Rondje Leegkerk – Dorkwerd
Geplaatst op: 12 januari 2019 Hoort bij: Hoogkerk, Westerkwartier 8 reactiesGedumpte goot in de berm van de Roderwolderdijk, Hoogkerk:

Hindernisbalken van Henkie Hout, Aduarderdiepsterweg Leegkerk:

Door geiten aangevreten boom bij de Tichelwerkbrug:

Boerderij op Leegkerk:

Leegkerk – reddeloos ensemble met de kerk op de achtergrond:

Gaaikemadijk, de populierenrij:

De nieuwe brug bij Aduard staat nog omhoog:

Het kerkje van Dorkwerd:

Een historisch debat over de Nieuwbrug
Geplaatst op: 5 januari 2019 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 2 reacties
Nieuwbrug e.o. , 1826. Plattegrond door Provinciale Waterstaat. Collectie RHC Groninger Archieven 817-2780.2.
Dit is inmiddels zeeker, dat dezelve brugge zig thans bevind in eene hoogst gevaarlijke situatie, en alleen door behulp van touwen belet wordt uit elkanderen te vallen, zijnde een enkel kwaadaardig persoon door een deezer touwen los te maaken of door te snijden in staat om de grootste ongelukken te veroorzaaken en een doorgaande passagie te belemmeren, zoodat het van kante der policie volstrekt wordt gevordert dat deezen aangaande ten eersten de vereischte order werde gesteld…
Aldus A.P. Driessen, drost van het Westerkwartier, in 1807 over de toestand van de Nieuwbrug over het Aduarderdiep bij Leegkerk. Deze brug was er in de late Middeleeuwen als til of boogbrug gekomen dankzij de Stad Groningen, die er een herberg naast bouwde. Destijds bestonden het Hoendiep en zijn aanliggende Trekweg nog niet als aanvaardbare verkeersader, en de Stad wilde een goede wagenweg naar en vanaf het centrale deel van het Westerkwartier en Friesland, vandaar de aanleg van de Nieuwbrug, die gezien werd als tegenhanger van de oude brug bij Steentil. Ook bleef de Stad eeuwenlang voor onderhoud zorgen. Tot ze daar rond 1800 geen heil meer in zag. Vandaar de houtje-touwtje constructie, door Driessen gesignaleerd in zijn brief aan de Landdrost van Groningerland.
Begin 1807 had het provinciebestuur van Stad en Lande het Groninger stadsbestuur nog aangeschreven met de boodschap dat de Stad de Nieuwbrug “in een bruikbaaren staat” moest houden. Ook wilde het provinciebestuur de precieze redenen weten, waarom de Stad daar geen trek meer in had.
Bij monde van L. Beckeringh antwoordde het stadsbestuur met een historisch betoog, dat het lot van de brug verbond met dat van het stedelijke stapelrecht. In 1595 was dat recht, zoals bekend, bevestigd door de Staten-Generaal. Een onderdeel ervan vormde het verbod op het brouwen van bier in de Ommelanden, anders dan voor consumptie in eigen huis. Er mocht daar alleen bier worden verhandeld, of in herbergen worden getapt, als dat kwam van een Groninger brouwer. Volgens het stadsbestuur ging de aanleg van de nieuwe brug gepaard met het recht om bij deze brug en bij die van Enumatil herbergen te bouwen, die ook alleen maar hun bier uit de stad mochten betrekken. Stedelijke brouwers konden het recht op leverantie hier kopen van de Stad, tenzij dat recht was afgekocht ten gunste van een andere Groninger brouwer. Door de Bataafse Revolutie echter, was de Stad haar stapelrecht kwijtgeraakt. Beckeringh:
Het stapelregt intusschen door de gebeurtenissen welke in den jare 1795 hebben plaats gehad, zijnde komen op te houden, gelijk ook het uitsluitend regt om bij de Nieuwebrug en Enumatil oost- en westzijde geen ander bier te mogen verkoopen als hetwelk in de Stad is gebrouwen – ofschoon dat regt aan de Stad wettig competeert – zoo vermeenen wij dat door die veranderingen de redenen en motiven die de Stad gehad heeft in vorige tijden om gemelde brug aldaar te laaten maken en onderhouden, tans ten eenemaal komen te cesseren en dat het tegen alle reden en billijkheid zou zijn dat de Stad met het onderhoud eener brug in de Ommelanden, waarbij zij tans geen het minst belang heeft, zou blijven bezwaard.
Van het provinciebestuur verwachte het stadsbestuur dat het “de billijkheid” van deze argumentatie zou inzien en een besluit zou nemen dat goed zou zijn voor de bewoners van het Westerkwartier.
De Landdrost zond het stedelijke stuk door naar A.P. Driessen, de hierboven al ter sprake gekomen drost van het Westerkwartier. Hij zette vraagtekens bij het door de stad veronderstelde verband met het stapelrecht en de exclusieve leverantie van Groninger bier als motieven om de Nieuwebrug te bouwen en onderhouden. Volgens de nuchtere Driessen vormde de herberg bij de Nieuwebrug veeleer een bewijs voor het drukke verkeer of
voor de aangelegene passagie, welke langs deezen weg plaatshad, dan dat hetzelve kan worden gehouden van dat belang om alleen daarom op stadskosten een geheel nieuwe brugge over het Aduarderdiep aan te leggen.
Verder trok de Stad volgens Driessen al heel lang geen “bijzondere voordeelen” meer uit de verkoop van stadsbieren op de Nieuwebrug en bij Enumatil. Inderdaad staat me van resoluties en stadsrekeningen bij dat de stedelijke band met de herberg bij Nieuwbrug ca. 1620 al verbroken werd. Toch was de Stad al die tijd met het brugonderhoud doorgegaan, ook toen naderhand de passage langs de Nieuwbrug “aanmerkelijk” verminderde dankzij de ”de considerabele verbetering van de Trekvaart en aanlage van een uitnemend Trekpad” (bedoeld zijn het Hoendiep en de rode puinweg erlangs, HP).
Het verlies van het stapelrecht in 1795 vormde dus nogal een gezocht argument om zich te onttrekken aan de eeuwenlange onderhoudsplicht. Maar Driessen wilde geen uitspraak doen of de stad zich terecht onttrok, “doordien dit object toevallig voor haar van minder waarde is geworden”. Fijntjes wees hij erop dat de aanwonenden van de weg die naar de Nieuwbrug voerde, altijd vrij waren geweest van wegonderhoud – hij vroeg zich af of die “naar regte nu nog met deeze last kunnen worden beswaard”.
Of dit jaar al het besluit viel om het onderhoud van de Nieuwbrug naar de provincie over te hevelen, weet ik niet. Feit is dat in elk geval vanaf 1826 tot 1940, toen de Nieuwbrug als draaibrug door ons leger werd opgeblazen, het onderhoud in handen lag van de provincie, die een pachter passagegeld bij de brug liet innen.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 3 (archieven Gewestelijke Besturen) inv.nr. 712: ingekomen missives van plaatselijke bestuurders etc., dossiertje met de brieven van het Stadsbestuur en Driessen d.d. 10 april en 26 juni 1807.
Dementerende Hoogkerker verzoekt zelf om curatele
Geplaatst op: 3 januari 2019 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 4 reactiesIn 1870 was de gemiddelde levensverwachting in Nederland en België ongeveer 40 jaar. Op dat moment werden er al ontsmettingsmiddelen (met name chloorkalk) toegepast en bestond er ook al tientallen jaren (een nagenoeg algemene) inenting tegen de kinderpokken. Ruim een halve eeuw eerder, in de periode 1800-1815, moet de levensverwachting dus nog een stuk lager hebben gelegen, zeg 30 jaar.
Een klein onderzoekje onder de 45 overledenen van Hoogkerk tussen september 1811 en eind 1813 laat zien dat die verwachting waarschijnlijk nog lager was. De gemiddelde leeftijd van overlijden bleek hier destijds 23,7 jaar.
Twee op de vijf Hoogkerkers stierven als klein kind, onder de vijf jaar. Nog eens één op de vijf deed dat tussen zijn vijfde en twintigste. De meeste mensen – drie op de vijf – werden dus niet eens volwassen. Als je twintig werd, had je de meeste van je leeftijdgenoten al overleefd.
Daarna braken er wat minder hachelijke levensjaren aan. Een relatief geringe sterfte bestond er namelijk bij mensen ‘in de kracht van hun leven’, zeg tussen hun twintigste en vijftigste. Maar – slechts een kwart van de Hoogkerker overledenen haalde de vijftig. Geen wonder dus dat Elke Karsten, een weduwe op de Holm onder Tolbert, met haar 67 jaar in 1807 een “hoog bejaarde vrouw” genoemd werd.
Hoewel mensen, als ze hun kinderjaren en jeugd overleefden, dus een tijdlang minder bevattelijk waren voor ziekte en dood, overleden er toch nog relatief veel meer ouders van kleine kinderen dan vandaag de dag. Vandaar de uitgebreide arrangementen om (half)wezen te beschermen als een overlevende ouder hertrouwde, of als beide ouders overleden waren. Ik schat dat ongeveer de helft van alle rekesten in het Groningerland van voor 1811 te maken heeft met de voogdij over zulke kinderen.
Een ander effect van het vroegtijdige doodgaan, bijvoorbeeld aan kinder- of infectieziekten, was dat bepaalde ziekten waar wij tegenwoordig veel mee te maken hebben, toen veel minder voorkwamen. Maar ook al waren deze ziekten relatief zeldzaam, ze waren vaak wel bekend.
Zo had de hoogbejaarde Hoogkerker Harm Hindriks in 1804 vast wel een idee wat hem te wachten stond. Aan de drost van het Westerkwartier vertelde hij, dat hij gemerkt had,
dat door ouderdom, als hebbende reeds 84 jaren bereikt, niet alleen zijne lichaams- maar ook zijne zielsvermogens zeer verswakken, zodanig dat remonstrant somtijds niet weet wat hij voor een paar uuren en veel min den vorigen dag gezegt of gedaan heeft, en daardoor in gevaar geraakt van in het bestuur zijner zaken verkeerde stappen te begaan…
Met andere woorden – Harm was aan het dementeren, maar was zich daar terdege van bewust. Daarom wilde hij, na overleg met zijn kinderen, dat er door het gerecht curatoren over hem zouden worden aangesteld, aan wie hij “de administratie zijner goederen” kon overlaten. Het verzoekschrift tekende hij met een kruisje in aanwezigheid van twee getuigen.
Binnen vier dagen was de zaak beklonken. In een hoorzitting bevestigden Harms zoon Hindrik Harms en drie schoonzonen dat
Het noodzakelijk en tevens aller kinderen begeerte was , dat de oude man, door lichaamszwakheden en hogen ouderdom niet meer in staat zijnde zijne zaken te beheren, onder curatele werde gesteld.
Wat Harm ten overvloede nog eens beaamde, terwijl hij eraan toevoegde
Dat hij nog onlangs op het punt geweest was, van een zeer nadelig contract over zijn plaats te perfecteren.
Overigens hadden de kinderen wel al hun moederlijjk erfdeel van hem uitgekeerd gekregen, zo zeiden ze desgevraagd (dus tegen die verkoop of verpachting van zijn plaats hadden ze althans formeel geen bezwaar kunnen maken).
De familie leverde zelf geen bewindvoerders – eendrachtig droeg ze Jannes Rotgers en Pieter Jans Leutscher, “zijnde beide naburen der remonstrant”, als curatoren voor. Deze buurmannen hadden een paar dagen eerder ook al Harms inleidende verzoekschrift getekend. Zij zouden zo spoedig mogelijk worden beëdigd.
—
Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 611: criminalia, 3 juni 1807 (Elske Karsten); inv.nr. 724: rekesten 27 en 31 mei 1804; inv.nr. 766: commissieboek, 30 mei 1804.
Een kat in de weem
Geplaatst op: 1 januari 2019 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 2 reacties
Crimineel verhoor onder ede. Rechts de vooraf op papier gezette vraag, links het naderhand opgetekende antwoord.
De vraag:
Of er aan het huis van de dom[inee] ook huisdieren, hetzij katten of honden worden gehouden?
Die vraag was relevant vanuit de gedachte dat een kat of hond ook vuur kon overbrengen, zoals in dit geval in de pastorie van Leegkerk.
Het antwoord van de meid die van brandstichting verdacht werd:
Gedet[ineer]de zegt, zij hadden al een kat, dog geen hond.
Het is een volstrekt irrelevant detail, maar toch heel aardig om te weten dat er in 1809 een kat rondliep in de weem van Leegkerk.
Natuurlijk ligt dat zeer voor de hand in een boerderij-achtig onderkomen waar ook graan, in dit geval haver, werd opgeslagen, maar katten kom je hoogst zelden tegen in overheids- en rechterlijke archieven. Zo vind je ze praktisch nooit op boedelinventarissen. Waarschijnlijk is dat omdat ze geen economische waarde vertegenwoordigden. Schaarste aan katten was er niet of viel vrij eenvoudig op te lossen, en in tegenstelling tot landbouwhuisdieren konden ze maar zo uit eigen beweging weg zijn, waarbij nog komt dat de affectieve waarde niet te taxeren viel.
Vandaar mijn glimlach, bij deze passage. Ik zie er een predikant bij, die in zijn studeerkamer bezig is met het voorbereiden van een preek, terwijl er een kat opgerold op zijn schoot ligt te snorren.
Een tevreden man, die dominee. Tot er brand uitbreekt.
Familienaam Wasscher blijkt afgeleid van het Washuis
Geplaatst op: 30 december 2018 Hoort bij: Hoogkerk 1 reactie
Het Washuis en zijn directe omgeving zoals geschetst door Theodorus Beckeringh, ca. 1760. Collectie Groninger Archieven 2849-11 (uitsnede).
Ben bezig met het ontcijferen van een procesdossier over een brandstichting bij de pastorie van Leegkerk, in 1809. Door de verklaringen heen krijg je een mooi beeld van de omgeving: de schildersbaas en zijn jonkje die in de kerk bezig zijn, de schoolmeester die op het land een wagen met zaad ophaalt, de meid van de weem die in de tuin pronkers plukt, terwijl de brand uitbreekt.
Een van de mannen die zich op het alarmluiden van de klok naar de pastorieschuur haasten om daar de brand in het hooi te blussen, is Aldert Jacobs. Bij zijn eerste getuigenverhoor, op 17 oktober, heet het nog van hem dat hij woont “bij zijn vader in het Waschhuis bij het Aduarderdiep onder Leegkerk”. Dit verhoor tekent hij nog als Aldert Jacobs. Bij de bevestiging onder ede van dit verhoor, ruim een week later, wordt dat echter Aldert Jacobs Wasscher, terwijl hij tekent als Aldert Jacobs Wasker. Zijn woonplaats blijft Leegkerk, maar zijn leeftijd en plaats van herkomst worden dan gespecificeerd als 25, geboren te Winsum.
Uit Alle Groningers blijkt dat de achternaam Wasscher/Wasker nog niet zo lang bestond en dat hij in het geval van Aldert Jacobs zelfs voor het eerst werd gebruikt (of opduikt) bij de registratie van een doop, huwelijk of sterfgeval in Groningerland. Dat was namelijk toen Aldert bijna anderhalf jaar eerder trouwde met een meisje uit Onderdendam. In het huwelijkscontract noemen hij en zijn vader Jacob Cornelis zich dan Wasscher, terwijl de bruidegom een dag later in het kerkboek Aldrik Jacobs Wasker wordt genoemd.
Dat Wasker vormde een eenmalige aanduiding – voortaan gebruikte men louter de spellingsvarianten Wasscher en Wascher. Mij gaat het er echter om, hoe de achternaam de wereld in kwam. Hoe dan ook is die ontstaan, terwijl Aldert en zijn vader het Waschhuis bewoonden. De familienaam was dus van de huisnaam afgeleid, waarbij je je afvraagt of dat Wasscher ook nog op een kostwinning duidde of een beroepsaanduiding vormde.
Hierbij is mogelijk relevant dat het huwelijk van Aldert plaatsvond in de katholieke kerk van Bedum. Was de familie katholiek? En sluit dat dan aan bij het feit dat het Waschhuis een oude uithof van het klooster Aduard was, waarvan een gangbare naamsverklaring zegt, dat de kloosterlingen er hun was lieten doen?
Overigens noemde Aldert Jacobs zich na 1811 Nieland. Hij en zijn gezin verhuisden naar Aduard, waar hij schipper werd.
De familienaam Was(s)cher bleef via een andere weg wel behouden en was in 1947 nog typisch Gronings, met driekwart van de naamdragers wonend in deze provincie..
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 136 (archief Hoge Justitiekamer) inv.nr. 2170, verhoren d.d. 17 en 25 wijnmaand 1809.
Illegale verlotingen
Geplaatst op: 26 december 2018 Hoort bij: Hoogkerk, Westerkwartier 1 reactieIn de laatste week van februari 1804 werd “tot narigt van een ieder” een notificatie aangeslagen op alle gewezen rechthuizen van het Westerkwartier. Omdat het houden van verlotingen nogal eens uit de hand liep, kondigde de drost een reglementje af, dat een eind moest maken aan de “ongeregeltheeden”.
Het bestond uit vier artikelen. Samengevat kwamen die neer op het volgende. Voortaan werd er alleen nog maar toestemming voor een verloting gegeven, als die plaatsvond in een algemeen toegankelijke en bekende herberg. De uitbater daarvan mocht de verloting alleen laten plaatsvinden, als de organisator van de verloting een schriftelijke vergunning van het gerecht kon tonen. Naast het betalen van “consentgeld” aan het gerecht voor die vergunning, moest een organisator een vrij lot reserveren voor de plaatselijke diaconie. Dit mocht hij vervangen door iets anders, maar sowieso diende hij een bewijsstuk van de diaconale acceptatie te tonen bij zijn vergunningsaanvraag. Verder mocht een herberg bij een verloting niet langer open zijn dan normaal. De hoogste tijd van 10 uur bleef van kracht – dan ging de tap toe, en moest iedere gast wegwezen, op straffe van een boete van 3 gulden, die half voor de gerichtsbediende (wedman of roderoede) en half voor de plaatselijke diaconie was. De wedman of roderoede die het dichtste bij de herberg woonde, zag ook toe op het ordelijk verlopen van de verloting.
Het reglementje is bepaald geen dichtgetimmerd stuk, en roept verschillende vragen op. Eerder bestond blijkbaar de opvatting dat er niet om toestemming hoefde te worden gevraagd. Maar was die opvatting wel juist? In het oudere rekestboek van het Vredewold vond ik inderdaad geen verzoeken voor het toestaan van verlotingen, maar wat betekent dat dan: waren ze zonder meer vrij, of werden ze hier, anders dan in het Oldambt, helemaal niet toegestaan? Ook laat het reglementje ons in het ongewisse over de functionaris die de vergunning moest afgeven – was dat de drost in Zuidhorn, of de lokale wedman? Bovendien lijkt er wel een boete te staan op het na sluitingstijd aanwezig zijn in een herberg, maar niet op het houden van een illegale loterij. Kortom, juridisch viel er nogal wat af te dingen op het reglementje.
Mogelijk is het ook een paar maanden later geboekt, dan in de bedoeling lag. De vervolging van illegale verlotingen begint namelijk eind 1803 al. Dan geeft wedman Sytsma van Hoogkerk de drost kennis dat er op maandagavond 26 december, dus op Tweede Kerstdag, bij kastelein Christiaan Hubster door ene Derk Derks
loterij was gehouden, zonder dat daartoe enig consent van den Drost was gevraagd, veel weiniger verleend.
De vergunningverlener, zo blijkt uit deze aangifte, was dus duidelijk (nog) de drost. En die paste snelrecht toe. Zowel Hubster als Derks moest op woensdagochtend 4 januari in het rechthuis van Zuidhorn verschijnen,
teneinde aan de dezelve de welmening van dezen Gerichte te doen verstaan.
Beiden kregen bij die gelegenheid de overtreding van ’s lands wetten aangewreven – mogelijk bestond er dus ook nog nationale regelgeving. Beiden erkenden grif een loterij te hebben gehouden zonder dat ze daar toestemming voor hadden gevraagd, maar verzochten om clementie. Daartoe was de drost niet bereid. Kastelein Hubster kreeg een boete van 2 daalder en organisator Derks mocht volstaan met de helft, welke bedragen ze binnen binnen drie etmalen aan de diaconie van Hoogkerk moesten voldoen, anders dreigden forsere sancties. Binnen dezelfde tijd moesten ze de kwitanties van hun betalingen tonen aan de wedman van Hoogkerk.
Op dezelfde 26ste december 1803 waren er ook illegale verlotingen in Saaksum en in Marum. Die van Saaksum werd bij de drost aangebracht door wedman Abbring van Oldehove. Het betrof de tapper Meerten Sytses, die op 5 januari te Zuidhorn op het matje moest komen. Sytses bekende “zijne misdaad” en verzocht om “gratie en vergiffenis”, “uit hoofde dat uit onwetentheid gepecceert hadde en arm was”. Dat laatste wilde de drost wel geloven, want de boete bleek voor Sytses beduidend lager uit te vallen dan die voor zijn Hoogkerker collega. Hij moest binnen drie maal 24 uur 2 schellingen (12 stuivers) aan de diaconie van Saaksum voldoen en binnen hetzelfde tijdsbestek een kwitantie daarvan tonen aan de wedman die hem aanbracht. In Marum ging het om kastelein Hindrik Jans Bakker. Hij kreeg te maken met hetzelfde tarief als in Hoogkerk: een boete van 2 daalders, binnen 3 maal 24 uur te voldoen aan de diaconie van zijn kerspel, de kwitantie binnen diezelfde tijd te vertonen aan wedman Juursema van Leek, de kerel die hem waarschijnlijk ook had betrapt.
Twee daalder of drie gulden, dat kwam ongeveer neer op het weekloon van een arbeider. Zo’n bedrag hield men liever op zak. Toch kwamen er eind 1804 en eind 1805 nog steeds illegale verlotingen voor in het Westerkwartier en dan met name in het Vredewold, waar wedman Juursema in alle drie de gevallen weer de aanbrenger bleek. Blijkbaar was die wat fanatieker in de opsporing dan andere wedlieden. Eind 1804 ging het om Jacob Feringa en Martje Pieters Koster, die respectievelijk op 22 en 24 december loterijen zonder vergunning hielden in hun huizen te Tolbert. Elk kreeg weer een boete van 3 gulden voor de lokale armen. De betalingstermijn werd in hun geval verlengd tot acht dagen. Die termijn gold ook voor Alle Hindriks in Marum, die op 24 december 1805 te Marum betrapt werd. Hij erkende zijn fout, “dog dat niet hadde geweten hieraan quaad te doen”. Enige korting kreeg hij er niet om. De boete bleef 2 daalder, waarvan in dit geval de helft naar de diaconie ging en de andere helft naar de aanbrenger, dus wedman Juursema.
Wat in het oog loopt bij deze zaakjes, zijn ten eerste de data. De illegale verlotingen van 1803 vonden alle plaats op 26 december, dus Tweede Kerstdag. Bij die van 1804 en 1805 ging het in twee gevallen om 24 december en in één geval om 22 december. Dus steeds betrof het de donkere dagen rond kerstmis. In het Oldambt bleek de periode voor (legale) verlotingen wat meer uitgesmeerd. December spande hier ook wel de kroon, maar verder kwamen ze voor in het gehele winterhalfjaar. ’s Zomers waren er geen verlotingen, dan riep het werk.
Met uitzondering van de arme tapper uit Saaksum, moesten de op een illegale verloting betrapte herbergiers van het Westerkwartier 2 daalders of 3 gulden boete betalen. De bestemming van die boetes was steeds de plaatselijke diaconie. alleen in het laatste geval, dat van Marum, ging het geld half naar de diaconie en half naar de aanbrenger. Zo’n half-halfregeling bestond inderdaad allang voor de boetes wegens het na sluitingstijd nog in een herberg zitten, en zal voor de gerichtsbedienden een extra stimulans zijn geweest om af en toe poolshoogte te komen nemen in een herberg.
Wat er bij de verlotingen in het Westerkwartier te winnen viel, is helaas niet bekend – voor de drost deden de prijzen er immers niet toe, of het nu om een vette koe ging of om een luxe klok, een verloting zonder vergunning bleef even strafbaar. Alleen een briefje van het Plaatselijk Bestuur Aduard uit februari 1809 laat weten wat er toen bij kastelein Simon Joosten op het spel stond: enige doeken etc. Uit het briefje blijkt ook dat de drost qua loterijen op afstand was gezet – het is namelijk een kennisgeving. De drost mocht nog wel zorgen voor politioneel toezicht, maar de vergunning werd inmiddels verstrekt door het nieuwbakken gemeentebestuur.
—
Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (jurisdictie Westerkwartier), de inv.nrs.:
- 729: notificatie van 22 febr. 1804;
- 98: rekesten Vredewold;
- 610: criminalia 29 december 1803; 4, 5, 11 en 26 januari 1804; 14 en 23 januari 1805 en 15 januari 1806;
- 722: het briefje van het Plaatselijk Bestuur van Aduard d.d. 9 februari 1809.
Bushalte Hoogkerk
Geplaatst op: 15 december 2018 Hoort bij: Hoogkerk 2 reacties
Bushalte tegenover Woonzorgcentrum de Gabriël en de dokterspost Ruskenborg, Zuiderweg Hoogkerk, hedenochtend. “Laat die bejaarden en patiënten maar lekker inde gure oostenwind staan”, moet de vervelio hebben gedacht, die dit aanrichtte.
“Een groene laan, dienende tot een lijkweg”
Geplaatst op: 2 december 2018 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 4 reacties
Op “Pinxter dingsdag” 1805 kwam Jakob Geerts Vroom (55), een kleine boer en arbeider die aan de Zuidwending onder Leegkerk woonde, tot een vervelende ontdekking: zijn buurtgenoot en collega Jacob Sekema, woonachtig aan het Aduarderdiep onder Hoogkerk, had met hulp van diens zoon dampalen uitgegraven die stonden ter weerszijden en aan het begin van een “groene laan”, waarop Vroom gewoonlijk vee liet weiden. De Sekema’s smeten de dampalen (denkelijk met het hek dat ertussen zat) neer op de bewuste laan. Vroom vreesde dat zijn vee op andermans grond zou raken en vervolgens in de schutstal zou belanden (waarvoor hij dan schutgeld zou moeten betalen). Hij stond dus voor een dilemma: of geen vee meer weiden op de laan, of
zijn onvergehaalde vrediging wederom op te maken, in welken gevalle de rem[on]st[rant] onderrigt is geworden dat daarinne faitlijk zoude worden verhinderd…
Fijne buren, die Sekema’s! Om “verdere onaangenaamheden” te voorkomen, stapte Vroom naar de drost van het Westerkwartier, met het verzoek om het geschil te beslechten. De drost besloot eerst Sekema om diens mening te vragen en intussen moest de toestand blijven zoals die was. Naderhand kwam er inderdaad een hoorzitting. Helaas is het verslag daarvan niet bewaard, het blijft dus gissen wat Sekema’s motief was voor het verwijderen van Vrooms dampalen.
Waarschijnlijk claimde Sekema zelf het weiderecht, maar het zou ook nog kunnen dat hij het weiden van vee op de groene laan ontoelaatbaar achtte. Volgens Vroom diende de laan, die van zijn huis aan de Zuidwending naar het Aduarderdiep liep, immers tevens
tot een lijkweg voor eenige boeren onder Hoogkerk in cas hun de passagie langs de trekweg word belet
Wilde Sekema voorkomen dat kistdragers uitgleden over koeievlaaien? Dan was hij rijkelijk laat. Want Vroom voerde aan dat de groee laan door zijn
voorzaat en vader Geert Vroom zedert onheugelijke tijden onverhinderd is beweid tot aan het wagenpad van de wed[uw]e van Duurt Jacobs, alwaar hij een schut op de laan had gezet om zijn vee op te schutten
Die afschutting was dus weg. Met de verschillende aanwijzingen is de kwestieuze groene laan en lijkweg nu eenvoudig terug te vinden – deze is oranje gemarkeerd op het volgende kaartje:

Bron: http://www.hisgis.nl
Als lijkweg zal de laan heus niet zo vaak gebruikt zijn, want alleen bewoners van het Zuidwendinger gebied ten noorden van Hoendiep en trekweg zullen er gebruik van hebben gemaakt. Het ging dan hooguit om vier huizen, waaronder herberg de Pannekoek. Als de trekweg in de buurt van Vierverlaten om wat voor reden dan ook onbegaanbaar was, zette men in deze streek de doodskist op een boot, voer bij de Pannekoek rechtsaf de Zuidwending op tot de groene laan, waarna men via die laan, de weg langs het Aduarderdiep, de Nieuwbrug, de Legeweg bij Leegkerk en de Kerkweg naar het kerkhof bij de kerk van Hoogkerk ging.
Ten tijde van het eerste kadaster, ca. 1830, woonden Jakob Geerts Vrooms dochter en schoonzoon nog op de hoek aan de Zuidwending en de groene laan. De laan hoorde toen echter bij de boerderij aan de noordkant ervan, bij het Aduarderdiep. Deze heerd, nu van de paardenfokker Sipkens, was toen in handen van de wed. Duurt Jacobs Diepinga. Volgens het rekest uit 1805 had haar man een hek op de laan staan, waarschijnlijk halverwege, bij de knik.
Wat betreft het particuliere karakter van de laan lijkt er een discrepantie met de topografische kaarten, waarop de laan nog heel lang aangegeven staat als een (semi-)publieke weg. Ze bestaat nog steeds, zij het dat de sporen nu gevuld zijn met steenslag. Aan de kant van het Aduarderdiep komt ze uit naast de Kasperhoeve. Waar Vroom aan de Zuidwending woonde, stond tot een jaar of tien terug nog een boerderij, die nu echter gesloopt is. Net als ten tijde van Vroom staan er hekken op de laan. Binnenkort maar eens nagaan, wie nu de eigenaar is.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (rechterlijke archieven Westerkwartier) inv.nr. 725: rekesten van 20 juni en 3 juli 1805.

“Niet zonder gevaar, bij storm en duister nagten” – de overzet bij het Washuis en het voetpad dat er heenliep
Geplaatst op: 1 december 2018 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 7 reacties
Ruwe situatieschets door Theodorus Beckeringh, ca. 1760. Door het midden loopt het Aduarderdiep. Het Washuis en zijn overzet heb ik rood omcirkeld en de belangrijkste toponiemen rood onderstreept. Collectie Groninger Archieven 2849-11 (uitsnede).
Voor 1843 bestonden de Friesestraatweg en de Nieuwklap nog niet en lag er dus ook nog geen brug over het lange stuk Aduarderdiep tussen de Nieuwbrug (bij Leegkerk) en de Steentil (ten noordoosten van Aduard). Bovendien waren de wagenwegen die over de Nieuwbrug en de Steentil liepen, beide een flink eind om en extra tijdrovend voor mensen die zich geen (huur)rijtuig kon veroorloven. Ook bestond het Van Starkenborghkanaal nog niet – wilde je met een schip, dan was de omweg tussen de Stad en Aduard via Hoendiep (langs Hoogkerk en Vierverlaten), Aduarderdiep en De Lindt nog veel langer en tijdrovender dan de route te voet langs een van beide wagenwegen. Vandaar dat er voor voetgangers met enige haast of uit de omgeving zelf nog een ‘overvaart’ of ‘overzet’ bestond, zeg maar een veerdienst, die nabij het Washuis de voetpaden op beide oevers van het Aduarderdiep met elkaar verbond.
Eind november 1804 diende de ‘overzetter’ of veerman op deze locatie een verzoekschrift in bij de drost van het Westerkwartier, waaruit blijkt dat bepaalde passagiers die hij ook sociaal duidt, nogal eens ontevreden waren èn veeleisend: voor het overzetgeld of veerloon moest er soms buitengewoon veel moeite worden gedaan:
Geeft de ondergetekende als overzetter bij het zogenaamde Waskhuis onder Leegkerk met verschuldigde eerbied te kennen, dat hij menigmaal in de onaangenaam omstandigheden zich bevind, om veel smaadreden te moeten horen, en wel bijzonder van dienstboden die zich laten overzetten en menigmaal weigeren het gewone overzettersgeld te betalen, dat is bij de herfst en nat het (sic) zon[sondergang] vier en bij de zomer twe duiten, waarlijk tog een gering loon na de moeite en kosting, daar rem[on]st[rant] in de noodzakelijkheid is, een bekwaam persoon daarop te moeten houden, die altijd bij der hand moet zijn en daarenboven het onderhoud van het schip, en ook niet zonder gevaar bij storm en duister nagten, en menigmalen gebeurd het dat de overzetter eenige uuren moet opblijven te wagten na lui, en bijzonder na dienstboden die na Aduard en elders gaan en laat uitblijven, hetwelk ook geen kleine last is, om welk en meer andere redenen rem[on]st[rant] zich tot U Ed[ele] wend met submis verzoek om een gerechtelijke acte te verlenen waarop rem[on]st[rant] zich bij de onwilligen konde beroepen, waarin het overzettersgeld word bepaald, als in january, february, november en december benevens het gehele jaar door na zonsondergang van ieder persoon 4 duiten, en de overige tijd van het jaar 2 duiten.
Q.F. / get[ekend] /
Kornelis Jacobs
Kortom: het beledigen van mensen, werkzaam in het openbaar vervoer, was destijds ook al aan de orde. Volgens de eigenaar van het veer – die voor de bediening ervan naar eigen zeggen speciaal een knecht in loondienst had, maar die toch ook zelf nog wel eens gevaren zal hebben – maakten vooral dienstboden zich hier schuldig aan. Dat zal ook een belangrijke categorie passagiers geweest zijn. Sommigen weigerden de 2 of 4 duiten veerloon (resp. bij zomerdag en daglicht en bij winterdag en duister), maar dergelijke bedragjes waren voor zulke klanten waarschijnlijk ook redelijk veel geld. In elk geval vroeg Kornelis Jacobs van de drost een soort verklaring, waarin deze namens de overheid genoemde veertarieven voor rechtmatig zou erkennen. Opmerkelijk is nog dat Cornelis deze tarieven “gering” achtte, terwijl hij toch niet om hun verhoging vroeg. Dat zat er blijkbaar niet in. Helaas is niet bekend of de drost Cornelis’ verzoek ook inwilligde, want de klacht werd naderhand behandeld in een commissie of hoorzitting, waarvan het verslag, naar het zich laat aanzien, niet bewaard bleef.
Dit laatste geldt ook voor een verzoek van eind 1803, waarbij tien boeren uit de omgeving aandacht vroegen voor de povere onderhoudstoestand van het voetpad dat vanaf het oosten naar de overzet bij het Washuis liep. Ze brachten ter kennis van de drost:
Hoe dat sedert lange en thans tegenswoordig het voetpad, vonders en ommetreden van het zogenaamde Zomerpad, behorende onder Leegkerk en Dorquert, lopende van het Oude Waschhuis tot de Slaperstil en soo vervolgens tot aan de Reidijk, in een slegte toestand is, en bijna geheel onbruikbaar is gevonden, de vonders slegt en geheel sonder rikken, de ommetreden sommigen geheel vervallen, een pad dat meer als vijftig jaeren tot een publicq voetpad is gebruikt, en thans nog door de passagiers van onderscheiden caspelen hetselve, en veelen twee maal ’s weekelijks gebruiken moeten, en het welke bijna niet als met gevaar van ongeluk te houden, veroorzaakt door boven gemelde verwaarloozing…
Om die redenen vroegen deze boeren de drost in diens rol van opperschouwer van het Westerkwartier dit voetpad en zijn bijbehoren te inspecteren en een en ander
in een goede order te laten brengen en te doen herstellen tot geryf van passagiers en ingezetenen welke dat voetpad onvermijdelijk moeten gebruiken.
Aardig is, dat het rekest de ouderdom van het pad noemt – de boeren stellen immers dat het al ruim een halve eeuw publiek pad was. Waarschijnlijk ging hun herinnering niet verder terug en was het als zodanig nog veel ouder – de overzet bij het Washuis bestond in elk geval al in de jaren 1720. Dat veel mensen uit de verschillende dorpsgebieden het voetpad twee maal per week gebruikten, zal ermee samenhangen dat deze het op dinsdagen en vrijdagen als route naar en vanaf de markt in de Stad gebruikten. Maar het volgen van deze route was zo langzamerhand een hachelijke onderneming geworden, getuige de staat van de vonders (plankbruggetjes) en ommetreden (platformpjes naast damhekken waardoor je daar gemakkelijk langs kon glippen). De vonders hadden zelfs helemaal geen “rikken” (leuningen) meer, terwijl sommige ommetreden totaal vervallen waren.
Volgens het rekest liep het pad van het (Oude) Washuis naar de Slaperstil en daarna tot aan de Reitdiepsdijk (en de Hoogeweg). Met dat laatste stuk zal de tegenwoordige Zijlvesterweg tussen Slaperstil en Dorkwerd bedoeld zijn. Het eerste stuk liep over een wal langs een tochtsloot die overtollig water van Hoog- en Leegkerk loosde op het Aduarderdiep. In het onderstaande kaartje is het tracé van dit pad met beide vervolgen weergegeven:

De overzet van het Washuis en de voetpaden die er vanuit het oosten en westen heen liepen. Bron: http://www.hisgis.nl .
Bronnen:
- RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (rechterlijke archieven Westerkwartier) inv.nr. 724: rekesten van 28 november 1804 en 14 december 1803.
- Over de middeleeuwse oorsprong van het Washuis, waarschijnlijk een uithof van het klooster Aduard: Jan van den Broek, Een Stad apart, pag. 261.

De huisplaats van het Washuis, gezien vanaf de Nieuwklap.

De huisplaats van het Washuis, gezien vanaf de overkant van het Aduarderdiep.
Zilverreiger bij het Hegepad
Geplaatst op: 23 november 2018 Hoort bij: Dieren, Hoogkerk 3 reacties
Deze was niet zo schuw, vanochtend. Hij maakte een rondje door het water en liet vooral zijn rug zien, wat ik bar weinig voorkomend vond, maar hij vloog niet weg.
Rondje Lagemeeden – Leegkerk
Geplaatst op: 18 november 2018 Hoort bij: Hoogkerk, Westerkwartier 1 reactieDe Roderwolderdijk parallel aan de A7, Hoogkerk:

Oude slotenschoner bij de Zuidwendinger molen:

De Lagemeedener dividivi’s:

Herfstblad op de slootkant:

Paarden bij Nieuwbrug:

Eindje verderop redelijk veel reigers in het land -onder andere deze witte:

Rode blaarkoppen grazend bij Leegkerk:

Kerk Leegkerk:

(Foto’s van gistermiddag, tegen de avond.)
Loempiaman nu met credo
Geplaatst op: 9 november 2018 Hoort bij: Hoogkerk 8 reacties
(Op de wijkmarkt van Hoogkerk.)
Nooit gedoken is altijd mis
Geplaatst op: 2 november 2018 Hoort bij: Dieren, Hoogkerk 5 reactiesMeende eerst dat het visdiefjes waren, maar naderhand leken het me toch andere meeuwen die om een uur of vier, half vijf af en toe bijna biddend zaten te vissen in de tochtsloot langs het Hegepad:

Spoorvernieuwing westkant Stad
Geplaatst op: 20 oktober 2018 Hoort bij: Hoogkerk, Stad nu 6 reactiesOp het Hoofdstation in Stad maakt men van de gelegenheid gebruik om de overkapping van de meest westelijke perrons, nabij het Emmaviaduct, te vernieuwen:

Blik vanaf de spoorwegovergang Peizerweg richting Emmaviaduct: één grote zandbak:

In Hoogkerk zijn ze dan al een stukje verder. Blik op de bouwplaats aldaar voor de lokale verdubbeling van het spoor Groningen-Leeuwarden. De rode kraan staat bij de spoorwegovergang Zuiderweg die nu een paar weken buiten gebruik is:

Je kunt al goed zien waar het tweede, parallelle lijntje aftakt van het hoofdspoor:

Er nu even recht boven. Tussen de kraan en de grijze bult links zal station Hoogkerk gedacht zijn:

Met enig geduld kan je er vast wel aardige filmpjes maken, vooral ook volgende week aan het eind van de middag, als het vanwege de wintertijd een uur vroeger donker is en al die groene mannetjes onder bouwlampen (en in de regen) moeten werken:

De blik wat zuidelijker. De appartementen in die foeilelijke flat worden straks een stuk duurder:

De spoorverdubbeling zorgt voor extra lichaamsbeweging. Normaal is het voor mij 2 kilometer fietsen naar de Appie in Hoogkerk City, nu 4 (via Bangeweer en Johan van Zwedenviaduct). Hopelijk hebben ze het karwei af in de toegezegde tijd:

Spoorverdubbeling
Geplaatst op: 5 oktober 2018 Hoort bij: De actuele wereld, Hoogkerk 3 reactiesGezien vanaf het viaduct in de Johan van Zwedenlaan, Hoogkerk. De tweede helft van deze maand gaat de spoorwegovergang Zuiderweg twee weken dicht voor alle verkeer. De Albert Heyn bij de suikerfabriek is dan alleen via een grote omweg bereikbaar. Bij de Poiesz-supermarkt in Hoogkerk-Zuid zitten ze al te juichen.



Recente reacties