Een ijzige odyssee

 

yselijke ysgang

Op zaterdag 14 januari 1849 begeven de Durgerdammer visser Klaas Bording en zijn twee zonen zich ver op de Zuiderzee, die dan al een paar weken met een dikke laag ijs overdekt is. Opnieuw gaan ze bot kloppen – een vistechniek waarbij ze bijten in het ijs slaan, vanuit die bijten tientallen meters visnet onder het ijs hangen, en de platvis met gebonk op het ijs in die netten jagen.

Hun vangst verloopt dermate voorspoedig, dat ze ’s avonds besluiten op het ijs te blijven. Intussen heeft de dooi stevig ingezet, en ’s zondags merken ze dat ze drijven. Ze bevinden zich op een enorme ijsschots, die zich heeft losgemaakt van de wal.

Hun weg naar huis is afgesneden. De eerste dagen drijven ze in een zigzagbeweging naar het oosten, richting Harderwijk. Daarna ligt hun schots dagenlang op een noordelijke koers, en komt zelfs dicht onder de wal bij Enkhuizen. De schots verbrokkelt, en ze stappen over op het grootste, meest veilige stuk, dat echter ook weer verder afkalft. Omdat ze geen oliegoed dragen, raken ze doorweekt. Alleen een opgezet zeiltje biedt ze enige beschutting tegen de regen en kou. Voorbij Enkhuizen zwenkt hun schots opnieuw oostwaarts, naar het eiland Schokland. En daar in de buurt is het, dat ze uiteindelijk worden opgepikt door collega’s uit Vollenhove.

Veertien dagen brachten ze door op drijfijs. Het had niet veel langer mogen duren, want de resterende schots kon ze nauwelijks nog dragen. Twee van de drie Bordings overleefden de ontberingen ook niet. Klaas Bording en zijn oudste zoon stierven die winter in Vollenhove, waar ze werden verpleegd. Alleen de jongste zoon keerde terug in Durgerdam.

Voor het vaderloze gezin Bording kwam er zo’n typisch negentiende-eeuwse filantropische actie op gang, die de weduwe en haar kinderen een nieuwe botter opleverde. Op basis van de prospectus voor die inzamelingsactie en enkele aanvullende vraaggesprekken schreef de onderwijzer Simon Abramsz een halve eeuw later nog een boek, ‘Veertien dagen op een ijsschots‘.

Maar ook verschillende beeldende kunstenaars putten inspiratie uit het avontuur. Zo bezit het Zuiderzee-museum in Enkhuizen een drietal werkjes dat aantoont hoe de ijzige odyssee van de Bordings tot de vaderlandse verbeelding sprak:

Merkwaardig is dat het thema na 1900 in vergetelheid raakt. Schrijvers, schilders en filmers pikken het niet meer op, terwijl het zo’n prachtige kapstok kon zijn. Drie mannen, met hun eigen gedachten en onderlinge verhoudingen op een beperkte ruimte overgeleverd aan de elementen. Dat zo’n gegeven helemaal uit zicht verdwijnt, is eigenlijk een testimonium paupertatis voor de Nederlandse cultuur.


Alles wat je over oliebollen wil weten

Henk Werk, telg uit een geslacht dat generaties lang gebakskramen op kermissen exploiteerde, heeft net zijn pagina over oliebollen ververst. Warm aanbevolen!


Skullpting

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Bij ‘Professor van Giffen en het geheim van de wierden’ lag ook weer een bult schedels. Het gekke is dat nog niemand heeft geopperd om de gezichten bij zulke uit de klei getrokken bekkenelen te laten reconstrueren.

In Groningen kennen we weliswaar het gezicht van de mummie Janus, maar dat is een notoire allochtoon. Ik kan me voorstellen dat de gezichten van autochtone wierdemensen ook wel op enige publieke belangstelling mogen rekenen.

Zo kreeg in Drenthe het meisje van Yde haar gezicht al terug. Nog dankzij dure Engelse specialisten, maar de technische kennis is de laatste jaren wel geprolifereerd en dus goedkoper aan het worden. Inmiddels kent ook Nederland een specialist in gezichtsreconstructie, de fysisch antropologe Maja d’Hollosy. Zij reconstrueerde onder meer Trijntje, de oudste vrouw van Nederland, gevonden onder de Betuwelijn.

Aan de andere kant: gezichtsreconstructies zijn nooit voor de volle honderd procent betrouwbaar. Over de haren, oren en lippen bijvoorbeeld, is zelden iets bekend. Bovendien lijken de gereconstrueerde gezichten vaak verdacht veel op gezichten die je vandaag ook nog tegen zou kunnen komen. Neem de boomkistman uit Vlaardingen die d’Hollosy tevoorschijn toverde. In het welvarende, maar ook gewelddadige vissersplaatsje van rond het jaar 1000 liep een kerel rond, die sprekend leek op Gérard Depardieu.

En als die gezichten dan toch zoveel op hedendaagse lijken, waarom zou je dan nog al die moeite doen? Voor veel minder geld kan je die wierdemensen de gezichten van Hollywoodsterren geven. Of nee, ik weet alweer iets beters. Ze krijgen de gezichten van sponsors, die ervoor in de buidel willen tasten. Zo heeft het museum er mooi een inkomstenbron bij.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Het geheim van de wierden

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Vanmiddag was de persrondleiding van ‘Professor Van Giffen en het geheim van de wierden’, de expositie in het Groninger Museum die morgen open gaat voor het publiek.

De tentoonstelling is gelukkig niet zo’n kermis vol effectbejag als Greenaways’ Hel en Hemel, de laatste grote historische expositie die het Groninger Museum organiseerde. Toch valt er wel op museaal gebied wel degelijk iets innovatiefs te zien. In een van de zalen draait doorlopend een filmpje met interieurscènes van een vroeg wierdenhuis, zoals archeologen dat reconstrueerden. Voor het filmpje zet je een 3d-brilletje op, zodat je de scènes driedimensionaal kunt bekijken, en als het ware in het huis zit, heel dicht op het koken, weven en vee verzorgen door de bewoners.

In de andere zalen meer het statische werk, al bevindt zich dat natuurlijk wel in een mooi vormgegeven setting. De centrale zaal sprak sprak mij het meest aan. Je waant je er temidden van een wierde-afgraving, met haar hoogopstaande aarden profielen. In het midden staat een ouderwetse lorry op een stukje smalspoor, zoals dat indertijd werd gebruikt bij wierde-afgravingen. In de verticale profielen langs de muren zijn kleine vitrines aangebracht met de topstukken van de tentoonstelling, zoals de Jupiter van Ezinge (ca. 300).

Indrukwekkend vond ik ook de maquette van de Duitse Feddersen wierde, de enige dorpswierde die ooit in haar geheel opgegraven is. Het paardengraf van De Bouwerd – de paarden zijn waarschijnlijk omgebracht bij de dood van een machtig heerschap – kende ik natuurlijk al van de Harmonie, waar het tot voor kort opgesteld stond. Ook is er voor de gelegenheid een ouderwetse Oudheidkamer ingericht, met in de houten vitrinekasten typologisch geordend organisch materiaal – zoals botjes, schaatsbeentjes en benen kammetjes – dat bijzonder goed bewaard bleef in de opeenvolgende mestlagen van de wierden.

Jammer genoeg bevatte de kaartenzaal niet de drie nieuwe kaarten die voor deze tentoonstelling gemaakt zijn van de kustlijnverschuivingen in het waddengebied tussen 500 voor Christus en de Middeleeuwen. Deze kaarten hangen nu in de trapzaal van het museum, die met boeken en computerspul een voorproefje geeft van het nieuwe Groninger Forum dat aan de oostzijde van de Grote Markt de functies combineren gaat van bibliotheek, historisch museum en debatcentrum.

Kees van Twist, de directeur van het Groninger Museum, noemde de nieuwe tentoonstelling over Van Giffen en de wierden “de inhoudelijke aftrap” van dit Groninger Forum. Al te wild was het nog niet, gaf hij toe, het ging om “een voorzichtige proeve”. Van Twist erkende volmondig de verantwoordlijkheid van het museum voor historische tentoonstellingen – “zolang het forum er niet is, doen wij het hier” – en had ook nog enige kritische opmerkingen in petto voor de staatssecretaris van cultuur, die vindt dat musea nog veel meer moeten doen om het grote publiek terwille te zijn. “Het opleuken”, vindt Van Twist,

“moet niet ten koste van de inhoud gaan, het is de opdracht van het Groninger Museum dingen op een andere manier te brengen, maar we willen het kind niet met het badwater weggooien.”

Van Twist had zelf nog een persoonlijke herinnering aan Van Giffen. Ooit had Kees als negenjarige jongen op zijn vrije zaterdagmiddag met een borsteltje in de hand geassisteerd bij een opgraving in Grijpskerk, daar waar nu het bejaardenhuis De Wierde staat:

“Van Giffen was toen een ouwe heer, keurig in het pak, maar met laarzen aan. Op een motor scheurde hij door het Groninger landschap. Achterop zat altijd een vriendin, maar niet steeds dezelfde. Bij de opgraving gaf hij aanwijzingen. En oh wee als je het niet goed deed, dan was het geen leuke man.”

Bij de tentoonstelling verscheen een prachtig, rijk geïllustreerd boek, dat ingaat op de wetenschappelijke betekenis van Albert Egges van Giffen (1884-1973) en de stand van zaken in de wierden-archeologie: Professor van Giffen en het geheim van de wierden, uitgeverij Heveskes, € 34,95.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


De ergste tijd

Am burgeroorlog - kaart 2

Volgens Amerikaanse historici was de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) de zwaarste periode uit de historie van hun land. Daarna komen pas de Onafhankelijkheidsoorlog (1773-1783), de economische crisis van de jaren ’30, de Vietnam-oorlog, de Tweede Wereldoorlog, de Koude Oorlog en de Eerste Wereldoorlog op hun lijstjes voor.

Onze eigen tijd vinden ze voor de VS nog de minst moeilijke der zware tijden. Dit blijkt uit een enquète (link verdwenen, HP 10.3.2013), waaraan 354 hoogleraren geschiedenis deelnamen. Aanleiding voor het onderzoek was, dat studenten juist de huidige periode zien als de meest problematische van de hele Amerikaanse geschiedenis.

Zoals dat wel vaker gaat, laten de kortzichtigen zich niet door historische relativering overtuigen. Van de aanslag op de Twin Towers en de oorlog in Irak kennen we alleen maar het topje van de ijsberg, zegt een student, gevraagd om commentaar op de enquète. En een andere is zo onder de indruk van de beelden van 9.11, dat hij zich onmogelijk ergere toestanden kan voorstellen, of het moet in de toekomst zijn.

Am burgeroorlog c


De waterputten van de Bloemert

oudste waterput bloemert

Door de lage ligging van het terrein bleef het hout goed geconserveerd. De archeologen vonden er de restanten van ongeveer veertig waterputten. Ze verzamelden alles, in totaal ging het om meer dan 500 stukken hout, de kelder van hun instituut lag er vol mee.

De oudste put was ook de meest luxe. Het ging om een redelijk complexe, zware, hechte, vierkante constructie, opgebouwd van tien centimeter dikke eikenhouten balken, die met inkepingen overnaads op elkaar gestapeld en aangesloten waren. Toen deze constructie in de put gebouwd was, werden er aan de buitenkant stenen tegenaan gezet en ging daar weer zand overheen.

Helaas viel de oudste put niet te dateren aan de jaarringen van het gebruikte hout. Dat was van een te weinig algemene soort, de bestaande dendrologische vergelijkingstabellen gaven geen uitsluitsel. Maar de oudste fragmenten aardewerk die onderuit de put kwamen, stammen uit de eerste en tweede eeuw na Christus. Daarom pinnen de archeologen de put nu op die ‘Romeinse’ tijd.

Alle andere waterputten komen uit een latere periode, de Volksverhuizingstijd en de duistere eeuwen die volgden. En ze waren waren veel eenvoudiger van opzet: het ging in principe om boomstammen. Zo’n stam was verticaal doormidden gezaagd en beide helften waren uitgehold. De helften kwamen in een kuil te staan, waarna ze met de eveneens bewaard gebleven koppelstukken en pen in gat-verbindingen aan elkaar werden gezet.

Volgens opgravingsleider Johan Nicolay wijst het slaan van deze latere putten erop dat er iets in het milieu veranderde, hier bij Midlaren. Het gaat niet om het oprukken van de zee en verzilting van het Hunzewater, zegt hij: “Ik denk eerder dat men die putten sloeg omdat de Hunze, die er eerst vlak langs liep, zijn loop naar het oosten verplaatste, waardoor het halen van rivierwater meer moeite ging kosten.”

Meer over de resultaten van de opgravingen bij De Bloemert (2003-2005)


Radiofanaat

Hans Knot (56), is de fanatiekste radioliefhebber die ik ken. Bij pedagogiek en onderwijskunde is hij de audiovisuele man, maar hij regelt er ook allerlei sociale activiteiten, en zorgt er voor de opvang van buitenlandse studenten. Aan de Grote Rozenstraat is zijn gezicht dus bekend. Maar hij geniet ook landelijk faam als radiohistoricus. Samen met collega Ger Tillekens vormt hij de redactie van het online-radiotijdschrift Soundscapes. Bovendien schreef hij tientallen werkjes over radiogeschiedenis en organiseert hij jaarlijks een landelijke radiodag.

Al dat vrijwilligerswerk wordt zeer gewaardeerd. Zo noemen zeezenderliefhebbers hem in hun internet-praatgroep liefkozend “onze grijze goeroe”: “Zonder Hans Knot  zou het zeezenderverleden veel minder gedocumenteerd zijn, en was het hele zeezenderwereldje al in elkaar gestort.” Dezelfde liefhebbers noemen hem “zeer rechtschapen en betrouwbaar”. Knot echter, nuanceert zulke loftuitingen meteen: “Er zijn ook jaloerse mensen, wat dat betreft is een club radiovrienden net als een vereniging van postzegelverzamelaars.”

Met zijn hobby is hij bijna iedere avond bezig, vertelt hij. “Dat is automatisch zo gegroeid. Ik kijk sowieso geen televisie, behalve dan het journaal. Radio boeit me veel meer. Bij een radiodocumentaire bijvoorbeeld, moet je de dingen zelf visualiseren. Dat geeft veel meer kleur aan een verhaal.”

Midden jaren vijftig begon de fascinatie. “Mijn broers en ik sliepen op één slaapkamer en de oudste luisterde ’s avonds laat naar The American Forces Network, met hits waar Nederland nog maanden op moest wachten.” Eind jaren vijftig namen zijn ouders een tweedehands pick-up en platen over. “En daarmee zijn we muziek gaan draaien in hun kapperszaak bij de Korreweg, tussen het inzepen van de klanten door.” Het ging om Duitse schlagers en Nederlandstalige nummers: “We moesten het wel een beetje rustig houden van mijn vader. De klanten gaven ons fooitjes en daarvan kochten we weer nieuwe plaatjes.”

Tegelijkertijd begon hij kranten te knippen op radionieuws, de basis van een omvangrijke documentatie, waaraan later ook bandjes werden toegevoegd. Zodoende kwamen natuurlijk ook de zeezenders in zijn blikveld, die uitzendingen verzorgden vanaf schepen in de internationale wateren voor de kust. Radio Veronica was de populairste, maar volgens Knot aanvankelijk allesbehalve vernieuwend. “Je hoort Joost den Draaijer wel beweren dat hij de Top 40 in Nederland introduceerde, maar dat is flauwekul. Tot ’65 was Veronica nog gewoon een gezinsstation, die haar programma’s in Hilversum maakte en in blik naar het schip bracht. Pas toen Caroline en London een horizontale programmering  voor jonge luisteraars invoerden, richtte ook Veronica zich op de pop. De dj’s werden naar Amerika gestuurd om te leren hoe ze het daar aanpakten.”

Zelf had Knot meer met Radio Noordzee. “Die zond vaker live vanaf boord uit, draaide gedurfder en had meer warmte in de programma’s.” Met de mensen van Noordzee, zoals John de Mol sr., kreeg hij ook goeie contacten. Zo nam hij uitzendingen voor ze op, om ontevreden adverteerders te bewijzen dat hun reclame wel degelijk uitgezonden was. Ook voerde hij actie in ’73 – Hou ‘em in lucht – en produceerde hij een dubbel-LP over de historie van Noordzee. “In de laatste week was die plaat LP van de week, zelfs Veronica had er veel aandacht voor.”

De publieke zender Hilversum III kwam pas rond 1970 naar voren, toen ze een plekkie op de FM-band kreeg, zich op pop richtte en ook ’s avonds ging uitzenden. “Veronica verliest dan snel terrein”, zegt Knot. “Maar de actie Donderslag speelde daar ook in mee.” Hij doelt op de bomaanslag die Veronica-duikers in 1971 op het Noordzee-schip uitvoerden en herinnert zich die avond nog precies. “Ik luisterde naar het KRO-sportprogramma Goal toen het bericht kwam dat Radio Noordzee in brand stond. Ze schakelden direct over naar de Noordzee-uitzending. Er klonk een paar keer mayday, mayday en ik heb acuut de recorder aangezet, tot ze de uitzending staakten.”

Die bomaanslag vormde symbolisch het einde van de zeezenders. Zelf bleef Knot nog jaren actief voor verschillende lokale omroepen. In 1975 kwam hij als bibliothecaris en documentalist bij de sociale faculteit, en sindsdien sluiten zijn werk en hobby vaak naadloos op elkaar aan. Zo gaat hij binnenkort voor de werving van stageplekken naar Engeland. “Maar ik plak er dan voor mezelf een paar dagen aan vast”, zegt hij. “Ik logeer dan bij radiovrienden, in de verte zie je daar een fort in de Theemsmonding, waarop vroeger ook een zeezender zat. “Ja”, zucht hij tevreden, “ik heb echt een heel mooi leven.”

Dit artikel verscheen in iets andere vorm in de UK van deze week.


Rijtuigies

 

Geplaatst op 16 oktober 2005  Nietapster kerkbrikje

Van de collectie van het Rijtuigmuseum Nienoord staat een groot deel op een Engelstalige site. Merkwaardig is dat deze site niet eens gelinkt wordt op de site van het rijtuigmuseum zelf. Zouden ze daar bang zijn dan niemand meer naar het echte spul komt kijken?

Bovenstaand plaatje betreft de zeldzame Groningse kerkbrik uit Nietap die medio september bij veilinghuis Hessink in Zwolle onder de hamer kwam en daar 4788 euro opbracht.


Napoleoners

napoleoner

Op de usenet-groep nl.geschiedenis vroeg ene Johannes naar de herkomst van de uitdrukking: ‘Ik ben niet gek, ik ben Napoleon’.

Uiteraard verwijst deze uitdrukking naar hèt standaard-excuus van gekken die zich inbeelden dat ze Napoleon zijn, terwijl hun rolmodel ook al niet van een forse hoogmoed gespeend was – een zelfvergroting in het kwadraat dus. Een zorgverlener wijst de gek erop dat hij niet spoort en de gek roept vrolijk: : ‘Ik ben niet gek, ik ben Napoleon!’. Omdat het om een tamelijk bekend verschijnsel ging, namen normale mensen die uitlating over om iemands’ grootheidswaanzin aan te duiden, en zo heeft dat zeggen zich langzamerhand tot een staande uitdrukking ontwikkeld.

De identificatie van gekken met Napoleon begon al tijdens diens heerschappij. In Groningen hebben we daar een mooi voorbeeld van: de Napoleoner van Blijham. In werkelijkheid heette deze ouwe vrijgezel Derk Jans Besselingh en in oktober 1810 werd hij op verzoek van zijn broer onder curatèle gesteld, omdat hij zijn geld er doorheen joeg en naar het schijnt ook een vervelend oogje had op de dochter van de Maire (burgemeester). Bij de onder curatèlestelling adviseerden enkele predikanten, vandaar dat Derk Jans Besselingh een lang, warrig en van hevige gemoedswisselingen getuigend epistel aan de classis Oldambt schreef, een brief die nu nog steeds in het archief van dit kerkbestuur ligt.

Als ‘keizerskind’ noemt Besselingh zich de “Blijhammer Napoleoner”. En dat terwijl ons land nog maar zo’n drie maanden bij het Franse Keizerrijk ingelijfd was. Als een motief voor die naamsaanneming gold, dat het curatèle uitgesproken werd uit naam van de Keizer. In zijn brief schrijft Besselingh:

“Ik sta nu onmiddellijk onder ons landsvader. Ik hebbe het bezettingsrecht in alle onzes vaders Napoleons landen. Ik ben zinnebeeldig een Napoleonse, Italiaanse en Oostenrijkse vorst. Ik ben de Napoleoner. Ik ben door de wetten vaster monarch als mijner landspapa. Mijn landspapa! – als die zich tegen mij ophitsen laat zo is hij een onrechtvaardig en zot Keizer! Ik dele in des Keizers lusten, viguen, waarheid, recht en privileges. Ik ben des Keizers vazal. Ons Keizer draagt mijn weg, moeinis en last. Ik ben Caesars landszoon met mijn wijsheid en deugd. Ik hebbe mijnes Keizers gloria, en al de luister zijner wetten. Ik hebbe de volle gloria door mijnes Keizers 2de huwelijk en de aanneming dezes lands. Caesar laudeert mij door God met gloria. Ik ben vereerlijkt in Napoleons zwaard. Ik ben met Caesar gecombineerd. Ik ben Caesars favoriet en confident.”

Inderdaad vereenzelvigen ‘gekken’ zich in de loop der eeuwen met allerlei historische en levende figuren, maar ik heb wel eens gehoord of gelezen dat er de laatste tweehonderd jaar qua frequentie twee idolen of rolmodellen uitsprongen: Napoleon en Jezus Christus. In de ene periode zou Napoleon gekken het meest aanspreken, in een andere zou dat Jezus Christus zijn. En dat ging dan zo’n beetje alternerend op en neer, als sinus en cosinus.

De vermoedelijke verklaring is dat het wereldlijke heerserstype Napoleon in de ene periode ook meer in het algemeen tot de verbeelding spreekt (of in de tijdgeest zit), terwijl dat in een ander tijdsgewricht het geestelijke en opofferingsgezinde type van Jezus Christus is.

Komen wij tot afronding en ontwikkeling van een hypothese:
In de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw was de Jezus-identificatie dominant in het gekkenhuis. Maar toen de grote stropdas uit de hemel viel, in de no-nonsense jaren tachtig, maakte Napoleon een glansrijke rentree.


Arrogantie

Snijderswerkplaats

“Stront wie heeft je gescheten, keutel wie heeft je gedraaid.” En: “Als niet komt tot iet, kent iet zichzelve niet.” Met zulke uitdrukkingen werd arrogantie afgestraft.

Dergelijke kernachtige gezegdes, maar dan nog veel oudere, treft men aan in De geest van Jan Tamboer of Uytgeleeze stoffe voor de klucht-lievende ionckheydt uit 1659. Verrassend is, dat de schrijver van dit pedagogische exempelen- en moppenboek, ene Jan Pieters Meerhuysen, nogal wat stof uit Noordoost-Nederland haalde. Zoals dit verhaal, over een Mastenbroeker boerenzoon die in Holland voor kleermaker doorleert.

Aanvankelijk was deze boerenzoon “met de Meppeler Roose gequelt”. Wat wil zeggen dat hij aan een ziekelijke neiging tot lanterfanten leed. Maar bij zijn terugkeer als kleermaker uit Holland sprak hij zo Hollands, dat men hem nauwelijks meer begreep: “Hy mocht wel uyt een Sloot ghedroncken hebben daer een Hollander in gescheeten hadde.” Ja, hij gedroeg zich superarrogant, “als een snijder op een ghehuyrt Peert”.

De meeste mensen zullen dat zeventiende-eeuwse Nederlands niet erg machtig zijn, en daarom heb ik dat verhaal maar even hertaald in hedendaags Nederlands:

“Een boer in Mastenbroek had een zoon die heel erg aan de Meppeler Roos leed. Dat is de bedelaarsziekte, geleerden noemen het de Pigritia. Omdat de vader zag dat zijn zoon geen boerenwerk aankon en hij er alleen maar last van zou krijgen, bracht hij hem bij een plattelandskleermaker onder, die hem het snijdersambacht zou leren. Die kleermaker ging bij de boerderijen langs, en naaide daar voor de boeren.

Drie jaar leerde de boerenzoon uit Mastenbroek bij deze kleermaker. Toen reisde hij naar Holland, om verder te komen in zijn vak. Hij was er een hele poos en kwam weer eens bij zijn ouders op bezoek. Thuis was hij letterlijk zo arrogant als een snijder op een huurpaard.

Hij sprak zo Hollands dat men hem nauwelijks begreep. Hij kon wel uit een sloot gedronken hebben waar een Hollander in gescheten had.

Ook vroeg hij almaar naar de bekende weg. Hij wilde weten waar een boterkarn voor was, waar melkemmers, melkvaten voor dienden, enzovoorts. Hij zag zijn vader thuiskomen met een voer hooi, en vroeg hem waar dat hooi van gemaakt werd, en of ze het misschien van rozijnekorven maakten.

 Zijn vader hoorde deze malligheid aan en zei: “Kom maar eens even mee naar het land, dan kan jij zien hoe het hooi gemaakt wordt”. Hij gaat met zijn vader mee, en in het land ziet hij een hark liggen. En omdat hij zijn vader vragen wil hoe dat voorwerp nou weer heet, stapt hij op de tanden van die hark. Maar nog voor hij zijn vraag stellen kan, slaat de hark hem tegen de tanden, zodat zijn mond en neus ervan bloeden. Waarop hij roept: “De duivel hale die hark!”

Zijn vader wordt kwaad, pakt de hark en slaat hem bont en blauw. “Ik zal jou leren wat een hark is”. Hij roept: “Ach vader, vergeef me, ik deed het alleen maar voor de grap.” “Ik ook”, zegt zijn vader.

Op die manier heeft hij zijn plaats weer leren kennen, en was hij weer nederig.”


Boekweitenbrijberg

centsprent Luilekkerland va 1761

Wat een leugen! Altijd is ons voorgehouden dat je Luilekkerland slechts kon bereiken via de Rijstebrijberg, waar je je moeizaam doorheen moest eten. Maar die Rijstebrijberg is een modern verzinsel, vertel ik je. Een tekst uit de zestiende eeuw rept er helemaal nog niet van:

“… voor aen dit Lant is gheleghen een seer hooghen ende langhen Bergh van Boecweyten-bry, wel drie mijlen breet oft dicke, daer zy voor eerst moeten door eeten, al eer zy int landt comen ende alsdan so sijnse terstont in een ogenblic in dit voor seyde Luy-lecker-lant…”

Een boekweitenbrijberg was het dus, voordat er dankzij de koloniën rijst op onze tafels kwam. Eigenlijk ook wel logisch. Dat boekweit, een pseudo-graan, werd vroeger grootschalig in de veengebieden verbouwd. Tot de aardappel omstreeks 1750 die rol overnam was het, zeker in de veenstreken, maar ook in een stad als Groningen, het hoofdvoedsel, meestal in de vorm van pannekoeken. Dankzij zulke pannekoeken had het Drentse Hoogeveen zelfs een bijnaam: ‘Pannekoekdorp”.

De verbouw van boekweit vond meestal plaats op onontgonnen venen, waarvan de bovenlaag werd afgebrand. Door het veenbranden ten behoeve van de boekweitteelt kregen uitgestrekte gebieden bijna ieder jaar mei te maken met zonsverduisteringen. Ook liep het nogal eens uit de hand en ontstonden er nogal eens ondergrondse veenbranden, die wekenlang konden duren en die wel eens hele veenkolonies in de as hebben gelegd.

Maar net zomin als rijst is boekweit er altijd geweest. Pas vanaf 1390 vond er vanuit het oosten een snelle introductie van boekweit plaats in de Nederlanden. Ben nu erg benieuwd, door wat voor berg je voor die boekweitperiode heen moest, om in Luilekkerland te raken.


Strijd over Erasmus

Holbein - Erasmus I

Een groep Gouwenaren vindt Erasmus meer van Gouda dan van Rotterdam, bericht Teletekst. Daarom claimen ze Erasmus’ historische en culturele erfenis.

Die Gouwenaars maken geen schijn van kans, en getuige een stadsgeschiedenis van hun eigen stad zouden ze dat drommels goed moeten weten ook. Want Erasmus mag dan “Goudae conceptus” (te Gouda verwekt) zijn, hij was “Roterodami natus” (in Rotterdam geboren). Als onechte zoon van een Goudse priester, dat weer wel.

Zelf vertelde hij over zijn ouders:

“Mijn moeder was een chirurgijnsdochter uit Zevenbergen. Ze had een geheime verhouding met mijn vader, maar hoopte ooit met hem te trouwen. Mijn vader was de op een na jongste van tien broers – besloten was dat hij zich maar aan God moest wijden. (…) Toen hij begreep dat het huwelijk er niet in zat, ondernam hij iets wat veel vertwijfelden doen: hij brandde door, vluchtte en schreef onderweg een brief aan mijn moeder, met één hand op zijn hart en twee in het haar: “Leef wel, ik zal je nooit meer weerzien.””

That much for Gouda! En verder zou wereldburger Erasmus ook deze ruzie maar niets gevonden hebben. Zo schreef hij:

“Het blijkt dat het weinig uitmaakt waar iemand precies is geboren. Ik denk dat het een ijdele vorm van zelfverheerlijking is wanneer een stad er prat op gaat een groot mens te hebben voortgebracht.”

 


Soldatenbrieven

bullet-hole-letter

“My dear / dearest / darling, I can’t write much today as I am very overworked / busy / tired / lazy.We / The Huns put up a bit of a show last night / yesterday with(out) complete / tolerable / any success. I am suffering from a slight / severe wound / shock / shell-shock.How are the poultry including cows / potatoes / children getting on?________________________ (Insert here protestations of affection – NOT TO EXCEED 10 WORDS)

Ever _____ (State what ever) xxxxxxxxxxxxxx”

Handgeschreven brief huiswaarts van een Britse soldaat in de Tweede Wereldoorlog. Met de formulier-achtige opzet die ook van een soort ansichtkaarten bekend is, maakte hij de militaire censuur belachelijk. De brief staat in Behind the Lines, een bundeling van zulke soldatenbrieven door Andrew Carroll.

Hier meer. En daar ook.


Bruinvissen in de Zuiderzee

Geplaatst op 26 juli 2005  zuiderzee

De jonge Groninger arts en verloskundige Jacob van Geuns is net bij zijn ouders in het westen op vakantie geweest, als hij, weer thuis aan de Steentilstraat, ze op 15 augustus 1795 in een brief verslag doet van zijn thuisreis. Hij ging met een beurtschip over de Zuiderzee en dat nam veel meer tijd in beslag dan gewoonlijk. “Mijn reis”, schrijft Van Geuns,

“schoon wat lang geduurt hebbende. viel mij echter niet lang. Dingsdagavond scheep gaande, geloofde ik ook op getuigenis der schipper spoedig de volgende morgen in de Lemmer te zijn. De wind, N.W., word allengs flaauwer, zoodat wij ’s morgens 5 uur aan de Geldersche kust waaren op de hoogte van Naerden. De zelve [wind] liep ongunstiger en eindelijk vermeerderde de stilte zoodanig dat wij genoodzaakt waaren op de hoogte van Urk voor anker te gaan leggen, wilden wij niet terug gaan. Er was geen wind te voelen. De schoonheid intusschen van het weer stelde ons schadeloos voor dit verwijl. Ik konde op het dek in de frissche lugt zijn, en vermaakte mij zeer in het zien springen en speelen van eene zeer groote menigte van bruinvissen, die aldaar tot een zeer groot aantal waaren. Ik had ze nimmer te vooren gezien, gedurig zag ik ze uit het water schieten en er dan weer onderdompelen. Er waaren er bij van eene zeer aanzienlijke groote, ik zag ze die wel zoo groot waren als een zwaar varken.”

Filmpje


Seven republicks in one state

15182-5

Deze speelkaart is er een uit een kaartspel, dat Henry Winstanley uit Littlebury, Essex anno 1665 met vergunning drukte en op de markt bracht. Juist van zulk populair gebruiksdrukwerk zijn de minste exemplaren bewaard. Ook dit kaartspel van Winstanley blijkt weer extreem zeldzaam. Alleen het British Museum beschikte over een complete set, maar nu ligt er dan ook een bij een luxe-antiquariaat in New York, dat er 24.000 dollar voor vraagt.

Het spel bevat 52 kaarten. Schoppen staat voor Afrika, ruiten voor Azië, klaveren voor Amerika en harten voor Europa. Steeds is de aas, tevens de 1, aan het continent als geheel toegewezen. De andere kaarten vertegenwoordigen de 48 “belangrijkste volkeren van de wereld”. Per continent komen er dus 12 aan bod. Op elke kaart staan een man en vrouw van het geportretteerde volk in schijnbaar kenmerkende outfit, tegen het vaak fantasievolle decor van de belangrijkste plaats. Onder zo’n tekening vindt men steeds een tekst met de allerbelangrijkste geografische, staatkundige en economische wetenswaardigheden over zo’n volk.

Interessant is de opbouw van de hartensectie die, zoals gezegd, voor Europa staat:
Harten 2 = Turken
Harten 3 = Moscoviërs
Harten 4 = Hollanders
Harten 5 = Polen
Harten 6 = Portugezen
Harten 7 = Denen
Harten 8 = Zweden
Harten 9 = Spanjaarden
Harten 10 = Fransen
Harten Boer = Italianen
Harten Vrouw = Duitsers
Harten Heer = Engelsen

Uiteraard spanden de Engelsen zelf de kroon. Per slot van rekening was het hun kaartspel. Curieus is hoe laag de Hollanders in tel zijn. Van alle twaalf genoemde Europese naties kregen alleen de Moscoviërs en de Turken – die al wel bij Europa hoorden – minder punten toebedeeld. Maar 1665 was dan ook het jaar dat de Tweede Engelse Oorlog uitbrak. Sowieso dichtten de Engelsen de Nederlanders graag allerlei nare trekjes toe.

Toch is de naief-didactische tekst op de Hollandse kaart niet zwaar inaccuraat, zoals de teksten op andere kaarten uit dit spel. Die tekst van bijna 200 woorden – men verveelde zich niet tijdens het kaarten! – leest door zijn gebrekkige interpunctie weliswaar als een spreekbeurt, afgeraffeld door een scholier, en hij mag stylistisch nogal rammelen, maar het pittige stukje staatsinrichting dat hij bevat is niet perse erg onjuist verwoord. Al staan er natuurlijk wel weer de cliché’s in over de rijkdom van de Hollanders en hun tolerantie voor alle godsdiensten.

Hieronder de tekst op de Hollandse speelkaart, die duizenden Engelse kaarters gelezen moeten hebben. Voor het gemak van de hedendaagse lezer heb ik er zelf maar interpunctie in aangebracht:

Holland comprehends the United Provinces which are also Zeland, Gelderland, Zutphen, Utreck, Overissell, West Friesland & Groningland. And the Chief Citys in in the Province of Holland are Amsterdam, Dort, Roterdam & the Hague – a famous Village for the Assembling there of the States General. In Zeland is Middleburg & Flushing, two good seaports. Gelderland & Zutphen are United as one Province in the General Assembly, having but one Voice, but are the first that Speaks. Here are the cities Nemmegen, Arnhem, Doesbourg & Grolle. Utreck is a City & Province. Overyssell has Deventer & Swol. West Friesland & Groningland has Lewarden & Groningen.
All is governed as Seven Republicks, United in one State, Independing upon any Crown. They Possess something in Flanders & Brabant, But much in the Indies. This Country is most fruitful in Pasturing being low, seated Full of Rivers and most Rich in their abounding of Trading, both by Sea & Land. Also Populous, Strong in Shipping & well Fortified in their Towns, all Lying between the 51 & 54 deg. H.L. and 25 & 29 Long. Here is Toleration of all Sects in Religion.”