Hoogkerkermarkt was doodgeboren kindje
Geplaatst op: 18 april 2013 Hoort bij: Hoogkerk 2 reactiesDe Hoogkerker hotemetoten hadden de koppen bij elkaar gestoken en besloten dat er ook hier kansen lagen voor een jaarmarkt. Op 23 oktober 1798 zetten ze hun initiatief in de krant:
“De carspellieden van Hoogkerk, adverteren door dezen aan een ieder, dat aldaar twee PAARDE en BEESTE MARKTEN staan gehouden te worden, de eerste op de laatste maandag in october 1798. en de twede de eerste woensdag in juny 1799. — en zo vervolgens alle jaaren.”
Ook de voorjaarseditie van 1799 adverteerden ze nog:
“’t Word door dezen aan alle belang hebbende bekend gemaakt, dat op aanstaande woensdag den 5 juny te HOOGKERK, PAARDE en BEESTE MARKT staat gehouden te worden, en verder al wat te voorschyn zal worden gebragt.”
Dat laatste duidt erop dat ook een annexe warenmarkt in de bedoeling lag. Maar de ambitie bleek wat te hoog gegrepen, want hierna horen we er niet meer wat van. Op de marktkalenders in de almanakken van de negentiende eeuw schittert Hoogkerk dan ook door afwezigheid.
De belangrijkste jaarmarkten, die van het najaar, vielen op:
- Norgermarkt – de eerste dinsdag van september;
- Roldermarkt – de tweede dinsdag van september;
- Rodermarkt – de laatste dinsdag van september;
- Slochtermarkt – de eerste woensdag van oktober;
- en Zuidlaardermarkt – de derde dinsdag van oktober.
Indien succesvol, zou Hoogkerk met zijn laatste maandag van oktober dit rijtje hebben gesloten. Maar na de Zuidlaardermarkt was er kennelijk geen ruimte voor nog een jaarmarkt op de kalender. Het vuur in de haard ging aan, de belanghebbende strekte liever zijn benen even in een behaaglijke ledigheid.
Meester Guikema en de jeugd van tegenwoordig
Geplaatst op: 8 april 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 18 reactiesAnno 1835 kreeg de onderwijzer nog vaak de schuld van de “ruwheid, onbeleefdheid en baldagigheid” der kinderen, iets wat meester Guikema van Dorkwerd zeer verdroot. Daarom schreef hij namens een onderwijzersgezelschap een artikel, dat het niet alleen opnam voor de onderwijzers, maar ons ook het een en ander leert over de informele socialisatie van de Groninger plattelandsjeugd.
Guikema, als verlicht man een vooruitgangsoptimist, vond veel klachten over de jeugd onrechtvaardig. Van enkel een “achteruitgang van zedelijke beschaving, vooral bij het opkomend geslacht”, zoals de klagers die zagen, was volgens hem zeker geen sprake. Natuurlijk waren bepaalde deugden verdwenen, maar de jeugd bezat weer deugden, “die onze voorouders niet eens bij name kenden”.
Guikema wijst diverse typen klagers aan. Een deel bestond uit orthodoxe en bevindelijke calvinisten die een hekel aan alle spel hadden en die vonden dat een kind stil met een stichtelijk boekje in een hoekje moest zitten. Van dit slag mensen bestond ook een min of meer ontkerstende variant: de “zedekundige sophisten” die vonden dat iedereen aan hun maatstaven moest voldoen. Dan had je nog de liefhebbers van een overdreven etiquette, en niet te vergeten de ouden van dagen die graag rust aan hun hoofd wilden hebben – hier had Guikema nog wel mee te doen.
Volgens hem wees de hekel aan jeugd vaak op fysiek ongemak:
“Men vindt in de menschelijke zamenleving veel menschen, die door hunne zittende leefwijze, of uit andere oorzaken, aan zwartgaligheid en miltziekte laboreeren, of tenminste een ziekelijk ligchaam rondslepen. Deze zijn gewoonlijk ten uiterste zwaarmoedig, zittende altijd met een looden muts op, en omdat zij zelve gemelijk, onvergenoegd en ontevreden met hun lot zijn, meenen zij dat de geheele wereld niet deugt.”
Guikema geeft toe: natuurlijk zijn er “zedelooze kinderen”. Maar lang niet zoveel als de habituele klagers ons wijs proberen te maken. Helaas was de onderwijzer vanouds de ”wrijfpaal van het volk” en kreeg hij de schuld. Terwijl hij hooguit vier uur per dag, twintig uur per week en dus dertig etmalen per jaar met zijn leerlingen doorbracht,
“en dat nog meest uitsluitend in het leervertrek, waar weinigen ruwheid en onbeleefdheid, veel minder baldadigheid laten blijken”.
Buiten de school kwamen de kinderen met andere mensen in aanraking, en volgens Guikema moest je bij die mensen toch vooral de schuld zoeken, als het verkeerd ging met de jeugd. Hij spreekt van “bedorvene huisgezinnen” waar kinderen het tegenovergestelde leren, van wat de meester ze probeerde bij te brengen, maar wijdt hierbij wijselijk veel minder uit over de ouders, die hem schoolgeld verschuldigd waren, dan over het (inwonende) personeel.
Zo heeft hij het gemunt op de jongste vrouwelijke dienstboden, de kindermeisjes. Deze zorgden voor de jongste kinderen in huis, maar waren daarbij nogal eens “de voornaamste opvoeders” van de iets oudere kinderen, met wie ze veel tijd doorbrachten:
“Deze [kindermeisjes] zijn, tenminste verweg het grootste gedeelte, kinderen uit de geringste, onbeschaafdste en ruwste volksklasse, die veelal zonder onderwijs in de school te ontvangen (…) zijn opgegroeid als paddestoelen op den mesthoop. Haar eenigste weten bestaat gewoonlijk in het kennen van spookverhalen, in zoutelooze, of smaak- en zedebedervende liedjes, terwijl in alles wat zij doen of zeggen de grootste ruwheid, onbeleefdheid en zedeloosheid doorstraalt”
Ook van de oudere vrouwelijke en mannelijke dienstboden ging volgens Guikema een funeste invloed uit. Zo maakten die deel uit van een groep welke altijd in het dorp bijeenkwam, zeg maar de jeugd in bredere zin:
“In elk dorp van eenig aanbelang heeft men bijna alle avonden vele jongelingen, die na den volbragten arbeid tezamenscholen om wat nieuws te hooren, te vertellen, of zich door boert en scherts wat te vermaken. De in deze vergaderingen gehoord wordende gesprekken loopen gewoonlijk over niets anders dan over de voortplanting van het menschelijk geslacht, over slagerijen, kloppartijen over gepleegde baldadigheden aan huizen, hoven, tuinen en personen, over vrijerijen enz., doormengd met zoovele walgelijke vuiligheden, dat men zijne ooren ervoor stoppen zou (…). Ja hier is de grootste leerschool der zedeloosheid van allerlei aard, hier hoort men in overvloed vloeken, zweeren, schelden, pogchen, zwetsen , lasteren, zoutelooze scherts en zoutelooze boert.”
Volgens Guikema werden passanten vanuit zo’n groep nogal eens bespot, uitgescholden, gehoond en uitgelachen. Vooral meisjes en vrouwen kwamen er met moeite langs. De aanvoerders van de groep haalde je er zo uit:
“Die zich hier laag en zedeloos gedraagt, wordt door den grooten hoop het meest toegejuicht. Om deze gezelschappen nu, verzamelt zich eene menigte schoolkinderen, en deze hooren en zien alles wat er gezegd wordt en gebeurt met de grootste oplettendheid, belangstelling en inspanning aan. Wordt er gelagchen, zij lagchen mede. Verstaan zij nog niet alles, zij vragen zoo lang, totdat zij het gewaar worden, en hier behoeven zij slechts eenige lessen te ontvangen, of zij zijn reeds in staat eenigermate te kunnen mededoen, en waar zij zich ook bevinden, verbreiden zij het geleerde verder, ja waar zich daartoe maar eene gelegenheid aanbiedt, brengen zij alles in beoefening.”
As ouders toestonden dat hun kinderen zich bij zulke groepen voegden, moesten ze vooral niet klagen over de meester, aldus Guikema, die min of meer gelijksoortige bijeenkomsten bij mensen thuis zag plaatsvinden:
“Wanneer de heeren en dames op de dorpen eene avondvisite afleggen, dan vergadert eeene groote schaar dienstboden en groote kinderen van beiderlei sekste in dat huis waaruit mijnheer en mejufvrouw afwezig zijn. Hier worden dan straatliederen gezongen, hier wordt gedanst geschaterd, gevloekt enz. totdat men allerlei laffe spelen, welke enkel eene kortstondige vereeniging der beide seksen ten doel hebben, verzint, die tooneelen zoolang voortzettende totdat mijnheer en mejufvrouw tehuis komen. Dat het op deze vergaderingen ook niet zoo kiesch en zedig toegaat (…) laat zich gemakkelijk begrijpen. De kleine kinderen worden gewoonlijk te bed gebragt, dog de groote deelen in alles mede en zwelgen ook hier het gift der zedeloosheid met volle teugen in.”
En alsof dit nog niet erg genoeg was, namen veel ouders hun kinderen ook nog eens mee naar kermissen, boeldagen, harddraverijen en andere volksvermaken op het platteland:
“Niet zelden ziet men hier in de herbergen de zoontjes boven aanzitten als aanzienlijke heeren. Rooken, klinken, drinken, schreeuwen, tieren, springen, ja wat niet al meer, hoort en ziet men daar van kinderen, waarom de ouders veelal lagchen, ja, waarop zij wel eens grootsch zijn (…). Daar blijft men dan vaak laat in de nacht. Vader is er ook nog, zeggen de kinderen, wij gaan ook nog niet. Hier zien de kinderen nu niet slechts hunnen vader, maar een legio ruwe en onbeschaafde menschen die drinken, schreeuwen, zingen, vloeken, zwetsen, ja, niet zelden stevige kloppartijen enz. “
Van één zo’n feestavond ging volgens Guikema zoveel invloed uit, dat een onderwijzer het er in een jaar niet uit kreeg.
Als man die beschaafde muziek en zang een warm hart toedroeg, stoorde Guikema zich bijzonder aan de inofficiële muziekpraktijk bij zulke gelegenheden:
“de zoutelooze, smaak- en zedenbedervende straatliederen, die door hunne veelal bevallige zangwijzen het oor en hart van den jongen mensch streelen en daarom door hem het schielijkst van alles geleerd, het meest gebezigd en het langst onthouden worden. Deze mogen voorzeker beschouwd worden als de zoetst smakende, maar tevens als de krachtigst werkende vergiften voor de zedelijkheid”
Volgens Guikema gaven kinderen tussen de 14 en 20 jaar – dus pubers en adolescenten – de meeste problemen. Die gingen al helemaal niet meer naar school, de onderwijzer had er niets meer mee te maken en trof dus geen blaam. Temeer niet, daar hij zich helemaal niet met de openbare orde op straat bemoeien mocht, geen vertegenwoordigende politieke en kerkelijke functies mocht bekleden, en zelfs geen al te dure kleren mocht dragen.
Als een kind een grief had, dan ging het vaak net als bijna twee eeuwen later:
“…oogenblikkelijk zijn de meeste ouders gereed om in tegenwoordigheid dezes kinds hunnen vitlust tegen den onderwijzer bot te vieren”
Bron: Tijdschrift voor onderwijzers en ter bevordering der huiselijke opvoeding III (Groningen 1835) pag. 93-107.
Kerk Leegkerk heropend als ‘bijzondere lokatie’
Geplaatst op: 6 april 2013 Hoort bij: De actuele wereld, Hoogkerk 5 reactiesVanmiddag werd de kerk van Leegkerk heropend als bijzondere locatie. Wat betekent dat er voortaan kleinschalige evenementen als huwelijken, recepties, en concerten kunnen plaatsvinden. Bovendien gaat de kek fungeren als een koffie & theehuis waar fietsers en wandelaars in de zomer even de benen kunnen strekken:

Vanuit de stad trok een lange stoet belangstellenden per fiets achter een wielrijdend fanfarecorps aan:

Sinds de Afscheiding en de Doleantie in deze overwegend gereformeerde omgeving, was deze hervormde kerk nooit meer zo vol geweest:

Tegen de nieuwe gouden doos met keuken en toiletvoorzieningen hield Peter Breukink zijn speech. De twitterende directeur van de stichting Oude Groninger Kerken moest dit keer zoveel mensen bedanken dat hij het niet meer zonder papier afkon:

Wijdingskruis, omstreeks 1970 bij een eerdere opknapbeurt teruggevonden en gerestaureerd:

Gelukkig was er geen vloer over de eeuwenoude grafstenen gelegd en waren ook de graffiti van de jongeren die hier in de jaren 1840 op catechisatie zaten, nog goed zichtbaar:

Omdat de ree van de achterliggende boerderij als fietsenstalling diende, kon je de kerk nu ook eens goed van de zonzijde zien:

Op het kerkhof zat een dame in stille contemplatie naar de voormalige kosterij te staren:

Ook morgen is de kerk nog open. Warm aanbevolen.
Klutenpaar
Geplaatst op: 1 april 2013 Hoort bij: Hoogkerk, Onlanden 4 reactiesFoeragerend paartje kluten op de vloeivelden van de suikerfabriek ten zuiden van de A7, nabij Eiteweerd:


Een vruchtbaar stel bij Leegkerk
Geplaatst op: 29 maart 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk Een reactie plaatsen“In het Westerkwartier, digte by Leegkerk, is in augustus van ’t voorleden jaar een vrouw gestorven van 85 jaren oud, zynde genaamd Sieben Jans, en wed. van Reinder Dirks, welke lieden uit hunnen echt gehad hebben 15 kinderen, 65 kindskinderen en 23 agter-kindskinderen; dus te zamen een getal van 103 personen uitmakende.”
Bron: Nieuwe Nederlandsche jaarboeken, of Vervolg der merkwaardigste geschiedenissen die voorgevallen zyn in de Vereenigde Provinciën […], deel XX-1 (Leiden/Amsterdam 1785), 16-17.
Ommetje Onlanden – Leegkerk – Slaperstil
Geplaatst op: 4 maart 2013 Hoort bij: Hoogkerk 7 reacties(Gister.)
De zilverreiger was er ook weer:

Aduarderdiepsterweg, het krimpje van een vervallen boerderij:

Kerkhof Leegkerk:

De kerk zat op slot. Vandaag vernomen dat de sleutel weg is:

Kleiwerd:

De andere kant van de Friesestraatweg, in de richting van de Zijlvesterweg of Noodweg:

De achterkant van stalhouderij Kuipers bij het Söllepad:

Een aanwinst voor de collectie ouwe schuren:

Gedumpt bij de Aduarderdiepsterweg
Geplaatst op: 3 maart 2013 Hoort bij: Hoogkerk 12 reactiesEen ware weldoener heeft het Groninger landschap nog verder willen verfraaien door er de restanten van zijn verbouwings- en redecoratie-activiteiten te deponeren. En dat gratis voor niets! Eigenlijk zouden wij hem er rijkelijk voor moeten belonen, want de boel knapt er zienderogen van op.

Gekheid terzijde: ik hoop dat deze gast eens flink bij zijn ballen wordt gepakt. De plek is aan de westkant van de Aduarderdiepsterweg, tussen de Tichelwerksbrug en de Nieuwebrug. Dat is op grondgebied van de gemeente Groningen, maar vlakbij de gemeentegrens met Zuidhorn, waar je per kilo voor je afval moet betalen. Vermoedelijk gaat het dan om iemand uit de gemeente Zuidhorn, die een paar luizige euro’s heeft willen uitsparen. Bij de gedumpte spullen bevindt zich onder meer dakmastiek, maar ook een redelijk herkenbare bloempot en lampekap. Bovendien ligt er een werkbroek bij, en verfspullen. In de berm zijn bovendien vrij dunne bandensporen zichtbaar.
Rondje Onlanden, Eiteweerd, Leegkerk
Geplaatst op: 12 januari 2013 Hoort bij: Hoogkerk 4 reactiesHaflinger:

Nog veel open water:

Peizerdiep bij Eiteweerd:

Bomijs:

Struweel:

Boerderij op het Matsloot-gedeelte bij de A7:

Te vroeg gepiekt:

Zon koestert ram:

Rondje Onlanden, Leegkerk, Dorkwerd
Geplaatst op: 29 december 2012 Hoort bij: Hoogkerk, Ommelanden, Onlanden 7 reactiesStadssilhouet vanaf de Onlanden:
Bosje rond verlaten huisplaats:
Leegkerk:

Leegkerk:

Paardje aan de Gaaikemadijk:

Mestbult Gaaikemadijk:

Dorkwerd:

Kerk van Dorkwerd:

Rondje Leegkerk in de sneeuw
Geplaatst op: 8 december 2012 Hoort bij: Hoogkerk 10 reactiesVlucht zwanen:

Oude landweg:

Jonge Held:

Berijpte katjes:

Zijlvesterweg:

Wijde blik:

Bekend plekje:

Ooit een kronkel van de Hunsinge (Peizerdiep voor ca. 1400):

Op het weggetje naar de bekende plek, waar de boer wat verse grond had gemorst, was een stel Koperwieken (wintergasten) aan het socializen met een stel merels. De koperwieken waren minder schuw dan de merels. Dit was de brutaalste:

Makelaar op boerderijnok met haas en twee hazewindhonden. Dit ornament viel me voor het eerst op, waarschijnlijk omdat er anders takken met bladeren voor zitten:

Er lag bomijs in de sloot aan de noordkant van de Legeweg, het peil was er 5 à 10 centimeter gezakt:

Er werd gestroomd. In de sloot aan de zuidkant kwam er juist water binnen. Een pijlstaart (net als die koperwiek een wintergast) profiteerde hier van het wak:

Rondje Eiteweerd-Leegkerk
Geplaatst op: 2 december 2012 Hoort bij: Hoogkerk 8 reactiesOude baileybrug naar de vloeivelden van de suikerfabriek aan de zuidkant van de A7:

Het kotje bij de Tichelwerkbrug:

Dat kotje staat op het voormalige voorerf van een verdwenen boerderij. Het bomenlaantje links leidde naar dit erf, dat begon waar het laantje ombuigt:

Het laantje ligt op een middeleeuws dijkrestant, rechts lag een meander van de Hunsinge (Peizerdiep):

De kerk van Leegkerk:

Woef:

Vanaf de Zijlvesterweg, hier ooit de Gaikingadijk, zicht over een verlaten huiswierde op de suikerfabriek in de verte:

Collectie vogelhuisjes aan de Noodweg. Voor slechts 15 euro verschaft u uw gevederde vriendjes deze winter een puike maaltijdvoorziening:

Moeilijke majolica van de Matsloot
Geplaatst op: 23 november 2012 Hoort bij: Hoogkerk 6 reacties
In het rapport over de opgraving te Matsloot (pdf), valt mijn oog op een passage over drie spreukborden van Harlinger majolica. De archeologen konden twee van de spreuken transcriberen: “Alle lust vergaat, alleen deugd bestaat” en “Een dankbaar hart voelt zelden smart”. Bij de derde raakten ze – gedeeltelijk – het spoor bijster: “De boom die wast, die wast telt va(?)..” Deze laatste spreuk was maar “moeilijk leesbaar”, vonden ze.
Wat er staat is: “Die boom die wast, die wortelt vast”. Het is geen bekende spreuk, maar de ‘les’ lijkt me duidelijk. Waar voorspoed heerst, bestaat weinig neiging te verhuizen, zo houdt het bordje de mens voor.
Toch jammer dat de archeologen niet even een historicus of een ervaren genealoog in de arm hebben genomen. Ik ken er verscheidene die dit puzzeltje met gemak zouden hebben opgelost. Ook is er een vraagteken te zetten bij de datering van de drie borden op 1860. Het handschrift doet namelijk sterk denken aan handschriften uit de periode 1780-1810.
Beknopte historie van De Oude Held
Geplaatst op: 21 november 2012 Hoort bij: Hoogkerk 2 reactiesIk heb hier eens verteld hoe de oprichting van het waterschap De Oude Held (1796) een schisma teweeg bracht in de aloude Schepperij van Hoogkerk. Voortaan werden de wateren van Noord-Hoogkerk en die van Zuid-Hoogkerk gescheiden, met als grens het Hoendiep.
Bij toeval stuitte ik vandaag op de KB-website in een van de nieuwe Nieuwsblad-leggers op een ingezonden brief, die stilstaat bij het honderdjarig bestaan van De Oude Held in 1897. Voor de bouw van de watermolen, aldus de briefschrijver, ene Leegte (= Laagte),
…hadden de bewoners jaarlijks veel overlast van water, waardoor aan de vruchten belangrijke schade werd toegebracht. Wel trachtten de landbouwers des zomers hunne landerjjen daarvoor te beveiligen door er kleine dijken om de bebouwde landen te leggen, doch meestal zonder baat.
Inderdaad zie je op oude kaarten her en der bouwland, wel een minderheid van hooguit een derde van de percelen, en die moesten natuurlijk wel droog kunnen blijven. Volgens briefschrijver wilde vooral een Derk Stel, landbouwer op Vinkhuizen, een einde aan de “treurigen toestand” maken. Echter:
de tegenwerking was zoo groot, dat de heer Stel zich vele vijanden berokkende en vele onaangenaamheden moest ondervinden; maar de wakkere man gaf den moed niet op. Eindelijk kwamen er meer anderen die begrepen, dat het aanleggen van een polder wel tot groot voordeel moest wezen van al de ingelandon, en na veel besproken en overwogen te hebben word tot het aanleggen van een polder en het bouwen van een windmolen besloten, waaraan de naam werd gegeven van „De Oude Held”. (Misschien werd deze naam gegeven, omdat de molen zoo sterk en zwaar is gebouwd…
Zelf vermoed ik dat er een naambord hoog aan de molen hing, met misschien een konterfeitsel van een antieke krijgsman. “Dit is zeker”, aldus de briefschrijver:
de molen heeft den naam „De Oude Held” wel verdiend door het trotseeren der vele stormen en regenvlagen. Vooral is dit gebleken toen in 1863 door een dijkbreuk bij het Reitdiep de polder voor een groot gedeelte werd overstroomd, waarbij verscheidene schapen zijn omgekomen, maar „De Oude Held” met den bekwamen en ijverigen molenaar I. Torrenga hebben het water overwonnen en de landerijen droog gemalen.
Schrijver memoreert de afsplitsing, in 1828/1829, van de onder Leegkerk en Dorkwerd gelegen noordelijke polderlanden, waarbij de afgesplitste polder ‘De Jonge Held’ ging heten. De gelijknamige molen van die polder bestaat nog steeds.
Eind jaren 1870 gingen de ingelanden van De Oude Held denken over de vervanging van de windmolen door een stoomgemaal.
Wel werd erkend dat de molen met zijn twee schroeven en ijzeren as in vele gevallen voldoende is om den polder te bemalen, doch niet zelden gebeurde het dat bij gebrek aan wind de molen met gezeilde wieken dagen moest staan wachten zonder te kunnen werken, en dan bij overvloedigen regen de ingelanden te veel last van water kregen.
Een goede gelegenheid voor die vervanging kwam er in 1880, toen beide molenroeden en de ijzeren molenas werden verbrijzeld en de kap en het achtkant zwaar beschadigd raakten. Een meerderheid van de ingelanden zag echter tegen de kosten op en dus werd De Oude Held nog één maal hersteld. Op 7 October 1882 viel echter het doek, toen de ingelanden alsnog besloten om een stoomgemaal aan te schaffen:
In 1883 werd de molen afgebroken en aan den heer Hofman te Groningen verkocht die hem heeft ingericht tot een pel- en barkmolen.
Deze Hofman, een voorzaat van de bekende stadshistoricus Beno Hofman, verhuisde De Oude Held naar de zuidzijde van het Reitdiep onder Groningen, ter hoogte van de latere Hofstede de Grootkade, waar de omgebouwde molen dienst ging doen als pel- en barkmolen. De ingelanden van het Hoogkerker waterschap De Oude Held intussen, zonnen weldra op een nieuwe stoommachine:
Ofschoon de ingelanden nu geen last meer hadden van te veel water, werd al spoedig opgemerkt dat de machine niet voordeelig werkte, wegens te veel kolenverbruik.
In 1897 kwam er daarom een zuiniger apparaat, dat op den duur veel kosten zou kunnen besparen:
Het bestuur droeg de levering op aan de heeren D. H. Landeweer en Zonen, fabrikanten te Martenshoek, die daar dadelijk een begin mee hebben gemaakt, zoodat zij nu reeds is voltooid. Hedenmiddag is de machine door den heer Landeweer in tegenwoordigheid van het bestuur in werking gebracht.
Hoogkerk, 29 Oct. ’97. LEEGTE.
Proces om het bermgras van de Nootweg
Geplaatst op: 22 oktober 2012 Hoort bij: Hoogkerk 4 reactiesIn 1868 en 1869 liet de gemeente Hoogkerk een grindweg aanleggen vanaf de brug in Hoogkerk naar de beklinkerde Rijksstraatweg nabij Slaperstil. Het opwerpen van de aarde- en puinbaan in 1868 en het begrinden van deze baan in 1869 kostte de gemeente 10.488 gulden, waarvan de provincie de helft terugbetaalde in de vorm van een subsidie.
Voordien lag de Friesestraatweg er een kwarteeuw als een Fremdkörper bij in de gemeente Hoogkerk. Geen van de dorpen Hoogkerk, Leegkerk en Dorkwerd had er een goeie verbinding mee. Weliswaar was de Kerkeweg in Hoogkerk zelf bepuind, en lag er een voetpad naast, maar in elk geval vanaf de Woldtil bestond de verbinding, de zogenaamde Nootweg, uit een onverharde kleilaan, waar je ’s winters tot je enkels toe in wegzakte. Voor het onderhoud van zulke kleiwegen waren de aanwonende boeren verantwoordelijk. Elk had de zorg voor een eigen stuk, maar soms bleef men nogal in gebreke, zodat de gemeente boetes opleggen moest.
De nieuwe grindweg tussen Hoogkerk en Slaperstuil maakte een eind aan zulke primitieve toestanden. Volgens de gemeente voorzag hij in “een groote behoefte”. De aangelande Leegkerker boeren gaven hun rechten op de Nootweg er graag voor op. Alleen vergat de gemeente iets te regelen wat betreft de bermen.
Voorlopig bleven de “naastlegers” het gras van die bermen maaien voor eigen gerief. In 1889 echter, verbood de gemeente Hoogkerk dit, omdat ze wilde overgaan tot een verpachting van dit bermgras aan de meest biedende. Toen de Leegkerker boeren J. van Dijk en K. Staal zich hiertegen door middel van een deurwaarders-exploit verzetten, trok de gemeente zich daar niets van aan en liet de verpachting gewoon doorgaan. De boeren haalden daarop het gras van de bermen weg, vlak voordat de gemeentelijke huurders dat wilden doen.
En zo kwam het tot een proces. Volgens de gemeente was de Nootweg een openbare weg, “aan niemand in eigendom toebehoorende”, en vormden de bermen een deel van die weg, zodat de wegbeheerder – dus de gemeente – recht op het gras van die bermen had. De beide Leegkerker boeren voerden daarentegen aan dat de Nootweg, voordat er een grindweg van was gemaakt, nooit een openbare weg, integendeel altijd een “particuliere boerenweg” was geweest. Zij hadden weliswaar de weg afgestaan, maar “uitdrukkelijk het recht op het grasgewas gereserveerd”, dus voor zichzelf behouden.
De Groningse Rechtbank stelde de Leegkerkers in het gelijk. De gemeente ging echter in hoger beroep bij het Gerechtshof in Leeuwarden. De Procureur-Generaal daar achtte het recht van de gemeente op het bermgras “in geenen deele ” bewezen en zelfs “niet aannemelijk”. Het Hof volgde hierin de Procureur. Doordat de bermen niet notarieel overgedragen waren, ontbrak volgens het Hof het bewijs van gemeentelijk eigendom.
—
Bronnen: Leeuwarder Courant 4 mei en 1 juni 1892; Gemeenteverslagen Hoogkerk 1868 en 1869, de hoofdstukjes V; P. Kooi ed., Dorp naast een stad. Hoogkerk 1770-1914 (Assen 1993) 20-23; RHC Groninger Archieven toegang 1493 – archief gemeente Hoogkerk, inv.nr. 208 ingekomen brief nr. 257 van SMS Modderman dd 29 juni 1892.
Op mindere grond: Vinkhuizen
Geplaatst op: 14 oktober 2012 Hoort bij: Hoogkerk, Stad toen 10 reacties
Volgens meester Mulder, de onderwijzer van Hoogkerk in 1828, lag de buurtschap Vinkhuizen op twintig minuten lopen van zijn kerkdorp. Ze bestond indertijd uit vier boerderijen, die gezamenlijk de naam Vinkhuizen droegen. Eerder was dat slechts een eenzame hoeve geweest, want op oude kaarten stond nog een Vinkhuis enkelvoud. Als je Mulder mag geloven, kwamen toponiem en huisnaam van de vogel:
Mogelyk vond men hier te voren vele Vinken die daar door de Groningers gevangen worden – of deze plaats was vroeger, mogelyk om derzelver boschrykheid en het zich daarin op houdende gevogelte, een geliefkoosde wandelplaats voor de stedelingen, die uit liefde voor de vinkjes, het bosch of het huis alhier naar deze vogeltjes noemden.
Net als meester Mulder meende ik – tenminste tot voor kort – dat de naam met de vogel te maken had. Ik dacht zelfs dat er bij Vinkhuizen een vinkenbaan had gestaan. Tot Jan van den Broek me uit de droom hielp, want vink of vinke, vertelde hij, had nòg een betekenis, namelijk die van minderwaardige, lichte turf, een betekenis die inderdaad in het middelnederlandse woordenboek blijkt voor te komen en die ten grondslag ligt aan toponiemen als Vinkega en Vinkeveen.
Van bos in de streek tussen Hoendiep en Leegeweg is ook geen sprake in historische bronnen. Een kaart uit de vroege 18e eeuw toont in deze omgeving een enigszins trapeziumvormig poldertije, omgeven door een met sloten omzoomde “nieuwe dijk”, die ik op het bovenstaande kaartje, dat ontleend is aan HisGis, groen heb aangezet. Vinkedijk, zo heet deze dijk ook wel. Aan de noordkant loopt langs die dijk het Vinkemaar naar het westen. Het bedijkte land was waarschijnlijk het Vinkeland waarvan in bronnen sprake is. Van het oudste Vinkhuis, later het Grote Vinkhuis genoemd, horen we voor het eerst in de 17e eeuw. Het trapeziumvormige poldertje zal niet veel ouder geweest zijn. In elk geval werd het in ’t leven geroepen om het land, dat (deels) in het bezit was van het Armhuiszittend Convent en het Heilge Geestgasthuis, tegen water van buiten te beschermen.
Het poldertje besloeg overigens maar een fractie van de huidige wijk Vinkhuizen, namelijk het meest zuidwestelijke deel, vanaf de Diamantlaan tussen het Hoendiep en de Dolomietstraat naar de Van Zweedenlaan in het westen. De helft van het gebied wordt nu ongeveer ingenomen door stadspark De Held, waar nogal wat waterpartijen zijn. Eerder was dat park een opslag voor tarra van de suikerfabriek, de grond is hier blijkbaar nooit erg duur geweest.

Recente reacties