een “proem’mbakkie” klaar, waarin een pruimende patiënt zijn half-afgekauwde tabakspruim kon deponeren, om die na het consult weer op te nemen. En onder de toog in de kroeg stond er altijd een kwispedoor of spuugpot, een vaasachtig geval met een wijde mond waarin de tabakspruimers hun tabaksstralen mikten, of probeerden te mikken. Het Groningse woord voor kwispedoor, zegt Henk Scholte, was “sloatjediggel”, of “op zien hail gewoons, kwaalsterdiggel. ”
Kwaalster is Gronings voor fluim, rochel. Henk komt van Stadskanaal (’t Knoal), en kwam er wel over de vloer bij Harm Schepers of Harm Kakkie, om bij deze oud-landarbeider volksliedjes en -verhalen op te tekenen. “Hai en zien Oaltje zongen as liesters”, herinnert Henk zich:
“Haarm zat voak in twijduustern boetendeurre onder de fledderbozzen en vertelde mie verhoalen over veurloop en noaloop. En aalgedureg spierde der wat broen vocht uut zien mond. As e ’t sloatje verkaauwd har, din gaf e t aan zien pinsertje (n leutje bibberhondje) en dij vrat din de rest inainen op. ’t Hondje is omreden dit aan moag- en daarmkanker uut tied kommen.”
Hitte maakt maf
Geplaatst op: 6 juli 2006 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“Heete lucht verdunt, smelt en verbrant de Vochtigheden, scharpt en vermeerdert de Gal, ontsteeckt de Geesten, waerop dan brandige koortsen en hevige Sieckten volgen. En omdat soodanige Lucht de onsienlycke gaetjens van de huid openhoud en de natuurlycke warmte uyttreckt, soo verswackt se het verteren en al de werckinge en maeckt derhalven het gantsche Lichaem maf en slap.”
Uit de Schat der Gesontheyt van de oude medicus en letterkundige Johan van Beverwijck. Die ook nog een tractaat over de Uytnementheyt des vrouwelicken geslachts schreef.
De anarchistische scheurmakers van de Aktiegroep Aktivering
Geplaatst op: 29 juni 2006 Hoort bij: Geschiedenis, UK + RUG Een reactie plaatsenIn oktober 1973 nam de Afdelingsraad van Geschiedenis een motie aan, om de RUG Domela Nieuwenhuis-universiteit te noemen, naar de socialistische voorman die eind negentiende eeuw in anarchistisch vaarwater belandde. Volgens de historici konden veel studenten studeren dankzij “de geestelijke bevrijding” die Domela hun grootouders en ouders had gebracht. De historici stuurden hun voorstel naar de Universiteitsraad, en zo kwam het ook terecht bij de UK, die op haar ludieke achterpagina peilde hoe het viel. Terwijl collegevoorzitter Ter Borch meer zag in een Troelstra-universiteit, kwam er vanuit de UK-redactieraad Fré Meisuniversiteit als optie. En zo sneuvelde dadelijk het idee, tot verdriet van de historici, die zich niet serieus genomen voelden, en de UK “een compleet gemis aan journalistieke feeling” verweten.
Op dat moment bestond de Afdelingsraad bij Geschiedenis twee jaar. Sowieso zaten er zes studenten in, zes docenten en iemand van het ondersteunende personeel. Maar naast de dertien gekwalificeerde zetels waren er ook vijf vrije. De raadsleden die deze vrije zetels innamen, werden gekozen door de instituutsbevolking als geheel. Op die manier had bij de verkiezingen van begin oktober 1973 een linkse studentenpartij, de Aktiegroep Aktivering, tien van de achttien zetels gekregen. Het voorstel om de RUG naar Domela te vernoemen, was afkomstig van deze AA.
De AA stamde uit het najaar van 1969 en bestond aanvankelijk uit geradicaliseerde jongerejaars die zich afzetten tegen “de ouwe hap” op het Instituut voor Geschiedenis. Eigenlijk beoogde de AA de totale democratisering van het Instituut. Volgens haar moest een Algemene Vergadering van de gehele instituutsbevolking het hoogste orgaan zijn. Ook moest daarin het principe van ‘one man, one vote’ gelden. Maar hoewel het bestuursreglement van 1971 was goedgekeurd door zo’n volksvergadering, die bij zware kwesties op papier ook nog een rol hield, kwam er in de praktijk van dat radicale uitgangspunt weinig terecht en schikten de AA-ers zich in de wat minder ideale toestand.
Zolang de AA een minderheid in de Afdelingsraad vormde, bereikte ze weinig. De docenten in de raad konden de AA-ers met gemak aan en de onderlinge sfeer bleef goed. Maar met de verkiezingsoverwinning van de AA in oktober 1973 raakten de verhoudingen gepolariseerd. Keer op keer maakten de docentenfractie in de raad gebruik van haar vetorecht, en tegelijkertijd ontstond er een competentiestrijd tussen de Afdelingsraad en de Docentenraad, die formeel over de uitvoering van het studieprogramma en de beoordeling van studieresultaten ging, maar steeds meer uitspraken in beleidskwesties deed.
Die polarisatie culmineerde bij AA-acties tegen de studentenstop. Het hoogtepunt daarvan was een 24-uursbezetting, in februari 1974. Hoogleraren kregen te horen dat ze niet welkom waren op het instituut, als ze zich niet solidair verklaarden. Terwijl de een zich geshockeerd toonde, waren anderen woedend. Ook het feit dat de bezetting gepaard ging met “muziek en pils, vrouwen en gedempt licht” en een “onaangename hoeveelheid lawaai”, ’s nachts, zette kwaad bloed. En de stemming werd er niet beter op, toen de AA een maas in de wet ontdekte en in het najaar zeventien uitgelote studenten colleges liet volgen. Een deel van de docenten weigerde de tentamens van deze extraneï na te kijken en haalde pas bakzeil toen het RUG-bestuur met garanties kwam. Uiteindelijk liep deze zaak zo met een sisser af, en stroomden zeven extraneï door naar het normale tweedejaarsprogramma.
In dat studiejaar 1974/1975 stond ook een van bovenaf gedecreteerde bestuurshervorming op de agenda. Toen de docenten in mei ’75 het AA-voorstel om de toekomstige raden en -commissies paritair te maken, met een zoveelste veto troffen, was de maat vol. De AA stapte uit alle bestuurlijke organen. Ruim een jaar duurde de boycot. Omdat zowel de studenten – vanwege de democratie – als de docenten – vanwege de autonomie – een subfaculteit wilden, tekenden ze de vrede weer. De subfaculteit kwam er overigens niet. Wel kreeg geschiedenis eind 1977 een studierichtingsraad, waarin 11 docenten en 9 studenten kwamen te zitten, en de AA dus de meerderheid verloor.
Intussen had de bestuurscrisis veel tijd opgeleverd voor studie-inhoudelijke activiteiten. Eerder was de AA al een drijvende kracht achter de invoering van theoretische geschiedenis, en dat werd ze ook bij het in zwang raken van sociale en vrouwengeschiedenis. Juist die inhoudelijke gerichtheid slokte veel energie op, wat ook ten koste ging van het bestuurlijke werk. Doordat AA-ers in de raden het contact met hun achterban verloren en naar hun gevoel maar weinig bereikten, raakte de club in 1978 in een identiteitscrisis. Weliswaar hief ze zichzelf nog niet op, maar dat was een kwestie van tijd. De nieuwe professionele beheerder van het instituut maakte een eind aan allerlei studentenprivileges – zoals de onbeperkte toegang tot de stencilmachine waarop talloze pamfletten waren gedrukt – en in 1981 gooide de AA er definitief het bijltje bij neer, na een conflict over een nieuw studieprogramma.
Binnen het geheel van de studentenbeweging nam de AA een bijzondere plaats in. Veel AA-ers waren wel lid van de jongere Groninger Studentenbond (GSb) die aan de RUG de hoofdstroom van die beweging vormde, maar hadden er tegelijkertijd stevige kritiek op. De gerichtheid van de GSb op materiële belangenhartiging kon niet door hun beugel en ook hadden ze weinig op met het democratisch-centralisme, het marxistisch-leninistische organisatieprincipe waarbij een minderheid zich maar moest voegen naar de meerderheid. Van de CPN, die de GSb aan de leiband had, wilden de meeste AA-ers weinig weten. Meermalen leidden de verschillen tot “heftige heisa”, ook in de UK, en menigmaal scholden GSb-bonzen AA-ers uit voor “scheurmakers”, die de boel zaten te “verzieken”.
Als ze terugkijken, zijn oud-AA-ers vooral trots die onafhankelijke positie. “Bij ons leefde meer het anarchistische gedachtengoed”, zegt Paul van Tongeren, nu hoofd voorlichting bij Oxfam-Novib. “Die GSb was een heel vervelend gemanipuleerd zootje.” “Bij de GSb zaten de dogmatische hardliners”, aldus Frank van Vree, nu hoogleraar journalistiek in Amsterdam. “Bij de AA daarentegen, bestond ruimte voor een grote variatie van opvattingen, en ging het veel meer over inhoudelijke zaken. Ook zat er bij ons meer een spel-element in en bleven wij meer on speaking terms met de staf. En dat voorkwam dat er ongelukken gebeurden. Bij andere instituten werd de staf afgezeken, en gingen mensen totaal overspannen weg. Het zegt toch wel iets, dat dat bij geschiedenis nooit is gebeurd.”
—
NB: Dit stuk is eind juni 2006 in iets andere vorm gepubliceerd in het Seventies-nummer van de UK, maar hier alsnog geplaatst, omdat het UK-archief nog steeds aan de openbaarheid onttrokken is.
(5 mei 2015)
Wasdagen van weleer
Geplaatst op: 19 juni 2006 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenIn de – naar verluidt – goeie ouwe tijd, raakte de ordentelijke huisvrouw de godganse maandag kwijt aan de was. Des zaterdags diende de tobbe om haar koters eens duchtig te schrobben.



Bosch, verzwolgen maar intrigerend
Geplaatst op: 8 juni 2006 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Zoals nu Rottumeroog onherroepelijk zijn ondergang tegemoet wandelt, zo deed ooit Bosch dat. Lag dit waddeneilandje rond 1580 nog op de plek van Schiermonnikoog, in de eerste decennia na 1700 was het al opgeschoven naar waar nu Simonszand ligt. Met de reis naar het oosten kalfde het af. Na de Allerheiligenvloed van 1570, die er al weinig van overliet, zetten de stromen er eerst nog wel zand af, maar midden zeventiende eeuw zag je er geen duinen meer, en de Kerstvloed van 1717 maakte definitief korte metten met Bosch. Bosch was voornamelijk het eigendom geweest van het klooster te Aduard en de jonkersfamilie Lewe, eveneens van Aduard. Die eigenaren stelden een strandvoogd aan, een legale jutter. Deze moest al het strandgoed zien te bergen, en kreeg daarvoor een bescheiden loon met een tonnetje boter per jaar als emolument. De strandvoogden woonden met hun huishoudens in een huisje op palen. Omstreeks 1700 werd er in de Leenster kerk nog een kind van een Bosche strandvoogd gedoopt, maar dat is ook het allerlaatste levensteken van enigerlei populatie. Ondanks de zeer schaarse harde gegevens intrigeerde het verzwolgen waddeneilandje voldoende, om er een grootscheeps historisch en cultureel programma aan te wijden. Met een tentoonstelling, nog tot en met 20 augustus in Openluchtmuseum Het Hoogeland, een historische conferentie, thema-avonden, toneel en muziek en een houten uitkijktorentje van Anne Hilderink op de waddendijk.
Verpande koffers
Geplaatst op: 2 juni 2006 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenToen in 1781 Sywert Scheffer en zijn vrouw vlak na elkaar overleden, en hun dochtertje van anderhalf achterbleef, liet de Groninger Weeskamer dadelijk voogden over dat dochtertje aanzweren. Die voogden inventariseerden ook meteen alle spullen in het logement dat de Scheffers als eigenaars bewoonnden: herberg de Hamburg aan de westkant van het binnen-Winschoterdiep, vlakbij Kleinpoortjeswal.
Elke ruimte in het logement gingen de voogden af: de turfzolder, de bovenkamers, de gelagkamer, de keuken, de kelder, de schuur, de opkamer, de stal, en de kamers en zolder boven de stal. En in de laatste ruimte was het, dat ze een reiskoffer aantroffen,
“Met Enige Oude Kleeren en Medikamenten, zijnde staande gebleven wegens 15 Gl. Vertering”.
De gast die de koffer als onderpand achterliet, betaalde nooit zijn schuld aan de Hamburg. De waard was te goed van vertrouwen geweest, want voor vijftien gulden kon je aardig wat verteren. Voor dat bedrag kreeg je ongeveer 10 dagen logies, of 50 liter jenever, of 300 liter Gronings kluinbier.
In dit geval bleef de debiteur anoniem, maar een collega raakte wijd en zijd bekend. In 1747 logeerde deze heer Johan Samuel van Bradens in het Posthuis te Nieuweschans. Hij vertelde daar, dat hij voor een stadje fabrieken en koopvaardij aan het werven was. Bij zijn vertrek naar Holland bleek echter, dat hij te weinig reisgeld bij zich had. De waard van het Posthuis leende hem een bedrag, en Van Bradens liet een koffer als onderpand staan.
Binnen veertien dagen zou hij die weer op komen halen, zo verzekerde hij. Maar maanden later had men in het Posthuis nog niets van hem vernomen. En daarom plaatste de waard een bekendmaking in de Groninger Courant, om de heer Van Bradens aan zijn belofte te herinneren.
Net als alle kranten kwam de Groninger overal in het land. Zo bezien stond er voor heel de natie een oplichter aan de kaak. Of de bedrijvenwerver elders nog wel krediet kreeg, mag je dus betwijfelen.
Zo duidelijk als wat dat jij een echte kelt bent
Geplaatst op: 22 mei 2006 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenIn Venlo is Het geheim van de Kelten geopend. Op de Top 10 van geëxposeerde voorwerpen staat het aardewerken masker van Middelstum (ca. 450 voor Chr.), dat eerder dit jaar ook al te zien was bij ‘Het geheim van de wierden‘ in het Groninger Museum.
Waren er in Groningen en Venlo Kelten dan? Nee, zegt het persbericht (doc):
“De tentoonstellingsmakers in Venlo trekken de conclusie, dat de Keltische voorwerpen gevonden tussen Rijn en Noordzee gezien kunnen worden als het resultaat van een ‘keltisering’ van de samenleving. Sommige gebruiken werden wel overgenomen, andere niet. (…) Er dient zich een parallel aan met onze tijd. In hoog tempo ‘veramerikaniseren’ wij. (…) Maar wie het waagt ons Amerikanen te noemen, kan de wind van voren verwachten.“
Bij de game op de tentoonstellingswebsite stellen ze anders wel de vraag: “Ben jij een Kelt?” In mijn geval luidt het antwoord nog bevestigend ook:
“Je hebt 5 van de 5 vragen goed beantwoord. Het is zo duidelijk als wat dat jij een echte Kelt bent. Het geheim van de Kelten is echts iets voor jou.“
Woonwagen weer als vanouds
Geplaatst op: 14 mei 2006 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties
Gister officieel geopend: de opgekalefaterde woonwagen van Openluchtmuseum het Hoogeland. Het rijdende onderkomen van bijvoorbeeld scharensliepen stamt uit de jaren twintig, maar deed jarenlang dienst als vakantiehuisje. Alles is nu teruggerestaureerd, alleen bleven de luchtbanden er wel onder.


Baffelt, Beem en Steem
Geplaatst op: 28 april 2006 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
De firma Ongering heeft weer een leuk Groninganum in de aanbieding. Helaas is Ongering niet zo scheutig met informatie. De kaart – zo te zien afkomstig uit een reisatlasje – is volgens hun gemaakt door ene Abbeville, waarmee in dit geval gedoeld wordt op de koninklijke Franse geograaf Pierre DuVal d’Abbeville (1619-1683), die vanaf 1653 als cartograaf werkte voor zijn oom Nicolas Sanson d’Abbeville.
Ongering geeft geen datering voor de kaart. Eerst maar even de bovengrens: de kaartmaker overleed in 1683. Inderdaad staat de Kroonpolder bij “Fort Langaker” (Nieuweschans) er nog niet op – die is van 1696. Maar Veendam en Wildervank, vanaf zo 1650, 1660 in ontwikkeling, schitteren ook door afwezigheid. Terwijl de kaartmaker wel een mooi visgraatje over de Nienoordse venen tekende – die vanaf ongeveer 1600 volop aan snee zijn – ontbreekt zo’n patroon opvallend genoeg in Oost-Groningen.
Dan de ondergrens. De kaartmaker laat wè zien dat het Reitdiep (voorbij Garnwerd) gekanaliseerd is. Dat gebeurde in 1628. Maar nog een veel betere datering geeft de Dollarddijk die vanaf een punt voor Midwolde (= Midwolda) in een rechte lijn naar het noorden loopt. Dat moet de dijk van Oud Nieuwland zijn, een polder van 1665. Achter de dijk ligt zo te zien nog een flink stuk water, het zaakje is dus nog niet droog en de kaart werd derhalve in 1665 of hooguit enkele jaren later getekend.
Wellicht stelden Veendam en Wildervank op dat moment nog helemaal niet zoveel voor. Anders dan Baffelt, Beem en Steem waren het geen plaatsen waar je de reiziger lastig mee moest vallen.




Recente reacties