Groninger sneuvelde voor de paus (1867)
Geplaatst op: 17 juli 2010 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 3 reacties
Het is weinig bekend, maar in de jaren 1860 vochten 3181 Nederlanders als Zouaven in het vreemdelingenlegioen dat de pauselijke staat moest beschermen tegen de Italiaanse nationalisten onder Garibaldi. De Nederlanders maakten van alle 11.000 Zouaven bijna eenderde deel uit. Daarmee vormden ze de grootste natie onder de Zouaven.
In het register op de website van het Nederlandse Zouavenmuseum in Oudenbosch staan tien stad-Groningers. De oudste was Albert Meuge, die geboren werd in 1827 en dus al een eind in de dertig was toen hij de wapens tegen Garibaldi opnam. De jongste heette Kasper Jan Scholtens. Hij werd in 1845 geboren en moet dus om en nabij de twintig zijn geweest. Overigens waren alle mannen vrijgezel, want dat was een voorwaarde die de paus stelde aan de mannen die voor hem vochten.
Op het lijstje van de tien stadjers springt één naam er voor mij uit. Dat is die van Johannes Stephanus Crone, geboren op 24 november 1830. Volgens een internet-stamboom heette zijn vader Nicolaus Wilhelmus Crone en dat moet dan een oomzegger geweest zijn van de katholieke middenstander met dezelfde naam, die zich na de Bataafse revolutie van 1795 ontpopte als een radicale democraat. In 1798 was deze Nicolaus Crone nog ruim vijf maanden de machthebber van het voormalige Stad & Lande geweest. Bij de zuivering van het kiezersvolk ging hij grof willekeurig te werk. Nadat een gematigder putsch een eind aan het radicale regime maakte, ruimde deze Crone weer het veld en ging hij definitief naar Amsterdam, waar hij een functie bij de instelling kreeg die de zaken van Oost-Indië behartigde.
De radicaal-democratische en daarmee ultra-verlichte oud-oom had dus een achterneef, die het gewapenderhand voor de paus opnam. Katholiek zijn rond 1800 was nog heel iets anders dan katholiek zijn rond 1860.
De achterneef , Johannes Stephanus Crone, sneuvelde op 13 otober 1867 bij de slag van Monte Libretti. Met zo’n negentig andere Zouaven, voornamelijk Nederlanders, bestormde hij ’s avonds een op een heuvel liggend, versterkt dorp, dat door een overmacht van Garibaldisten bezet was. Met de andere gesneuvelden kwam Crone jr. in een massagraf terecht. Een half jaar later werd dit massagraf weer opengegraven. Volgens een bericht in het Weekblad van Tilburg herkende een overlevende kameraad hem dadelijk aan zijn knevel en riep: “Dat is Crone!”, waarop de opgravingsleider de slobkousen lossneed en zijn nummer 2298 vond. Door dat cijfer wist men definitief dat het ging om “den godvruchtigen Johannes Crone”. Hij werd gekist en met negen kameraden bijgezet in “de bevallige kapel van Onze Lieve Vrouw del Passo” aan de weg omhoog naar Monte Libretti. Moeder Crone in het verre Groningen kreeg nog een lok van zijn hoofdhaar toegestuurd.
In het overwegend protestantse Groningen raakte Crone al gauw vergeten, maar iemand die met hem in Monte Libretti sneuvelde, werd nog tot omstreeks 1960 diep vereerd, zowel op katholieke scholen als door de naam van de hoofdstraat in zijn dorp. Dat was Pieter Jong, “de held van Lutjebroek”. Als je de verhalen mag geloven sloeg hij veertien Garibaldisten met zijn geweerkolf de schedel in, toen zijn munitie op was geraakt.
Men had toen nog wat over voor de Paus!
‘Wie Groningen niet kent, kent Nederland niet!’
Geplaatst op: 14 juli 2010 Hoort bij: Stad toen 2 reacties
‘Er gaat niets boven Groningen’ heeft zo zijn voorgangers gehad. In elk geval vanaf 1933 tot na 1953 hanteerde men hier de slogan: ‘Wie Groningen niet kent, kent Nederland niet’.
In die leus klinkt het calimero-complex van Groningen door. De gemiddelde Nederlander liet Groningen links liggen en dat bedroefde Groningen zeer. Groningen probeerde de gemiddelde Nederlander daarom aan te praten dat deze een incomplete Nederlander was, zolang hij of zij Groningen niet had bezocht.
Bovenstaande sluitzegel, buitgemaakt op een veilingsite, toont het beeldmerk van de campagne. In dat logo is verwerkt, hoe Groningen zichzelf zag. Boven alles uit steekt natuurlijk de Martinitoren. Daarachter zie je de kop van Mercurius, want Groningen liet zich er graag op voorstaan dat het de derde handelsstad van het land was. Op de Martinitoren de uil die met zijn wijsheid symbool mocht staan voor Academie en wetenschap. Dan een hele rij rokende schoorstenen voor de industrie, een stuk of wat korenaren voor de landbouw en een harpje als pars pro toto voor muziek, of nog breder: cultuur.
Van die symbolen hebben de korenaren, de fabrieksschoorstenen en Mercurius afgedaan. Nog steeds staan de Martini, de uil en de harp recht overeind. Sommige stadjers moeten ook weinig van die uil hebben. Kregen zij hun zin, dan bleef alleen dat harpje nog over aan de voet van de Martini.
Drager Groninger kopjesfibula bekeerling van Liudger?
Geplaatst op: 13 juli 2010 Hoort bij: Stad toen 3 reacties

Ik zag in het juli-nummer van Van wierden en terpen, het mededelingenblad van de Vereniging voor Terpenonderzoek, een uit het Friesch Dagblad gecopieerd stukkie staan over de fibula, die begin dit jaar bij een opgraving in de kerk van het Friese Raard werd aangetroffen. Deze mantelspeld (zie foto) zou op zijn laatst uit de tweede helft van de negende eeuw, maar mogelijk nog van voor het jaar 800 dateren. En daarmee gedragen kunnen zijn door een van de eerste christenen in Friesland, oftewel iemand die mogelijk nog door Bonifatius bekeerd is.
Wat mij opviel was het kopje, temidden van het kruis. Het doet mij sterk denken aan de vier gestileerde en kruisvormig opgestelde kopjes op de fibula, die onlangs gevonden werd bij de Grote Markt in Groningen. Ik denk dat beide fibula’s uit dezelfde stijlperiode komen en dat de Groningse daarmee nog wel eens een stuk ouder zou kunnen zijn, dan gedacht, Mogelijk stamt ook de Groningse mantelspeld uit de allereerste kersteningsperiode. De drager zou bijvoorbeeld kunnen zijn gedoopt door de heilige Liudger. Ja, heel misschien was het wel Bernlef himself…;-)
Een portret van de stad Groningen anno 1840
Geplaatst op: 10 juli 2010 Hoort bij: Stad toen 2 reacties“Zij is met haar deels nog ouderwetse huizen en gebouwen zeer regelmatig en ruim gebouwd, en heeft wel van alle Nederlandse steden de grootste pleinen en de hoogste toren. Door haar scheepvaart krijgt ze veel levendigheid en het daaruit voortvloeiende gewin is niet zonder betekenis. Wellicht heeft ze nooit meer en grotere schepen laten bouwen, als juist nu; want niet alleen voor de binnenlandse handel, maar zelfs ook voor de zeevaart zijn ze bedoeld. Bovendien is ook de weekmarkt van groot belang en brengt veel geld in omloop. Men ziet op zo’n dag de klederdracht van de onderscheidene dorps- en stadsbewoners, die – voor zover ik het beoordelen kan – zeer lijkt op de Friese; maar de gezichtsuitdrukking en de gestalten verschillen zeer. De Groningers zijn dikker en blonder, hun gelaatskleur minder rood, ze zijn breedsprakiger en ze lopen minder vlot. Dat vond ik tenminste, maar hiermee wil ik niet beweren dat het in het algemeen zo is, want daarvoor was mijn oponthoud te kort en de kring waarin ik mij bewoog te klein.
In de hoofdstad zelf, die vanwege de universiteit snel met de tijd meegaat, gaan de zeden en kledij der voorouders steeds meer teloor. Men volgt Amsterdam en zelfs het buitenland steeds meer na en haalt grote elegantie de huizen in. Het interieur daarvan is vaak een aangename verrassing door brede, schitterende gangen, grote voorname kamers en fraaie, rijke meubelen. Tuinen, van een tamelijk grote uitgestrektheid in de stad, vergoeden de bewoners enigermate het gebrek aan schone wandelwegen, die zich ook bijna louter tot de allernaaste omgeving van de stad en het Sterrebos beperken. Het gebrek aan wisselend beschaduwde plaatsen is voor de bewoners, maar nog meer voor de vreemden, een grote ontbering, maar zoals ook in de armoe iets goeds te vinden is, zo is dit tekort weer een middel om de heren studenten, die in meer romantische omgevingen vaak meer wandelen voor hun plezier dan dat ze studeren, aan vlijt te gewennen.
Voor muziek en schilderkunst hebben zij hier weliswaar gelegenheid genoeg, maar ze richten zich hier toch meer op broodstudies en wetenschappen, dan op de schone kunsten, wier beoefening hen zoveel tijd kost, en toch slechts een voorbijgaand genoegen bereidt.”
Uit: Freundliche Erinnerung an Holland (1840) van de Duitse predikant en jongedameskostschoolhouder Friedrich Wilhelm Dethmar (deel III, pag. 245-247).
Onder een bodem ijs (1800)
Geplaatst op: 1 juli 2010 Hoort bij: Stad toen 4 reactiesEr schijnt die vrijdagavond een heldere maan door de bomen langs de Oosterweg. Het vriest dat het kraakt. Maar in herberg Het Berenust heeft men daarvan geen last.
Vier mannen laven er zich bij het vuur in de jachtweide aan een beste borrel. Drie zijn moeskers van de Oosterweg: Jan Arends, Folkert de Fries en Hendrik Ellens. Hun oogstseizoen zit erop, afgezien van wat moes. Deze kerels hebben hun geld voorlopig weer verdiend, ze hoeven even niets te doen.
De vierde en jongste van het stel, Cornelis Berends Hoeksema – in de wandeling heet hij Nele – heeft het wat minder. Nele kan als sjouwer zo’n zeven stuivers per dag verdienen, maar door de vorst ligt de scheepvaart stil en is hij werkloos. Hij en zijn vrouw Henderika – die in het najaar, als de cichorei gesneden wordt, meer geld inbrengt dan hij, maar de laatste tijd alleen iets omhanden heeft als breister – zitten aan de Perkamentmakerssteeg** in een woninkje, waarvan ze de huur nog maar nauwelijks kunnen opbrengen.
Als Nele zich even na achten bij de drie moeskers voegt – hetgeen niet wil zeggen dat hij er geen middag drinken op heeft zitten – gaat het gesprek over een paard. Folkert de Fries, een gescheiden man, heeft net een paard van zijn collega-moesker Jan Arends gekocht, maar schijnt daar spijt van te hebben, waarop Arends hem aanbiedt het paard weer voor dezelfde prijs terug te nemen. Tenminste, als De Fries dan het gelag betaalt. Hoewel De Fries even aarzelt, accepteert hij het aanbod en Arends telt de koopsom weer voor hem op tafel uit. De Fries stopt het geld in een zo te zien goedgevuld zakje, dat hij in de binnenzak van zijn jas opbergt.
Het zal een gedenkwaardige avond worden voor alle betrokkenen. Wat zeg ik, voor de hele buurt.
Om ongeveer half tien besluit De Fries dat het eens tijd wordt om op te stappen. In het Berenust weet hij zich nog net staande te houden, maar eenmaal buiten valt hij tegen een hofschutting in de goot. Hendrik Ellens en Nele, die dankzij de gratis borrels zelf ook tamelijk aangeschoten zijn, maar nog wel zien dat De Fries in zijn eentje niet thuis zal komen, rapen hem daar op. Hendrik neemt De Fries links onder de arm en Nele pakt hem rechts. Vanuit de deuropening van het Berenust kijkt de kastelein het wankele drietal na.
Hendrik en Nele komen, nadat ze De Fries bij zijn kosthuis*** afgeleverd hebben, nog even terug naar Het Berenust. Maar ze hebben hun plaatsen nog maar nauwelijks ingenomen, of de weduwe Hulscher, de kostbazin van De Fries, loopt binnen om te zeggen dat ze even met haar mee moeten komen, naar haar huis. Hendrik is daartoe meteen bereid, maar Nele niet, Nele drinkt liever eerst nog wat jenever.
Op sterke aandrang gaat Nele eindelijk mee. Vlak bij haar huis verklapt de weduwe de reden van haar verzoek: haar kostganger is zijn zak met geld kwijt. Nele merkt op dat het niet waar zal zijn. En hij probeert nog een praatje aan te knopen met een buurtgenoot die hen juist tegemoetkomt.
Aan de deur van zijn kosthuis vertelt De Fries wat ze al weten. Waarop Hendrik Ellens verklaart dat hij zich wel wil laten fouilleren. Hij gaat naar binnen, maar Nele niet, Nele blijft buitenstaan, hoe er ook op hem ingepraat wordt. Sterker nog, Nele wil de benen nemen, want Nele herinnert zich opeens een afspraak. Met wie dan wel? O, met een Appius. Ook wil hij zijn vrouw even zeggen dat hij niet dadelijk thuiskomt en dat ze dus wachten moet met eten opzetten. Hij is zo terug.
De op het rumoer bij donkere avond afgekomen buurtgenoten – er is al een aardig oploopje – zien hoe Nele er vandoor gaat en hoe de weduwe Hulscher hem achternaloopt. Ze roept tegen Nele dat hij zal blijven staan als hij een kerel is. Ze weet hem zelfs bij de lurven te pakken. Maar Nele smijt haar tegen een schutting en loopt op een holletje de Perkamentmakerssteeg in.
Een poosje later komt hij terug naar het kosthuis van De Fries. Zo, hier ben ik, fouilleer me maar. De weduwe Hulscher scheldt hem uit. Hij is een slechte kerel. Nele begint te vloeken en te schreeuwen dat hij het geld niet heeft, geeft haar een draai om de oren, gooit haar tegen de tafel aan, zodat ze nog op de grond valt ook.
Een man of wat gaan nu met een lantaarn langs de Perkamentmakerssteeg op zoek naar het geld. Ze kijken ook in een belendende hof – misschien dat Nele het geldzakje daar ingegooid heeft. Maar ze kunnen zoeken tot ze een ons wegen, ze vinden niets.
Eenmaal uit die hof komend, weer op de Oosterweg, ontmoeten deze mannen Henderika, de vrouw van Nele. Zij is net uit het kosthuis van De Fries gekomen en heeft daar beweerd helemaal niets van het geval te weten. Ze vraagt wat de mannen zoeken. Ze antwoorden: De zak met geld die Folkert de Fries verloren heeft. Ze zegt: Oh, zoek je naar die zak? Dan zul je lang zoeken voor je die vindt, die is al weg.
Als Henderika zich even later voor de tweede maal durft te vertonen in het kosthuis van De Fries, wordt ze daarom ook maar vastgehouden door de verzamelde buurtgenoten. Net als Nele. Het blijft nog lang onrustig, die avond, in dat kosthuis.
De volgende ochtend, die van zaterdag de zesde februari 1800, komen de schout en de raadsdienaar naar de Perkamentmakerssteeg om in het stulpje van Nele en zijn vrouw huiszoeking te doen. Ze gaan de keuken in, schuiven de witte gordijntjes opzij, doorsnuffelen het vurehouten kabinetje en de porseleinkast, kijken achter de borden op de rim en onder de bedstee. Nul resultaat. Dan is de kelderkamer aan de beurt, waar een kleerkast staat. Ook onder de stapeltjes kousen, hemden, borstrokken, vestjes, strooien hoeden en wat dies meer zij vinden ze niets. Hetzelfde geldt voor het korfjes en de doos met oude vodden. Maar met de “zinkput” of “waterdobbe” in die kelder lijkt iets merkwaardigs aan de hand. Het water in deze put is weliswaar egaal bedekt met een dikke laag ijs, maar dat ijs blijkt aan de kant wat los te zitten. De schout en de raadsdienaar slaan het daarom in stukken en beginnen te dreggen. Tot er een linnen zakje met meer dan honderd gulden omhoogkomt.
Nele en Henderika worden gevankelijk weggevoerd. Het stadsbestuur komt bijeen. De heren laten zich de verhoren voorlezen en vinden het allemaal zwaar verdacht. Ze besluiten dat Nele kan worden overgebracht naar de stadsgeweldige. Henderika blijft op de A-poort, in voorlopige hechtenis. Intussen wordt het huisje aan de Perkamentmakerssteeg verzegeld.
Een week later voelt men Nele voor het eerst serieus aan de tand. Hij weet dan nog niet dat het geld gevonden is en speelt de vermoorde onschuld. Hij had in herberg het Berenust natuurlijk wel gezien dat Arends aan De Fries diens geld weer uittelde, maar daar verder helemaal geen acht op geslagen. De aansporingen om zich te laten fouilleren had hij niet gehoord en dat de weduwe Hulscher hem achterna was gelopen had hij niet gezien. Dat hij haar tegen de grond had gewerkt noemt hij gewoon niet waar. En in de Perkamentmakerssteeg was hij helemaal niet geweest, integendeel, hij had zich halverwege bedacht en was meteen weer teruggegaan.
Henderika daarentegen, slaat door. Ze was die vrijdag na het afleggen van wat familiebezoekjes om kwart voor zeven thuisgekomen, had vuur aangelegd en er een pot met “soepen” (karnemelk) boven gehangen om er brij (karnemelkse pap) van te koken, maar aangezien Nele niet kwam opdagen was ze vroeg naar bed gegaan. Toen werd ze wakker, door “een vreselijk geroep en alarm” van buiten, waarbij ze Neles stem ook duidelijk kon horen. Ze was bang geweest dat Nele weer eens ruzie had, kleedde zich aan en ging er op af, maar nog in de Perkamentmakerssteeg stuitte ze op een zeer gehaaste Nele die haar de zak met geld in de handen drukte en meteen weer terugliep, de Oosterweg op. Thuis had ze de zak eerst op tafel gelegd. Ze had zich heel raar gevoeld.
Ze ging nog naar het kosthuis van De Fries, begreep daar definitief hoe de vork in de steel zat en had nog geprobeerd duidelijk te maken dat de zak terecht was. Maar dat lukte niet door het kabaal dat er heerste en ze was “dodelijk ontsteld” weer op huis aangegaan. Daar slaagde ze erin het ijs in de waterdobbe aan één kant naar beneden te drukken en de zak eronder te werken. Ze ging andermaal naar het kosthuis van De Fries, waar ze opnieuw niets kon uitrichten en de rest van het verhaal kennen we.
Ook Hendrika’s voorlopige hechtenis wordt nu omgezet in een criminele detentie. Bij zijn tweede verhoor weet Nele zich opeens wel allerlei zaken te herinneren. Hij verzoekt berouwvol om een genadig vonnis.
Dat doet ook, op haar manier, de moeder van Henderika. Tot haar “groote liedtweesen” is haar dochter “door groot onnoselhiet” in handen van justitie gevallen. Ze kan niet slapen “om so een trurig geval”. Ze bidt de heren of ze haar dochter “gratzius” willen behandelen. Zelfs komt de stadsmedicus er nog even aan te pas, die onderzoekt of Henderika soms zwanger is. Het blijkt van niet, want ze heeft tijdens de detentie “naar de ordinaire wijze op zijn tijd zich bevonden”.
In juni wijzen de heren van het stadsbestuur vonnis. Ze verbannen Nele en Henderika voor zes jaar uit het voormalige gewest Stad en Lande. De dag nadat hun hoger beroep afgewezen wordt zet de schout het paar bij De Punt over de grens.
Ruim een jaar later komt Henderika met een zuigeling terug in de stad, een overtreding van het bannissement waarvoor ze geruime tijd in het tuchthuis kan belanden. Ze verklaart dat zij en haar man in den vreemde nergens de kost hadden kunnen verdienen, dat ze nergens onderstand had kunnen krijgen en dat ze van honger en gebrek had moeten omkomen, temeer daar ze bijna geheel verlamd is.
De stadsdokter onderzoekt haar opnieuw. Het klopt, ze is de macht over de spieren van haar rechterwang, tong, slokdarm, handen en benen kwijt. De dokter wijt het aan “gevatte koude of zogenaamde Rheumatische stoffen”. Ik denkdat ze een hersenbloeding heeft gehad. Ze kon zelfs geen kruisje meer zetten.
Harry Perton
Licht herschreven versie van een verhaal dat in 1994 in de Oosterpoorter heeft gestaan.
* Deze herberg bevond zich op de hoek van de Oosterweg en Onder de Boompjes (de huidige Parklaan). Ze heette eigenlijk Het Grauwe Paard, maar ik prefereer de naam die soldaten aan haar gaven: het Berenust.
** Dit steegje lag ter hoogte van het stukje Sophiastraat tussen de fietsenzaak en het Parkhornhofje.
*** Dit kosthuis, dat ook wel een logement of, nog weidser, een herberg genoemd wordt, stond tussen de Oliemulder- en de Witlattensteeg..
Met een haarlok van zijn verloofde
Geplaatst op: 10 juni 2010 Hoort bij: Stad toen 2 reacties
Pas verworven door de Universiteitsbibliotheek alhier: het album amicorum dat Gerhard Jacob Keizer eind achttiende eeuw als Gronings rechtenstudent en jong jurist liet vullen met gedichten en tekeningen van vrienden en vriendinnen. Er zit ook een haarlok in van zijn aanstaande vrouw Gesina Busch. >>>
Tussen beide provincies bestaat geen goede harmonie
Geplaatst op: 6 juni 2010 Hoort bij: Het Noorden, Stad toen 3 reacties“Das Gebiet, das wir nun mit dicken Groningschen Pferden schnell genug durchtrabten, bleibt ziemlich dem vorigen (Friesland, HP) gleich, nur ist es noch mit mehr Graben, über die viele Brücken führen, durchschnitten. Je näher man aber der Stadt Groningen kommt, die mit ihre erhabnen Thurme wie eine ehrwürdige Matrone von ferne prangt, desto besser und freundlicher wird die nackte baumlose Landschaft, desto lebhafter und üppiger das Wiesengrün, und sie volendet in Ueberraschung, wenn man zum Thore hereinfährt, den langen breiten Fischmarkt und den groszen königlichen Marktplatz (Bremark) mit den prächtigen Rathhause und als Grenzpunkt den majestätischen Thurm vor sich hat.
Meine Zielscheibe waren die Doelen, in welchen ich mich einquartierte, ohne dass Herr Bülting (de eigenaar van die herberg aam de Grote Markt, HP) etwas dagegen einzuwenden hatte. Ich bezog meine reinliche, aber gar ze versteckte Kammer, richtete mich ein, und ging dann herunter in das heitere geräumige Gastzimmer, wo ich gut bedient und wie ein alter Bekannter behandelt würde. An dem zutraulichen Wesen, womit man unter einander verfuhr, merkte ich bald, dass ich mich in einer Universitätsstadt befand, wo Burschen den Ton angeben. Die Gesellschaft war sehr gemischt und hatte eine ganz andere Farbe, als die ich in Friesland verlassen hatte. Einige, denen ich mich zur Unterhaltung zu nähern suchte, rückten ihren Stuhl weiter, als sie bemerkten, dass ich gut friesisch gesinnt war. Zwischen beiden Provinzen besteht nemlich keine rechte Harmonie; zwar zeigt sich das nicht so sehr unter den Gebildeten, als viel mehr unter denen, welche an alten Vorurtheilen hängen, und davon wegen des einmal erwählten Standpunktes nicht abweichen können.”
Uit Freundliche Erinnerung an Holland (1840) van de Duitse predikant en jongedameskostschoolhouder Friedrich Wilhelm Dethmar (deel III, pag. 230-231).
Fibula uit de beginjaren van Groningen gevonden
Geplaatst op: 1 juni 2010 Hoort bij: Stad toen 2 reacties
Deze fibula of mantelspeld van een mogelijk verzilverde lood-tinlegering is gedateerd op de tiende, elfde eeuw na Christus. Dat is de tijd dat Groningen voor het eerst genoemd wordt in stukken, waarbij de Duitse Keizer de zeggenschap over de nederzetting hier aan de Bisschop van Utrecht overdraagt. Waarschijnlijk is het ding, dat een bovenkleed bij elkaar moest houden, heel goed te restaureren en komt het straks heel mooi voor de dag in een museumvitrine.
De fibula is de meest interessante van een aantal metaaldetectorvondsten die studenten archeologie de laatste dagen hebben gedaan bij de nieuwe opgraving aan de de Grote Markt oostzijde. Zo kwam er een muntje tevoorschijn met het wapen van Groningen. En een deel van een messing balansje, waarmee mogelijk munten zijn gewogen op de manier zoals een schilderij van Quinten Metsys ons toont. Nog weer een andere, evenmin alledaagse vondst is een oorlepeltje.
De foto is gemaakt door M. Krooshof, die de opgraving met haar camera volgt. Zij maakt ook filmpjes, die tevens op de gemeente-website worden geplaatst.
Teken- Bouw- en Zeevaartschool had internaat
Geplaatst op: 27 mei 2010 Hoort bij: Stad toen 1 reactieHaarlemsche Courant 1 januari 1803:
*** Directeuren der Academie van Teken-, Bouw- en Zeevaartkunde in GRONINGEN, adverteeren, dat, ten dienste van zodanige Jongelingen, die, in dit Gemeenebest, doch buiten Groningen zyn woonachtig, by de Academie evengemeld zal worden gevoegd, en met het begin van ’t volgend Academisch Jaar, zynde 1mo September 1803, in gereedheid zyn, een geregeld en onder het toeverzigt der Directie staand Huis, waarin ieder Jongeling, boven de 10 en beneden de 18 Jaaren oud, voorts de vereischten by de gedrukte Reglementen der Academie bezittende, voor een Jaarlyksche Som van ƒ 300 boven het onderhoud in kleeding, zal kunnen worden geplaatst, om gratis, of voor niet, in de zuivere Wiskunde, toegepaste Wiskunde, Bouwkunde, Zeevaartkunde, of Navigatie, en alles, wat tot de opgenoemde Weetenschappen, in den ruimsten zin behoord, mitsgaders in de Tekenkunst, Engelsche en Fransche Taalen, aan de Academie voorschr. te worden onderweezen, met dat bepaald oogmerk, om dus doende tot bekwaame Bouwkundigen, of wel onderrichte Zeevaarenden, te worden opgeleid; op voorwaarden verders by de Directeuren in Groningen te zien. De Directie vertrouwt, dat dit aanbod, by alle die geenen, welke in het onderwys der Jeugd, en vooral in de bevordering der Vaderlandsche Scheepvaart, belang stellen, met deelneeming zal worden ontvangen, en de Directie daar door in staat gesteld, om het nut der Academie meergemeld, die Groningens leergraage Jeugd, sints eenige Jaaren, niet weinig voordeelig is, tot de jongelingscbap van dit Gemeenebest in ’t algemeen, uittebreiden.
Uit Naam der Directeuren voornoemd,
H. A. SPANDAW, Secretaris.
Groenenberg revisited
Geplaatst op: 26 mei 2010 Hoort bij: Stad toen 1 reactieIk moet iets rechtzetten. Laatst gaf ik gewezen Groninger bestuurders volkomen ten onrechte een lelijke veeg uit de pan. Ik dacht dat ze nooit enigerlei archeologisch onderzoek hadden laten uitvoeren naar de borgklip van Groenenberg:
“Voor eeuwig hebben ze Groningers zo beroofd van historische kennis over hun stad.”
Op het logje kreeg ik al commentaar van Kor Feringa, maar iemand die onbekend wenst te blijven overtuigde me per mailformulier helemaal van mijn ongelijk. Hij schreef:
“Ik ben er zeker van dat er een opgraving geweest is, want door mijn vader meegesleept. Had toen een ander (Muiderslot) idee van kastelen, dus dat viel tegen. Misschien niet gepubliceerd zoals vaak in die tijd?”
Ik ging maar eens informeren bij mensen van het vroegere Biologisch Archeologisch Instituut. En nu blijkt dan, dat er maar liefst twee opgravingen van de Groenenberg zijn geweest. Een eerste omstreeks 1940, toen het Nieuwe Winschoterdiep dwars door de Hunze-meander zou komen. En een tweede ergens in de ruime jaren zestig, toen de Finse haven een eind maakte aan de rest van de borgklip. Bij die opgravingen trof men het fundament aan van een rechthoekig steenhuis. Er zijn tekeningen, opgravingsrapporten, vondstenboekjes, veel kogelpotfragmenten, hout, maar er is bijna niets gepubliceerd.
Erg jammer, want zoals ik de vorige keer al aanstipte, zit er nogal een verhaal aan de Groenenberg vast. Nu kennen we dat verhaal alleen uit de kroniek van abt Menco van Wittewierum. Publicatie van de opgraving kan maken, dat we anders tegen die kroniek gaan aankijken, wijzer worden over die roerige tijd van rond 1250, toen de stad Groningen zich ontworstelde aan de greep van de Bisschop van Utrecht en diens zetbazen..
Zo’n opgravingspublicatie zou van een archeoloog moeten komen, en dat ben ik niet. Wel ben ik intussen gefascineerd geraakt. Zo heb ik me vanavond verdiept in divers kaartmateriaal.
Van de nieuwe site Hisgis Groningen, een prachtige bewerking van de kadasterkaarten uit 1832, haalde ik dit fragment, Op ruim de helft van het tracé van de vroegere Hunzemeander ligt een slootje, de meander omsluit zes stukken weiland, links loopt de Groenedijk er als een navelstreng op toe:

Een fragment van een RAF-luchtfoto uit oktober 1944, geplukt van WatWasWaar, toont hoe de meander een paar jaar eerder is aangesneden door het Nieuwe Winschoterdiep. Hoe breed de bedding van de Hunze hier ooit was, kan je aan subtiele lijntjes en kleurverschillen zien. Centraal in de afgesneden circel is er een rechthoek met aan de zuidwestkant een rond lijkend podium:

Kor Feringa wees de vorige keer al op de kaart die Overdiep ontleende aan Provinciale Waterstaat. Deze kaart werd gemaakt in 1940, vlak voor het graven van het Nieuwe Winschoterdiep, waarvan het tracé aangegeven is door twee kaarsrechte zwarte lijnen schuin over de kaart. Verder is vooral het microreliëf in beeld gebracht. Met rood zijn de hoger liggende delen gemarkeerd. Door het verschijnsel inversie behoort daartoe de oude Hunzemeander: dankzij de structuur van de bodem (zand en klei), bleef die op niveau, terwijl het omringende en ingesloten veenland inzakte door landbouw-ontginning en de oxydatie die daar een gevolg van was:

Ook duidelijk herkenbaar is de rechthoekige structuur iets naast het midden van de meander, waarin twee rode eilandjes uitsteken, ten teken dat hier de fundamenten liggen van Groenenberg. Aangezien het onderste eilandje op deze kaart het hoogst lijkt op de luchtfoto, hou ik het erop, dat daar het oudste deel van Groenenberg stond. Het andere, door een latere sloot doorsneden eilandje zou dan het voorterrein van het steenhuis kunnen zijn geweest.
Tot slot heb ik mijn kartografische bevindingen maar even samengevat in een stukje huisvlijt. Borg en voorterrein zijn aangegeven met groen, de waterpartijen met blauw, en de wegen en bruggen met rood. Dat de weg van de Groenedijk over de Hunzemeander naar Euvelgunne zo gelopen heeft lijkt me het meest plausivel, omdat hij na de brug over de meander een zwenking maakt, die je op al dit beeldmateriaal kunt herkennen. Dat de weg over het eigenlijke borgterrein liep lijkt me stug, en ook zal hij de meander niet aan de binnenkant hebben gevolgd, omdat dat een omweg was. En dus resteert deze route:

Trots, kregel en kwalijkgezind volk
Geplaatst op: 6 mei 2010 Hoort bij: Stad toen 1 reactie
Een erg gunstige indruk van de Groningers krijgt men niet door de lectuur van Wagenaar zijn Vaderlandsche Historie (1749 – 1754). De Koning van Hispanje had al moeite om de stad eronder te houden,
“…zynde ’t Volk hier kreigel van aart, en trots op de sterkte der Stede”,
maar in 1594 bleef “’t graauw”, zeg maar Jan met de Pet, onder aanvoering van jezuïeten en burgemeester Jarges wel hondstrouw aan diezelfde Koning van Hispanje, zodat er een beleg nodig was, om van een unie van zes, tot een van zeven provinciën te komen.
En na dat beleg moesten nieuwe veroveringen maar even worden uitgesteld, Men liet de troepen nog liever even in Groningen, omdat men de situatie er niet erg vertrouwde,
“daar ’t nog vol was van kwalykgezinden”.
Twee Catz-flessen uit een vuilnisbelt in Pretoria
Geplaatst op: 2 mei 2010 Hoort bij: Stad toen 1 reactieMet hun lengte van ongeveer 25 centimeter lijken het gewone ronde wijnflessen:

Maar er zit een onregelmatig rond waarmerk of zegel in beider halzen, waaruit blijkt dat ze van Catz & Zoon van Pekela zijn:

Uit letters in beider zielen blijkt bovendien de herkomst Groningen:

En verder hebben ze heel subtiel verbrede monden:

De flessen zijn opgegraven uit een ouwe vuilnisbelt in Pretoria, Zuid-Afrika en nu in handen van de verzamelaar Dale Lewis te Kaapstad. Ze lijken wel wat op de flessen van een Catz-reclame, maar ze zitten verder niet in mijn plaatjesverzameling. Daarom denk ik dat ze uit een vroegere periode komen. Weet iemand van de lezers toevallig, tot wanneer ze gemaakt zijn?
Eerder op dit weblog:
- Het portaal van Catz
- Catz Elixer in de Courant
- Het geheim van Catz Elixer
- Catz Elixer, de Pekelder roots
De borgklip van Groenenberg
Geplaatst op: 29 april 2010 Hoort bij: Stad toen 6 reacties
Een tijdje geleden tikte ik een stafkaart uit 1962 op de kop. Dit is op die kaart het gebied ten zuiden van de kruising Eemskanaal – Nieuwe Winschoterdiep. Linksboven het Damsterdiep, uitkomend bij de Oostersluis, en het stukje Eemskanaal dat er parallel aan loopt. Centraal boven in beeld heb je de woonschepenhaven, en daaronder kronkelt de Euvelgunnerweg subtiel naar het zuiden. Je kunt mooi zien hoe deze weg iets onder het midden van het kaartfragment, een oude Hunzemeander afsluit. Dwars door die meander kwam veel later het Nieuwe Winschoterdiep. Linksonder loopt de Groenedijk, de grens van de Stadstafel, met een weg naar die voormalige Hunzemeander en dan heb je linksmidden nog Tuinwijck liggen, een streep volkstuintjes vanaf het Eemskanaal de weilanden in.
De oudste structuur in dit landschap is die Hunzemeander. In de dertiende eeuw zette de Prefect, dat was de zetbaas van de bisschop van Utrecht, daarin een mottekasteel neer: de Groenenberg of Gronenburg. Uiteraard vormde de Hunzemeander een mooie natuurlijke gracht. De burcht dekte zowel de Hunze, aanvoerroute van turf, als de weg af die over de Groenedijk, via een brug over de Hunze, naar de nijvere ontginners van Euvelgunne en de rest van Drentherwolde liep (want zo heette deze lage landstreek). De Prefect wilde de luitjes hier om financiële redenen graag onder de duim houden. En daar was ook binnen de stad niet iedereen gelukkig mee.
De Groenenberg verloor omstreeks 1400 zijn functie, doordat de stadjers de Hunze bij Waterhuizen rechtstreeks richting stad gingen afleiden via het door hun gegraven Schuitendiep. Ik dacht dat de borgklip van de Groenenberg in 1941 werd vernietigd vanwege de komst van het Nieuwe Winschoterdiep, maar op de kaart van 1962 zie ik nog een rondje staan. Dus het kan ook wel even later gebeurd zijn, bij het graven van de Finse haven.
Nu onvoorstelbaar is, hoe de Groninger bestuurders zo’n eminent stuk bodemarchief, dat rechtstreeks verband hield met de middeleeuwse kronieken van Emo en Menko, rücksichtslos lieten ausradieren, zonder enigerlei archeologisch onderzoek te laten uitvoeren. Voor eeuwig hebben ze Groningers zo beroofd van historische kennis over hun stad.
Oldambtster zegel versmolten in zegel van Sad
Geplaatst op: 28 april 2010 Hoort bij: Stad toen 6 reacties
“Oldambster zegel te versmelten”, luidt de samenvatting in de marge van dit Groninger raadsbesluit, genomen op 15 februari 1698. Iemand bracht iets naar voren in de vergadering van Burgemeesteren & Raad, waarop dit stadsbestuur besloot
“…dat het zegel als door de Oldambsers in den jaere 1648 is gemaeckt – luidende de inscriptie met heel oude letteren aldus: SIGILLUM IN ALDA HONBA CHT – waervan de selve haer ten onrechte hebben bedient en haer in geene diele is competerende, sal worden versmolten.”
Het ging om het zegel waarvan de opstandige Oldambtsters zich vijftig jaar eerder bedienden. Hoe het stadsbestuur er aan kwam staat er niet bij. In elk geval vond het de vormgeving maar ouderwets. Van het ”Alda Honba CHT” kan ik helaas geen soep brouwen, het zal slaan op het Oldambt, maar hoe? Burgemeesteren & Raad stelden uitdrukkelijk nog wel even vast, dat de Oldambtster volmachten van 1648 zich zeer ten onrechte van het zegel bedienden.
Vervolgens machtigde de raad meteen de voorzittende Burgemeester Busch en de hem toegevoegde heren van de Rekenkamer
“…om een silveren stadts zegel conform het oude te doen maecken en tot de snidinge van dien te gebruicken als sullen oordeelen dat daertoe bequaem is.”
De commissie mocht dus zelf een signetsnijder of zilversmid uitzoeken. Drie maanden later, op 21 mei, bleek dat dit vaandrig Roosevelt was geweest (de rang is die van de burgerwacht). Hij had van de aangeleverde 36,5 lood (= 547,5 gram) zilver niet alleen meerdere stadszegels gemaakt, maar ook een zilveren doos om ze in op te bergen. Bij dat werk was hij nog ruim anderhalf lood (= ruim 24 gram) zilver tekort gekomen, die had hij bijgeleverd. Voor dat zilver van hemzelf en al zijn werk diende hij een rekening van 55 guldene en 10 stuivers in. Het stadsbestuur gaf de Rekenkamer opdracht om hem deze som te betalen.
Groninger heren lazen een handvol couranten
Geplaatst op: 20 april 2010 Hoort bij: Stad toen 1 reactie
Fragment uit een vele pagina’s tellende rekening van stadsdrukker Barlinckhof, voor leveranties aan de stad Groningen in het jaar 1760. Mocht u ’s mans hanepoten niet kunnen lezen, er staat:
“Aan de Heeren Borgemeesteren ende Raadt gelevert alle Maandagen 23 Haarlemmer en 23 Amsterdammer, en op donderdag 23 Haarlemmer, 23 Amsterdammer en 23 Haagse fijne Couranten, makende dus te samen in de week uijt 115 Couranten, ijder a 5 Oortys is in de week den somma van ƒ 7-3-6 dus te samen in het Jaar de somma van ƒ 373-15-
Voor de Prijs Courant het Jaar 10-“
Met andere woorden, naast de Groninger Courant die Barlinckhof niet leverde, lazen de heren nog de Haarlemmer en de Amsterdamse Couranten. Net als de Groninger verschenen die twee keer per week. Van de Haagse Courant betwijfel ik dat, net als van die Prijscourant met de beurs- en graanprijzen etc, maar hoe het ook zij, de Groninger Heren waren in principe goed geïnformeerd over de politiek in Europa.
Van het totaalbedrag bij deze post – bijna 384 gulden – konden twee arbeidersgezinnen overigens een jaar lang leven.


Recente reacties