Op een mistige ochtend naar Roden

Het gebeurt niet vaak dat ik om half acht al op pad ben, maar ik had vandaag met collega’s een ict-cursus in de Roder sterrenwacht en met het weer van de laatste dagen is de fiets dan de aantrekkelijkste vervoersoptie.

De damp sloeg de sloten en kanaaltjes uit, zoals hier bij het Omgelegde Eelderdiepje ter hoogte van het transferium Hoogkerk:

Zelfde lokatie, iets zuidelijker:

Langmadijk:

De Onlanden voorbij het Peizerdiep:

Bij Roderwolde:

Slootje, Foxwolde:

Weehorsterweg ten oosten van Roden, kijkrichting Oude Diepje:

Het bekende punt op de Weehorst:


Een nikstaart over Peizermade

Zoekend met de term ‘nikstaart’ in de krantenbank van de KB vind ik slechts zeven resultaten, waaronder een paar die slaan op het stukje land bij Glimmen. De mooiste melding echter, betreft een bericht dat zowel het Algemeen Handelsblad van 7 augustus, als De Tijd van 8 augustus 1891 haalde.  Beide kranten namen het over uit de Nieuwe Groninger Courant, die het op zijn beurt weer ontving van een correspondent in Peize:

“Tal van personen hebben hier Vrijdag jl. ongeveer halfzeven des avonds een eigenaardig luchtverschijnsel waargenomen. Van het noorden bewoog zich in oostelijke richting eene groote windhoos, die langzaam voortschoof en daarbij zich kronkelde als eene slang. De personen, die een half uurtje ten N.O. van ons dorp vóór op de Peizermade in het hooiland bezig waren, hebben van meer nabij met het angstwekkend natuurverschijnsel kennis gemaakt. De hoos maakte een geluid, alsof men uit een stoommachine den stoom liet ontsnappen, zweepte het water uit de Gouw en de „baggerpetten” in het Broek met kracht in de hoogte, joeg het hooi uit het „zwat” al dwarlend opwaarts tot in de boomen, nam eene wring (landhek) op en wierp die op korten afstand weer neder, rukte een „tuin- of vredigingpaal” (een paal uit do omheiniog van het land) ter dikte van een arm uit den grond en smeet dien op ongeveer 50 M. afstand neer, en scheurde zelfs onder een geweldig gekraak een der stevig bevestigde „zwaarden” (schuine latten of planken) van eene nieuwe wring af. Paarden en koeien stoven verschrikt door het land, en verscheidene menschen vluchtten in de naastbijzijnde boerenwoning.

Een maaier, die in eenen hooiopper lag te rusten, zag ook het vreemde verschijnsel, hier algemeen „nikstaart” genoemd, naderen en besloot eerst te blijven liggen. Weldra veranderde hij echter van besluit. In allerijl staat hij op, neemt jas en vest, die naast hem liggen, op, en gaat de hoos uit den weg, zijne zeis en zijn etensaker met een lepel er in latende liggen. Onmiddellijk daarna wordt de zeis opgenomen, doch spoedig weer losgelaten; de aker echter verdwijnt voor zijne oogen. Het deksel en de lepel zijn teruggevonden, de aker is nog zoek. lemand, die op 10 min. afstands zich bevond, had die hoog in de lucht zien blinken.

Er zijn hier in de laatste dagen meer hoozen waargenomen; geene echter heeft zich zoo duchtig doen gevoelen als die van Vrijdagavond. Ook had geene zulke reusachtige afmetingen.”

Het Drentse woord nikstaart was dus tot op de grens van Groningen bekend.


Rondje Eelde, Glimmen, Haren en stad

Peizermade, iets na tweeën:

Rommelig hoekje bij de Hooiweg onder Eelde:

Op de Hoofdweg voorbij het centrum van Eelde, vlakbij zalencentrum De Waterburcht haalde een groep motorrijders mij in, eerst drie of vier in een normaal tempo en vervolgens eentje op een afstandje erachteraan, wat sneller. Ik baalde, want waar motoren zijn hoor je geen vogels meer. Ze waren al uit zicht, toen er een flinke klap klonk. Bleek die laatste? tegen het asfalt gesmakt. Toen ik er aankwam, waren een automobilist en de leden van zijn groepje gelukkig al dicht bij hem. Hij lag te kronkelen en te kermen van de pijn, heeft mogelijk een arm of een been gebroken. Ik denk dat hij was geschrokken van die auto van rechts en het stuur omgooide, met dit als gevolg. Meer foto’s dan deze ene (nu gecropte) durfde ik niet te maken, ik  voelde me een voyeur en ben vrij snel verder gefietst:

Molensteen bij een dam aan de Molenweg onder Eelde:

Schotse Hooglander bij de Esserweg:

Aan de Helperzoom een enorme bouwput wegens de aanleg van het nieuwe station Europapark, waardoor er negen dagen geen treinen rijden vanuit Groningen richting Assen en Winschoten:

ProRail maakt van de gelegenheid gebruik om bijna het het sporenstelsel langs de (Verlengde) Lodewijkstraat te vervangen, inclusief het kiezelstenenbed:

Op de Peizerweg een kudde poneys, die van de kinderboerderij in het Stadspark naar een weiland werd gebracht:


Kort Peizermader Ommetje


De Peizermade als Alaska

“Dikwijls zwierven we in de Peizermade, wanneer deze in een groote ijsvlakte herschapen was. Dan voelde je je zoo vrij als in Alaska, ver van de wereld.

Nergens in het binnenland heb ik zulke groote vogeltroepen bij elkaar gezien als daar. Soms waren er eenige honderden wilde zwanen tegelijk, vele honderden ganzen. Wanr nog open water was bevonden zich groote massa’s eenden en zaagbekken. Daar het ijs in de omgeving meestal te zwak was om een mensch te dragen, was het onmogelijk er dichtbij te komen, maar ook op een afstand was het een imposant gezicht.

Over korten tijd zal men dit rijke vogelleven daar niet meer kunnen bewonderen, daar deze made immers een betere afwatering zal krijgen en de gronden zullen worden ontgonnen. Misschien verplaatsen de wintervogels zich dan naar het Zuidlaardermeer, waar trouwens ook vroeger en nu veel Poolbewoners in den winter verblijf houden.”

—-

Bron: F. Koster, ‘Op het ijs’, aflevering in de serie ‘De Levende Natuur’, Nieuwsblad van het Noorden 11 januari 1929.


Winter te Peizermade

Voorpaginafoto van Het Noorden in Woord en Beeld, 15 januari 1932.


Rondje Peizermade, Roderwolde, Matsloot

In tijden niet zo’n afstand lopend afgelegd: ongeveer 13 kilometer.  Voor het grootste deel was het qua temperatuur best te doen, maar toen de zon bij Matsloot ter kimme zakte vroren mijn tenen er bijna af, gevoelsmatig dan hè. Onderweg op de vlakte een ontmoeting met Aargh en P.

Deze slideshow vereist JavaScript.


Rondje Langmadijk Eiteweerd

Deze slideshow vereist JavaScript.


Langmadijk, Onlandsedijk, Matsloot

Deze slideshow vereist JavaScript.


Een gevaarlijk sujet op de Peizerstraatweg

Bron: De Tijd, 18 april 1890.


Langs twee waterbergingen

De tweede helft van de middag een rondje Peizermade-Roderwolde-Matsloot gemaakt. Zo kom je langs twee waterbergingen. De hoeveelheid geborgen water viel me nog mee,  er kan veel meer bij! De campinghouder van de Matsloot, die van de week op radio Noord jammerde dat hem droge voeten beloofd waren, heeft die droge voeten nog steeds.

Deze slideshow vereist JavaScript.


Smokkel bij de Matsloot

Bij het noordelijkste puntje van Drenthe, tussen De Poffert en Matsloot, daar waar je nu het bedrijventerrein Westpoort hebt, werd er nog wel eens gesmokkeld in de 18e eeuw. In Drenthe had je andere belastingtarieven dan in Groningerland en dan loonde dat de moeite.

Je zou zeggen dat de kans op betrapping vrij klein was, omdat je over de lage hooilanden mijlen in het rond kon kijken. Je zou zeggen dat je dan de controleurs al van verre aan kon zien komen.

Toch liet Leentje Willems (43), de vrouw van Derck Cornellis, en met deze man wonend op De Pannekoek,  zich op 16 juli 1769 snappen met tien pond gekerfde tabak die ze “van het Raadjehuis in den Landschappe Drenthe” had opgehaald. Dat Raadjehuis, later gewoonlijk het Raadhuis genoemd, was zo’n beetje de noordelijkste boerderij van Drenthe. Deze hoeve viel vanaf de Pannekoek te bereiken als je ter hoogte van de huidige scheepswerf het Hoendiep overstak. Daarna moest je een paar honderd meter lopen door een paar stukken hooiland, als je niet met een bootje langs een tochtsloot ging.

Leentje, oorspronkelijk van Tolbert, was de tweede vrouw van Derck Cornellis, die al sinds 1751 op De Pannekoek woonde. Met zijn eerste vrouw, net als hij uit Roden, kocht hij dit goed indertijd van de diaconie van Hoogkerk. Van zijn eerste vrouw hield hij  een stuk of wat kinderen over en daarvoor zorgde Leentje.

Ze bekende vlot. Dat kon ook moeilijk anders als je op heterdaad betrapt was.

Ze had “alzo de gemeene middelen bekort en den Lande gefraudeert”. Daar stonden strenge straffen op. Het college van Gedeputeerde Staten, dat in zulke belastingzaken recht sprak, gaf “uit overweginge van des gedetineerdes behoeftige omstandigheden” echter de voorkeur aan “gratie voor rigueur van reghten”. Daarom werd Leentje bij vonnis van 27 juli vrijgelaten, onder toekenning van de elf dagen voorarrest als straf.

Ze kwam dus met de schrik vrij, maar de heren gaven haar nog wel een ernstige waarschuwing:

“van zich schierkomstig van diergelijke Landsdieverijen wel zorgvuldig te hoeden, zullende andersins, wanneer te eeniger tijd zich daaraan wederom mogt komen schuldig te maken en in handen van Justitie te geraken, op het strengste en zonder de minste gratie naar de ordre van den Lande worde gestraft.”

En opdat ze dit vonnis niet zou vergeten, kreeg ze het op een briefje mee, toen het haar in het cachot aan de Boteringestraat voorgelezen was.

Bron: RHC Groninger Archieven, Archief Staten van Stad en Lande, inv.nr. 1352, de sententie d.d. 27 juli 1769. Met dank aan Jan-Paul Wortelboer.


Serengeti bij de Bruilweering

Deze slideshow vereist JavaScript.

(foto’s van gister.)


Rondje Leutingewolde

Shovel in de weer met bieten bij de suikerfabriek:

Boerenwagen met rotzooi bij Oostwold:

Eiken langs het fietspad tussen Leek en Roden:

Peinzend paard bij Leutingewolde:

Het voederen van de stier, Foxwolde:

Koe observeert kip, Roderwolde:

Laantje met slootje, westkant Peizermade:

Peizerdiep, even ten zuiden van Eiteweerd:

Morgen iets over de toestand, aangetroffen bij Nienoord.


Vogeltjesland en andere matten en maden

”De stukken, waarin het lage land verdeeld is, zijn zeer ongelijk van grootte en vorm. Om ze uit elkaar te houden, heeft men voor ieder perceel een eigennaam bedacht, die nu eens ontleend is aan de grootte, dan weer aan den aard van den grond of de vruchtbaarheid, soms aan den vorm of aan den prijs waarvoor een stuk gekocht is, enkele malen aan bloemen, of wel aan dieren: paarden, of koeien enz. Het is eigenaardig die namen eens te hooren:

  • Aan den vorm: Langema, Zwanenhals, Hoekstuk, Lange Zeven (nl. zeven mat);
  • Aan de grootte: De Zestien, De Acht-, De Tien-, De Drie(mat), Het Grootstuk, De Twee-en-veertig (mat);
  • Aan den prijs: Het Drie-Schellingsland (omdat het voor 3 Schellingen zou gekocht zijn);
  • Aan bloemen: Het Viooltjeland;
  • Aan dieren: Aalloop, Hingstkamp, Koeven;
  • Aan de geaardheid enz.: Onland (nietswaardig land), Ossenweide (heel best land; zoodat men er wel ossen kan vet weiden), Hoogemat, De Lage stukken, Hoogstuk;
  • Verder heeft men nog: Gouwland, Botersloot, Molenstuk, Padstuk, Bakkerswinne, Riesvin, Stokersland, Blauwven, Stoetenland, enz.;
  • Zelfs heeft men de namen van steden niet vergeten, als: Groningerland, Dresden, en Bremerland.

De boeren kennen al deze stukken op een prikje en weten precies, wat soort gras er wast, of ze „overkleid” zijn of niet, enz., wat natuurlijk lang niet min is.

Het Peizerdiep met zijn zijstroompjes doorkronkelt deze onafzienbare grasvlakte, Deze streek is het land der vogels, bepaaldelijk van de watervogels en steltloopers: kieviten, kemphanen, sterretjes, pluvieren en derge[lijke] en in het voorjaar is zij het „Beloofde Land” van de zoekers naar kievitseieren om in den herfst hetzelfde te worden van de jagers op waterwild: snippen, wilde eenden en zelfs wilde ganzen. Het is de vraag, of vele stukken niet konden worden gebruikt voor bouwland, waardoor zij bij een oordeelkundige bemesting veel meer zouden opleveren dan thans. Maar daarvoor zou het noodig zijn het geheele terrein in te polderen en het dus ook des winters boven water te houden. Zooals de toestand tegenwoordig is, vormt de geheele streek van den laten herfst tot het vroege voorjaar één groote watervlakte, kortheidshalve „de Vlakte” genoemd.”

(…)

“Van Roderwolde loopt door het bovengenoemde lageland een weg naar Vierverlaten, in de wandeling „Roderwolder-dijk” genoemd. Deze weg, die op sommige plaatsen zeer week en los is, zoodat men in de wagensporen hier en daar vroeger takkebossen moest leggen, omdat de wagenraden anders te diep wegzakten, kan alleen in den zomer gebruikt worden. In den winter staat hij onder water.”

Bron: Vredewoldius – Uit Vredewold en omgeving, deel XXXI, NvhN 7.12.1912.

De serie artikelen van Vredewoldius schijnt nooit verboekt te zijn. Ik zou er voor willen pleiten om dat alsnog te doen. Nog een opmerking over dat Osseweide: zo heette de boerderij op de Dijkstreek ook, waar mijn overgrootouders Kroeze woonden. Dat was dus “heel best land”.

Nog een pagina met veilingen van topgras en naweide op de hooilanden tussen Matsloot en Roderwolde.