Stadsgezicht Zuiderdiep
Geplaatst op: 16 april 2008 Hoort bij: Kunsten, Stad toen 26 reacties
Schilderijtje op de kop getikt van het Zuiderdiep, toen dat nog een open vaarwater was, dus zoals het er voor 1880 bij lag. De kijker staat ongeveer voor café De oude Wacht en heeft de blik gericht naar het oosten. Centraal in de voorstelling bevindt zich de Oosterpoortenboog met daarachter het voor Groningen zeer hoge, want maar liefst vier etages tellende, zeventiende-eeuwse pand op de smalle kop tussen Kattendiep (links) en Steentilstraat (rechts). Tegenwoordig zit daar schoenenzaak Happy Walker in een art-deco pand met originele De Gruyter-tegels en glas-in-lood. Het witte pand rechts van de brug, nu muziekcafé De Hertog, heette tot voor kort nog de Koning van Denemarken, zoals ook in de achttiende eeuw, en is een van de weinige nog herkenbare panden op het doek.
Het schilderij is rechtsonder gesigneerd met: M. Hofman ’94. Deze schilder is verder onbekend. Gezien de staat van het doek zal ’t jaartal eerder 1994 zijn dan 1894. Vooral de figuren waarmee ’t stadsgezicht gestoffeerd is doen wat naïef aan, en volgens mij zijn hun schaduwen zelfs onmogelijk op die manier, omdat de zon dan uit het noorden zou moeten schijnen. Daar heb ik het werkje dus niet om gekocht. Wel om het stadsgezicht als geheel, dat waarschijnlijk een copie is naar een mij onbekend voorbeeld (foto of origineel schilderij).
—
Naschrift: Dit schilderij is fictief. Zie de reacties.
‘Gehavende stad’
Geplaatst op: 15 april 2008 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Vandaag 63 jaar geleden werd Groningen bevrijd. Op Flickr staan de foto’s uit een boekje dat een beeld geeft van de gehavende stad (slideshow).
Beletterde ramen (II)
Geplaatst op: 13 april 2008 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenKorreweg april 1997:
Meeuwerderweg, december 2007:
Koos Kerstholt op de Wereldomroep
Geplaatst op: 4 april 2008 Hoort bij: Stad toen 10 reactiesBij de Groninger opnamen uit 1948 van de Wereldomroep, waarover ik het even voor de paasdagen had zit er ook een die over scheepsjagers gaat, al labelde de randstedelijke toelichting het bandje eerst abusievelijk met de term scheepsjongens.
Ik vroeg me af wie deze scheepsjagers-anecdoten voor de microfoon van de Wereldomroep vertelde, en mailde Siemon Reker, hoogleraar Groningse Taal en Cultuur, en Henk Scholte, coördinator van het Huis der Groninger Cultuur, of zij misschien enig idee hadden.
Siemon schreef:
“Het Gronings vertoont eigenlijk diverse maar vooral Oost-Groningse en Stadse kenmerken en dat wijst m.i. richting Koos Kerstholt. Daar staat tegenover dat het soms wat aarzelend, soms bijna onhandig is voorgelezen en dat pleit niet voor een hoorspel-acteur, tenzij het een proef-opname is. Onbegrijpelijk is vooral de codewisseling op onlogische plaatsen, ofschoon citaten natuurlijk goeddeels ABN zijn (met de dominee in een soort tussentaal) – klinkt ook hier de test door, net als de aarzeling in sommige gerekte klinkers”
En Henk:
“… kin nait recht zeggen wel de man hierachter is. Siemon docht aan de Sapmeister Koos Kerstholt, doar duurf ik mien haand nait veur in t vuur te steken. (…) In aalgevaal komt toal mie slim veenkolonioal over. Zukswat blift vanzulf singelier. Kerstholt was noast.”
Koos Kerstholt dus, maar met een hele flinke slag om de arm. Maar die slag kon er vandaag om weg. Soms waaien me de dingen gewoon aan – zo vanmiddag weer, want in een antiquariaat vond ik het enige boekje van Koos Kerstholt. Dit ‘Mooi Volk’, posthuum verschenen in 1992, bevat humoristische anekdotes uit de Foxhamster en Hoogezandster jeugd van Kerstholt en werd samengesteld op basis van teksten die hij uitsprak voor de opeenvolgende regionale omroepen RON en RONO. “Zij die Koos gekend hebben”, schreef Gijs Stappershoef in zijn inleiding, “zien hem weer op zijn praatstoel”.
Een kenmerk van de Wereldomroep-opname zien we meteen al in Stapperhoefs’ inleiding terug. Volgens Stappershoef hanteerde Kerstholt meerdere registers:
“Hij parodieerde een soort betogend, hoogdravend Nederlands, mengde dat met het Gronings en soms met een taal, die Groningers gebruiken als zij denken dat zij Nederlands spreken.”
Sterker nog, ettelijke passages uit de opname van de Wereldomroep komen bijna letterlijk in het boekje terug Zo heeft Kerstholt het over “het ietwat zigeunerachtig aandoende ‘ras’ der nu uitgestorven, blijmoedige, zingende ‘scheepsjoagers'”:
“Ik herinner mij deze plaatselijke ruwe ridders-zonder-vrees-of-blaam, hoog gezeten op hun meestal mager en altijd donkerbruin ros, levendig. Niet alleen vanwege hun spreekwoordelijke dorst, maar ook en vooral door hun nog immer voortlevende kostelijke zin voor humor. Een koperen gildeplaat sierde dan ook hun trotse borst.”
Even verderop vallen ook exact dezelfde scheepsjagernamen – Jurrie Kraai, Marie Gobaaie en Roepie – als in de opname en herhaalt Kerstholt zijn anekdotes over het schilderachtige dorpstype Jurrie Kraai, die een orgelpiep (groot glas) met jenever als hèt panacee beschouwt tegen de wurms (wormen) en koeskillen (kiespijn). Ook de anecdote over de spiksplinternieuwe dominee Bultjes die een in de berm duttende scheepsjager wekt, staat zowel op het bandje als in het boek.
Kerstholt, kunnen we concluderen, is dus toch wel de man van die Wereldomroep-opname.
Uit ‘Mooi Volk’, de twee Groninger Encyclopedieën, mijn knipselarchief, GenLias en andere internetmeldingen viel dit over hem te achterhalen:
Hij werd in 1901 in Foxham geboren als zoon van de katholieke timmerman Harmannus Johannes Kerstholt en diens vrouw Margaretha Catharina Niestern. Doet die laatste naam denken aan scheepsbouwers, vader HJ verdiende zijn brood als meesterknecht op een scheepstimmerwerf. Daarnaast had moeder al vanaf haar trouwdag een “schietwinkeltje”, zo’n kruidenierswinkeltje waar van alles en nog wat te koop was.
Later was zijn vader aannemer. Voor zichzelf bouwde hij in 1909 een bruin café met een concertzaal op de hoek van de Zwarteweg en het spoor in Hoogezand, en stapte toen op de horeca over. Het établissement heette Café Juliana, naar de prinses Juliana die dat jaar geboren was. Door de nabije marechausseekazerne was vader Kerstholt van klandizie verzekerd, terwijl hij tevens gemakkelijk de hand kon lichten met de sluitingstijden.
In 1914 verhuisde het gezin naar Groningen, waar het op Vismarkt 50/50a, daar waar nu de Cantina Mexicana zit, een hotel-café-restaurant en pension begon. Ruim twintig jaar later werd vader Harmannus Johannes Kerstholt op Schiermonnikoog vermoord en nam Koos de onderneming over.
Volgens het Nieuwsblad van het Noorden de dato 22 december 1999 was het restaurant ‘Bij Koos Kerstholt’ een begrip in de stad en de wijde omtrek. “Hij was restaurateur van geloof, werd wel gezegd.” Ab Visser (pag. 84) noemde het eten er eind jaren dertig te duur voor de jonge Groninger schrijvers – alleen “bij bijzondere gelegenheden” kwamen zij daar, en anders zochten ze de goedkope lunchrooms in de Herestraat op.
Wat erg voor Kerstholt pleit is dat hij als enige Groninger caféhouder in de oorlog weigerde om het bordje ‘Verboden voor joden’ op te hangen. Na de oorlog, omstreeks 1970, verbrandde de zaak. De laatste jaren van zijn leven kampte Kerstholt met de gevolgen van een hersenbloeding. Hij overleed in 1975, maar behoorde een kwart eeuw later nog tot de twintig genomineerden voor de titel ‘Stadjer van de twintigste eeuw’.
Die nominatie had hij beslist niet alleen aan zijn horeca-functie te danken. Hij was namelijk ook toneelspeler, toneelregisseur, operettezanger en humoristische verhalenverteller voor de regionale omroep. Bovendien schreef hij stukjes voor Het Noorden in Woord en Beeld, onder de titels ‘Diederiks Dieverdoatsie’s’ en ‘Akkenailmiemeroatsies’.
Zijn toneelroeping, zo blijkt uit zijn boekje, deed hij al vroeg op in Foxham, “bij het stormachtige succes van een rederijkersvoorstelling, (…) waarbij je de haren te berge rezen”. Misschien heeft zijn vader er ook wel mee te maken. Die noemt hij in zijn boekje immers “regisseur-kastelein” en “spelleider-kroegbaas”. Hoe dan ook, Koos Kerstholt debuteerde in 1923 in de Groninger Stadsschouwburg in een Groningstalig stuk, en maakte later ook in de Grunneger Sproak furore.
Bij zijn 25-jarig jubileum als toneelspeler trad een comité van huldiging op, waarvan burgemeester Cort van der Linden, de “paus van het Nederlandse toneel” Albert van Dalsum, en schrijver JB Charles, oftewel Willem Nagel deel uitmaakten. Dat was dus een gebeurtenis van belang. Vanuit de schouwburg kreeg Kerstholt ook veel klandizie van theatermakers. “Een nazit bij Koos Kerstholt hoorde voor veel optredenden bij een voorstelling in Groningen”, aldus Stappershoef die dan namen noemt als Toon Hermans, Paul Steenbergen, Seth Gaaikema, Ton Lutz, Louis van Gasteren en Jan Fabricius.
Willem Nagel, oftewel JB Charles, nam ook wel vrienden van zijn Amsterdamse uitgeverij De Bezige Bij mee naar de kroeg van Koos Kerstholt. Nagel hield zich naast zijn werk en schrijverij veel bezig met beeldende kunst, en kunstenaars kwamen er dus ook volop. Zo hield de Noordelijke Gemeenschap van Kunstenaars, “waar half intellectueel Groningen lid van was” volgens Dick Leutscher, er haar vergaderingen en werd er in 1959 de kunstenaarsgroep Nu opgericht, met figuren als Jan Jordens, Jan van der Zee en Henri de Wolf.
’t Hooihuis lijkt oudste heerd van provincie
Geplaatst op: 3 april 2008 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenVolgens de gemeente Groningen dateert het Hooihuis, op het adres Friesestraatweg 422, uit 1610. Daarmee is het voor zover bekend de oudste nog bestaande boerderij van de hele provincie.
De datering 1610 kwam uit jaarringen-onderzoek in het gebintenstel dat het schuurdak draagt. Heel vaak vormen die schuurgebinten het oudste onderdeel van een boerderij. In het Hooihuis werd het stel destijds van nieuw hout gemaakt, want er zijn geen sporen van eerder gebruik. De bouwers maakten het stel van grenen dat over zee aangevoerd is uit het zuiden van Zweden.
Na de Reductie (1594) en het afsluiten van Twaalfjarig Bestand (1609) is er nauwelijks meer oorlog gevoerd in de omgeving van de stad. Voortaan werden boerderijen niet meer gebrandschat, vandaar dat boeren de kust veilig achtten voor nieuwbouw van grote schuren. Dat gebeurde ook op de plek van het Hooihuis, waar al veel eerder bewoning was.
In de twaalfde of dertiende eeuw werd hier in een meander van het Eelderdiep en temidden van uitgestrekte rietvelden en woldlanden een wierde opgeworpen. Deze wierde en de nederzetting erop vormden vervolgens een belangrijk oriëtatiepunt voor de verkaveling en ontginning van het gebied. Zowel de westelijke als de noordelijke grens van het stadgebied kwamen met dijken en sloten op het Hooihuis uit. Feitelijk eindigde bij het Hooihuis de marke of de stadsvrijheid van Groningen, en begon hier het rechtsgebied van de Friese Ommelanden.
- Zie ook het proefschrift van Jan van de Broek, hoofdstuk 2 (zoek in de pdf op Hooihuis).
- De gebinten van een boerderij in de buurt.
Een appeltje voor de dorst van vier eeuwen her
Geplaatst op: 27 maart 2008 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Als ik het goed geteld heb haalde de wethouder zestien knoopjes uit het eeuwenoude lederen beursje. Hoogstwaarschijnlijk knoopjes van zilver, maar dat moet de schoonmaakbeurt nog uitwijzen. Wellicht had de wethouder munten verwacht. Maar hij zette zich met luim over de eventuele teleurstelling heen: “De discussie over de waarde zullen we maar even achterwege laten.”
Voor mij had hij die discussie best mogen beginnen. Op boedelinventarissen uit de zeventiende en achttiende eeuw staan zulke knopenverzamelingen meestentijds apart onder de lijfstoebehoren van de erflater. Het waren spullen die sowieso aan mannelijke erfgenamen toekwamen. Net als vrouwelijke edelmetalen opsmuk als oorijzers en tasbeugels vormde zo’n verzameling knopen een schat voor iemand uit het gewone volk. Maar ook een appeltje voor de dorst. Als het wegens verdiensten, ziekte of sterven minder ging, kon bijvoorbeeld een schipper of kleine middenstander zo’n spaarpot te gelde maken. Iemand moet er indertijd ontzettend van hebben gebaald dat hij dit kwijtraakte.
Het leren beursje kwam afgelopen dinsdagmiddag tevoorschijn uit een opvulling van een laat-middeleeuws deel van het Damsterdiep, daar waar omstreeks 1625 het Poortershuisje verrees. Afgaand op de detector-piep beseften de opgravers meteen dat er edelmetaal in de beurs zat.
Nog even een beeld van de media-belangstelling:

Groninger neuzencatalogus uit 1715
Geplaatst op: 26 maart 2008 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenDe verrassing is er wel af, voor de bibliothecaris van de UB. Dankzij de convocatie is nu al bekend welke cadeautjes hij straks op 8 april van de UB-vriendenclub krijgt. Er zit een oud wiskundeboekje bij, en een geinig bandje met zeven Groninger uitgaafjes uit het jaar 1715.
In dat convoluut valt vooral op het ‘Placcaet ende ordonnantie van het neuse-geldt’. Deze satirische fiscale tarievenlijst bood de contemporaine ingebeelde belastinggaarder een aanschouwelijke catalogus van maar liefst zestien in verschillende mate gefiscaliseerde neuzen in houtsnede. Voor de nazaat van 2008 staan die allemaal in joekels van formaten op het nieuwe weblog van de zaal Oude & Kostbare Werken. Hier dus.
“Oprecht elixter salutis de Montpellier”
Geplaatst op: 23 maart 2008 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen“Jacques Fabre in Groningen maeckt een ygelijk bekent dat by hem alleen wert gemaekt d’oprechte Elixter Salutis de Montpillier, zijnde een treffelijk hulpmiddel voor ’t Graveel, voor Darmkrimping of Colijck; geneest een vervuylde Maeg, is een souveraine remedie voor de Watersucht en Teering; bevordert de natuurlijke cours der Maendstonden, geneest in ’t kort veel Ongemacken waer van die Sexe onderhevig is, zijnde een beproeft Medicament voor Scheurbuyk, boven al dienstig voor wijtswervende Zeeluyden etc., is een wonderlijk preservatief tegen heete Koortsen, en tegen noch veel swaerder besmettelijkcke Siecktens; en ’t wert verkocht tot Amsterdam by Pr. Bellesaignac, C. Bernard, E. Bekman, J. Libarius en de Wed. Hanius, Koopluyden; Rotterdam: Halais; Haerlem de Wed. Schraat in de Battejoris-Straet en in de voornaemste Steden van Nederlant; en tot Hamburg by J. Savi, Coopman; De Bottel wert verkocht voor 24 St[uivers].”
Aldus luidt een advertentie die vanaf november 1713 meermalen met lichte variaties verscheen in de Haerlemse Courant, dan de belangrijkste krant van Nederland. Van Jacques Fabre weten we dat hij zich in 1695 als gevlucht hugenoot vanuit de Languedoc in Groningen vestigde, waar hij weldra een gerenommeerd koffiehuis begon. Ook kennen we hem als organisator van loterijen. Minder bekend is, dat hij het Groninger stadsbestuur kranten leverde. En dat hij in medicijnen deed is helemaal nieuw, al bestond al wel het vermoeden dat hij in Frankrijk een apothekersopleiding had gevolgd. Dankzij D. Kranen, die dergelijke advertenties uit de Haerlemsche Courant bijeengaarde, kwam deze activiteit van Fabre aan het licht.
“Draai altijd eerst de K”
Geplaatst op: 20 maart 2008 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenOp het archief kreeg ik het telefoonboek van 1947 in plaats van de aangevraagde uit 1961. En pas toen ik thuis de foto’s bekeek viel het me op. Ik dacht al, 110 pagina’s voor Groningen, Bedum, Glimmen, Hoogkerk en Westerbroek, dat is niet veel.
Blijkbaar kon je nog niet zolang automatisch interlocaal bellen, zonder tussenkomst van een telefoniste die je eerst naar een telefoniste van een ander locaal net doorverbond. In plaats daarvan moest je het K- of netnummer draaien. De K was de 0 op de kiesschijf:
Het gekke is dat er al wel vijfcijferige abonneenummers bestonden in de stad. Of zou de kaft van 1947 om het exemplaar van 1961 heen zitten? Nee, dat lijkt me stug. Hoe dan ook, nimmer zijn er snellere taxi’s in Groningen geweest:
Er stonden niet overdreven veel advertenties op die 110 pagina’s. Die van het Noord-Nederlandsche Fotopersbureau (met maar liefst drie telefoonlijnen) valt dan bepaald op. Het bedrijf zat op de plek van eetcafé Kaap Noord:
De gids bevatte wel twee advertenties van clichéfabrieken – deze is van het bedrijf aan het stukje Blekersstraat tussen de Westersingel en de Jozef Israelstraat:
Slapsma-Tiessens op fiedelsepee bij Fongers
Geplaatst op: 19 maart 2008 Hoort bij: Stad toen, Taal 9 reacties
Toen het DvhN vorige maand een vertaalwedstrijd rond een lang citaat van mevrouw Slapsma-Tiessens aankondigde, mailde ik Siemon Reker: “Slapsma-Tiesens overzetten is ja helendal niet slim moeilijk ja.” Maar Siemon was het, geloof ik, niet geheel met me eens. Zijn antwoord: “Je lijken wel aan de pijpkan!”
De boerenweduwe Slapsma-Tiessens, een creatie van Jo Rietema, was decennialang een zeer populair literair personage in het Groningse. Ze had het wat hoog in de bol, probeerde Nederlands te spreken, maar dat was vooral een vertaald dialect dat nogal op de lachspieren werkte.
Vanmiddag tikte ik in een antiquariaat ‘Bloemkes uit mijn dagboek’ op de kop, haar bundel uit 1940. Het eerste verhaal is meteen al raak. Daarin leert zij na twintig jaar weer fietsen, en wel bij de wielrijschool van Fongers aan de Hereweg. Eerst stuurde ze daar vanuit haar dorp, Kleistrum, een briefkaartje heen:
“…om te hooren wanneer ik komen kon en of ik ook oud goed aan trekken moest, om vallerij en zoo. Ik was wat gezet schreef ik erbij, wat zwaar van stuk, en als ’t daar ieder oogenblik ’n valbrudje wier, dan kwam dat vanzelfs nogal wat op mijn goed aan.
Nu twee dagen later had ik al eenen brief weerom en daar stond in dat ik kon alle dagen komen, zoo druk was ’t er niet in ’t volle zeizoen, meeste leerders kwamen vroeg in ’t voorjaar. En voor vallerij hoefde ik mij heel niet benauwd maken, ’t ging altemaal slim geleidelijk, dat ik kon mij gerust schier aankleeden, ongelukken waren er nog nooit gebeurd en net gelijk hoe zulke krukken er ook kwamen, in zo’n paar uur tijds had elk ’t rijden al goed aan ’t hoofd.”
Het viel haar niet mee, dat oefenen bij Fongers:
“Geeneen die ’t zelfs niet met gemaakt heeft kan begrijpen wat een zweetdruppen dat kost, dat fiedelsepeerijden, ook voor een als ik die ’t vroeger jaren al daan heeft. Maar ja, toen was ik zoo’n twintig jaar jonger en nog lang niet zoo gezet en al die jaren van mijn huwelijk had ik er nooit weer op geweest. Dat zoodoende viel dat altemaal slim af en ‘k was nog geen half uur aan gang daar in Fongers zijn wielrijschool of ik had geenen droogen draad meer aan ’t lijf. Slim begrootelijk, omreden ik had net altemaal schoon goed aan daan eigenste morgen, maar dat was nu niet anders en als ’t er op aan kwam had ik er ook best een goed zwetertje voor over.”
Het was flink heet in de wielrijschool, maar ze beloofde haar wielrijleraar een rijksdaalder als ze het diezelfde middag nog onder de knie had, en na twee uur durfde hij wel met haar naar het Sterrebos:
“Eerst naar een laantje daar ’t niet als te druk was, maar ’t duurde maar even of ik mocht op ’t middenpad, mank auto’s en wagens en ander fiedelsepees. Daar wier ik vanzelfs wel eerst slim zeenig van, maar ’t is best af loopen, ik ben nergens onder komen en zelfs heb ik ook geeneen ondersteboven reden, dat zodoende zei hij op ’t laatst ik kon ’t best avonturen om op fiedelsepee naar huis te gaan.”
Wat vinden jullie, is dit gemakkelijk vertaalbaar of niet?
Foto Hansens, Zwanestraat (II)
Geplaatst op: 18 maart 2008 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenIk zou nog uitzoeken van wanneer tot wanneer foto Hansens op Zwanestraat 5 zat.
Volgens Photographieën en Dynastieën, het overzicht van Henk Wierts over beroepsfotografen in Groningen tussen 1842 en 1940, werd Hansens in 1904 in Groningen geboren als zoon van een behanger. Eerst was hij op particuliere adressen actief, hij ging in 1930 ook nog een poos naar Apeldoorn, maar zat vanaf 1935 op Zwanestraat 5/5a. Wierts zegt dat hij in 1941 vertrok. Dat kan zo zijn geweest, maar tijdelijk, want in de Groninger Adresboeken vinden we zijn zaak doorlopend terug tot en met de laatste uitgave van die adresboeken uit 1973.
Ik heb in de Groninger Archieven ook nog gekeken of het dossier van de zaak zich in het archief van de Kamer van Koophandel bevond, maar dat dossier bleek nog niet uit de Kamer overgebracht te zijn. Wel zat er in de ‘Documentatie Bedrijven’ – een verzameling briefhoofden en reclamemateriaal – nog een ander fotopuutje van Hansens, dan hier eerder te zien was. In dit geval met rood en groen bedrukt. Dan denk je dat het om een jonger zakje gaat, maar dat blijkt niet het geval, want er staat nog een viercijferig telefoonnummer op. Eronder vermeldt Hansens ook alvast het vijfcijferige nummer, dat “na automatiseering” van kracht wordt.
Job in de Hoekstraat
Geplaatst op: 13 maart 2008 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Hoekstraat 54. Om de gevelsteen er zo goed mogelijk op te krijgen, schuifelde ik met mijn rug langs de muur van een er tegenover liggende peeskamer. Vlakbij stond in een deuropening een Oosteuropese vrouw te onderhandelen met een klant. Ze keken vreemd op toen ik mijn fiets er neerzette en steeds dichterbij ze die steen op de korrel nam. Maar ze bemoeiden zich ook weer niet met het documentaire proces, ze lieten me begaan.
Het gekke is achteraf, Job blijkt op zijn plaats in de hoerenbuurt. Op dat moment besefte ik dat nog niet, maar daar kwam ik net achter toen ik er het WNT er op nasloeg.
Dat Job een bijzonder deugdzame en godvruchtige man was, die in het Oud-Testamentische verhaal met de zwaarste beproevingen te maken kreeg, dat wist ik natuurlijk nog wel.
En ook had ik bijna al deze Nederlandse uitdrukkingen wel eens gehoord of gelezen:
- Zo vroom als Job
- Zo arm als Job.
- Zo kaal als Job.
- Zo geduldig als Job.
- Job op de ashoop.
- Job op de mestvaalt.
- Jobsbode
- Jobstijding
- Jobslijden
- Jobs ellende
- Jobs klachten
- Job in het elfde, altijd hetzelfde.
- Jobs vrienden (die hem troosten door te zeggen dat hij zelf schuld heeft aan zijn ongeluk)
Maar waaruit nou eigenlijk precies Job zijn ellende bestond, dat heb ik voor dezen nooit geweten. Zijn functie bij de katholieken kwam gewoon nooit voorbij, maar het blijkt, dat hij de beschermheilige was van de lijders aan afzichtelijke huidziekten en kwade, etterende zweren.
Sint-Jobs plaag was ook een synoniem voor ‘Venus-ziekte’, morbus Gallicus, oftewel syfilis. Of, zoals de ziekte in de vijftiende eeuw in het Frans heette: ‘le mal Monseigneur saint Job’. De heilige Job is dus tevens de schutspatroon der ‘Venus-zieken’ (syfilislijders).
Je had speciale Sint Jobsgasthuizen voor ze. In Utrecht gingen ze naar de smeerkamer van Sint Job. Een smeermeester zette ze daar in de zalf en verdiende met dit weinig appetijtelijke werk de somma van dertig gulden per jaar.
Foto Hansens, Zwanestraat
Geplaatst op: 12 maart 2008 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
FotoRolf erfde een hele stapel van deze papieren mapjes met negatieven van zijn opa. Aan de binnenkant van het mapje staan wenken als: “Houdt Uw toestel tijdens de opname goed stil.”
Gezien de spelling denk ik dat dit mapje uit de jaren vijftig stamt. In elk geval staat in het Groninger Adresboek van 1961 een H. Hansen (zonder s), van beroep fotohandelaar, op het adres Zwanestraat 5a vermeld. Kennelijk woonde hij boven de zaak.
Binnenkort maar even uitzoeken, van wanneer tot wanneer Hansens daar zat.
Geen onvertogen woord over de stad
Geplaatst op: 6 maart 2008 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Vertaling: ‘Als een burger of inwoner in Groningen enigerlei woorden spreekt, die tegen de Raad of de Stad in gaan, en op zo’n manier de vijanden van de Stad en mensen die de Stad niet goed gezind zijn, in de kaart speelt, en dat terwijl er iemand van buiten de Stad bijstaat, vdan erbeurt die burger of inwoner 5 mark. Maar als de woorden erg grof en brutaal zijn, mag de Raad ook hoger straffen. De schuld wordt bewezen op getuigenis van één Raadsheer of twee burgers, maar de beklaagde kan zijn onschuld staande houden als hij daarop een eed doet.’
Bron: Het Groninger Stadboek van 1425 – zeg maar onze middeleeuwse APV – dat door de Universiteit van Heidelberg online gezet is (inhoudsopgave vanaf pagina 90).
‘Levendig en ’s nachts verlicht door lantaarns’
Geplaatst op: 23 februari 2008 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenIn 1812 maakte de kunstenaar Antoine-Ignace Melling uit Parijs een rondreis met zijn knecht door het noorden van het Napoleons’ keizerrijk. De bedoeling was de productie van basismateriaal voor een serie topografische prenten van deze verre departementen. Uiteraard deed Melling ook Groningen aan. Zijn brieven naar huis waren lovend over de stad.
Vrijdag 29 augustus 1812, 8 uur ’s morgens
“We zijn gisteravond om half elf aangekomen met koude, regen en wind. Wat is men gelukkig wanneer men op reis een goed souper en bovenal een goed bed vindt. Wij hadden grote behoefte aan deze twee dingen, want sinds gisterenochtend 7 uur tot aan onze aankomst hadden wij niets gegeten. Al lange tijd had ik een slecht bed., maar hier hebben we dat alles in zijn meest volmaakte vorm aangetroffen, en ik heb me er dan ook aan overgeleverd en slechts geslapen van half twaalf tot toen ik zo-even opstond.”
Om half negen na het ontbijt
“Prachtig, dat is nog eens een christelijk land: koffie als in Parijs, rue de Condé No. 5, brood als in Parijs, rue Thionville. Waarom waardeer ik dat allemaal? Omdat ik sinds Den Haag niets meer van dien aard gezien of geproefd heb? Omdat het zo zal zijn als ik in het gelukkige Parijs terugkom? De beminde Stad van de lieve Heer, waar men noch canards, noch canaux, noch can[aille] vindt. Nu ga ik me aankleden om kennis te maken met de stad die ik nog niet gezien heb.”
Om een uur ’s middags
“Na de post ben ik bij de Prefect geweest, die mij de noodzakelijke inlichtingen heeft gegeven voor de tekeningen die in dit Departement gemaakt moeten worden en die zich tot een paar dingen beperken: de stad, de graven van de oude Germanen, hunebedden genaamd en die zich op 4 of 5 mijl van hier bevinden, en daarna Delfzijl. (…)
Het weer begint eindelijk ook op te klaren en ik hoop vanmiddag na het diner op eigen houtje om de stad te kunnen wandelen om het meest gunstige punt voor mijn eerste onderwerp te kiezen. Overigens kan de stad Groningen op één lijn gesteld worden met Amsterdam, even levendig, en ’s nachts verlicht door straatlantaarns.”
’s Avonds
“Ik kan niet meer, direct na het diner was ik op de grote toren. Ik ben 428 treden opgekommen en voor het eerst heb ik het raderwerk van een carillon gezien. Dat is iets wat men in alle steden van Holland aantreft, maar deze overtreft alle die ik tot nu toe gehoord heb, er zijn evenveel klokken als snaren op een piano. De beiaardier heeft me verschillende stukken laten horen, waarvan de hele stad heeft meegenoten. Van die verschillende liedjes herkende ik Oui, j’aime l’amour qui toujours, vervolgens Nel cor piu non mi sento, en daarna Marlborough met variaties, en dat alles eindigend met tu me viene a consolar. Na de liedjes betaald te hebben en even laag afgedaald te zijn als ik gestegen was, kregen wij, eenmaal weer aan de voet van de toren, kramp in beide benen tegelijk, want ik was met een Fransman, en 10 minuten lang konden wij niet lopen. Overigens heb ik er geen spijt van dat ik op die toren geweest ben, want van daar af heb ik het punt ontdekt waar ik morgen zou kunnen gaan zitten om het gezicht op de hoofdplaats te tekenen. Nog niet tevreden met die ontdekking heb ik ook nog tot het invallen van de nacht een tocht door de stad gemaakt en ik ben dan ook doodop.”
Maandag 1 september 1812, 8 uur ’s morgens
“Eergisteren (…) heb ik de rest van de dag doorgebracht op een windmolen, waar ik de vue générale op Groningen getekend heb. Gisterochtend ben ik begonnen aan de Markt met de grote toren en het stadhuis. (…)
Voor de tekening waaraan ik vandaag begonnen ben zou ik vier of vijf dagen nodig hebben en ik moet me beperken tot twee. Het is vanmorgen afschuwelijk weer, maar ik zit binnen, hoewel ik het raam open moet houden en ik heb de wind in het gezicht. ”
Dinsdag 2 september
“Ik heb mijn tekening van de Markt in Groningen niet kunnen afmaken, zoals ik mij voorgesteld had, want de plek waae ik eraan begonnen was [in Hotel de Doelen HP], werd de hele dag door bezet gehouden door reizende dames, of beter gezegd: zij hadden zich meester gemaakt van de kamer, waarin ik gewerkt heb.”
—
Bron: Antoine-Ignace Melling – Lettres de Hollande et des villes Anséatiques; Brieven uit Holland en de Hanzesteden (Fondation Custodia / Waanders uitgevers, Parijs/Zwolle 1997). Vandaag gekocht voor de luttele somma van 7,90 euro in modern antiquariaat Kunst & Vliegwerk aan de Oude Kijk in het Jatstraat te Groningen.
Helaas heeft Melling zijn Groninger schetsen later niet uitgewerkt tot kleurenprenten. Ik denk dat het met digitale technieken wel mogelijk is, om dat alsnog te doen. Zie de bovenstaande uitsnede van de noordzijde van Grote Markt, waar in 1812 nota bene nog huizen met Gothische pinakels stonden. Kleuren kunnen van Haucks Vrijheidboom (1795) worden gehaald. Voor wie het zou willen proberen, de onverwerkte schetsen van Melling staan in: Cornelis Boschma – Jacques Perot – Antoine-Ignace Melling (1763 – 1831) reizend kunstenaar (Abcoude 1991) pag. 126 e.v..













Recente reacties