Groninger lekkernijen (nou ja)

Heftige mosterd van Witkop uit Winschoten (1923):
1923 witkop mosterd
Lieftallige juffrouw promoot kaakjes uit Musselkanaal (1925)
1925, 22 mei biscuits het Anker Musselkanaal
Altijd Je Pudding (1928)
1928 AJP hoe heerlijk
Surrogaatkoffie van Kahrel’s, dat proefde je (1944):
Drentsch Dagblad 28 juli 1944


Industrieel Groningen in Delftsblauw

Deze zag ik onlangs in Sappemeer in de etalage van een uitdragerij hangen. Het betreft de grotendeels verdwenen suikerfabriek in Groningen:
Industrieel Delftsblauw v
En deze hangt in een tweedehandswinkel aan de Zuiderweg in Hoogkerk. Het gaat om de inmiddels verdwenen Hunzecentrale met de vijf pijpen die jarenlang de zuidoostelijke skyline van Groningen domineerden:
Industrieel Delftsblauw
Moderne bedrijven die zulke nostalgische borden lieten maken – je zou bijna denken dat het wel verkeerd met ze moest aflopen.


Plaatjes van de stad uit een “prachtalbum” van Hommes

In de zomer en vroege herfst van 1928 adverteerde de koffie- en theehandel Jac Hommes uit Groningen voor een album over het noorden des lands. Tegen inlevering van koffiezakken kon men de plaatjes voor het album krijgen:
a - Hommes en zijn prachtalbum
Volgens de firma Hommes wilde zij de kennis van het noorden vergroten:

“Zijn land leeren kennen is de beste wijze, het te leeren liefhebben. Niet een ieder is in de gelegenheid zich die kennis door reizen en trekken eigen te maken. – Een prachtig hulpmiddel is zich door afbeeldingen een voorstelling van zijn land, de zeden en gebruiken te kunnen vormen.”

Dit is de voorkant van het album:
b - img184
Hoewel het album oer het noorden ging, werd het hier niet gedrukt, maar in Deventer. Ook de illustrator kwam van elders –  de plaatjes waren namelijk aquarellen van de Amsterdams/Gooise kunstenaar en graficus Eelco Cornelis Leegstra (1891-1968), wiens werk volgens een krantenbespreking uit die tijd de toets der kritiek zonder meer kon weerstaan.  Toch vond ik het in eerste  wat vagefloeperig, wat mede zal komen doordat er veel charme verdwijnt bij het verkleinen tot albumplaatjes. Ik heb die van de stad Groningen gescand, licht bewerkt en hieronder geplaatst. Zo vergroot blijkt de kwaliteit nogal wisselend.

– Grote Markt met kramen en wagen van Hommes –  er lijkt iets mis met het perspectief:
c - Grote Markt
 Peerdekeuren op de 28ste augustus, vrij naar het bekende werk van Eerelman:
d - Peerdekeuren
– Gezicht op de Vismarkt door het Koude Gat:
e - koude Gat
– Het Poortiershuisje aan het Damsterdiep:
f - Poortershuisje Damsterdiep
– Oosterhaven, iets te ruim uitgevallen:
g - Oosterhaven
– Hardddraverij in het Stadspark, waar de paarden kennelijk nog met de klok mee reden:
h - harddraverij Stadspark
De kunstenaar zal hebben gewerkt naar prentbriefkaarten, want ik denk niet dat hij voor het maken van deze plaatjes naar Groningen kwam. Goed opgeleid was hij wel: hij had immers de Tekenschool voor Kunstambachten en de Rijksacademie voor Beeldende Kunst in Amsterdam doorlopen. Naast illustraties voor met name jeugdboeken maakte hij affiches, kalenderplaten, maar toch ook wel vrij werk.


Avonduren met elektra in de Ambachtsschool

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Toen de gemeente Marum in 1920 de aanleg van alle elektrische leidingen etc. in de openbare gebouwen aanbesteedde, moesten de gegadigden beschikken over een elektrotechnisch installateursdiploma, om hun deskundige omgang met elektriciteit te garanderen. Toch bleken de meeste van de tien inschrijvers, die allemaal uit de directe omgeving kwamen, niet elektriciën van hun  hoofdberoep te zijn. Dat waren er slechts drie. Maar liefst vijf van de gegadigden, dus de helft, was in hoofdzaak smid en dan maakten ook nog een fietsenmaker en een koperslager gading naar de klus.

Het grote aantal smeden verbaasde ook Geert Braam, die over de aanbesteding vertelt in zijn recente artikel over elektriciteit in Marum,. Toch is het bij nader inzien niet zo vreemd als het lijkt. Toen het er voor de Eerste Wereldoorlog nog naar uitzag dat er overal snel stroom zou komen, en er daarbij een tekort aan mankracht dreigde, sprong de Groninger Ambachtsschool daarop in door stoomcursussen elektrotechniek speciaal voor smeden te beginnen. Dat was tegen het zere been van de vak-elektriciëns, maar die dolven smadelijk het onderspit in de krantendiscussie over deze kwestie,

Ik trof die discussie aan, doordat Geerts artikel me nieuwsgierig maakte naar de opleiding van mijn grootvader Albert Vondeling, die ook elektriciën was. Ik wist al dat hij zijn monteurs- en installateurpapieren haalde als knecht van Beving, de elektriciën van Zuidhorn. Deze Beving, bij wie mijn grootvader zo’n dertien jaar lang heeft gewerkt, was waarschijnlijk geen smid geweest. Van hem vond ik dat hij in 1925 met een compagnon, Bleeker, failliet was gegaan. Hij was wel doorgegaan met zijn bedrijf, want in 1928 stond hij met een stand vol electrische apparaten en radio’s op een middenstandsbeurs in Zuidhorn, waar hij in  1933 een nieuwe winkel in radio’s en andere elektra opende. In dat laatstgenoemde jaar bleken de stroom-opwekkende en -distribuerende bedrijven in de provincie Groningen – P.E.B., G.E.B. en Laagspanningsnetten – een avondcursus in de Groninger Ambachtsschool te organiseren, die twee winterhalfjaren duurde en in totaal 50 gulden kostte. Ik 1938 slaagde mijn grootvader voor het installateursexamen, wat ook in de krant stond. Waar hij het diploma haalde staat er niet bij, maar volgens mijn moeder ging hij op de fiets naar Groningen en volgde hij daar dus zo’n tweejarige cursus in de Ambachtsschool. Hij zal er dan in 1936 mee begonnen zijn en is dus de deuren van dat prachtige schoolgebouw tussen de Driessen- en de Petersstraat menigmaal gepasseerd.

— (Tekst aangevuld en herzien op 11.1.2014.)

Geert Braam, ‘De aanleg van elektriciteit in Marum’, in: ’t Olde Guet, tijdschrift van de vereniging Heemkundekring Vredewold-West, nummer 19 (november 2013), pag, 8-15, in het bijzonder 12.


Alle muzikanten speelden Violetta

De Kermis
Het jaarlijksche concert
Bij het Hoofdbureau van politie dromden vanmorgen weer de straatmuzikanten en -zangers samen, om hun proeven van bekwaamheid en bewijzen van goed gedrag te leveren. Inspecteur Kraaijenga zwaaide den staf op de hem eigen joviale wijze, terwijl de rechercheurs het druk hadden met het opzoeken van verschillende gegevens. Er waren weer tientallen orgels, vele harmonica-virtuozen, strijkjes van ulteenloopende grootte, zangers enzoovoort. De Volendammers ontbraken niet bij de „test” en tal van andere oude bekenden waren op het appèl, zooals ook Proeme de Raedt, ondanks de ongunstige berichten, die een tijd geleden in omloop waren. Hèt kermislied? Dat is de smeltende melodie van Violetta, die nu overal in de straten weerklinkt…”

Bron van het citaat: Nieuwsblad van het Noorden 14 mei 1938.

Nog een versie van het lied.

En nog een Duitse cover: Hör mein Lied, Violetta.

En tot besluit de Nederlandstalige update die de Belgische zanger en kunstfluiter Bobbejaan Schoepen omstreeks 1960 uitbracht. Volgens degene die die deze versie op YouTube postte,  komt de melodie uit Verdi’s opera La Traviata.


De plaag van nieuwjaarslopers uit de achterbuurten (ca. 1860)

“Een grote plaag echter was het Nieuwjaarlopen van het volk uit de achterbuurten, o.a. uit het Olde Bosch, de afgebroken buurt waar zich nu het Emmaplein bevindt. Deze lieden gingen van deur tot deur. Niemand weigerde hen enig geld, want er zou een grote oploop uit voortvloeien. Het was zelfs niet uitgesloten dat de glazen werden ingegooid als de ontevredenheid van deze Nieuwjaarwensers werd opgewekt. En als er nu maar brood en turf voor het geld gekocht werd, was het nog tot daar aan toe. De opbrengst van deze ergerlijke bedelpartij werd omgezet in sterke drank zonder dat vrouw en kinderen er profijt van konden trekken. De overlast werd tenslotte zo groot, dat de burgemeester het Nieuwjaarlopen verbood.”

Bron: A. Pathuis, ‘Uit Groningens historie; wintergenoegens van onze voorouders’, Nieuwsblad van het Noorden 28 december 1957.

Commentaar: Pathuis schreef over toestanden van “een eeuw geleden”, dus over de periode 1850-1860. Wanneer het nieuwjaarslopen in de stad Groningen precies werd afgeschaft, ben ik nog niet gewaar kunnen worden, maar op het platteland werden in genoemd decennium vele Nieuwjaarscommissies opgericht, die geld voor de armen gingen inzamelen, een praktijk die gepaard ging met het gelijktijdige verbod op het Nieuwjaarslopen door armelui ter plaatse.


Nieuwjaarswens van de Drekmenners (1852)

Wat we nu de Oosterpoort noemen, lag voor de ontmanteling van de vesting Groningen buiten de Oosterpoort van deze stad. En daar had je, zo’n beetje tussen het huidige cultuurcentrum en het tegenwoordige Zuiderpark in, een belangrijke stedelijke voorziening, namelijk de Drekstoep, oftewel de plek waar straat- en huisvuil, menselijke fecaliën en mest werden gemengd voor verzending naar de veenkoloniën.

Bij deze voorziening kon het behoorlijk stinken. Dat gold ook voor de mannen die er al het vuil heenbrachten, verwerkten en inlaadden. Drekmenners of Gele Rijders werden ze wel genoemd, en hun wagens heetten ook wel ironisch Boldootkarren.

Quasi uit naam van deze mannen nu, is een nieuwjaarsgedicht geschreven, dat ik aantrof op de eerste pagina’s van het Groninger tijdschrift De Huisvriend, jaargang 1852. Hoogstwaarschijnlijk was deze pastiche, die alle conventies van het toenmalige nieuwjaarsgedicht volgt, het werk van de bekende Jan Goeverneur. Als redacteur van De Huisvriend plaatste hij een noot bij het gedicht, waarin hij verantwoordde dat hij het bewuste ingezonden stuk plaatste in het vertrouwen, “dat niemand onzer Lezers uit dit stuk een booze lucht toewaaijen zal”.

Goeverneur hoopte dus, dat de lezer hem de plaatsing niet kwalijk nam. In zijn gedicht dringen de drekmenners namelijk aan op het verwijderen van wat resterende luchtjes uit de Groninger burgerhuizen en boerderijen – geurtjes die samenhingen met allerlei minder fraaie menselijke eigenschappen als twistzucht, drankzucht, eigenwaan, gokzucht, politieke en religieuze partijzucht, trots, behaagziekte en geldzucht. Hier is het gedicht:

OOK NOG VUIL IN HUIS?

——-

EEN NIEUW LIED,
AAN DE ACHTBARE BURGERS IN STAD EN LAND
BIJ DEN AANVANG VAN DIT NIEUWE JAAR
DOOR HUNNEN ONDERDANIGE DIENAARS
DE ASCH EN KARRELUI
EERBIEDIG OPGEDRAGEN.

Welvroede Mannen! van wat kleur,
Wat deeg of stof gij ook mogt wezen;
Wel schoone Vrouwen! als de geur
En bloem van de aard met regt geprezen:
Kortom, zeer achtbre Burgerschaar!
Gelijk al menig duizend jaar
De koopliên uit het Oosten kwamen
En bragten wierook, aloë,
Met kostelijke mirrhe meê,
Zoo ziet ge ons, aschliên, thans te zamen,
Optreên uit ons òòk riekend oord,
Gelegen buiten de Oosterpoort,
Waar de uchtendzonne bloost en gloort,
Om, zij ’t geen geur van specerijen,
Toch op den eersten dag van ’t jaar,
Als onze gave op ’t feestaltaar,
U heil en groet en beê te wijën.

——-

Gij weet, van tweeden nieuwjaarsmorgen
Tot ultimo December toe,
Betoonden wij ons ’t werk niet moe,
Maar zaagt ge ons onverdroten zorgen,
Dat wat in huis en stad niet hoort
Gebracht werd buiten de Oosterpoort.

Potscherven, lompen, lorren, vodden,
Tuig, afval, ’t vuile beddestroo,
Omballing, heel uw rommelzoô
Van oude sloffen, flarden, todden,
Gootmodder, asch, vuil en zoo voort,
Wij bragten ’t buiten de Oosterpoort.

Al wat ge onnuts, wat – met permissie! –
Ge vuils, naars, goors en stinkends vondt,
Met wat u stuitte of tegenstond,
Met heel uw smerige commissie
Belastet ge ons tot aan den boord,
En dan – ’t ging buiten de Oosterpoort.

Wat moet dus ’t geurig bij u wezen!
Wat moet, welk huis we ook binnengaan,
Een zoete lucht ons tegenslaan,
Nu al, wat kwaden reuk doet vreezen
En ’t rein van d’atmosfeer verstoort,
Gebragt is buiten de Oosterpoort!

Dus mijmerden wij, karremannen,
Toen wij, ons zondagspakjen aan,
Dees morgen kwamen aangegaan;
We waanden allen stank verbannen,
En toch…. uit menig huis komt voort
Een luchtje als van onze Oosterpoort.

Hoe, Burgers! kan dat mooglijk wezen?
Hoe Burgeressen! kan dat zijn?
Och, – wordt niet boos, weest niet sjegrijn,
Als we u in ’t kort de les reis lezen! –
Niet AL, wat bij u thuis niet hoort,
Gaaft gij ons mee naar de Oosterpoort.

Twist, Tweedragt, Ruzie, Kijverijen,
Verschil staag tusschen man en vrouw,
Rook ’t niet dààrnaar in dit gebouw,
We zouden de eigenaars benijen,
Och menschen, wat uw rust zoo stoort,
Geeft ’t mee, geeft ’t mee naar de Oosterpoort!

Drank! – Goede God! die stank der stanken
Verpest hier zoo de lucht in huis?
Kapot de flesch! Het glas in gruis!
Ge zult in eeuwigheid ’t ons danken.
Weg met de pest van de ergste soort!
Geeft ze ons mee buiten de Oosterpoort.

Mijnheer! we willen graag gelooven,
Dat wat gij denkt, schrijft, leert of speekt,
Goed is; doch: “Wijs- en waarheid steekt
Alleen in mijn begrip!” te boven
Gaat dat ons dom verstand. – Och voort
Met zulk een Waan naar de Oosterpoort!

Gij die bij dagen en bij nachten
Bij jas of lanter nederzit,
Slechts uit den Kaartenbijbel bidt,
En vrouw en kindren laat versmachten,
Och, eer soms ge in den grond u boort,
Geeft mee dat vuil naar de Oosterpoort!

En gij die, om gaauw rijk te wezen,
In ’t Koninklijk Hazardspel deelt,
Dat talloos tal van jammren teelt,
Och, ook uw hoopen en uw vreezen,
Dat u de rust der ziel vermoordt,
Geeft ons ‘t, geeft ons ’t voor de Oosterpoort!

Hier staan we voor een boerenwoning;
Had Praalzugt, Trots, Hoovaardigheid
Er niet zoo’n booze lucht verbreid,
Men zou er huizen als een Koning.
Mijnheer! Mevrouw! och hoort ons woord:
Geeft mee dat vuil naar de Oosterpoort.

Kabalen links; regts ook kabalen!
Het kuipen groot, de ambitie flaauw, –
Veel kiezers aan hun pligt ontrouw, –
Getob om stemmen op te halen, –
Och, jeetje! wien dat ook bekoort,
Wij wenschen ’t buiten de Oosterpoort.

Mejuffers die met gekke snufjes
Ons mannen, naar ge meent, behaagt,
Die roemt op wat ge al uitbaks draagt,
Niet op wat ge inbaks hebt, och nufjes!
Koketterij…. vertrouwt ons woord!
Wordt eens oud vuil voor de Oosterpoort.

Hier woont er een die al zijn dagen
Den snooden Mammon heeft gewijd.
Ligt, dat hem menigeen benijdt;
Maar wij, we moeten hem beklagen.
Geld-, Gouddorst, Woeker, al dat soort
Hoort thuis bij ons vòòr de Oosterpoort.

Religietwist, Verkettring, Hating
Van wie niet bidt, gelijk Gij bidt.
Van wie in andren kerkstoel zit,
Stank, stank is daarvan de achterlating;
Wàt ge ook gelooft, gelooft ons woord:
Die stank moet buiten de Oosterpoort.

Och, wat nog drek en vodderijen!
Wat kunnen we, eer het overal
Schoon, rein en geurig wezen zal,
Nog niet een vuil en modder rijen!
Dus Burgers! luistert naar het woord
Der mannen van uit de Oosterpoort:

——-

Elk huis in deze stad moet net en zind’lijk wezen;
Geen lucht waaije er, die er niet hoort!
Dat we onzen pligt niet doen, wilt, Burgers! dat niet vreezen,
Onze aschkar rolt bestendig voort;
Doch, ligt nog kwade stof bij genen of bij dezen,
Om ’t even maar van wat voor soort,
Geeft een nieuwjaarsfooi ons, voor ’t rijm door u gelezen,
En gooit ons al dat tuig aan boord.
We wenschen dat alom eens deze stad geprezen
Zij, als heel Neerlands geurigst oord,
Waar de allerfijnste neus op zijn gemak kan wezen,
Behalve…. buiten de Oosterpoort.


Een gezond en voorspoedig 2014 !

Nieuwjaarskaart B. Jacobs ca 1888 HJR blog

De kaart komt bij Harm Renkema vandaan, die er nog meer van dezelfde uitgever op zijn warm aanbevolen Flickr-site  heeft staan.


Wachtend op de tram, Tussen beide Markten ca. 1910

blokhuis met trams 1910, 1911

Groningen, Tussen beide Markten. Links een wachthuisje van de tram en het Blokhuis (waarin nu Bakker Bart zit). In het verschiet voorbij het Blokhuis de A-toren. Centraal op de voorgrond een perronnetje waar mannen met petten, snorren en witte boorden op de trem staan te wachten. Rechts van het midden de panden die de toenmalige Waagstraat flankeerden. En dan uiterst rechts nog een glimp van het stadhuis.

Bij nader inzien is de prentbriefkaart, een uitgave van J.H. Schaeffer te Amsterdam, vrij nauwkeurig te dateren. In het Blokhuis zit namelijk nog het bureau van de Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij, waar telefonistes de verbindingen legden voor de toen nog slechts 1600 telefoon-abonnees van de stad. Op 1 juli 1911 verhuisde hun bureau naar het nieuwe post- en telegraafkantoor aan de Munnekeholm – de foto moert dus van voor die tijd zijn.

Een begindatum is er ook, want de electrische tram werd zonder veel officiële poespas voor het publiek opengesteld op 1 maart 1910, hetgeen gebeurde met een rit tussen de remise bij het Noorderstation en het Hoofdstation via de Grote Markt. Zoals het openbaar vervoer betaamt, viel daarbij meteen de eerste klacht te horen:

“Een fijne motregen viel neer en toen de tram voor het wachthuisje op de Groote Markt stond, kwamen van achter dit huisje te voorschijn ’n viertal reizigers die naar ’t station moesten, die mopperden en die zich de vraag stelden, waarvoor dat huisje eigenlijk diende want het was gesloten. En dat bij zulk weer.”

Men begon met twee lijnen, 16 motorwagens en 4 bijwagens, De motorwagens hadden elk een capaciteit van 16 zitplaatsen en 14 staanplaatsen, dat was dus nogal beperkt. Vrijwel meteen werd er een druk gebruik van de nieuwe voorziening gemaakt, zodanig zelfs dat overtallige passagiers aan de buitenkant van de wagens gingen hangen. Weldra deed zich de eerste ontsporing voor.  Ook de eerste aanrijding liet niet lang op zich wachten.

Het gemopper en de ongelukken namen niet weg dat de officieuze stadsdichter van die dagen,  G.B. Kuitert, met een ode kwam, waarin hij terloops ook inging op de door hem verafschuwde, maar nu eindelijk afgedankte paardentram, de annexatie van Kostverloren en de komst van de waterleiding. Een en ander zou de stad, naar hij vreesde, flink op kosten jagen. Hier het eerste couplet van zijn lofdicht:

“Zoo rusten we eind’lijk dan in ’t Noorden
Van sukkeldraf en zot geknoei,
En rolt de tram weer in deez’ oorden,
Ontslagen van den paardenboei!
Heur vaart ontsnelt aan de oude toomen,
En ’t marktvolk. zwaaiend met zijn hoed,
Brengt vader Raad den jubelgroet,
Als kampioen voor grootheidsdroomen,
Die, van ’t Stadhuis-bordes gedaald,
De bliksemkoets er langs ziet strijken,
Geen vrees voor „’t hinkend paard” doet blijken
En elks belastingssom bepaalt.”

Film van een tramrit in 1916


Busstation Grote Markt in de winter (1961)

img140blog

Deze kaart kwam een tijdje geleden tevoorschijn uit een door mij aangeschaft tweedehands boek. Op de binnenkant staat een menu uit 1961 voor een diner, gegeven ter ere van ene Jaap die veertig jaar bij het Gemeentelijk Vervoersbedrijf werkte. Op Jaaps werkkring is de voorstelling behoorlijk toepasselijk, want de kaart toont ons het toenmalige busstation aan de noordzijde van de Grote Markt in Groningen.

Ik vind het eigenlijk wel een mooi plaatje. Het wintersfeertje zit er goed in, waarbij ik me afvraag of die bovenleidingen van de rode trolleybussen niet link waren wegens ijsval. De mensen rechtsvoor op de glimmende stoep lijken zich echter niet  bewust van het gevaar.  Zij kuieren doodgemoedereerd richting Zwanestraat. Alleen de blauwe auto links – een Renault? – is wat mij betreft perspectivisch minder geslaagd.

De maker van de voorstelling was Ronald Frijling (1917-1997), die wel meer van dergelijke winterse stadsgezichten produceerde. Hij groeide nota bene op op Bali en illustreerde in de jaren ’40 en ’50 tal van Nederlandse jeugdboeken die over Nederlands Indië gingen. Ook gaf hij wel tekenlessen en accepteerde hij opdrachten als een wandschildering bij Defensie, maar mislukte desalniettemin als vrij kunstenaar. Zo schreef ene G.K. (van ’t Reve?) anno 1946 in De Waarheid:

“Het werk van Roland Frijling komt niet boven het illustratieve uit. Zijn tekeningen zyn academisch en missen iedere spanning. Hy schynt ons te weinig artist om van zyn vakmanschap ten volle gebruik te kunnen maken.”

Vanaf ongeveer 1956 was Frijling (daarom) voornamelijk actief in de kerstkaartenbranche. Zijn productie lag op enkele honderden stuks per jaar en hij kon heel genoeglijk over de trends in deze branche vertellen, zoals onder meer blijkt uit interviews in de Leeuwarder Courant (1966)  en het Nieuwsblad van het Noorden (1976). Zijn ommezwaai naar commercieel werk, in die idealistische era ongetwijfeld afgekeurd door collega’s die liever van de contraprestatie leefden, verdedigde hij met uitspraken als deze:

“Jaren heb ik geprobeerd als een bohemien te leven, maar dat lukte niet. Ik kan niet slapen als ik mijn rekeningen niet heb betaald. Van een beetje luxe houd ik wel.”

 


Heer gemolesteerd om zwarte knecht

“Op het gemoveerde ter vergadering dat den Heer Woordman onlangs uit West Indiën terug gekoomen, voor enige daagen met de koets door de Heerestraat passeerende door het gemeen seer soude sijn gemolesteert, veroorsaakt doordien er een swarte knegt agter op de koets hadde gestaan – waarop gedelibereert zijnde hebben de HHren Burgemren en Raad den Advocaat Fiscaal gelast zig hierop nader te informeeren op rapport.”

Een heer, pas terug uit West Indië, komt met zijn koets door de Herestraat en wordt daar lastig gevallen door het  volk, omdat er een zwarte knecht achterop die koets van hem staat. Althans, zo luidde, begin 1779, het verhaal in het Groninger stadsbestuur. Burgemeesteren en Raad gaven daarom hun aanklager opdracht de zaak in onderzoek te nemen en daarvan in hun midden verslag te doen.

Helaas is dat verslag er niet. De aangehaalde acte (lastgeving) vormt de enige bron voor dit gevalletje. Dat er geen vervolg-acten, noch een aanklacht, verhoren en/of een vonnis te vinden zijn, zou kunnen betekenen dat het hele verhaal niet serieus te nemen viel. Ook is het mogelijk dat het slachtoffer geen van zijn belagers wist te identificeren, wat ook wel logisch zou zijn bij iemand die heel lang niet in de stad was geweest. Hoe dan ook achtte men het wèl plausibel, dat stad-Groningers van de kook konden raken door een Afrikaan. De implicatie is, dat mensen hier nog totaal niet aan een andere huidskleur gewend waren.

Met de Woortman, begrijp ik van expert Michel Doortmont, kan niet bedoeld zijn de Pieter Woortman (1700-1780), die van 1767 tot zijn dood namens de Westindische Compagnie (WIC) Directeur-Generaal van de Nederlandse Goudkust was. Deze uit Brandenburg afkomstige Duitser kwam daar in zijn jeugd als soldaat terecht, was na het uitdienen van zijn contract een tijdlang kruidenier in Groningen, keerde berooid terug naar West-Afrika en klom toen op tot steeds hogere functies.  Hij verwekte zes kinderen bij een Afrikaanse vrouw, met wie hij een zeer lucratieve en grootschalige slavenhandel  dreef.  Daarin participeerde ook zijn oudste zoon uit een eerder Nederlands-Frans huwelijk. Misschien was het deze Johannes of Jan Woortman, die in de Herestraat belaagd werd om een zwarte palfrenier.  Een andere mogelijkheid is Woortmans jongste Nederlandse zoon Jacob, die uitgerekend in 1779 een behangselfabriek in de stad Groningen begon.

Bron: RHC Groninger Archieven, Rechterlijke Archieven III (stad) tt (op microfiche), Actenboek stadsbestuur van Groningen d.d. 22 januari 1779.


Het allereerste ooievaarsstation

In november 1769 liet Albert Coops (69) zich vinden in de gehoorzaal van het Groninger stadhuis. Hij vertelde de heren daar,

“…hoe uit eigen vermaak nu zedert 6 jaren twee ooijevaars heeft aangehouden, opgequeekt en tot dusverre nog in leven, waardoor ontdekt heeft in hoeverre de natuur zo door veranderinge van voetzel als climaat van lugt, dat die beesten zig hier zomer en winter kunnen ophouden…

Daarom was hij van plan,

“de aanfokking dezer vogelen in deze stad te obtineren door in ’t toekomende nog een of twee ooijevaars zig magtig te maaken.”

Helaas had hij een “merkelijke verswakking weegens sijn kostwinning” ondervonden en was hij niet in staat  nog langer het onderhoud van de vogels te betalen. Reden voor zijn verzoek aan het stadsbestuur

“dat aan hem een seker quantum  van penningen jaarlijx moge werden geaccordeert, tot onderhout en oppassing van die vogelen”

Burgemeesteren en Raad echter, voelden hier niets voor. Zij wezen de gevraagde subsidie zonder meer van de hand.

Bron: Groningsche Volksalmanak 1898, de bladvulling op p. 106.


‘Ruk die slijm los’ en andere najaarsadvertenties

1901:
1901 de groninger rookverdrijver
1933:
1933 abdijsiroop
1935:
1935, 4 dec. nvhN levertraan
1936:
1936 regenmantels


Vier opmerkelijke schaatsberichten uit Stad & Lande

“De winter heeft eene eigenaardige gedaante aan onze stad gegeven. Duizende stedelingen vermaken zich op het sterke ijs en bezoeken de omliggende dorpen. Duizende landlieden komen bij ons ten bezoeke , om het ijsvermaak te genieten en op de aangenaamste en snelste wijze hunne benoodigdheden van hier te erlangen. Vooral voorleden Vrijdag, bij gelegenheid van den marktdag, vertoonden de Brug-, Ebbinge- , Poel- en Oosterslraten een bijzonder tafereel, daar zij wemelden van met schaatsen behangene landbewoners, die Gruno’s wallen waren komen opzoeken, en veel vertier in dezelve bragten.”

Bron: Groninger Courant 16 januari 1838.

“(Ingezonden.)

Hoogezand den 8 Januarij. Als een’ kleinen tegenhanger van de drie heeren van Sneek (zie Gron. Cour. van den 7 Januarij 1845) kunnen wij mededeelen, dat drie heeren van het Hoogezand dezen winter op schaatsen zijn gereden van hier naar Amsterdam en terug; hebbende den afstand van Assen over Zwartsluis en Kampen, langs de zeekust tot Amsterdam, afgelegd in 12 uren.”

Bron: Groninger Courant 10 januari 1845.

“Men meldt ons uit Tolbert, van den 5den dezer: Heden namiddag te twee uren werd ons dorp niet weinig verrast, toen men onzen waardigen onderwijzer met een 60tal kinderen zag op schaatsen gaan rijden, hetwelk een uitstap is geweest naar Enumatil; te vier uren waren zij weder gezamenlijk terug. Dank zeggen de ouders aan onzen waardigen onderwijzer voor een winteruitstapje aan bun kroost geschonken.”

Bron: Groninger Courant 11 januari 1848.

“(Groningen 20 januari) Op den 18den dezer is door een detachement van het 8st[e] regiment infanterie, onder kommando van den eersten luitenant De Vree, gewapend eene militaire wandeling buiten de Apoort op schaatsen gedaan, waarbij eenige militaire manoeuves werden uitgevoerd, welk een en ander eene menigte toeschouwers uitlokte. De afstand vnn hier naar de Vier Verlaten is door hen in den tijd van 13 minuten bij den heen-, en 15 minuten bij den terugrid afgelegd.”

Bron: Groninger Courant 21 januari 1848.

 


‘Tal van akelige vermoedens…’

akelige vermoedens

Bron