Visite à Groningue (1636)
Geplaatst op: 26 februari 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenIn juli 1636 kwamen leden van een Frans gezantschap, dat voor de Franse premier, kardinaal Richelieu, naar de landen rond de Oostzee was geweest, op zijn terugreis langs de stad Groningen. De secretaris van dit gezantschap, Charles Ogier, noteerde zijn indrukken:
“….kwamen we tegen de middag in Groningen aan. Dat is een grote, omvangrijke stad, voortreffelijk verschanst met bastions en grachten. De straten zijn breed, de huizen solide gebouwd en nog aanzienlijker dan in Leeuwarden. We zagen er twee zeer fraaie, grote kerken, die eens katholiek en nu gereformeerd zijn, en conform deze belijdenis geen altaren, beelden en dergelijke meer bevatten.
In de stad bevonden zich ook heerlijk brede pleinen. De eerste is vlakbij het Leeuwarderveer (kop Hoendiep), de plaats waar we aankwamen en er staat een kerk op (de A-kerk). Het tweede plein (Grote Markt) ligt een eindje verder, er middenop staat het Raadhuis, en op de hoek bevindt zich de andere grote kerk, die een buitengewoon hoge toren heeft. In een venster zat een gebrandschilderd glas met het portret van koning Philips van Spanje.
Elders in de stad, vooral op het Raadhuis, ziet men het rijkswapen, de keizerliijke adelaar. Vlak achter de kerk is er het stadhoudershof, een tamelijk groot en geriefelijk huis met een bekoorlijke, goed verzorgde tuin, en verder twee schaduwrijke loofgangen, gemaakt uit dichtgevlochten twijgen, die op het zinderende middaguur noch zonlicht noch hitte laten passeren; om deze winden zich bonte, rijkbezette bloemstengels heen; ook zijn er planten en bloemen uit vreemde landen, die de ervaren hovenier met veel toewijding verzorgt, exotische fruitbomen van allerhande soort en tot slot een verrukkelijk doorkijkje naar de groente-akkers. De huizen en tuinen van onze grote heren in Frankrijk zijn gewoonlijk niet zo goed verzorgd, door de onverschilligheid en onachtzaamheid van hun dienaren.
Het derde en mooiste plein van de stad (Ossemarkt) ligt aan de andere kant van het kanaal dat door de stad heen loopt. Een fraaier plein heb ik nauwelijks ooit gezien, buiten het Place Royale in Parijs. De bomen zijn er in het vierkant geplant en geven de wandelaar een heerlijke schaduw. “
Noorderhaven in de sneeuw
Geplaatst op: 24 februari 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenBoten in de sneeuw, een serie foto’s van Pieter Dijkema. Die ze vooral aan de Noorderhaven maakte.
Vauxhall in Grun’n (III)
Geplaatst op: 18 februari 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Op het moment dat Napoleon zich opmaakte voor zijn finale nederlaag in Waterloo, trof men even buiten de noordelijke veste Groningen de voorbereidingen voor een dik feest. Zoals de Groninger Courant het aankondigde:
“Op Zaturdag den 20 Mei 1815: Groot FAUXHAL, LANDVERMAAK, ILLUMINATIE, BAL, groot prachtig VUURWERK en groot HARMONIE-MUZYK, onder directie van den Heer JACQUES KINSBERGEN, in het Lokaal de Solitude, buiten de Ooster-poort.”
De man die deze Vauxhall organiseerde, Jacques Kinsbergen, kwam uit Amsterdam en was lid van een soort circusfamilie avant la lettre. Op het moment dat hij buiten de Groninger Oosterpoort opdook was het juist mei-kermis en zette de weduwe Lion Kinsbergen – zijn moeder? – op de Ossemarkt een grote tent op, waarin paardrijders, koorddansers en acrobaten voorstellingen gaven. Latere vertegenwoordigers van de familie Kinsbergen kwamen naar Groningen met Egyptische en Chinese toverkunsten. Maar de Jacques Kinsbergen die met zijn mensen in La Solitude optrad was toch vooral vuurwerkmaker. Hij fabriceerde voetzoekers en vuurpijlen, maar ook ingewikkelde composities als fonteinen en molens. Bovendien was hij ballet- en dansmeester en flageolettist. In die laatste hoedanigheden gaf hij ook les.
La Solitude stond ten zuiden van de Oliemolensteeg, op een groot perceel dat grofweg de hoogstgelegen helft uitmaakte van alle grond tussen de huidige Oliemulderstraat en de achtererven van de Warmoesstraat. Al eerder stond er op dat perceel een herenhuis dat zo heette, maar dat omstreeks 1800 was omgezet in een uitspanning met een overdekte kolfbaan (voor een primitieve vorm van golf).
In aanmerking genomen dat een volwas timmerman hooguit een gulden per dag verdiende, was de entree voor die Vauxhall op La Solitude best hoog:
“De Prys der Toegang voor ieder Persoon is 11 Stuivers. Het Fauxhal zal te 10 uren geopend worden, en het Vuurwerk zal afgestoken worden tusschen 12 en 1 uren. – NB. De genen, die het Fauxhal bywonen, zullen vry van Poortgeld zyn den geheelen nacht. De Billetten zullen het luisterryke Vuurwerk breeder te kennen geven; zullende alles tot gemak van de Aanschouwers ingerigt zyn.”
Bij de Vauxhalls buiten het Kleinpoortje, veertien jaar eerder, was de entree nog een gulden geweest. La Solitude deed het dus wat goedkoper. Maar als er met goedvinden van het stadsbestuur niet iets met de poortier van de Oosterpoort geregeld was, dan zou die Vauxhall buiten de Oosterpoort alsnog een prijzige aangelegenheid geweest zijn, want die poortier kreeg normaliter na tien uur ’s avonds 12 stuivers poortgeld van iedere passant.
Kortom, zo’n Vauxhall was niet weggelegd voor armoedzaaiers, al ging het ook weer niet echt om een uiterst sjiek evenement. Naar ieders tevredenheid verliepen de festiviteiten in La Solitude dan ook niet. De eerste de beste courant die na het evenement verscheen bevatte namelijk een bekendmaking uit naam van dè Groninger studenten, die het sarcastisch ’t graf inprezen:
“De Ondergeteekenden kunnen niet nalaten, hun uiterst genoegen te betuigen voor de heerlyke Vauxhal, Illuminatie, Landvermaak, Harmoniemuzyk, Bal en prachtig Vuurwerk onder directie van den Amsterdamschen Baletmeester JEAQUES KINSBERGEN gegeven in de sAlitude; waar van het zonderlingst was, dat het brillant Vuurwerk het schoonst effect deed, onder faveur van eene sterke motregen, by het opgaan der Zon (in plaats van middennacht), en in ’t welk de naam van den Souverein en Koning allerheerlykst wierdt geMITtamorphoseerd; benevens de vesting en de stad Leipzig, zeer gelykende op de zwarte wolken van een donderlucht, terwyl de Mr. Vuurwerker als een kikvorsch op een Pompeblad, filosoferende over den aart der Waterbeziën, het schoon effect zyner genie met een curieuse attentie naging; – daarenboven over de overheerlykste illuminatie van het gebouw, bestaande uit 13 lampions, waar van 9 brandende; – terwyl het uitmuntend bal, bestaande uit zeer veele personen van verschillenden rang, een aanvang nam onder faveur van het daglicht, en eindigde tot groot genoegen der liefhebbers, welke tevens zeer voldaan waren over het zoo brillant voorzien bufet van den kastelein, waar ALLES te verkrygen was VOOR DE CIVIELSTE PRYS.
Uit naam der Studenten van Groningen
J. DE BRUYN”
De kapitalen in de laatste zin (‘alles voor de civielste prijs’) staan voor een honende uithaal. Je hoort ze bijna schamper lachen, de opstellers van de advertentie. Welbegrepen kwam hun kritiek erop neer dat het beperkte assortiment consumpties in de mager verlichte “sAlitude” (smerigheid) knap duur geweest was, en dat het veel te laat afgestoken vuurwerk door de gestage miezerregen ’s morgens vroeg alsnog volledig de mist inging. Op hun netvlies gegrift stond het beeld van de vuurwerkmaker die hurkend zijn lonten inspecteerde, en zich bleef verwonderen, omdat alles leek te kloppen. Het bal stelde al helemaal geen bal voor.
In de ‘recensie’ vallen ook nog wat politieke zaken op. Het vuurwerk moest de naam van ’s lands kersverse vorst Willem I tonen, maar diens naam of stel initialen lichtte ondersteboven op. En de vesting Leipzig kwam evenmin uit de verf. Bij Leipzig leed Napoleon anderhalf jaar eerder zijn op één na laatste grote nederlaag, in de ‘Volkerenslag’ tegen de Pruisen, Russen, Oostenrijkers en wat niet al. Waarschijnlijk moest het vuurwerk het beleg van Leipzig verbeelden, waarmee het dan in een traditie stond van grote barokvuurwerken. Die brachten, ingeleid door paukengeroffel en trompetgeschal, vaak een evocatie van beslissende belegeringen.
Krakender dan de aangehaalde recensie kon een bespreking haast niet zijn. Maar het vreemde is, dat de naam van degene die de haar ondertekende, J. de Bruyn, noch in het Album Studiosorum, noch in de academie-almanakken van 1815 en 1816 te vinden is.
Maar misschien stond daar ook niet elke student in. In elk geval rijst de vraag in hoeverre deze De Bruyn en consorten werkelijk voor de studenten in het algemeen mochten spreken. Andere ‘academieburgers’ kwamen namelijk voor Van Kinsbergen op:
“De Ondergeteekenden met verwondering gelezen hebbende de, op hunnen naam gestelde, advertentie van den 23 Mei 1815, aangaande de VAUXHALL en het VUURWERK, onder directie van den Heer JACQUES KINSBERGEN, verklaren dat die advertentie niet van hun is, doordien zy de talenten van voormelden Heer, als ook die van den Vuurwerkmaker, beter weten te waarderen; het geen zy niet alleen betoonen door het dagelyks frequenteren van het Spectakel; maar ook, daar zy den Heer Jacques Kinsbergen eenparig verzogt hebben om een TWEEDE VUURWERK af te steeken, ’t welk hy ons ook beloofd heeft, in afwachting dat het weer hem gunstiger mag zyn.
Groningen den 26 Mei 1815
Uit naam der Studenten van Groningen:
H. VAN BEEK.”
Ook deze Van Beek komt weer niet voor in het Album Studiosorm en de academische almanakken. Het dagelijkse bezoek van hem en zijn kameraden zal wel slaan op de voorbereidingen van het mislukte spektakel. Van een tweede vuurwerk door Van Kinsbergen op de tuin van La Solitude is geen sprake. Vauxhalls werden daar helemaal niet meer georganiseerd. Al is er in 1817, alweer tijdens de mei-kermis, nog wel een “Buitengewoon groot brillant vuurwerk” door Hendrik Edens, de poortier van de Boteringepoort.
Het verschijnsel van de Vauxhalls verplaatste zich naar de Stadtlander, een wijnhuis met een grote tuin tussen de Hereweg en de Brandenburgersteeg, waar het tussen 1816 en 1819 iedere zomer furore maakte. Bij zo’n Vauxhall hier, bleef de Herepoort de hele nacht open. Na 1819 adverteert ook de uitbater van De Stadtlander er niet meer mee, al organiseert hij nog wel oplatingen van luchtballons, optredens van ventriloquisten of buiksprekers, danspartijen, een enkel concert van Italiaaanse zangers met gitaren, en niet te vergeten vuurwerken met medewerking van dezelfde Jacques Kinsbergen die ook al bij La Solitude doende was geweest. Het Vauxhall-feest lijkt zo uiteen te vallen in de losse onderdelen. Wellicht deed het samenstel ook een wat al te zwaar beroep op organisatie-vermogens.
Vauxhall in Grun’n (II)
Geplaatst op: 17 februari 2006 Hoort bij: Stad toen 2 reacties
Na 1730 trok de grote recreatietuin in Vauxhall, een dorp ten zuiden van de Theems bij Londen, drommen volk. Het was “a place were everybody went to see and be seen“. De tuin in Vauxhall had een geometrisch grondplan, met boombeschaduwde promenades en strategisch geplaatste poorten, fonteinen en obelisken. Ook waren er paviljoens, opgetrokken in een mengeling van stijlen. Van binnen smukten de belangrijkste Engelse schilders van die tijd, zoals Hogarth en Gainsborough, deze paviljoens op. Bovendien gaven componisten en musici als Händl en Paganini er concerten.
Vaak vonden concerten er ’s nachts plaats. Na zo’n ‘nachtmuziek’ was er bal en intussen flaneerden de bezoekers door de feestelijk geïllumineerde opstallen en tuin. Wandelend op de lanen kon het publiek zich dan vergapen aan acrobaten, goochelaars en vogelimitators. Bij buffetten laafde het zich aan fancy drankjes en hapjes. Magnifieke vuurwerken sloten zulke nachtelijke feesten af.
Genoeg te beleven, daar in Vauxhall. Hoewel moralisten de obers ter plaatse gispten om hun hoge prijzen en kleine porties, en ook aanstoot namen aan de lichtekooien die zich er onder de nachtegalen mengden, vond “Londons most famous pleasure ground” navolging in heel Europa. Parijs, Kopenhagen en Spa kenden weldra hun eigen, permanente Vauxhall-tuinen. Na 1795, toen dansen in het openbaar in Nederland niet langer taboe was, bereikte het verschijnsel ook onze contreien. Zo kwam er in 1797 een Vauxhall in Rotterdam, terwijl een kolossaal opgezette Vauxhall buiten de Amsterdamse Muiderpoort in 1802 bij gebrek aan geld geen doorgang vond.
Ook in Groningen deed men aan de mode mee. Al lijkt het woord Vauxhall hier louter te slaan op de nachtelijke feesten, waarvoor grote tuinen bij wijnhuizen tijdelijk werden ingericht.
Zo’n tuin met een wijnhuis lag er onmiddellijk buiten Kleinpoortje, op de plek van de latere Oosterhaven. In de Groninger Courant van 9 mei 1800 verscheen er een bekendmaking die het eerste echte Vauxhall-feest hier aankondigde:
“ADVERTISSEMENT. Op ZATURDAG den 10. en DINGSDAG den 13 May, zal er, ten huize van B.E. van der DONK, FAUX HALL gegeeven worden, des avonds ten halftien uuren, – het geheele Hof en Huizingen zal geïllumineerd zyn, en een wel ingerigt Orchest zal adsisteren zo voor de wandeling als voor den Dans. De Koude Keuken, alle zoorten van Wynen, warmen Dranken, Orsiaden, Limonaden, Punsch &c., zal na een gereguleerde Lyst te bekomen zyn.- De entré voor een Heer 1 gld. Voor een Heer met een Dame, meede 1 guld. Voor Dames 10 stuiver. De Kleine Poort zal de geheele nagt open blyven.”
Dat de dichtstbijzijnde poort de gehele nacht openbleef, leverde de kastelein potentieel een veel groter publiek op. Gewoonlijk ging de poortdeur namelijk om tien uur ’s avonds op slot, tot vier uur ’s morgens. Voor het openblijven zal de kastelein de poortier schadeloos hebben gesteld, want die ontving normaliter een flink poortgeld voor het ’s nachts ‘ontsluiten’ van de poort.
Op 16 mei 1800 bevatte de krant dezelfde advertentie met nieuwe data. Kastelein Van der Donck ging dus door met het organiseren van zijn nachtelijke feesten. Maar het zat hem niet mee. Op 9 juni gaf hij het stadsbestuur te kennen dat hij zijn Vauxhall door het slechte weer een paar maal had moeten staken. Daardoor kwam hij niet uit zijn kosten. Hij vroeg vergunning om die nacht en gedurende de zomer nog een keer ’s nachts te mogen tappen. Dat vond het stadsbestuur iets te veel gevraagd en het gaf alleen toestemming voor die ene nacht.
Toch boezemden de ervaringen die hij in 1800 opdeed, Van der Donck genoeg vertrouwen in, want in mei 1801 vroeg hij andermaal belet in het raadhuis met het verzoek om een paar keer ’s nachts een Vauxhall te mogen houden. Het stadsbestuur gaf hem permissie voor een serie van acht, maar uitsluitend gedurende de mei-kermis en op voorwaarde dat hij geen vuurwerk zou laten afsteken. En dus adverteerde hij weer in de Groninger Courant, met nagenoeg dezelfde tekst als ’t voorgaande jaar.
Dit keer ging er iets mis met de organisatie, die uiteraard veel werk met zich meebracht. De eerste juni, toen de mei-kermis voorbij was, meldde de kastelein het stadsbestuur dat hij wegens de “kortheid des tijds” slechts vier van de geplande acht Vauxhalls had kunnen houden. Hij wilde dat nog een paar keer doen, maar de heren hielden voet bij stuk. Van der Donck, die de muzikanten al gecontracteerd had, was echter niet voor één gat te vangen en plaatste nu een bekendmaking zonder de term Vauxhall:
“ADVERTISSEMENT. Op aanstaande Donderdag den 11 Juny, is de Castelein B.E. van der DONCK voornemens een NAGTCONCERT te geven, zullende ten eersten een Harmonie, vervolgens een Viool Concert van Mrs. Piassello en een Bravour Aria La Conquista de Messico Mrs. Barthelemon en verder wat ter genoegen van het Gezelschap zal kunnen worden aangebragt, geëxecuteert worden. De Tuin zal geïllumineert zyn, en in alles een prompte en civiele bediening, de Entré voor een Heer 1 Gld. insgelyks met een Dame.”
Anders dan het vorige jaar hoopte Van der Donck dus niet meer op dames alleen. Waarschijnlijk kwamen er het vorige jaar niet veel, ondanks de gereduceerde toegangsprijs en een miniscuul feministisch golfje. Maar ook de rest van de klandizie kon hij nu uit zijn hoofd zetten, want het stadsbestuur ervoer zijn aankondiging als een klap in het gezicht en verbood meteen de hele onderneming.
Buiten het Kleinpoortje is voortaan geen sprake meer van Vauxhalls. Wel buiten de Oosterpoort en de Herepoort, waarover morgen meer.
Vauxhall in Grun’n (I)
Geplaatst op: 16 februari 2006 Hoort bij: Muziek, Stad toen Een reactie plaatsen
Boyce – The pleasures of Vauxhall Gardens
“Flora, goddess sweetly blooming,
Ever airy, ever gay:
All her wonted charms resuming,
To Spring Gardens calls aways.
With this blissful spot delighted,
Here the Queen of May retreats,
Belles and beaux are all invited
To partake of varied sweets.See a grand pavillion yonder
Rising near embowering shades;
There a temple strikes with wonder,
In full view of colonnades.
Art and Nature kindly lavish,
Here their mingled beauties yield,
Equal here, the pleasures ravish,
Of the court and of the field.Hark! what heavenly notes descending
Break up on the listening ear:
Music all its graces lending,
O ’t is ecstasy to hear.
Nightingales the concert joining
Breathe their plaints in melting strains,
Vanquished now, their groves resigning,
Soon they fly to distant plains”
Vanavond speelde het Gabrieli Consort in het Cultuurcentrum. Op het programma stonden ironische tophits uit de tijd dat de Vauxhall Gardens nog “the place to be” waren. Er zat zelfs een heuse meezinger bij, en een duet met een koekoek. Sopraan Mhairi Lawson en tenor Mark LeBrocq mochten zich uitleven in mini-scetches. Er kon worden gelachen. Ik heb redelijk zitten genieten, bovenin die bij lange na niet uitverkochte grote zaal.
Ik hou wel van de authentieke muziekpraktijk, al strekt die liefde zich doorgaans uit tot muziek uit de Middeleeuwen, Renaissance en Vroeg-Barok. En niet tot de tot de muziek van de Hoog-Barok, laat staan die van de Rococo met haar herders en herderinnetjes. Terwijl ik voor die gruwelijk veronachtzaamde tijd op zich wel veel belangstelling heb.
Juist dankzij die historische interesse had ik een speciale reden om naar dat concert te gaan, een reden waarvan de musici zich ongetwijfeld geheel en al onbewust waren. In een straal namelijk, van een paar honderd meter rond de plek waar ze optraden, bevonden zich in de eerste decennia van de negentiende eeuw maar liefst drie wijnhuistuinen, waarin Vauxhalls plaatsvonden. Over die nachtelijke promenadeconcerten met hun Gesamtkunstwerk-achtige entourages morgen wat meer. Ik verklap alvast dat ik de Vauxhall een mirakels goed concept vind. Hoewel er in de uitvoering nogal eens wat aan mankeerde.
Stemming: helemaal opgemonterd
Ouwe brouwerij
Geplaatst op: 9 februari 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenTussen de bedrijven door nog even snel in de Gelkingestraat wezen kijken, waar op nummer 46 deze raadselachtige rondgemetselde vuurplaats van circa 1600 gevonden is.
Volgens mij gaat het om de onderbouw voor een brouwerskuip. Heb Taco Tel, de gemeentelijk bouwhistoricus, die me een rondleiding gaf, het verhaal verteld van de Groninger brouwersknecht Lesterhuis, die omstreeks 1840, 1850 uitgleed op de natte vloer en met kop en kont in zo’n kolkende bierkuip viel, wat de goeie man niet overleefd heeft. Als je op die manier in zo’n kuip kon belanden, dan stak die niet erg ver boven de vloer uit, wil ik maar zeggen.
Heb Taco bovendien gewezen op een bakkersoven van rond 1700 en een stukje literatuur uit 1799, met platen van ouwe brouwerskuipen: Jakobus Buys – Volledige beschrijving van alle konsten, ambachten, handwerken, fabrieken, trafieken, derzelver werkhuizen, gereedschappen, enz. : (…) Zestiende stuk. De bierbrouwer en mouter.
Ik was wel blij dat ik hem iets terug kon bieden. Evenzogoed een mooie historische sensatie. Want van de late middeleeuwen tot in de zeventiende eeuw was Groningen met haar kluin een echte bierstad. Die kluin was een belangrijk, zoniet het belangrijkste exportprodukt. De brouwers vormden met elkaar ook het voornaamste gilde van Groningen. Je moest maar liefst 2000 Emder guldens aan vastgoed bezitten, wilde je er lid van kunnen worden.
Van die hele rijke Groninger brouwershistorie is dus heel weinig over.
En vandaag ving ik er een glimp van op.
Koolbakkers
Geplaatst op: 5 februari 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenOp 14 juni 1763 staat er een curieuze advertentie in de Groninger Courant. Ze werd geplaatst door een man, wiens vrouw er een week eerder vandoor was gegaan met al hun huisraad en een deel van de gezamenlijke handelsvoorraad:
“Den 7 Juny 1763 heeft zig te Groningen van haar man geabsenteert een vrouw genaamt JANNA PIETERS, zynde lang van postuur, heestig van stem, geboortig van Drent, hebbende een klein geel hondje by haar; vermoedelyk met een soldaat weggegaan – klein postuur, blont van hair – en heeft alles wat in de huyshouding behoort benevens eenige koopmanschappen mede genomen. Die onderrigt van dezelve kan geven, addressere zig by Nicolaas Sygmont buyten Ooster Poort te Groningen.”
Van Nicolaas Sygmont, ook wel Sigemundt, en diens vrouw Janna Pieters is iets meer bekend dan van veel andere mensen uit die tijd. Ruim een jaar eerder, op vrijdagmiddag 23 april 1762, was er in hun huurhuisje aan de Houtzagersteeg namelijk een vechtpartij geweest, die heel slecht had kunnen aflopen. Daarbij nam Janna het nog fanatiek voor haar kerel op.
Nicolaas en Janna waren die middag naar de stad geweest en troffen voor hun huis Jacob Speelman en Heine Overklemmer aan. Deze kenden ze van het nabijgelegen “koddebeijers huis”, oftewel de jeneverkroeg van de provinciale jachtopziener Berend Scharpenborg aan het begin van de Houtzagersteeg. In diens knijp had Janna ruzie gemaakt met Heine Overklemmer, omdat die haar en haar man niet groette.
Bij de nieuwe ontmoeting vroeg Overklemmer of Janna en Nicolaas meegingen naar Scharpenborgs’ kroeg, om het bij te leggen met een “een sopie” (borrel). Janna had daar totaal geen oren naar. Haar Nicolaas stapte hun huis binnen, maar Overklemmer kwam hem achterna, pakte Nicolaas in zijn eigen woning bij de lurven en schreeuwde “dat wel twee van zulken tegen elkaar aan kon slaan”. Dat was zelfoverschatting, zo bleek. Terwijl Nicolaas Heine Overklemmer met zijn ene hand vasthield, greep hij met zijn andere een hartsvanger van de muur. Net op tijd kwam Overklemmers vriend Speelman binnen, die het blanke wapen weer uit Nicolaas’ hand wrong. Janna sloeg intussen met een steen een gat in het hoofd van Overklemmer, die haar uitschold voor hoer en dievegge.
Ongetwijfeld vloeide er bij deze klucht, naast wat bloed, veel alcohol door de aderen. Van Janna en Nicolaas weten we verder niets, maar dat ze aan de zelfkant leefden lijkt wel zeker, mede gezien de status van de zich jegens hun “groots” gedragende Heine, die voluit Johannes Hindriks Overklemmer heette. Volgens diens drinkmaat Jacob Speelman reisde Overklemmer sinds enige jaren “met koopmanschap naar armoe”, al wist Speelman niet eens om wat voor negotie het ging. Overklemmer zelf verklaarde dat hij gewoonlijk in saffraan en aanverwante artikelen deed. Maar in perioden dat hij bij het leger was, handelde hij ook wel in wijn en brandewijn, die hij uit Bremen betrok. Een geboren Groninger zijnde, logeerde hij in de stad altijd in de Oude Toren van Babel, een volkslogement aan De Laan, waar hij, aanwezig of niet, een vaste kamer had.
In de Acte waarbij Burgemeesteren en Raad hun fiscaal opdroegen “de insolenties” ten huize van Nicolaas Sygmont te onderzoeken, staat echter dat Overklemmer “mede onder de koolbakkers bekend” was. En koolbakkers – denk maar aan ‘iemand een kool stoven’ – waren pure oplichters, want bedelaars die op vertoon van valse papieren geld inzamelden dat zogenaamd “voor arme kercken, brandschade of schipbreuken” bestemd was.
In 1765 komen we die term koolbakkers nog eens tegen in een resolutie van het Groninger stadsbestuur. Hoewel er diverse koolbakkers uit de stad waren gezet, bleven ze maar terugkomen, als vliegen op de stroop. Burgemeesteren en Raad kondigden toen een streng placcaat af, waarbij ze joden, marskramers, ambulante kooplui in oliën, met kijkkasten en liedjes, kwakzalvers, goochelaars, bedelaars en andere landlopers verboden om nog langer in de stad en haar jurisdicties te komen. Iedere reiziger moest over een “dugtige pas” van minder dan een jaar oud beschikken. En zo ze die niet hadden, dan mochten snikkevaarders, schippers en voerlui ze niet meenemen. Ook mochten herbergiers ze geen logies geven. Op de naleving van deze bepalingen diende een heel legertje ambtenaren toe te zien.
In dat placcaat valt de term koolbakkers niet, maar als het stadsbestuur het in 1774 redigeert en opnieuw uitvaardigt, worden ze wel genoemd, en dat in één adem met “swervende smousen en gauwdieven”. Mensen die het voortaan nog eens waagden dergelijke lieden onderdak te verlenen, kregen bij die gelegenheid een tuchthuisstraf in het vooruitzicht gesteld.
Van Marle bij de Papiermolen
Geplaatst op: 26 januari 2006 Hoort bij: Stad toen 9 reacties
Cees Hofsteenge ken ik van de Groninger Archieven. We zaten daar op dinsdagavond vaak naast elkaar aan zo’n leesapparaten-caroussel voor microfiches. Om het bochtje, aan de andere kant van zo’n zwart schotje, zocht Cees in ouwe kranten naar sporen van De Ploeg, terwijl ik alles over de Oosterpoort bij elkaar harkte. In de kantine paften we sigaretjes, wat nu niet meer mag, en wisselden we wetenswaardigheden uit. Tegenwoordig fiets ik ’s zomers af en toe langs zijn buitenhuis op het platteland, en als hij dan in de tuin is, maken we een praatje.
Vandaag ontdek ik bij toeval dat Cees voor zijn galerie een website heeft laten maken. Op de pagina met kunstwerken die er momenteel hangen vond ik het afgebeelde werk van W.B. van Marle. Te zien is het Helperdiepje met de papiermolen, dat wil zeggen het molenaarshuis en de arbeiderswoninkjes die na circa 1825 van het papiermolencomplex overbleven.
Ook toen die papiermolen er nog wel stond was het al een armoedig buurtje. Er woonden lompensorteerders. Als Van Marle het spul in een behoedzaam expressionistische stijl schildert, ergens voor de oorlog denk ik, lijkt er nauwelijks vaarwater naast de schepen te liggen. Bij mijn weten diende het Helperdiepje, oorspronkelijk een verdedigingswerk, ook nooit voor de reguliere scheepvaart. Vermoedelijk gaat het op het werk van Van Marle om afgedankte vrachtvaarders die in dit dode rak als woonschepen zijn gaan fungeren, indertijd evenmin onderkomens voor de crème de la crème.
De boten liggen in een aaneengesloten rij, kop aan kont. Van Marle koos zijn gezichtspunt pal ten zuiden van de natte brug, een eindje van de Hereweg af. Het Helperdiepje loopt met een dubbele haakse bocht voorbij het papiermolenbuurtje naar het Hoornsediep, dat gemarkeerd wordt door de bomen in de verte.
Over W.B. van Marle is weinig bekend. Op internet althans, vind je zo goed als niets over hem. Eind jaren zestig leefde de schilder nog, ik vond zijn naam op enkele ledenlijsten van een genealogische vereniging. Hij woonde toen in de Guldenstraat en aan de Heresingel.
Dat er zo weinig informatie over Van Marle voorhanden is komt vast door de oorlog. Volgens de Drentse literatuurhistoricus Henk Nijkeuter was hij tijdens de bezetting namelijk dagelijks bestuurder van de Kultuurkamer voor Groningen en Drenthe, gevestigd in het gebouw van Pictura aan het Martinikerkhof. En Van Marle voerde daar allerlei karweitjes uit voor abject foute types als professor J.M.N. Kapteyn en de Drentse publicist J.J. Uilenberg. Het zal zijn schilderscarrière geen goed hebben gedaan.
Naschrift 27.1
Cees vertelde me dat hij het olieverfschilderij (50 x 60 centimeter) net verkocht heeft. Het stamt uit 1944 en niet uit de crisisjaren, zoals ik meende. Willem Barend van Marle (geboren Groningen 1909, sterfdatum nog onbekend) schijnt in de oorlog wel degelijk goed werk te hebben gedaan voor collega-kunstenaars, maar zijn functie werd hem inderdaad behoorlijk nagedragen. Ondanks de goede kwaliteit van het werk bracht het schilderij van de papiermolen ook maar een fractie op van wat de vraagprijs had kunnen zijn bij een kwalitatief even goede Altink of Dijkstra.
Naschrift 4.2
Op aanwijzing van Cees heb ik van de week nog achter het referaat van de KCM-studente Fenna van Hout aangebeld, die in het archief Groninger kunstenaars en hun verenigingen in de oorlog onderzocht. Maar haar docente wilde het niet vrijgeven.
Naschrift 21.3
Cees mailde me dat hij Van Marle’s dochter tegenkwam. Van Marle overleed alhier 20 december 1988.
Naschrift 11.3.2013
Het schilderij blijkt nu eigendom van het Noordelijk Scheepvaartmuseum.
Jochie dat is een gelukkie
Geplaatst op: 21 januari 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenWillem Goelema zette zijn ouwe ansichten van de Noorderhaven op het net. Wat me opvalt is dat het er altijd zo leeg is, op die plaatjes. De vanouds belangrijkste Groninger haven was in het fotografische tijdperk maar al te vaak een wijde watervlakte. Maar dat kwam natuurlijk mede door de komst van de Westerhaven en de Oosterhaven, na de slechting van de stadswallen (1874). Terwijl de leegte ook contrasteert met het actuele beeld van een Noorderhaven die opgepropt is met woonschepen.
Barve en kluin, utigst en nabertering
Geplaatst op: 11 januari 2006 Hoort bij: Stad toen 5 reactiesVoordat de negentiende eeuw met meer afstandelijke regelingen kwam, waren buren nog verantwoordelijk voor verbazend veel zaken. In en om de stad Groningen was dat niet anders. Zo droegen buurtbewoners hier net als op het platteland gezamenlijk zorg voor de wegen (als dat tenminste geen ‘algemene passages of heirwegen’ waren), de paden, de goten, greppels en sloten, de wallen en de dijken en vooral niet te vergeten de collectieve drinkwaterputten.
Naast het beheer van substantiële delen van de openbare ruimte hadden buren buiten de poorten van de stad een politionele taak, vooral ’s nachts. Als men daar tijdens de uren dat de poorten dicht waren een onverlaat in de kraag vatte, stelden buren hem of haar in verzekerde bewaring, tot de poorten weer opengingen en ze hulp uit de stad konden halen. Deze aanvullende politionele taak van buren kon zich ook uitstrekken tot preventie. Zo werd er ca. 1807 buiten ’t Kleinpoortje, door de bewoners van de huizen langs het Winschoterdiep, een nachtwacht opgericht, nadat enkele inbraken er grote opschudding teweeg brachten.
Ook boden buren eerste hulp bij armoe en dienden ze bij brand in actie te komen. Maar het meest tot onze verbeelding spreken toch de taken die buren onderling te verrichten hadden bij geboorte (kraamhulp,een vrouwenzaak), ziekte en gekte (verzorging en oppassen door buren van dezelfde sexe) en, bovenal, de dood.
Nadat het leed bij de huizen in de omgeving van een overledene aangezegd was, dienden de buren zich naar het sterfhuis te begeven. Buren van hetzelfde geslacht als de gestorvene legden het stoffelijk overschot af. Als er geen ‘heneklaid’ (heenkleed, doodskleed) klaarlag, maakten buurvrouwen er een van linnen of uit een groot beddelaken. Ook haalden buurmannen de kist, als een timmerman of kuiper die niet kwam brengen. Mannelijke overledenen werden in de kist gelegd door hun buurmannen, vrouwen en kinderen door buurvrouwen. De buurvrouwen drapeerden eveneens een zwart laken over de kist, dat ze van de diakonie (het gereformeerde armenfonds) huurden. Op de dag van de begrafenis haalden de buurmannen dan de ‘barve‘ (draagbaar) op uit de kerk, waarmee zij de dode naar het kerkhof droegen. Bovendien luidden zij nog de doodsklok, voordat zij rond het middaguur de kist in het graf lieten zakken.
Tegenover al dit dienstbetoon stond een beloning, waarmee de bevoorrechte gereformeerde kerk en in haar voetspoor de overheden in de zeventiende eeuw weinig op hadden: de ‘utigst‘, een eet- en vooral drinkgelag. Toen draconische, maar steeds herhaalde verboden niets uithaalden, omdat nabestaanden nou eenmaal niet voor gierig wilden doorgaan, kwam het stadsbestuur vanaf 1668 met reglementen die voorzagen in een beperkte erkenning van dit aloude gebruik. Zo stelde zij een maximum vast voor de hoeveelheid buren die mocht meehelpen na een sterfgeval en die dus recht had op deelname aan de utigst. Ook mochten deze buren niet bij de nabestaanden aandringen op het geven van een utigst. Er moest beslist sprake zijn van een vrijwillige ‘verering’. Bovendien limiteerde het stadsbestuur de kosten van de utigst. Zo mochten nabestaanden van een volwassen dode vanaf 1687 voor maximaal tien gulden aan de buren wegschenken. Voor een onvolwassen dode, waar immers veel minder hulp bij nodig was, halveerde het stadsbestuur dit bedrag.
Nou werd er bij een utigst traditioneel kluin geschonken, het roemruchte Groninger bier, gebrouwen uit veel gerst, een weinig haver en een dot hop. Voor de maximum-gift die vanaf 1687 voor een volwassen dode gold, konden buren iets minder dan anderhalve Groninger ton van dat goedje kopen, ruim 200 liter. Kijken we naar de praktijk van de utigsten, dan lijken de bepalingen goed te zijn nageleefd. Want in de grote winkelstraten van de stad vereerden de nabestaanden doorgaans een hele ton (à 155 liter) kluin aan ‘noabers’ die een handje meehielpen na het overlijden van een volwassene, terwijl in de minder aanzienlijke straten van de stad en in de buurtjes buiten de poorten en te Helpman zelfs de nog geringere standaardgift gold van een halve ton kluin (77,5 liter).
Enige tientallen personen, hooguit veertig, deelden in zulke hoeveelheden. Dat maakt de minimale kluingift per persoon twee liter. Schraalhans was geen keukenmeester. Op de laffe pilsener van tegenwoordig leek de kluin namelijk allerminst. Het goedje bevatte maar liefst negen procent alcohol. Deze gegevens, gevoegd bij dat van de gemiddeld veel slechtere lichamelijke conditie in die tijd, voeren onontkoombaar tot de conclusie dat de kennelijke staat op zo’n beperkte utigst nog lang niet uitgesloten was. Ondergetekende kan de lezer tenminste uit eigen ervaring verzekeren dat je zelfs van een litertje kluin al behoorlijk op je kop kunt staan (je moet het dan ook niet drinken als pils).
De bierschenking aan de naburen die hadden meegeholpen na een sterfgeval kon ook worden omgezet in een som gelds aan de de collectieve nabuurschap, het bredere verband dat ongeveer twintig dragende mannen en hun huishoudens omvatte. In een enkele grote winkelstraat van de stad, zoals de Herestraat, was tegen het eind van de achttiende eeuw deze omzetting of afkoop zelfs al verplicht.
Maar het afkoopgeld voor utigsten was lang niet het enige geld dat in de kas van een collectieve nabuurschap kwam. Getuige verschillende ‘willekeuren’ (onderling overeengekomen reglementen), had zo’n nabuurschap ook inkomsten uit allerlei kleine ‘breuken’ (boetes), te betalen door buren die plichten niet nagekomen waren. De kas voor deze breuken werd beheerd door twee ‘breukmeesters’ of ‘volmachten’, een boekhouder en een assistent, die in voorkomende gevallen tevens als woordvoerders van de buurt optraden.
Deze volmachten moesten ook goed bijhouden wie er allemaal in hun buurt kwam wonen, want van een nieuw huishouden werd een stevig entreegeld verwacht. Een keer per jaar dienden de volmachten verantwoording van hun inkomsten en uitgaven af te leggen in een buurtsamenkomst. Daarin ging het er democratisch aan toe: de besluitvorming geschiedde bij meerderheid van stemmen. Alle hoofdbewoners van de woningen in de nabuurschap werden bij deze vergadering verwacht en wie zonder geldig excuus – zoals ziekte of afwezigheid uit de stad – niet kwam opdagen, betaalde weer een breuk.
Maar dat het quorum van tweederde der buren op dit soort bijeenkomsten vaak gehaald zal zijn, lag niet alleen aan die boete. Want de agenda bevatte na de kascontrole en de verkiezing van een nieuwe volmacht in plaats van de afgetreden boekhouder nog een uiterst aantrekkelijk punt: het potverteren. Per slot van rekening moest al dat geld toch ergens heen. En wel naar de ‘nabertering‘, een buurtfeest.
Tot 1668 waren deze “gasterijen of rotten van ganse nabuyrschappen” domweg verboden. Dat jaar gaf het stadsbestuur impliciet toe dat het ook in dit opzicht, net als bij de utigsten, tegen de bierkaai vocht. Het besloot voortaan alleen nog te waken tegen excessen. Tussen twee opeenvolgende naberteringen moest drie jaar zitten, ze mochten alleen toegankelijk zijn voor nabers en hoogstens gehouden worden gedurende twee opeenvolgende dagen, waarna de derde dag de afrekening moest plaatsvinden. Het dansen, inhuren van muzikanten en houden van maskeraden bleef uit den boze en men mocht een nabertering ook niet houden in tijden van rampspoed en oorlog, daar zulks Gods rechtmatige toorn uitlokte.
Wilde een buurt een nabuurtering houden, dan diende ze voortaan permissie te vragen aan de President-Burgemeester. Helaas werden diens vergunningen niet ten stadhuize geregistreerd of is de registratie niet bewaard gebleven. We zouden dus weinig te weten kunnen komen over gehouden ‘nabuurteringen’, ware het niet dat het stadsbestuur drie jaar later, in 1671, bepaalde dat ‘de gemene armen’ voortaan recht hadden op ‘een pond groot’ (zes gulden) voor iedere nabertering.
Van 1671 tot 1796, toen er aan de regeling een einde kwam door de scheiding van kerk en staat, staan er zo meer dan vijfhonderd ontvangsten wegens naberteringen geboekt in de diaconierekeningen van de bevoorrechte gereformeerde gemeente. Ik nam die rekeningen door op nabuurteringen van de nabuurschappen buiten de Oosterpoort en buiten Kleinpoortje, maar trof er geen enkele melding van aan. Toch vonden dergelijke buurtfeesten wel degelijk in deze omgeving plaats. In 1682 hielden “de gesamentlycke naebuiren buiten d’Oosterpoorte, sijnde moesschers en lieden van geringe conditie” immers een nabertering in herberg de Cuba. Dat feest kwam ook ter kennis van het stadsbestuur, hetgeen evenwel niet tot een betaling aan de diakonie leidde.
Natuurlijk kan dat ook aan onbekendheid met de regeling gelegen hebben. Zo zeiden de buren buiten de Steentilpoort er anno 1777 niets van te weten. Maar die onkunde leidde iniet tot kwijtschelding van hun breuk. Ook is het moeilijk voorstelbaar dat men elders naberteringen wel geheim kon houden.
Het ontbreken van meldingen in de diaconierekeningen over naberteringen buiten de Oosterpoort ligt dan ook aan iets anders: de hoeveelheid geconsumeerde kluin was er onder de maat. Bij het geval van 1682 bestond de vertering slechts uit één ton van dit vocht, terwijl uit een zaakje van 1708 blijkt, dat zelfs een nabertering van bijna vijf vaten (775 liter) kluin nog niet in aanmerking kwam voor een breuk aan de diakonie. Een echte nabertering was dus nog groter. Zo staat een buurtfeest anno 1709 in de Oude Ebbbingestraat, waar de buren in totaal acht tonnen (1240 liter) kluin verorberden, wèl vermeld in de diaconierekening. Een nabertering aan de Ossemarkt anno 1759, die twee dagen duurde, tref je er ook in aan, terwijl je vergeefs zult zoeken naar die van 1761, waar de deftige naburen van de Ossemarkt voor ‘slechts’ 27 gulden aan wijn opdronken.
Bij nader inzien betreffen de posten wegens naberteringen in de diakonierekeningen ook bijna alleen de grotere winkelstraten in de stad. Niet alleen gaven de erfgenamen hier dubbel zoveel kluin aan buren (een hele ton in plaats van een halve na het overlijden van een volwassene), ook waren de buren die hier bij een sterfgeval geholpen hadden, of hun dienstboden lieten helpen, veel minder geneigd om die kluin op een utigst te consumeren. Wellicht ook door de drukte in deze straten zoutten de bewoners hier de consumptie langer op, zodat de algemene buurtkassen hier ook veel meer met afkoopsommen werden gespekt en er op termijn dus veel grotere feesten mogelijk waren.
Andersom moet in de buurten die niet in de diaconierekeningen voorkomen, zoals die buiten de Oosterpoort, nog het traditionele beeld hebben bestaan. Hier verorberden de nabers de kluin meestal nog op een utigst. Als er buiten de Oosterpoort en ’t Kleinpoortje al eens een nabertering gehouden werd, dan was dat maar een kleintje.
Harry Perton
Soldatenblikjes
Geplaatst op: 5 januari 2006 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Op de boedelinventaris uit 1759 van Gerrit van Delden, smid in de Baresteeg, staat al het spul wat men in een smidse van die tijd verwachten kan: aambeeldjes, een blaaspijp, werkbanken met laden, ijzeren (bank-)schroeven, voor-, stamp- en kleine hamers, giet-, smeed- en vuurtangen, Engelse vijlen, koperscharen, boren, een soldeerdoos en soldeerbout, een draaddraaier, gietkoper en wat dies meer zij.
Maar er staat ook iets onverwachts op de lijst: stempels met wapens. Van de Prins, de Generaliteit, Utrecht, Zuid-Holland en Stad & Lande. Omdat er in één geval sprake is van een stempel met de naam van Zijne Hoogheid Willem V, waar een tamboers’ achterplaat bijhoort, en in andere gevallen van bijlmans en een muts, weten we dat het gaat om stempels voor het slaan van wapens in de stukken blik, waarmee soldatenmutsen werden opgetooid.
Dat moet in een garnizoensstad als Groningen een aardige business geweest zijn. Er lagen hier – even uit mijn blote hoofd – permanent zo’n zestienhonderd soldaten, al gingen hun regimenten eens in de zoveel tijd weer naar een andere vesting. Vandaar ook de wapens van de andere provincies in de smidscollectie. Je kan eraan zien, dat hier even tevoren nog troepen op soldij van Utrecht en Zuid-Holland lagen.
De blikjes met het prinsenwapen zullen wel bestemd zijn geweest voor diens persoonlijke troepen, de Garde. Bij deze special forces zaten nogal wat grote, blonde, blozende Groningers. Onlangs trof ik in de digitale plaatjesgalerie van The New York Public Library (NYPL) twee aquarelletjes van zo’n Groninger Prinsengarde aan:
Eén keer van voren,
en een keer opzij.
Schiernuvere kerel, nait?
Doar haar Prins wat an!
Herepoort terug?
Geplaatst op: 12 december 2005 Hoort bij: Stad toen 30 reacties
Een nieuwe vereniging ‘Vrienden van de Herepoort‘ wil de oude Herepoort, die sinds 1885 achter het Rijksmuseum in Amsterdam staat, naar Groningen terughalen. Momenteel wordt het Rijksmuseum verbouwd en de vereniging denkt het ijzer te smeden nu het heet is. Alleen werkt het Rijksmuseum niet mee. “De poort hoort bij onze tuin”, aldus een woordvoerder.
Boegbeeld van nieuwe Herepoort-vriendenclub is Robert Prummel, fractie-assistent en raadscommissielid van de Stadspartij, tevens verzorger van zijn eigen biografie op de Wikipedia. Ook de twee andere bestuursleden van de stichting behoren tot het kader van de Stadspartij. Je zou dus bijna denken aan een verkiezingsstunt, ware het niet dat burgemeester Wallage zich eveneens al achter het initiatief heeft geschaard. Hij wil er zelfs wel de handen voor uit de mouwen steken.
De vraag is nu, of Wallage wel beseft wat hij zich op de hals haalt. Want het gevaarte repatriëren is één ding, maar de lokatie waar je hem neerzet blijft vers twee. Natuurlijk kan de Herepoort niet terug op het Hereplein, de oorspronkelijke plek. Daarom willen Prummel c.s. het op de route van het Groninger Museum naar de binnenstad. En dat kan gezien het ruimtebeslag eigenlijk maar op één lokatie, pal achter het museum, hetzij op de route, of er pal naast en haaks op, in het plantsoen.
Afgezien van de vraag of het museum en de omwonenden – zoals oud-wethouder RO Ypke Gietema – daar nou zo op zitten te wachten, zijn soortgelijke mogelijkheden ook tussen 1874 en 1885 al eens geopperd. De eerste plek die men toen in gedachten had was haaks op het Hereplein, op de plek waar nu het Jozef Israelsmonument ‘Naar moeders graf’ staat:

De tweede mogelijke lokatie was aan het eind van de Heresingel, waar zich nu het Werkman-monument van Armando bevindt:

Beide mogelijkheden gingen toen niet door, werden kennelijk verworpen. Echt fraai kan ik ze ook niet vinden. Over fraai gesproken: hedentendage bedoelt men met Herepoort natuurlijk uitsluitend het monumentale front. Van het reconstrueren van de de lillijke achterkant is geen sprake:

Zoals Max van Dendermonde ooit eens zei: “Je kan nooit zuiver meer naar vroeger”.
Hervonden stad 10
Geplaatst op: 29 november 2005 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Vandaag kwam er een persbericht binnen van de stichting Monument & Materiaal. Het probeert aandacht te krijgen voor het tiende jaarboek Hervonden Stad, maar doet dat dermate onhandig, dat je moet vrezen voor het tegendeel. Op de twee dichtbedrukte A-4tjes is inhoudelijk en qua uiterlijk niet of nauwelijks hiërarchie aangebracht. De redactie weigerde enkele mooie bloemen uit haar boeket te lezen en somt alle bestanddelen van haar ensemble vlak achter elkaar op, terwijl ze dan ook nog eens verzuimt om tussenkopjes toe te voegen. Bovendien begint ze eerst eens uit te leggen wat de stichting doet, iets waar het persbericht nou juist mee zou moeten eindigen.
Maar goed, genoeg gemopperd. Ik ben het jaarboek goed gezind, ik koop het elk jaar trouw. En ook dit jaar zal dat weer gebeuren, want er staat heel wat van mijn gading in.
Zelf begin ik altijd met de ‘losse’ artikelen. Dit jaar heeft ‘Hervonden Stad’ er een drietal dat bij voorbaat mijn interesse wekt:
Plantenresten uit de Friesestraatweg-wierde
Gaat over de planten die de mens hier in de eerste eeuw na Christus benutte: granen, peulvruchten, olie, vezels en vruchten. Mjammie.
Raadsels rond een 16e-eeuws bord van sgraffito-aardewerk
Ergens in de stad kwam een etensbord naar boven uit het midden van de zestiende eeuw. Vlak voordat hier de religiepleuris uitbrak, zeg maar. Er staat een gebalde linkerhand op met de duim en wijsvinger omhoog. Het zou een ‘pas op’-gebaar zijn. Pas op waarvoor? Waarschijnlijk voor God die men moet danken voor het eten. Of is het toch voor onkuisheid in het huwelijksbed?
Stucwerk van Johan Bernhard Logeman
Johann Bernhard Logeman kreeg in 1775 van Burgemeesteren en Raad van Groningen tijdelijk het monopolie op het maken van stucwerk in de stad en de stadsheerlijkheden. Toen er in een pand aan de Vismarkt een systeemplafond weggehaald werd, kwam er een staaltje van zijn werk tevoorschijn. Een zoldering om heel lang naar te turen.
Wat betreft de jaarverslagen archeologie, bouwhistorie en en restauraties gaat mijn belangstelling alvast uit naar de passages over:
Historisch waardevolle boerderijen
Elk jaar worden er wel een paar boerderijen gesloopt, maar er staan nog 235 binnen de Groninger gemeente-grenzen. Daarvan komen er 106 in aanmerking voor bouwhistorisch onderzoek omdat ze qua casco vermoedelijk flink oud zijn. Een paar voorbeelden van zulke oergebinten.
De kerk van Engelbert
Verkeerde in een deplorabele staat: windveren van asbest, vloeren van gewassen grindtegels, lambrisering van spaanplaat, kansel van multiplex met opgedrukte houtnerfmotieven, metselwerk met vocht- en vorstschade, verzakkingen, ongelooflijk veel lapwerk. En hoe deze droeve litanie verstomde dankzij restauratie.
Huize Tavenier
Creatie uit 1904 van A.Th. van Elmpt in Art-nouveaustijl, met prachtige tegeltableaus, siersmeedwerk, glas in lood. Tussen 1949 tot 1981 Groningens bekendste kraamkliniek. Meer dan 30.000 kinderen werden er geboren. Nu eveneens opgeknapt.
En dan schijnt er nog wat actie aan te komen ook, op het vlak van
Oude muurreclames
Ze zijn al bijna compleet vot, maar er komt een werkgroep ze documenteren. Documenteren is de opmaat voor nieuw leven inblazen, hier en daar. Zo weet ik ook nog wel een paar plekken.
Hervonden Stad 10 (2005) 176 pagina’s, rijk geïllustreerd, € 12,- bij de boekhandel.
Oorlogsschat
Geplaatst op: 5 november 2005 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Een deel van de ‘oorlogsschat‘, die een verwarmingsmonteur onlangs vond in een studentenhuis, was vandaag te zien op de ‘Dag der Groninger geschiedenis‘. Onder meer gaat het om enkele conservenblikken met andijvie, spinazie en doperwtjes van de Albino Maatschappij aan het Winschoterdiep in Groningen (1900-1946). Albino was een grootverwerker, -verpakker en -handel in koloniale, grutters- en overige kruidenierswaren, die voor de oorlog enkele honderden winkels in het Noorden had.
Koos Koster
Geplaatst op: 1 november 2005 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen

Dat Koos Koster (1937-1982), de in El Salvador vermoorde journalist, eind jaren zestig en begin jaren zeventig ook nog in Groningen heeft gewoond, hier zijn thuisbasis had, hier trouwde met een Chileense en hier werkte voor de Regionale Omroep Noord en Oost (RONO), wist ik niet, of ben ik tot mijn schande vergeten. Ik kwam er weer op door de radiodocumentaire waarmee RUG-journalistiekstudente Floortje Smit onlangs als tweede eindigde bij de RVU-Radioprijs 2005.




Recente reacties