Van aardappelmeel tot zwelstijfsel

Aardappelplanten, omhoog rijzend uit een aardappelhoop, met de namen van de producten op rode wapenschildjes: aardappelmeel natuurlijk, maar ook dextrine, kleefstoffen, spiritus en zwelstijfsel:

Linksonder een evocatie van het fabrieksgebouw, rechtsonder een artist impression van Groningen, met de Martinitoren. Op de uitgebotte piepers het logo van Scholten, dat jodensterachtig aandoet. Vraag me nu af dat nog veel langer bestond, c.q. wanneer het afgeschaft is.

Onderaan de gelegenheid waarvoor dit glas in loodraam tot stand kwam, Het gezamenlijke personeel van Scholten bood het aan in 1939, toen er een nieuw kantoorgebouw in Hoogezand tot stand kwam, waar tevens het eeuwfeest van ’t bedrijf werd gevierd.

Volgens het krantenverslag van die gebeurtenis stelt het stuk “de bekende productiestamboom” voor. Het was geplaatst in het trappenhuis van het nieuwe gebouw. De Groninger glazenier Jan Wijkmans maakte het.

Zou het er nog zijn?

Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 2139 (collectie fotoalbums) inv.nr. 251: Herinneringsalbum met foto’s en toespraken van de viering van het 100-jarig bestaan van W.A. Scholten’s Aardappelmeelfabrieken, 1939.


Garnalenventster had bijverdienste

Vrouw met twee manden aan een juk. Ets, ca. 1780. Rijksmuseum.

Zoals bekend bleef Finsterwolde heel lang een “woonplaats van armoedige vissers, die in het vangen van bot en garneel hunne kost zogten”. Pas de inpoldering van de Oostwolderpolder (1769) en de Finsterwolderpolder (1819) bracht daar verandering in, hoewel er ook in het midden van de negentiende eeuw nog wel op garnaal werd gevist in de Dollard bij Finsterwolde.

De Finsterwoldiger ingezetene Willem Jans was waarschijnlijk garnalenvisser. In elk geval ventte zijn vrouw Sjouwke Pieters (45) met garnalen in de wijde omgeving. Op 6 augustus 1783 werd ze op Veenhuizen, een buurtschap onder Finsterwolde, staande gehouden,

“dragende aan een juk twee garnate korven, waarin bij visitatie zijn bevonden vier blazen waarin omtrent tien kroezen genever, twee flessen met een kroes brandewijn, twee ponden tabak en 1 ½ [pond] koffijbonen, alle welke waaren door haar waren gekogt in de Nieuweschans van den koopman Ferreek, en vandaar ter sluik in deze provincie ingebragt met intentie om tegelijk met het omlopen der garnaten dezelve bij de huizen te verkopen…”

Ik weet niet hoe het met Sjouwkes klandizie zat, maar de heren Gedeputeerde Staten waren minder ingenomen met haar assortimentsverbreding of branchevervaging. Zij noemden het “sluikhandel” en achtten deze “ten hoogsten strafbaar”. Sjouwke werd voor vijf jaar buiten de provincie verbannen. Of ze hier nog weer terugkwam lijkt twijfelachtig.

Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 1353 (sententies of vonnissen door GS wegens belastingontduiking).


Beurtschippers in de fout

In 1773 werd Philippus Coenraads (73) betrapt. Hij was geboren in de stad Groningen, maar woonde even over de Drentse grens in Paterswolde. Al zo’n 26 of 27 jaar was hij, naar eigen zeggen, vrachtschipper van Paterswolde op Groningen geweest. Op vrijdag 16 april kwam hij met zijn schip, waarop zijn zoon met hem meevoer, over het Hoornsediep tot vlakbij de stad gevaren, toen het – zeg maar ter hoogte van het huidige Cascadeplein – werd aangehouden door enkele Landsbedienden.

Of Coenraads iets aan te geven had? Nee hoor! De Landsbedienden geloofden hem niet, lieten hem aanleggen, kwamen aan boord, doorzochten het schip en vonden twee zakken met samen de aanzienlijke hoeveelheid van 100 pond snuiftabak, en nog een zak met 10 pond gesneden rooktabak. Er zaten niet, zoals gebruikelijk, labels met afzender en adressanten aan de zakken. Of Coenraads wist wie al die tabak aan boord gebracht had? Nee, dat zou hij niet weten. Of hij dan wist wie het in de stad zou komen afhalen? Nee, ook dat was hem onbekend. Intussen riep zijn zoon naar een man die achter het schip aan had gelopen, ene Harm Harms Broer uit Paterswolde, of die misschien het aangiftebewijs voor de tabak bij zich droeg? Nee, riep Broer terug, dat papiertje bevond zich bij het belastingkantoortje in Haren.

De Landsbedienden, van het vasthoudende soort, stuurden iemand naar Haren om daar navraag te doen. Die kwam weerom met de mededeling dat er in Haren geen Harm Harms Broer was geweest om tabak aan te geven. Conclusie: de vanuit Drenthe ingevoerde tabak kon op geen enkele manier worden verantwoord. Daarom werden Coenraads en zijn zoon aangehouden. De zoon echter, sprong subiet in het Hoornsediep, zwom naar de overkant en ontkwam zo naar Drenthe.

Het schip werd uiteraard opgelegd en de smokkeltabak in beslag genomen. Nadat de vader vanuit herberg De Slingerij, waar hij eerst werd vastgezet, overgebracht was naar de provinciale gevangenis, verhoorde de fiscaal (aanklager) hem. Philippus Coenraads beweerde dat hij weinig van de zaak afwist omdat hij het schip aan de bij hem inwonende zoon Roelf Philippus had overgedragen. Reden voor de heren van de provincie Stad en Lande om hun Drentse collega-bestuurders “vriendnabuirlijk” om uitlevering van de zoon te verzoeken, teneinde “de waare geschapenheid van zaaken te kunnen ontdekken”. Eind mei bleek dat de Drentse heren het Groninger verzoek van de hand wezen, omdat ze wettelijk geen Drentse ingezetenen mochten uitleveren “bij delicten die in Drenthe door geldboetens kunnen worden gezuivert”. Vandaar dat GS van Stad en Lande Roelf Philippus per “edictum ad valvas” indaagden. In zo’n geval kwamen er overal aanplakbiljetten te hangen, met het verzoek aan de zondaar om zich vrijwillig te komen melden.

Dat gebeurde niet. Wèl diende de vrouw van Roelf Philippus, Aaltje Jacobs, medio juni een rekest in, waarin ze bevestigde dat de smokkelwaren “door haar man buiten schuld van zijn vader in het schip waren ontfangen”. Uit hoofde van “haare bedroefde en sobere omstandigheden met zeven kinderen” vroeg ze om de vrijlating van haar schoonvader, opschorting van de procedure tegen haar man, en een schikking.

Hier hadden de Groninger heren wel oren naar. Als Aaltje en haar man, naast de proceskosten, een boete betaalden van maar liefst 250 gulden (bijna twee jaarlonen), dan zou GS van Stad en Lande hun schip weer vrijgeven en de zaak afdoen met een vonnis waarbij Philippus Coenraads louter het voorarrest als straf zou worden opgelegd.

Aldus gebeurde, al gingen er wel enige weken overheen voordat Aaltje en haar man het bedrag bij elkaar hadden. Na twee maanden gevangenschap kwam hun vader op vrije voeten. Wegens diens hoge ouderdom streken de Groninger heren de hand over het hart, zo zeiden ze in het vonnis. Philippus Coenraads kreeg nog wel de ernstige waarschuwing voortaan niet weer te smokkelen, of dat er anders heel andere maatregelen zouden worden genomen.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande), de inventarisnummers

  • 1352 (sententiesboek GS) het vonnis d.d. 23 juni 1773;
  • 195 (Actenboek GS) resoluties d.d. 16, 17, 27 april, 26 mei en 22 juni 1773;
  • 418 (uitgaande missives) 29 april 1773;
  • 236 (ingekomen missives) 22 mei 1773.

Deze tekst is aangevuld met de procesvoering tegen de zoon en daarmee herzien op donderdag 9 maart 2017.


Een onderaardse gang in de Poelestraat?

jacob-van-deventer-poelepoort-en-omgeving

Poelepoort en omgeving op de kaart van Jacob van Deventer, 1560-1570. Collectie RHC Groninger Archieven 1536-7632. Centraal de Poelepoort met de toenmalige, verder naar de binnenstad gelegen Poelebrug, daaronder het Pepergasthuis.

Kreeg vanochtend deze mail:

Hallo Harry,

Namens een kennis kom ik met de volgende vraag.

Ter hoogte van de Poelepoort zou een ingang van een tunnel gelegen hebben die leidde naar het Prinsenhof:

“Ik ben geboren in de Poelestraat 45, vlak achter de poort. Achter in de grote kelder zit een stenen poort. Mijn vader vertelde altijd, dat daar een tunnel had gelegen, die naar het Prinsenhof gevoerd had, als vluchttunnel voor de Prinsen. Hoe kan ik te weten komen, of dit waar is?”

Ik heb tevergeefs het internet afgezocht maar niets kunnen vinden betreffende een (veronderstelde) tunnel.

Is jou iets bekend?

Met vriendelijke groeten,

H.

Mijn (iets ingekorte en bewerkte) antwoord:

Het geloof aan onderaardse gangen vanuit kastelen, kloosters en wat dies meer zij is een onuitroeibaar volksgeloof. Soms denk ik dat er een psychologische behoefte aan onderaardse gangen bestaat, die het beste verklaard kan worden aan de hand van wat Freud schrijft over de geboorte, geboorte-ervaringen en de herinneringen daaraan.

Als je aan al die verhalen over onderaardse gangen geloof zou willen schenken, is Nederland qua bodem één grote Emmenthaler gatenkaas. Nu heeft een groot gedeelte van Nederland ook een slappe, tamelijk vochtige bodem. Het bouwen van eeuwenlang duurzame tunnels in die bodem zou dan, net als in de mijnbouw in een stenen bodem, en zelfs als de gang met tras gemetseld is, zeer goed geprepareerd hardhout vergen, dat absoluut niet in contact met zuurstof mocht en mag komen. Bij een intacte onderaardse gang kan aan deze voorwaarde niet worden voldaan. Deze zou dan na verloop van tijd moeten instorten. Bij goed geteerde hardhouten buiningen (beschoeiingen) gold, dat ze na dertig jaar gedeeltelijk al aan vervanging toe waren, zo leert mijn ervaring met de stadsrekeningen.

Het pand waar het hier om gaat, staat bovendien in het laagste gedeelte van de Poelestraat. Bovendien lag dit gedeelte van de Poelestraat wat later achter de stadsmuur. Achter de Muur: zo heette o.a. de Schoolstraat. Nog steeds heeft het straatje in het verlengde van de Schoolstraat, richting achterkant Pakhuis, Pepergasthuis en Holland Casino die naam. Achter de bedoelde stadsmuur lag in de zestiende eeuw nog een dubbel grachtenstelsel. Zie de kaart van Jacob van Deventer uit 1560-1570. Het pand wat nu het adres Poelestraat 45 heeft, bevond zich op de plek van de binnenste van die grachten. Bepaald niet de ideale omstandigheden voor een tunnel! Laat staan een die de eeuwen zou moeten hebben getrotseerd.

Uit de Middeleeuwen kan die vermeende tunnel dus zeker niet dateren. In de zeventiende en achttiende eeuw, zeg maar de Prinsentijd, werden de overheidsuitgaven bovendien zo goed verantwoord, dat het de vele onderzoekers die de rekeningen terzake onder ogen hebben gehad, beslist opgevallen zou zijn als er een kostbare tunnel gebouwd was. Zij maakten hiervan echter nooit melding. Ergo: het verhaal van de vluchttunnel is quatsch.

Als er inderdaad een stenen poort of poortachtige structuur in die kelder gezien is, dan lijkt me de kans het grootst dat die met de laat negentiende-eeuwse riolering te maken heeft gehad. Een andere mogelijkheid is dat het de ruimte tussen twee funderingsstiepen van de middeleeuwse stadsmuur betreft. Maar ik hou het op het eerste.

Overigens is er in de Monumentenbeschrijvingen die de gemeente Groningen op haar monumentenwebsite heeft staan (a 2005; b 2009), alleen sprake van een kelder onder de àchterkamer van Poelestraat 45. Deels denkt de onderzoeker dat er alleen daar een kelder is, omdat zich daar eerder een binnenplaats bevond. Anderzijds lijkt er wel een kelder onder de voorkant geweest te zijn, maar is die dichtgemetseld (en opgevuld ?). Gezien de vochtige toestand op de foto’s van de kelder achter (en dat bij het hedendaagse grondwaterpeil!), lijkt me dat dichtzetten (en opvullen) ook geen wonder.


Heere Boon en zijn smokkelaarsbende

De Pylaars in Tolbert bestaat nog steeds.

De Pylaars in Tolbert bestaat nog steeds.

In de oude landschap Drenthe waren genotsmiddelen als jenever, brandewijn, tabak, koffie en thee veel lager belast dan in Stad en Lande. Daarom werd er vanuit Drenthe veel van dat spul naar Groningerland gesmokkeld. Dit gebeurde vooral vanuit plaatsen dichtbij de grens, zoals Eelderwolde, Roderwolde en Zuidlaarderveen. Nietap bij Leek spande echter de kroon. Niet alleen mensen uit het zuidelijke deel van het Westerkwartier kwamen hier contrabande halen, maar ook mensen uit het aanpalende deel van de Friese Woudstreek, die dan een route door het Westerkwartier namen. In een enkel geval trad er zelfs bendevorming op van min of meer professionele smokkelaars. Deze sluikten niet slechts voor eigen gebruik, maar deden dat grootschalig voor de verkoop. Desnoods verdedigden ze de spullen gewapenderhand. In 1756 werd deze bende van Heere Boon opgerold.

Heere Boon, officieel Heere Gerrits Oldeboon (43), en in het Friese misschien ook wel Boonstra geheten, was geboren in Zuider Drachten, en woonde aan de Drachtster kant van het Ureterper Verlaat. Al vanaf 1751 keken de Groninger Landsbedienden, zeg maar de belastingcontroleurs, naar hem uit. Dat jaar maart hadden ze hem namelijk “met een pak op de rugge” bij Leek zien lopen. Een van hen had hem ook tussen Leek en Tolbert achterhaald. Maar bij zijn aanhouding bleek Boon dat pak niet meer bij zich te dragen. Gevraagd waar hij vandaan kwam en waar hij zijn bagage liet, antwoordde hij, dat hij van Nietap kwam en dat er wol in zat. Uiteraard wilden de Landsbediende dat graag bewezen zien. Maar Boon weigerde de verblijfplaats van zijn pak aan te wijzen: “Dat doe ik om de duivel niet”. Hij viel de Bediende zelfs aan en gaf deze “eene slag met een seer dikke stok aan ’t hooft dat er bloed op volgde, en een tweede over den arm”. De Bediende, niet bang uitgevallen, wist Boon naar de grond te werken, wrong hem zijn stok uit handen, maar moest hem loslaten, waarna Boon met een mes op hem inliep: “Nu salstoe sterven of ik”. Blijkbaar was de Bediende nog behendig genoeg, want hij kwam er vanaf met “ses of seven sneeden in sijne klederen”, “waarvan drie tot op het hemd”. Ook Boon zelf kwam met de schrik vrij – hij nam de benen.

Vijf jaar later opereerde Boon niet meer in zijn eentje. Op 21 januari 1756 deden de Landsbedienden met een Statenbode een inspectie ten huize van Jan Tonnis in Tolbert, toen Boon daar “met vier andere personen, zijnde Friesen” over het kerkhof kwam aanlopen, “hebbende jeder een pack op de rug met brandewijn en taback”. Boon kreeg al gauw door dat er controleurs aanwezig waren en daagde ze uit Jan Tonnis zijn huis. Hij riep dat hij de “schrobbers” (= afpersers, schurken) wel eens wilde spreken, waarop de Landsbedienden en de Statenbode het pand uitkwamen en de Friezen vroegen naar hun namen en de inhoud van hun pakken. Deze wilden ze graag visiteren; of de Friezen ze wilden neerzetten. Boon, “als de voorste zijnde”, gaf inderdaad nog zijn naam op – “Ik hiet Heere Boon’’ – al gebeurde dat zeker niet uit welwillendheid: “Wat duivel raakt u onse naemen”. Hij zette zijn pak op de grond en provoceerde de belastingmannen opnieuw: “Daar staat mijn pak, een van u duivels tast die eens an”. Tegelijkertijd stelde hij zich dreigend op met een soort van polsstok: “Het scheelt mij niet of ik slaa op u duivels nog, dat je niet weder opstaat”. Bovendien hitste hij zijn makkers op: “Sla op de duivels”. De Bedienden zagen zich daarom gedwongen van hun visitatie af te zien en lieten de groep passeren. Ook Boon nam zijn pak weer op zijn rug en vervolgde met zijn metgezellen de weg door Tolbert.

Wie hier verder bij waren, is onbekend, maar op 6 mei dat jaar trok Boon opnieuw door Tolbert met dit keer drie andere personen, waaronder het Ureterper echtpaar Claas Doitses (34), in de volksmond Kay Doit, en Renske Lammerts (44). Het was ’s ochtends zeven uur, dus klaarlichte dag, en elk van de vier droeg een lege zak op de rug, waarmee ze de weg naar Nietap insloegen. ’s Middags zag men de groep daar uit het huis van de koopman Pieter Santé komen, een bekende leverancier van smokkelwaar, ook in grotere hoeveelheden. De groep passeerde de Leekster brug en pleisterde rond vier uur in een herberg te Tolbert, en wel “in het soogenaamde huis in de Pijlaars”, waar de bendeleden hun pakken neerzetten, en Boon begon te pochen over zijn ontmoeting, de afgelopen winter, met een Landsbediende:

“hadde verhaalt, als wanneer sijn mes wat scherper waere geweest hij de Landsbediende beter gesneden zoude hebben, maar dat deselve al was weggelopen soo ras de scheede van het mes maar gezien hadde, beroemende sig wijders dat hij toen de Baas was geweest, maar sijn ander volk al bange waren geworden..”

Wellicht was iemand uit de herberg toen al op weg om de Landsbedienden te waarschuwen, want na nog wat geweldpleging was Boon “achter uit de Pylaars weggelopen”, en niet langs de weg, maar “over het land” uit zicht geraakt. Zijn drie metgezellen namen ook zijn pak mee, en liepen daarmee gewoon langs de weg door Tolbert. De enige die kon worden aangehouden was Kay Doit. Hij had maar liefst 25 pond tabak en een vaatje met 7 kroes (= 8,75 liter) brandewijn bij zich, alles gekocht bij Pieter Santé op de Nietap.

Anderhalve maand later, in de nacht van 19 op 20 juni 1756 hielden de Landsbedienden in Leek de vrouw van Kay Doit aan. Zij had toen bij zich een pak met 6 pond tabak, 3 pond thee en twee “borrels” (= flessen) met twee kroes en een oort brandewijn, ook weer betrokken bij Santé. In haar gezelschap was er een Meindert waarvan ze de achternaam niet kende, “zijnde een arbeider en mede woonagtig tot Ureterp”. Bij haar arrestatie dreigde hij “tot haare ontzettinge” de beide Landsbedienden “met het mes tot riemen te snijden, soo sij de gedetineerde niet wilden loslaten”. Deze Meindert wist te ontkomen.

Zoniet Boon, die op een ongespecificeerd moment tegen de lamp liep. Op 17 augustus kregen hij, Kay Doit en diens vrouw hun sententies voorgelezen in het provinciale gevang. Uit de vonnissen blijkt duidelijk, dat de heren Boon als aanvoerder zagen. Volgens hen maakte hij zich schuldig aan

“verregaande sluikerijen, geweldadige resistentiën aan ’s Lands bedienden in ’t Westerquartier en [heeft hij] voorts sig niet ontsien van innorme insolentiën te plegen, hebbende sig met scherp gewapent, zijnde als aan het hoofd van een bende sluijkers begeven, om nevens deselve de waeren uit het Landschap Drenth te halen en vandaar in deese provincie ter sluik in te voeren en se te verkopen waar maar best konden.”

Dat waren uiteraard hoogst strafbare zaken. Daarom kreeg Boon tot loon een strop om zijn hals terwijl hij aan de kaak stond. Ook werd hij streng gegeseld door de scherprechter. Verder kreeg hij nog een brandmerk en levenslang tuchthuis.

Kay Doit werd veroordeeld wegens “menigvuldige sluikerijen van tabak en brandewijn om deselve ten voordeele wederom te verkopen”,

“(…) strekkende tot merkelijke bekortinge van ’s Lands regten en inkomsten, stooringe van de maatschappij en bederf van andere, goede ingesetenen en vilipidentie van de ordres en placaten van den Landen.”

Zijn straf: kaak, geseling, tien jaar tuchthuis en daarna levenslange verbanning uit de provincie. En hoewel zijn vrouw zich van het geweld distantieerde, hielp dat haar niet, want zij kreeg kaak, geseling en een verbanning voor onbepaalde tijd uit de provincie.

Als ze die ban verbrak, dan ging ze levenslang het tuchthuis in. Ze bleek echter onverbeterlijk en werd nog geen anderhalve maand later, namelijk op 28 september 1756, tussen Leek enTolbert aangehouden met 2,5 pond thee die ze zonder aangifte te doen vanuit Drenthe de provincie Stad en Lande had ingevoerd. Op 8 oktober maakten de heren hun belofte waar en veroordeelden haar tot een levenslange tuchthuisstraf.

Van haar horen we niet weer. Wel van Heere Boon en Kay Doit. Boon brak in de nacht van 22 op 23 maart 1759 met twee anderen dwars door een muur uit het tuchthuis en bleef daarna, zoals het lijkt, uit zicht.

Kay Doit was net als zijn vrouw een recidivist. Op 17 maart 1763 werd hij op vrije voeten gesteld, waarmee de heren hem drie van zijn tien jaar tuchthuisstraf kwijtscholden. Hij vestigde zich weer in Ureterp en was dus net die kwijtgescholden periode op vrije voeten, toen hij op 10 oktober 1766 door ’s Lands bedienden even voorbij Tolbert “agter de Holm in ‘t Veld” werd aangehouden met 20 pond koffiebonen, 15 pond thee, 9 pond tabak en een halve kroes brandewijn, ook nu weer gekocht bij Pieter Santé op de Nietap en zonder aangeving in Stad en Lande ingevoerd. Naar zijn zeggen waren de spullen bestemd voor een koopman Focke Hayes in Ureterp. Drie weken later, op 31 oktober 1766, oordeelden de heren opmerkelijk zacht over hem – dit keer kreeg hij zes jaar tuchthuis, gevolgd door een levenslange verbanning.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 1352 (sententieboek GS) de vonnissen d.d. 17 augustus 1756, 8 oktober 1756, 10 april 1759 (van Salomon Elias, met melding ontsnapping Boon) en 10 oktober 1766.


Hoe een snikkevaarder zijn trekschuit kwijtraakte

Trekschuit op een prent van Reinier Vinkeles. Collectie Rijksmuseum.

Trekschuit op een prent van Reinier Vinkeles. Collectie Rijksmuseum.

Je had in Stad en Lande provinciale trekvaarten, zoals het Damsterdiep, het Boterdiep en het Hoendiep. En je had er stedelijke trekvaarten, zoals het Winschoterdiep en het Muntendammerdiep. Zowel de provincie als de stad zorgde voor de eigen kanalen. Dit gold ook voor de flankerende trekpaden, waarover de paarden liepen die de trekschuiten voorttrokken. En terwijl de provincie toezicht hield op de provinciale trekschippers (en hun snikkejongens), deed de stad dat voor de stedelijke.

In de stedelijke prothocollen kwam ik echter niet zo’n mooi zaakje tegen als vandaag in een sententieboek van Gedeputeerde Staten. Dronken trekschippers waren er natuurlijk ook wel op de vaarten van de stad, maar dit provinciale gevalletje is toch extra speciaal en buitencategorie.

Het ging om Albert Jans. Hij bevoer als huurder van trekschuit numero 5 het Hoendiep van de stad naar Stroobos, in dit geval vice versa. Op maandag 3 november 1760 vertrok hij nog volgens dienstregeling om 8 uur ’s morgens uit Stroobos, maar was zo dronken,

“dat de schuite in plaats van des middaags te 12 uur, dien naedemiddag tegens vier uir eerst bij de stad is aangekomen…”

(En dan klagen wij nog over de NS.) Blijkbaar was Albert zijn snikkejongen net zo dronken, want die kon het trekpaard op zeker moment niet langer berijden. Daarom had de schipper diens plaats op het paard ingenomen, wat bepaald niet verstandig was, want

“hij op het peerd sittende bij het tweede verlaat soo sterk heeft aangerukt, dat de schuit soo ver op de sijd sloeg dat het water tot het luik is ingeslagen, wanneer de lijn door een der passagiers tot voorkominge van verdere ongelukken zijnde losgemaakt, de schuit op het land is geraakt, alwaar anderhalf uur heeft moeten zitten, zijnde intusschen Albert Jans met het peerd en de lijn tot digt aan de stadt voortgereden sonder te weten dat de schuite miste.”

Met andere woorden: onze snikkevaarder had zijn paard eerst zoveel haast laten maken dat de trekschuit zwaar slagzij maakte en bijna kapseisde, zodat het water de toegang naar het passagiersruim al binnenkwam. Vervolgens had een van de passagiers pijlsnel de lijn losgegooid. Maar de schipper merkte hier niets van. Hij reed doodgemoedereerd door tot hij bijna in de stad was.

Gedeputeerde Staten vonden deze omgang met hun openbaar vervoer minder amusant. Een week later lieten ze Albert Jans ophalen en naar het provinciale cachot overbrengen. Daar mocht hij acht dagen op water en brood zijn zonden overdenken.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (Staten van Stad en Lande) inv.nr. 1352 (sententieboek GS) 10 november 1760.


Ondernemende arbeider mag wieberen

Wilhelmus Jans (43) woonde in Appingedam, maar zat vast in de stad, toen hij op 7 december 1753 moest voorkomen. Anderhalve week eerdere was hij betrapt op smokkel. Hij had 13 pond tabak gekocht van “de Joode in de Nieuweschans”. Daar was de tabak accijnsvrij, omdat de vesting onder de landelijke overheid viel en niet onder de provinciale. Die tabak had hij niet aangegeven en

“in dese provincie ter sluik ingevoert en dezelve onderwegs an de boeren en boereknegten tot Midwoldemer Hamrik en elders gedebiteert (=verkocht). Dat zulks nu tot ses maalen hadde gedaan, ieder reise agt, negen of tijn ponden, edog nimmer daarvan het minste in Appingedam gebragt of verkogt, maar altijd onderwegs gelaten. Dat er was angekomen doordien in het Oldeampt bij de boeren arbeidende om de kost voor zijn vrouw en kinderen te verdienen, somtijds wel vleugels van ganzen en pennen hadde opgekogt van de landlieden en dezelve an de Joode bovengenoemt verkogt, die hem daarvoor tabak an betalinge hadde gegeven. Dat egter nooit hebbende geweten, dat de Nieuweschans onder de vrijdom behoorde, hij zulks ieder maal vrij en gerust hadde gedaan.”

Met andere woorden: naast de daglonen voor zijn boerenwerk in het Oldambt had Jans nog een bijverdienste – hij kocht ganzenvleugels en grote ganzenveren op, die hij verkocht aan een jood in Nieuweschans. Deze gaf hem er tabak voor weer, welke Jans dan onderweg naar huis verkocht. Hij beweerde nooit geweten te hebben dat hij voor die importtabak accijns moest betalen, maar bij het lucratieve ruilhandeltje moet het prijsverschil hem toch opgevallen zijn. Hoe dan ook, Gedeputeerde Staten, de rechters in fiscale strafzaken, slikten zijn nogal doorzichtige excuses niet. De heren verbanden Jans voor drie jaar uit de provincie.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (Staten van Stad en Lande) inv.nr. 1352 (vonnissen GS, die van 7 december 1753.


Met een revolver voor de kansel

Hoorde een verhaal over de Vrijmaking in de stad Groningen en hoe de synodale en de vrijgemaakte gereformeerden elkaar na de oorlog de Noorderkerk betwistten. Dat ging zelfs gewapenderhand: op een zondag stond een fanatieke partijganger onder de kansel, om de onwelgevallige predikant van de andere kant er vanaf te dwingen.

Bijbels kan je dat toch niet noemen. In de bijbel staat immers: hebt uw vijand lief en keert hem, als hij u op uw ene wang sloeg, uw andere wang toe. Een bijbels levend persoon zou zich dus lankmoedig moeten betonen: als mijn vijand zo nodig de kerk wil hebben, laat hem maar, ook al heeft hij er het recht niet toe.

Uiteindelijk stond een gang naar de civiele rechter natuurlijk wel vrij. Dat is destijds ook overvloedig gebeurd, het ging dan vaak over kerken die nu – net als de Noorderkerk – allang buiten gebruik zijn. Vaak ging zo’n proces tot de hoogste instantie door. Midden jaren 50 had de Hoge Raad het er maar druk mee. Er schijnt een hele jurisprudentie te zijn over het eigendomsrecht op gereformeerde kerken.

Heb het verhaal overigens nog niet kunnen verifiëren. Maar: se non è vero, è ben trovato.

 


Jan S. Niehoff – Kustvaarders Kladjournaal

kustvaarder-op-zomerpostzegel

eentonig, op ‘n gestolen melodie

Uren slingeren in ballast:
uitschuimende baan
over rollende bergen
op loodskotter aan.
Overwerkt, ongeschoren,
scherven in de kombuis
… zwiepen tros om een bolder,
klein in havengedruis.

Neongeschitter
hangt lokkend en sterk
om Antwerpens kroegen
na water en zwerk.
Ze laten diner voor
madammekes staan
ze laten er schepen
en gage voor gaan.

Hun scheepjes zijn speeltuig –
de zeegang is echt,
hoe goed hun bedoeling,
’t verleden vrij slecht.
Als de dag komt te sterven
keert hun hart in berouw
tot de grootmoed der sterren
en een brief van de vrouw.

Nacht spreidt zijn mantel
– de motor zwoegt voort –
om schoorsteen en masten,
om dekhuis en boord.
Zie de boeggolven vuren
met driftig blauw licht
tegen naderend stormtij
avondeinder trekt dicht.

In ’t gelige schijfje
dat plakt op de roos
verschijnen de streken
en dralen een poos.
Matroos duwt wat spaken:
ze schommelen weer heen.
Hij ’t schip aan een touwtje –
God de zee er omheen.

De Norfolkse stadjes
komen op langs de kust
als kleine gesternten
en gaan weer in rust.
Zo te varen – o, vreugde!
de wacht bijna vol
vier uurtjes voor stuurman,
wij onder de wol.

Men heeft ons in Gävle
van goudgekleurd hout
met wammelende winches
een deklast gebouwd.
Die ligt in zijn sjorrings
over ’t gangboord gestouwd,
die ligt in ons handen
zo vast, zo vertrouwd.

Ruïne van Borgholm
beheerst het gezicht.
Haar vensters en torens
in wisselend licht
van wolken en zonne
staren troosteloos uit
naar Waldemars ridders,
naar steekspel en luit.

De geest van een regnum
in Baltische trant
huist machtig rond Kalmar
en ’t donkere land,
legt zelfs om ons vaartuig
zijn zwijgende ban –
maar stuur leest de log af
en weet er niet van…

Weg, meiskes van Skåne,
boei drie ligt vér voor
zijn gaspit komt dansend
aan stuurboordzij door.
Een verhaal van de meester
dat geen sterveling gelooft
en het vuur van Sandhammren
wiekt boven ons hoofd.

Tere eilanden drijven
rond grasgroene Sont
of wreedheid noch onlust
dit eden ooit schond.
Deense houtjammers deinen
kuis zich bergend in zeil,
waar hun archipel afbreekt,
dramatisch en steil.

Old Englands loodsen:
koel, zoals ’t hoort,
Niels Svensson met strepen
en smetteloos boord.
Cuxhaven: een ringbaard,
wat rauw op de tong:
“Röt zummer hè Capt’n?
Beetje bakboord mien jong…”

Zo, gerwapend met wrijfhout,
paralellineaal,
getijboek en stroomkaart
en ’t Gronings als taal
zijn ze onbewust zoekers
naar een grootheilig land
doch ’t leeft onder hun voeten
als een sluimerend pand…

SAMUEL
stuurmansleerling

Begin jaren 50 voer Jan Samuel Niehoff geruime tijd mee op een Groninger coaster. Op basis van zijn ervaringen als matroos en stuurmansleerling schreef hij dit lange gedicht, dat verscheen in Der Clercke Cronike van 28 september 1951. Het geeft heel mooi de sfeer op zo’n schip weer en behoort volgens mij tot zijn allerbeste werk. Des te vreemder is het dat Niehoff juist dit stuk nooit recyclede, terwijl hij dat wèl deed met allerlei andere, mindere gedichten van hem. Vandaar dat ik zo brutaal ben, het hier te plaatsen. Misschien kan iemand het eens in ‘t Gronings vertalen, want daarvoor leent het zich volgens mij ook uitstekend.


Glimpen van mijn grootvaders bijenhobby (2)

kop-bijenteelt-jrg-75-nr-2-februari-1973

Wilde weten hoe ook alweer de titel luidde van het imkerstijdschrift dat mijn grootvader las. Via Imkerpedia kwam ik erachter: Maandschrift voor Bijenteelt, destijds in de volksmond het Groentje geheten, tegenwoordig omgedoopt tot Bijenhouden. En verrassing: op de website van Wageningen University blijken veel afleveringen samengevat en een kleine selectie zelfs als pdf beschikbaar. Als ik vervolgens Perton door het zoeksysteem jaag, komen allereerst de drie afleveringen tevoorschijn van het verhaal over Louis van de Bijen, dat ik zelf in 2002 instuurde.  Daarna doemt er tot mijn ultieme verbazing een In Memoriampje voor mijn grootvader op in het nummer van februari 1973:

bijenteelt-febr-1973

Ik raak er warempel nog ontroerd van ook.  Nooit eerder gezien, deze tekst. Denk dat alle afleveringen na zijn dood gewoon bij het oud papier zijn beland. Niet lang nadien verhuisde mijn grootmoeder ook naar het rusthuis, er is toen behoorlijk wat opgeruimd.

En nog is het niet op, want het volgende item op de lijst blijkt een verslagje van de afdeling Havelte uit februari 1969, ondertekend door mijn grootvader:

febr-1969-verslagje

Secretaris was hij al in 1947, dat moet hij dan minstens twintig jaar zijn geweest.

Nog even verder zoekend met het trefwoord Havelte vind ik nog aankondigingen van bijenmarkten, die er er ieder voorjaar in de tweede helft van de jaren 40 plaatsvonden, ofwel in Hotel Götz, ofwel in Hotel Buter. Daar moet hij toch bemoeienis mee hebben gehad. Verder komen er rubrieksadvertenties met bijenvolken en -korven boven drijven, en ook, in april 1964, een landelijk lijstje van arealen koolzaad: Havelte had destijds als enige Drentse gemeente dit gewas, zij het slechts een halve hectare – Finsterwolde, waar mijn grootvader oorspronkelijk vandaan kwam, spande in Groningerland de kroon, met 15,5 hectare.

Ik vermoed dat zijn naam ook nog wel in andere afleveringen voorkomt, die slechts gedepouilleerd zijn op het allerbruikbaarste. Hopelijk worden alle afleveringen nog eens integraal  als pdf op die website gezet!

omslag-bijenteelt-feb-1969


Glimpen van mijn grootvaders bijenhobby

Ook in de Meppeler Courant vond ik weer enkele kleine berichtjes over de liefhebberij van mijn grootvader: het houden van bijen.

Eerder trof ik in de Provinciale Drentsche en Asser Courant al eens het gegeven dat hij meerdere termijnen als secretaris-penningmeester deel uitmaakte van de plaatselijk imkersclub:

PDAC 27 december 1948.

Provinciale Drentse en Asser Courant 27 december 1948.

Hoe lang dat geduurd heeft, is me helaas onbekend, want dit is een uniek bericht. Ik weet wel dat hij een voor mij nogal saai imkersblad las en neem aan dat het aantal bijenhouders, in de oorlog wellicht nog vrij hoog, daarna behoorlijk slonk.  Tegenwoordig zijn de lokale bijenhouders ook georganiseerd in een club die te Ruinen resideert en vraag me af of er wel eens archief van de Havelter afdeling bewaard is.

Meppeler Courant 13 april 1956.

Meppeler Courant 13 april 1956.

In 1956 had hij blijkbaar wat teveel volken door de winter gebracht of wilde hij het wat rustiger aandoen. Hij was toen ook al bijna 65. Later had hij er jaarlijks altijd nog vijf tot zeven volken in zijn stal bij de familie Kronenburg bij het Uffelter binnenveld. De Simplexkasten van de rubrieksadvertentie zijn vrij populaire houten kasten die zich modulair laten opbouwen.

Begin jaren zestig ging het niet best met de imkerij: veel regenachtige zomers. Het zwermen (opsplitsen van volken) kwam dan laat op gang. In 1964 werd de wat mismoedig stemmende reeks doorbroken, want eind mei had hij al een zwerm, wat kennelijk in de krant mocht:

Meppeler Courant 27 mei 1964.

Meppeler Courant 27 mei 1964.

Of de verslaggever hem toevallig ontmoette, of dat hij zelf de krant belde weet ik niet, maar tot het laatste acht ik hem zeer wel in staat. Hij reed namelijk met zijn fiets ook eens over een adder, en ging deze toen showen op de lagere school. Een van mijn jongere broers maakte deze didactische exercitie mee, en vertelde tussen de middag dat opa op school was geweest met een dode slang.

Als gezin konden we meegenieten van mijn grootvaders hobby. Hij kwam regelmatig een pot honing langsbrengen, met name klaver-, lindebloesem- en koolzaadhoning. Zijn kasten gingen in het voorjaar, als het koolzaad bloeide, ook wel opgedoekt op een wagen naar Groningerland. In augustus/september bracht hij steevast een grote schaal met lekkende raten heidehoning uit de directe omgeving van Havelte. Dat was toch wel mijn favoriete honing.

Vervolg


‘Het gevaarlijke liften’

Ben vanavond aan het sneupen geweest in het digitale archief van de Meppeler Courant. Ze proberen daar het wiel opnieuw uit te vinden – apart van Delpher en andere krantenbanken – en in eerste instantie verliep het gezoek nogal moeizaam. Maar na verloop van tijd kwamen er toch ook heel aardige dingen tevoorschijn, zoals het onderstaande verhaal, dat ik nooit eerder gehoord had. De commies waarvan sprake is, was mijn grootvader, wiens ambtenarenwoning aan de Havelter Dorpsstraat blijkbaar wel vaker als een soort van eerste opvangadres voor benarden fungeerde:

Meppeler Courant 7 september 1949.

Meppeler Courant 7 september 1949.


Het oude liedje

stemwijzer

Volgens Stemwijzer.


Kleuterschoolmemoires

img857

Naar aanleiding van een bijna antropologische uitzending over het universum van vierjarigen, gisteravond, zocht ik de enige foto op van mijn eigen kleuterschoolperiode. Het betreft de ‘bovenste klas’ van de Hummelhof aan het Schukkingpad te Havelte, in het schoolljaar 1960/1961 poserend op het klimrek schuin achter de school.

In totaal betreft het 25 leerlingen: 14 meisjes en 11 jongens. Een jaar of wat geleden heb ik er, voor zover ik het nog wist, de namen bij gezet. Die kende ik nog bij 4 meisjes (29 %) en 10 jongens (91 %) – de selectiviteit van mijn geheugen weerspiegelt hoe apart beider leefwerelden waren op die leeftijd. Dat is nog steeds zo, bleek uit de TV-uitzending van gister: een vierjarig jongetje bliefde bijvoorbeeld geen meisjescadeau.

Ook speelt hiërarchie een buitengewoon grote rol bij kleuters. Het klimrek op de foto bewees hier nuttige diensten. Sommige durfals zaten er altijd helemaal bovenop en gingen soms zelfs ondersteboven aan hun knieën aan de hoogste sporten hangen. Vooral een van de meisjes had daar een handje van. Maar ze kon nooit zelfstandig weer omhoog komen en de aandachttrekster krijste dan net zo lang tot de juffrouw haar kwam verlossen. Wij als jongens vonden dat maar stom!

De Hummelhof herinner ik me verder van territoriale conflicten in de zandbak. En van het bruggetje over de “Kikkersloot”, waar de tegenover gelegen rioolwaterzuivering met veel gebruis het schoongemaakte water in loosde. Achter de school was een overkapping met overnaadse planken waaronder we onze autopeds neer moesten zetten. Binnen deden we kringspelletjes en leerden we bekende kinderliedjes. Op een keer moesten we van de juf voorgedrukte figuren uit papieren prikken. Ik vond dat niks. Waarom zou je zo’n figuur met een prikker uitprikken, terwijl het met een schaar veel sneller en mooier ging? De juffrouw accepteerde mijn protesten niet en stuurde me naar de hoek toen ze zag dat ik toch met een schaar aan de gang was gegaan. Kleutertrauma!

De Hummelhof ging op 30 maart 1960 open. Eerder was de Havelter kleuterschool nog naamloos gevestigd in het gebouw Eursinge bij Overcinge, waarvan me vooral heugt hoe de juf ons mee uit wandelen nam in de omringende Homan-bossen. In de herfst verzamelden we daar allerlei bladeren, kastanjes, eikels en paddestoelen voor herfststukjes en kijkdozen. Sommige jongens raapten er beukenootjes die ze openpulkten om de inhoud op te eten (getsie!).

Op de dag van de kleuterschoolverhuizing werden we met zijn allen vanaf Eursinge op een versierde boerenwagen naar de Hummelhof gebracht. We kregen er een toneelvoorstelling te zien: Goudlokje en de drie beren. Spannend joh, enorme griezels waren dat, die beren! Tot mijn grote opluchting liep het goed met Goudlokje af. Ik was wel een beetje verliefd op haar geworden, maar dat had weinig toekomst.


Achtste wereldwonder

img856-blog