Helligje, een meisjesnaam

Kleine ontdekking. Zocht in AlleGroningers eerst op de klassiekerige boerenvoornaam Helenius, vervolgens op Hel*, waardoor heel veel schone Helena’s, maar ook een vertederend Heleentien hun opwachting kwamen maken en stuitte zo uiteindelijk op Helligje.  Ziehier alle in Groningerland gedoopte meisjes van die naam:

Helligje

Ergo: Helligje was een kortstondige hype te Wildervank, in de jaren 1770. Je vraagt je af wat al de ouderparen bezield heeft, want hellig, afgeleid van hel, betekende ook toen ook al vertoornd en (zeer) boos in onze noordoostelijke contreien.

Bij WieWasWie zie ik dat de naam in Holland destijds ook wel voorkwam, zij het sporadisch. De laatste melding via die bron is een overlijdensgeval in 1948, te Weststellingwerf.

Naschrift 19 mei:

Achteraf bedenk ik me, dat het een verbastering zal zijn van Hilligje, een meisjesnaam die vanaf 1684 duizenden malen vo0orkomt bij Alle Groningers.


‘Opdracht gemeente Groningen’

Het is weer hetzelfde liedje als vorig jaar. Zuring, boterbloemen en fluitekruid bloeien nog maar net een paar  dagen, of de bermbeheerder komt aangerukt met zijn snerpende strimmer. In opdracht van de gemeente, zoals hij desgevraagd meedeelt. Nee, volgens hem had er niemand hier geklaagd:

DSC06601

DSC06602

NB: de verkeersveiligheid is hier absoluut niet in het geding, mocht u dat soms menen.

De gemeente weet haar energie hier overigens maar wat goed te verdelen, nounounou. Tien meter verderop staat een bordje voor het pad: Verboden voor honden. Daar trekt werkelijk geen hondenbezitter zich wat van aan – vele tientallen gaan er daags langs dat pad om hun troetel d’r behoefte te laten doen. Geen enkele die een zakje bij zich heeft om de rotzooi mee te nemen. En denk maar niet dat de gemeente daar wat aan doet.


Een prooi der vlammen door stoompot

brandrapportje elzo Perton 1892 (2)

Cadeautje van collega’s in de mailbox: een rapportje over de brand bij mijn  betovergrootvader en diens overburen, opgesteld door burgemeester P.J. de Hoop van Finsterwolde, en door deze op 4 maart 1892 verzonden naar de officier van justitie te Winschoten.

Op zich is die brand niet nieuw voor me, die vond ik eerst al eens in een gemeentelijk jaarverslag, en naderhand in de Winschoter Courant. Geen van beide bronnen geeft echter de oorzaak. Die staat nu wel in dit stuk. Om De Hoop aan te halen:

“De oorzaak der brand is hoogstwaarschijnlijk ontstaan door een stoompot.”

Een oorzaak die ontstaat – de burgemeester was duidelijk geen stilist. Niettemin schopte hij het, na nog geen jaar die functie in Finsterwolde te hebben bekleed, tot burgemeester van Veendam eerst en later Sneek.

Als we onder stoompot een afgesloten, metalen omhulsel mogen verstaan, waarbinnen een ander metalen omhulsel verhit wordt met stoom, zal zo’n apparaat op zich geen brand kunnen veroorzaken. Maar het kan bij oververhitting natuurlijk in het ongerede raken en bijvoorbeeld een onderstaand petroleumstel laten omvallen. Vallende petroleumstellen veroorzaakten wel vaker brand.

(Met dank aan E. & P.)


Onlander ommetje

Boomstronk met zwammen:
DSC06489
De Hamersweg:
DSC06494
Bloeiende zuring:
DSC06500
Ho, een bui, dat was niet de bedoeling:
DSC06505
Bloeiende distel:
DSC06512
Het wordt steeds erger, verdorie:
DSC06525
De weg naar Sandebuur:
DSC06530
Bij de Hooiweg:
DSC06541
Eiken met pril blad:
DSC06544
Blauw oog:
DSC06549
Groentinten in de berm:
DSC06567
De bewoonde wereld:
DSC06576


Wie betaalt de beul? Een conflict in Beerta over criminele gerechtskosten

beulszwaard Hessink 27 januari 2007

Eind 1785 maken twee vooraanstaande boeren uit Beerta, Helenius Jans en Jan Krijns, hun opwachting in de Oldambtster drostenborg. Mede namens “diverse landgebruikeren” in hun kerspel klagen ze dat door de dijkrichters aldaar

“verandering was gemaakt in de gewoone wijze van verdeling der misen van justitie tot nog toe in het kerspel Beerta vigerende, en waarmeede zij oordeelden ten uitersten gegraveert te zijn”.

Die dijkrichters, Jacob Hindriks en Andries Jans, collega-landbouwers die blijkbaar over een eigen achterban beschikten, voerden naderhand echter aan

“deze verandering na kerkenkondiging en bij meerderheid van de praesente leeden en dus wel en wettig gedaan te hebben”.

In Beerta was er dus een conflict over de inning van misen van justitie, oftwel de gerechtskosten van criminele procedures. Tot verdriet van de klagers werd er gebroken met de traditionele verdeling, terwijl de dijkrichters die de verandering doorvoerden, betoogden dat de kerspellieden formeel juist èn democratisch tot de wijziging hadden besloten.

Voordat ik inhoudelijk wat dieper op het conflict inga, eerst iets over het wettelijke kader. De precieze omschrijving van de misen van justitie en de manier waarop deze in het Oldambt moesten worden betaald, vind je in een reglement, vastgesteld bij resolutie uit december 1709 van het Groninger stadsbestuur. Weliswaar had dit bestuur het voor het zeggen in het Oldambt, maar bij belangrijke zaken bekommerde het zich toch wel om draagvlak, zoals ook hier, want de hele regeling kwam pas tot stand na een uitgebreide overlegronde met de Oldambtster dorpsvolmachten. Al meteen in de eerste artikelen van het reglement is de invloed van die kant ook bespeurbaar, immers, de drost en de landschrijver (dus de zetbazen van de stad) mochten niets declareren voor hun strafrechtelijke werkzaamheden (onderzoek, verhoren, uitspreken en doen uitvoeren van vonnissen) terwijl ook de wedlieden en hun substituten hun werk in dit opzicht “gratis” moesten doen. De achterliggende, maar onuitgesproken gedachte was, dat deze functionarissen al salaris beurden voor dit werk, dat dus niet nog eens extra beloond hoefde te worden. Alleen als de wedlieden en substituten bij de opsporing reis- en logieskosten maakten, mochten ze een gelimiteerd bedrag van 6 gulden declareren. Uitdrukkelijk bepaalt het reglement ook dat de roderoeden niet mochten worden ingezet bij de bewaking van gevangenen. Gebeurde dat wel, dan kwamen deze veldwachters immers niet toe aan hun gewone werk: het patrouilleren in hun kerspelen. Alleen als het volgens de drost niet anders kon, mocht hij de roderoeden voor bewakingswerk gebruiken.

Dat gezegd zijnde, bestonden de belangrijkste gerechtskosten bij criminele procedures uit de rekeningen van de scherprechter en diens dienaren voor de door hen toegediende tortuur en lijfstraffen. Deze kosten waren voorwaar niet gering! Voor de all-in behandeling van een enkele Oldambtster delinkwent mocht de beul 113 gulden rekenen, voor twee delinkwenten 146 gulden en voor drie stuks 179 – de kosten per delinkwent daalden dus naarmate de bende groter was. Ter vergelijking: het levensonderhoud van een enkele persoon kostte destijds ongeveer 150 gulden per jaar.

Wat betreft de betaling van de scherprechters- en bijkomende kosten bepaalde het reglement van 1709 dat de drost deze in eerste instantie moest voorschieten. Vervolgens mocht hij de kosten bestrijden uit de goederen van de veroordeelde delinkwent (waarbij gestolen goed natuurlijk terug moest naar de wetmatige eigenaar). Omdat de meeste delinkwenten ook toen al weinig bezaten – ‘van een kale kikker plukt men geen veren’ – kwam het gros van misen van justitie voor rekening van de Oldambtster ingezetenen. Artikel 14 van het reglement uit 1709 geeft aan hoe dit moest gebeuren:

“Den opheff tot betalinge van bovenstaande mijsen sal in de respectieve carspelen werden gedaan nae de deimptallen in het provinciael register bekent, dogh wordt aen een ijder van deselve de liberteijt gelaten, om de verdeijlinge in de hare te maken, ofte over de landerijen, ofte over de behuisingen soo als sulx bequaamste sal connen geschieden…”

De kosten werden dus over de kerspelen verdeeld, waarbij als grondslag gold het aantal deimten land (1 deimt = 0,45 hectare) waarvoor die kerspelen aan de provincie verponding (= een grondbelasting) betaalden. Vandaar dat de schatbeurders, die binnen de kerspelen de verponding inden, ook verantwoordelijk waren voor de inning van de misen van justitie. Deze schatbeurders werden gekozen door de landgebruikers (dus voornamelijk de boeren). Hoe het kerspelquotum in de misen binnen het kerspel verdeeld werd over de ingezetenen, moesten de kerspelen zelf weten – het reglement uit 1709 gaf ze de vrijheid om of de landerijen (dus het lokale verpondingsregister) als grondslag te nemen, of de huizen (dus huishoudens). Omdat veenkoloniën en polders vaak nog geen verponding hoefden te betalen, regelde het reglement tevens hoe in zulke uitzoneringsgevallen de misen opgebracht moesten worden.

Nu terug naar Beerta. Volgens de zich gedupeerd achtende boeren had schatbeurder Geert de Craker hier de kerspellieden bij publieke kerkenkondiging opgeroepen om op 1 november 1785 in de kerspelschool te komen voor een vergadering over de misen van justitie, waarvoor hij net een rekening van de drost had ontvangen. Volgens die convocatie was het de bedoeling dat de kerspelluiden “besetters daartoe” zouden aanstellen. Als men zou afgaan op het lokale verpondingsregister was zo’n aanstelling niet nodig, dan kon de schatbeurder immers becijferen hoe hoog de aanslag per deimt zou zijn om daarmee de individuele nota’s voor de landgebruikers te becijferen. Daarentegen veronderstelt de aanstelling van bezetters, dat de verdeling van de criminele gerechtskosten hier over de huishoudingen gebeurde. Dat was in Beerta zelfs de “oude gewoonte”, eentje die ook naar de zin van de klagende boeren was. In de vergadering merkten die tot hun schrik, dat “zommige perzonen” het voorstel deden om het anders aan te pakken, namelijk om

“de misen van justitie beneevens het roroede- en deurwagtersgeld over de landeriën te verdeelen en voorts met de ingeseetenen welke geen landgebruik hebben over een zeker tantum door hen lieden op te brengen, te accordeeren”.

Hoewel de niet-boeren , oftewel de burgers, met elkaar dus nog wel een zeker bedrag moesten betalen, zou grondgebruik dus de nieuwe grondslag worden voor de heffing van de misen in Beerta. Hiertegen protesteerden aanwezige landbouwers onder leiding van Helenius Jans en Jan Krijns. Sterker nog, zij vonden dat het hele voorstel niet eens in “omvrage” mocht komen, gezien de inhoud van de convocatie door de schatbeurder. Het gevolg hiervan was, dat de vergadering in de kerspelschool het voorstel niet inhoudelijk besprak en “vrugteloos” eindigde.

Maar de krachten in Beerta die aanstuurden op landgebruik als voornaamste grondslag voor de verdeling van de misen, lieten het er niet bij zitten. De schatbeurder stelde een nieuwe, en nu waarschijnlijk betere kerkenkondiging op, waarbij de kerspellieden opgeroepen werden voor een nieuwe samenkomst in de kerspelschool. Andermaal kwam daar het voorstel aan de orde om landgebruik in plaats van huishoudingen als grondslag voor de heffing te nemen. Opnieuw protesteerden de boeren onder leiding van Helenius Jans en Jan Krijns. Die dolven bij een stemming echter het onderspit. Jan Hindriks en Andries Jans, de dijkrichters van Beerta, machtigden vervolgens de schatbeurder Geert de Craker om de in totaal 277 gulden van de drostennota te verdelen over de landgebruikers, naar 1¾ stuiver per deimt. De schatbeurder liet hiervan ook kerkenkondiging doen.

De zich hierdoor gedupeerd achtende boeren vonden dit een “weederrechtelijke handelwijse” en vreesden de “onlusten welke daaruit in eventum zouden kunnen voortkoomen”. Zij vroegen de drost daarom hen te horen in een zitting, waarbij ook de dijkrichters aanwezig zouden zijn. Deze sessie vond aanvankelijk plaats op 17 januari 1786, maar daar kwam men aan een inhoudelijke behandeling niet eens toe, omdat partijen wederzijds elkaars recht aanvochten om mede namens anderen het woord te voeren. Pas toen beide partijen handtekeningen bij hun achterban hadden opgehaald, kon de procedure verder. Op 7 februari gaven partijen te kennen, dat ze om kosten te besparen liever geen formeel proces wilden voeren. Ze gaven beide een “deductio facti”, een feitenrelaas, aan de drost, die het verzoek kreeg op basis daarvan een uitspraak te doen. “Ter voortkooming van verdere onaangenaamheeden in het carspel” willigde de drost dit verzoek graag in.

Hij moest er nog wel even op broeden, want zijn uitspraak kwam pas ruim acht maanden later, op 24 oktober 1786. Daarin ging hij “om des vredes wille” voorbij aan de formele rechtshandlingen tot dan toe. Ook zei hij niet te willen tornen aan de vrijheid van een kerspel om de misen van justitie intern of over de landerijen of over de huishoudens te verdelen. Voor de eerste tien jaar stelde hij voor de Beertsters echter een regeling vast, die ze daarna alleen met tweederde meerderheid in twee opeenvolgende, wettig bijeengeroepen vergaderingen mochten veranderen. Inhoudelijk was deze regeling meer op de hand van de kerspelmeerderheid waarvan de dijkrichters de woordvoerders waren, dan van de klagers. De voornaamste grondslag voor de heffing bleef namelijk het landgebruik, al bepaalde de drost ook

“Dat wijders de zoogenaamde burgerij en ambagtslieden in het kerspel Beerta provisioneel en geduirende de eerste tien jaaren boven ider hondert gulden die de landgebruikers moeten opbrengen, zullen betalen voor hun quota in de misen van justitie twintig Car. Gl. “

De boeren betaalden dus voortaan vijfzesde en de burgers en middenstanders eenzesde van iedere aanslag. Als mocht blijken dat er veranderingen optraden in de relatieve draagkracht van iedere groep, kon men dat aan de orde stellen bij de drost:

“Edog indien tegens de ommekomst deezer tien jaaren de burgerij mogt oordeelen door verval haarrer leeden daarbij beswaart te zijn, of de boerschap mogte oordeelen dat de borgerij florisanter geworden, meerder moeste opbrengen, zullen partijen zig alsdan daarover te hebben te addresseeren bij het Ed[el] Gerigte om in deezen gereguleert te worden, zullende anders geen klagten van een van beide ingekomen zijnde, gerekent worden, en deeze quotisatie van twintig booven ’t hondert nog nieuws tien jaaren te continueeren en zoo vervolgenswijders van tien tot tien jaaren.”

De drost mocht dan wel zeggen dat hij niet aan de vrijheid van het kerspel wilde tornen, die vrijheid was hiermee feitelijk toch danig beperkt.

Overigens gaf hij de schatbeurder toestemming om de achterstallige penningen die deze voorschoot, alsnog te innen bij de degenen die tot dan toe betaling hadden geweigerd.

Bronnen (alle RHC Groninger Archieven):

  • Resolutie Burgemeesteren en Raad van 6 december 1709;
  • Toegang 731 (archief gerechten Oldambt) inv.nr. 6131: verzoekschriftprocedure 20 december 1785- 7 februari 1786;
  • Toegang 731 (archief gerechten Oldambt) inv.nr. 79: uitspraak van 24 oktober 1786.

Agrarische grisailles

Vertelde al dat de grisailles op het plafond van de Auricher Ständesaal me deden denken aan de ornamenten uit de champagnejaren op Oldambtster boerderijen. Hier de vier hoekstukken:

– Scheepvaart en handel gesymboliseerd met roeispanen, een anker, een vat en een mercuriusstaf:

DSC06268
Een spade, een karn en een dorsvlegel etc., staande voor landbouw:
DSC06272
Een korenschoof, een zeis, een hooivork etc., eveneens voor landbouw:
DSC06273
En een variatie op die laatste:
DSC06279


Zijlker en de armoe

Sprekend over de oorzaken van de armoe onder de “arbeidende volksklasse”, noemt de jong-liberale boer Jan Freerks Zijlker uit Nieuw-Beerta in 1843 allereerst de

“te geringe mate van ontwikkkeling der verstandige vermogens, der zedelijke krachten en van den godsdienstzin, waarvan weder te weinig eergevoel en zucht tot onafhankelijkheid, welke haar anders zoude aansporen om zich zelve te helpen ; eene overgroote mate van dierlijkheid intusschen, en een leven bij den dag, bij gebrek aan verstandig overleg en vooruitzigt de noodwendige vrucht moet zijn. Dit heeft dan ook ten gevolge, dat een groot aantal huwelijken van menschen, die de kinderschoenen nog maar naauwelijks hebben uitgetrokken, alleen uit nood worden aangegaan; terwijl buitendien die verbindtenissen , door nuttelooze geldverspilling in dienstbaren staat, meesttijds worden voltrokken, zonder middelen om zelfs in de eerste levensnoodwendigheden te kunnen voorzien (…)”

Hij wilde de “in het maatschappelijk leven zoo belangrijke volksklasse” zeker niet beschuldigen, veeleer troffen volgens hem de meer gegoeden blaam.

“Deze toch, die volgaarne de vruchten plukken van den zuren, doch karig beloonden arbeid huns armen broeders, deinzen veelal terug, zoodra het eenige moeite en opoffering geldt ter wezenlijke en duurzame verbetering van deszelfs lot.”

Bron: Jan Freerks Zijlker, De Groninger landbouwer en zijn vak (Groningen 1843) pag. 13-14.


Aurich en Ihlow

Voor het eerst eens mee geweest met een excursie van Stad en Lande. Doel van de tocht was Oost-Friesland, om meer precies te zijn Aurich en Ihlow.

Aurich was ooit het machtscentrum van Oost-Friesland. We werden er in de Ständesaal van de Ostfriesischen Landschaft ontvangen met Assamthee en slingerende zandkoekjes:
DSC06247
Boven de zaaldeur een wapen uit de eerste Pruisische overheersingsperiode (1744-1806) met twee wildemannen als schildhouders:
DSC06257Heel interessant zijn die grisailles, verwijzend naar economische zaken. Ze doen me denken aan de voorstellingen die je op Oldambtster boerderijen ziet. Maar daarover graag eens in een apart logje.

Uitleg bij de immense portrettengalerij van (bijna) alle vorsten die het tussen 14zoveel en 1918 voor het zeggen hadden in Oostfriesland:
DSC06263
Boven ons een Pruisische adelaar op een verhoogd stuk plafond:
DSC06265
Der alte Fritz met maarschalkstaf en wandelstokje:
DSC06280
Op een plank in een overdadig versierde zijkamer deze vorstelijke slokjes:
DSC06306
Fraai gebrandschilderd glas met heraldische voorstellingen zit er in de vensters van die zijkamer. Berin met mobieltje wil er eigenlijk wel eens uit:
DSC06315
Gevederde vrouw doet aan bodybuilding (harpij in het wapen van de gravenfamilie Cirksena):
DSC06317
Tot de tanden toe gewapende kerel bij de Upstalsboom? (Dit wapen zag je veel):
DSC06324
Weer buiten de deur – boze krijgsman bovenaan het portaal:
DSC06330
Onderweg – gebeeldhouwd reliëf boven de ingang van gemeentelijke spaarbank wijst op ‘Wie wat bewaart heeft wat’:
DSC06339
In het halletje van deze spaarbank voornamelijk tegels van kinderspelen:
DSC06341
Straatbeeld in Aurich:
DSC06347
Lambertikerk – altaarretabel, waarschijnlijk rond 1500 gemaakt in een Antwerps atelier, afkomstig van het klooster in Ihlow:
DSC06348
Kruisgang. Let even op die soldaat links, die Christus nog even een geniepige schop in zijn dij geeft:
DSC06355
Aan de achterkant van het retabel deze voorstelling van het laatste avondmaal, waarop de Christusfiguur zijn makkers, die meest weinig oog voor hem hebben, tot stilte probeert  te manen:
DSC06369
Exuberant uithangteken met meerdere maanstanden:
DSC06375
Het plaatselijke persbolwerk:
DSC06376
Laan door het langgerekte stadskerkhof:
DSC06382
Ernaast deze Jugendstil?-Fortuna:
DSC06387
De Cirksema’s waren in de vijftiende eeuw de bovenliggende hoofdelingen. Tot ze in 1744 uitstierven wegens iets te veel inteelt, heersten ze als graven over Oostfriesland. In 1880 werden hun graven in de Lambertikerk geruimd, maar kreeg hun gebeente een nieuw onderkomen in een mausoleum dat vormgegeven is als een romaanse kapel. De dames en heren liggen er in rijkversierde tinnen kisten:
DSC06392 was 400
Christusfiguur op zo’n kist
DSC06396
Ooit de vorstelijke paardenstallen, nu een onderkomen van ambtenarij:
DSC06420
Vijftien kilometer van Aurich ligt Ihlow, waar de fundamenten van een cisterciënzer kloosterkerk zijn teruggevonden, en waar een staketsel een beeld oproept van die kerk:
DSC06436
En dit is nog maar een deel:
DSC06446
In een kelder het echte werk, de opgegraven stiepen die de kerkpilaren droegen  en andere, lichtere fundamenten:
DSC06463
Op de bosweg terug een vertaling van passages uit de ’17 Keuren en 24 Landrechten‘, de kern van het gemeenschappelijke Oudfriese recht:
DSC06470
Bij de parkeerplaats met de bus even gekeken hoe de zo’n meiboom er van onderen uitzag – welnu, als een kleurrijk vredesteken:
DSC06474

Ik ga nog wel eens vaker mee met Stad en Lande, dunkt me.


Mestvervalsing door schippers

“Wel is waar, de aanzienlijke hoeveelheid koemest, welke alhier door schippers te koop wordt aangeboden, zou van grooten dienst kunnen zijn, wierd men daarvan niet veelal afgeschrikt door de steeds klimende prijzen en de bejammerenswaardige vervalsching aan den mest door allerlei min dienstige inmengselen en het inpompen of begieten met veel waters, teneinde hunne schepen diep geladen en den mest krachtig te doen schjjnen, terwijl de lading verkocht zijnde, de beste mestdeelen worden uitgepompt.”

Bron: Wiardus Siccama (Hoogezand 1807).


Steiloren en loboren

Paulus Potter - twee varkend

In de Oldambtster rekesten van juli 1769 kwam ik meermalen een verzoek tegen om een veiling te mogen houden van “steil- en loboorde swijnen”. In het ene geval ging het om een 60 à 70, in het andere om een 80 à 90 stuks. Deze varkens zullen vast bedoeld zijn geweest voor vetmesting en slacht in oogsttijd en najaar. Waar het mij hier om gaat, is die aanduiding van de varkens als steil-, dan wel loboorde.

In eerste instantie vond ik die termen slechts terug in een verhandeling over het vetmesten van varkens, gepubliceerd in 1827, maar twintig jaar eerder geschreven door notaris Wiardus Siccama uit Hoogezand.

Deze Siccama hield koeien voor de mest op zijn arme zand- en veengronden, maar bleef vooral ’s zomers zitten met overtollige melk. Met die melk begon hij in 1804 varkens vet te mesten, om precies te zijn een tweetal éénjarige steiloorde varkens, die hij ook wel “Westfaalsche” noemde. Het ene werd 250 pond en het andere 223 pond. De opbrengst van de melk die erin ging becijferde de notaris op bijna 7 duiten de kroes (= ongeveer twee wijnflessen vol), wat niet eens zo gek veel onder de zomerprijs van melk voor menselijke consumptie was: 8 duiten of 1 stuiver per kroes (’s winters was melk anderhalf maal zo duur).

In 1805 herhaalde Siccama de proef met vier loboorde varkens, of, zoals hij ze definieerde: “groote inlandsche met breede en lang nederhangende ooren”. Deze groep verdeelde hij in twee “zultvarkens” die begin augustus al werden geslacht – voor degenen die zult niet kenden voegde Siccama nog het recept aan zijn verhandeling toe – en twee “herfstvarkens” die in de traditionele slachtmaand november op de ladder gingen. Deze laatste groep kreeg de melk in het najaar gemengd met het meer gewone varkensvoer gemalen gerst of gerstemeel. Na afloop van de cyclus berekende Siccama ook voor deze twee groepen weer de opbrengst per kroes melk. De zultvarkens, respectievelijk 106,5 en 97,5 pond aan geslacht gewicht, leverden 4,5 duit per kroes melk op, terwijl de herfstvarkens, 246 en 257 pond zwaar, ruim 6 duiten per kroes melk rendeerden.

Qua gewicht verschilden de steiloren en de loboren, mits tot halverwege de herfst vetgemest, dus niet veel. Alleen brachten de Westfaalse steiloren meer op per kroes gevoederde melk dan de vaderlandse loboren. De importvarkens gaven, kortom, een hoger rendement.

Volgens de Stichting Zeldzame Huisdierrassen kwamen in het Nederland van begin negentiende eeuw twee typen varkens voor:

“een klein steilorig varken en een groot grootorig varken. De eerste had kleine, steile oren, korte stevige benen en was overwegend wit van kleur met fijne borstels. Dit ras is in het midden van de negentiende eeuw geheel verdrongen door het grote grootorige varken. Dit grootorige varken had een vuilwitte kleur, soms geelachtig, en was laatrijp. Ook kwamen bij dit ras bonte en zwarte varkens voor. De oren waren hangoren (loboren). Het lichaam was bezet met lange borstels.”

De bij Siccama nog efficiëntere steiloren zijn later dus weer verdrongen door loboren. Dat kwam vooral doordat de inlandse, eerder minder renderende varkens gekruist waren met Engelse, Duitse en Deense rassen.


Kauwtjes plukken pony’s voor nesthaar (2)

De kauwtjes zijn hun nesten aan het herinrichten, je wilt als kauw natuurlijk ook niet altijd tegen dezelfde ouwe meuk aankijken. Vandaar dat ik ze weer pony’s zag plukken, opnieuw bij het Hegepad, ook dit keer ’s ochtends om een uur of kwart voor negen. Blijkbaar is het materiaal dan gemakkelijker te oogsten:

DSC06223

DSC06231


Rondje Zoutkamp en Leens

Onderweg vele kikkerconcerten bij luwe slootoevers:
DSC06058
Boerderij bij de Friesestraatweg, gezien vanaf de Weersterweg:
DSC06063
Schuur bij Den Horn:
DSC06079
Opvliegende buizerd:
DSC06080
Kikkerorgie bij Den Horn:
DSC06082
Ooit elegant erkertje van vervallen boerderij tussen Lauwerzijl en Zoutkamp:
DSC06099
Kurketrekker met gezicht op Zoutkamp:
DSC06101
Zoutkamp, havenkant:
DSC06102
Het Visserijmuseum bezocht – cachou, een taanmiddel voor katoenen netten:
DSC06114
Zwaarbeladen visventerskar:
DSC06117
Proefnetje:
DSC06123
Een van de vele scheepsmodellen, beetje naïef maar charmant:
DSC06124
Kaart van de waddenkust (detail):
DSC06126
In een van de vitrines staan modelletjes van alle zeekapen op Schiermonnikoog, Engelsmanplaat etc,:
DSC06133
Op het plaatsje achter een vissershuisje:
DSC06145
Beeldje van garnalenpelster, elders in Zoutkamp:
DSC06172
Vervallend huis tussen Zoutkamp en Leens:
DSC06176
Amsterdamse Schoolbrug bij boerderij Kooyenburg aan het Vlakkeriet onder Zuurdijk:
DSC06177
Biddend torenvalkje bij Leens:
DSC06179
Dorpsgezicht Leens:
DSC06181
In de museumboerderij van Verhildersum een tentoonstelling die oude klederdracht en artistieke couture met elkaar confronteert. Oud spul:
DSC06194
Nieuw spul dat bij mij sterke Star Trek-associaties opwekt:
DSC06199
Terug een gruwelijk eind tegen de stevige en vlagerige wind in. De luchtwachttoren bij Warfhuizen:
DSC06212
Dijklandschap bij Roodehaan:
DSC06218


Naar Scharmer, door de stad

Kievit bij het Hegepad:
DSC06005
Bloesem bij het Badhuis:
DSC06008
Boomspiegel, Lodewijkstraat:
DSC06011
Mini-onderzeeërs? Nee, dat zijn reddingboten (met dank aan reageerder) bij de Finse klushaven:
DSC06013
Euvelgunne:
DSC06014
Loerend gevaar:
DSC06017
Lantaarnpalen Olgerweg bijna allemaal uit het lood:
DSC06021
Dorpsgezicht Kolham:
DSC06040


Met het kleintje bij haar in de kist

00000082.tif

In 1723 trouwen Bartolt Onnes, een boer uit Beerta, en Grietien Melles, die afkomstig is van Winschoter Zuiderveen. Op een pagina in zijn notitieboek houdt Bartolt bij wanneer zijn kinderen geboren, of, zoals hij het zelf zegt: “jonck geweest” zijn. De pagina is een aaneenschakeling van tragiek. De eerste zoon, Onno, wordt in 1724 geboren en blijft in leven, maar dat geldt niet voor de volgende kinderen Mello (1725), Mello (1726) en Wobbegien (1728) die geen van allen ouder worden dan anderhalve maand. Ontroerend is, bij alle feitelijkheid, de laatste notitie:

“1730, den 8 januarij is mijn vrouw in de kraam bevallen saavens om 5 uur en van een jonge soon en voort doot geweest en den 11 dyto is myn vrouw ’s morgens om 10 uijr in den heere ontslapen en den 16 dyto ter aerde bestet met het luijtije bij haar in de kyste. Out geweest 32 jaar, een mant , 21 dagen.”

Bron: Notitieboek Bartolt Onnes, Beerta. Particuliere collectie. Digitale kopie bij de Johannes a Lasco-bibliotheek te Emden.


Naar Bunde, terug door het Oldambt

Voor het Groninger Hoofdstation maakte zich een studentengenootschap reisvaardig.
DSC05881
Van Nieuweschans naar Bunde loopt er een fietspad. Dit is het brugje waarover je (bijna) de landsgrens passeert:
DSC05885
Bij het fietspad deze afgedankte ploeg:
DSC05887
Een flink stuk koolzaad bij Bunde:
DSC05893
De boerderijen zijn er minstens even groot als in het Oldambt:
DSC05895
Nabij het station van Bunde stond er een hondje in een open bovenraam:
DSC05897
Hoewel hij vrij onvriendelijk overkwam, kefte hij niet – hij leek wel opgezet:
DSC05898
Het steenhuis van Bunderhee – de toren is uit de veertiende eeuw, het huis ervoor uit de vroege achttiende:
DSC05903
Ingang huis met gevelsteen:
DSC05906
Die gevelsteen:
DSC05907
Ging op bezoek bij iemand die graag meer wil weten over een schilderij dat ze bezit, zo te zien uit het eind van de achttiende eeuw. Het bleek een vrij groot konterfeitsel, groter dan ik had gedacht. Paarden komen natuurlijk nooit zomaar op een schilderij, de man moet er bijzonder mee ingenomen zijn geweest – het zou bijvoorbeeld kunnen dat het dier een prijs bij een harddraverij won. Ook is de eigenaar nieuwsgierig naar de muts van de man – zoiets komt ook voor op een Zwijnejacht van De Hosson, maar waar staat het voor, als het ergens voor staat?
DSC05919
Op de terugweg nog even de gevelsteen aan de voorkant van het steenhuis meegenomen. Het huis blijkt gebouwd door een Johannes van Heteren in 1712:
DSC05923
Tussen de bebouwing door kan je goed zien dat Bunde op een zandhoogte ligt – hier in de laagte ging de zee ooit tekeer:
DSC05926
Oud arbeidershuisje (vooral aan de achterkant oud, gezien de stenen):
DSC05928
Op de terugweg weer langs het koolzaad:
DSC05933
En langs het spoor, dat niet meer gebruikt wordt sinds de spoorbrug over de Eems naar de ratsmodee is gevaren:
DSC05934
Deze gele kwikstaart vindt dat niet erg:
DSC05953
Bij Drieborg:
DSC05957
Magnifiek Jugendstilpand in Nieuw-Beerta wordt opgeknapt:
DSC05960
Dan is dit heel andere koek:
DSC05963
Finsterwolde – krans van kunstzijden klaprozen onder het monument voor twee Belgische parachutisten die hier in april 1945 zijn gesneuveld. De Belgische vlag is goed ingepakt tegen weer en wind:
DSC05982
Verzameling vogelhuisjes aan basisschool op Hardenberg:
DSC05985
Winschoten heeft tegenwoordig ook een stadskudde om bermen kort te houden. Vanmiddag graasde deze bij het Stadspark. Als er één schaap over de sloot is…
DSC05991
Volgen er meer:
DSC05993