Rondje Westerkwartier

Boomgaard op Westpoort:
DSC05773
Bloesemknoppen:
DSC05779
Bloesem:
DSC05783
Appelbloesem:
DSC05786
De Poffert:
DSC05797
Twenter en enter vool an ’t snoetjeknovveln:
DSC05807
Relaxende roodbonte:
DSC05813
Coulissen bij de A7:
DSC05815
Dichtgemetselde deur, kerk Niekerk:
DSC05834
Mestkar, Maarsdijk:
DSC05841
Blauwgras bij de Dijkstreek:
DSC05844
Boerderij tussen Zuidhorn en Den Horn:
DSC05851
Bermen langs fietspad Zuidhorn-Den Horn kleuren blauw van de vergeet-mij-nietjes:
DSC05854
Zwaan op nest bij Nieuwbrug:
DSC05861
Blaarkoppen bij Leegkerk:
DSC05864
Wallekant sloot bij boerderij Leegkerk:
DSC05877


Passagier maakt amok – een hachelijke zeereis tussen de Eems en Oostmahorn

“DOKKUM. Niet ver van hier, onder of omtrent de schans Oostmahorn, is voor eenige weken het volgende geval gebeurd. Een schipper nevens zyn knecht met zyn schuit met hout geladen van Hamburg naer Harlingen zeilende, en één passagier medevoerende, raekte, wanneer hy de Eems wilde invaren, met denzelven in woorden en vervolgens tot daden. De passagier wilde den knecht en schipper dwingen zee te houden; doch zy daer tegen zich verzettende, schoot de passagier met een kleen zakpistool, waerop één kogel stond, den knecht, terwyl dees bezig was met peilen, in de zyde.

De schipper, door deze geweldenarye en boosaertigneit geheel ontzet en verbysterd, begon den dwingeland om lyfsgenade voor zich en zyn knecht te smeeken en bragt den geweldenaer tot bedaren, hoewel slechts voor een korten stond. Want de passagier eenigen tyd daerna merkende dat men nader aen land kwam, begon de horens der balddadigheit weder op te steken en met een spykerhamer den schipper zoo deerlyk te slaen, dat hy negen verscheide kwetsuren bekwam.

De knecht, schoon niet lang te voren door een kogel getroffen, sprong, zoo gekwetst als hy was, den schipper te hulp en weerden zy beiden zich zoo dapperlyk, dat ze den woedenden aenvaller onder kregen, ’t geen echter niet vlotte zonder dat den knecht door den bespringer nog een wonde toegebragt werd met een mes dat op een der ribben afstuitte. Na veel worstelens evenwel ontwrong de knecht den booswicht het mes en bragt, volgens zyne eigen bekentenis, den zelven voorts twee sneden toe, naer best weten, aen den ondersten kinnebak of wat lager in den hals, waerdoor de gekwetste sterk bloedde en eindelyk buiten boord raekte.

De schipper en de knecht, welke laetste zeer gevaerlyk gewond was, vervolgens op de schans aengekomen zynde, heeft het gerecht van Oostdongeradeel kennis van deze zaek genomen, en daervan het bekomen bericht den Heeren Raden des Hofs van Vriesland toegezonden. Waerop de Heer Procureur Generael dezes landschaps, nevens twee chirurgyns, den schipper en deszelfs knecht in persoon ondervraegd, beschouwd, en dus het geval van naby onderzocht hebben. Wat de gevolgen hier van zyn zullen, wil de tyd leeren.”

Bron: Nederlandsche Jaerboeken 1753, deel II, juli, pag. 593-594.


Luchtgevecht bij het Hegepad

Vanochtend om kwart voor negen bij het Hegepad. Kievit probeerde kauw bij zijn nest weg te houden. Op een gegeven moment nam een andere kauw het over. Kreeg de indruk dat ze de kievit zo probeerden af te matten:

DSC05747

DSC05750

DSC05751

DSC05752


De buurtterrorist

Het gebeurde een paar dagen voor de jaarwisseling van 1753 op 1754, “na sonnen ondergang bij nagte”, in Noordbroek. De “samenkomste der gildebroeders”, d.w.z. de borrel voor de mannen die in de buurt woonden, in dit geval die bij Nanno Thonnis, was misschien vrolijk begonnen, maar hij eindigde triest. Remke Alberts werd namelijk “zeer deerlijk” mishandeld en zelfs met een mes bewerkt door Jacob Harms Hamster.

Hamster was een typische Oldambtster boerennnaam – denk ook maar niet dat een arbeider zonder veel geld tot een civiel, boetstraffelijk proces zou zijn toegelaten. Met Hamster gebeurde dat wel. Ontnuchterd gaf hij de feiten toe, met een beleefd verzoek aan de drost om de boete vast te stellen na hoor en wederhoor.

Maar in die zitting wist hij niets anders tot zijn verontschuldiging in te brengen dan zijn dronkenschap.

De landschrijver veegde de vloer met hem aan. Volgens hem had de mishandeling op een “een quaadaardige wijze” plaatsgevonden en viel er van Hamster zijn excuus heel wat af te dingen. Hamster was niet zo dronken geweest, “of hadde in allen dele zijnne volkomen kennise gehadt”. Het ging in zijn geval, benadrukte de landschrijver, om een persoon

“die wegens zijne brutaliteiten van een jeder zo zeer gevreest wierd, dat de getuigen zelvs niet dan met schruipel hunne verklaringen durfden afleggen”

Kortom: een buurtterrorist. De landschrijver vond daarom dat de wet in alle gestrengheid moest worden toegepast.

Dat zou dan eigenlijk een lijfstraf betekenen. Maar het was nou eenmaal een boetstraffelijk proces. De drost echter, wist hier wel raad op. Hij veroordeelde Hamster tot een boete van 100 dukatons (315 gulden), een bedrag waarvan destijds twee volwassenen een jaar lang konden leven. Verder draaide Hamster nog voor de gerechtskosten op. En op de koop toe kreeg hij een “serieuse vermaninge”. De drost waarschuwde hem, dat hij zich voortaan als een “geschikter ingeseten” moest gedragen en zorgen moest dat

“geene de minste klagten tegens hem weder inkomen, of dat er anders tot zijn leedwesen nader in zal worden voorzien”

Als Jacob Harms Hamster negen jaar later sterft, laat hij aan vastgoed nog een tuintje en een paar graven na. Er ligt nog wat rogge op zijn zolder. De laatste koe is net verkocht. Hij zal het grootste deel van zijn eigendommen hebben verzopen. Maar voor het gerecht is hij niet meer geweest.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (drost Oldambt) inv.nr. 78: boek uitspraken, 19 februari 1754.


Reconstructie van onze bunker

Vandaag kwamen er twee tweets voorbij over een Duitse bunker, aangetroffen in Havelte. Eerst een bericht dat het als feit bracht. Vervolgens de twijfel.

In Havelte ben ik opgegroeid. Je had er allemaal Duitse gebouwen in onze buurt. Eén kazerne zat op honderd meter naar het westen, een andere stond op honderd meter naar het noorden. Achter de laatste, aan de Molenweg, lagen een paar bunkers.

Die bunkers bestonden deels uit vrij lage vierkante, uiterst solide afgewerkte gebouwtjes, afgedekt met een forse plaat beton. Onder die plaat zat volgens mij een spleet. Daar kon je vast doorheen schieten. Aan de voorkant had je een deur, die stevig dichtgespijkerd zat.

Achter het gebouwtje bevond zich een iets minder hoog, dijkachtig zandlichaam, met gras begroeid waar twee luchtpijpen doorheen staken. Als je in zo’n luchtpijp keek, zag je heel ver onderin water staan. Gaven die pijpen nou echo? Of verbeeld ik me dat?

In de beeldbank van het Drents Archief vind ik jammer genoeg geen foto, maar ik heb er zelf eentje gemaakt bij de sloop, ca. 1970, 1971:

img661 b

Achteraf vind ik het jammer dat ik niet eerder een foto maakte, want het zandlichaam is hier al weggehaald en nu zie je alleen het openliggende karkas eronder. Maar bij nadere bestudering van de foto, blijken de contouren van dat zandlichaam nog wel zichtbaar. En als je die bijvoorbeeld met lichtgroene lijnen aanzet, dan is de verdere reconstructie vrij eenvoudig:

img661 c

Vertelde ik al dat in de bunkers water stond? Een eng verhaal wilde dat er nog dooie moffen helemaal onderin zo’n bunker lagen. Maar dan zou dat water toch stinken?

’s Winters als er sneeuw lag suisden we joelend met sleetjes van dat zandlichaam af. De kunst was om zo ver mogelijk te komen, onder het prikkeldraad door, tot in het volgende weiland.


Rondje Glimmen

Drentsedijk:
DSC05627
Wat lager:
DSC05628
Paadje dat ik niet eerder zag:
DSC05636
Zich ontvouwend blad:
DSC05640
Natuurlijk insectenhotel:
DSC05648
Eelderdiep bij de Peizerhorst – pootjebaaiende koeien:
DSC05669
Bij ’t Hoogveld: wagen met hout:
DSC05684
Bloeiende brem:
DSC05691
In blad schietende rode beuk bij Weltevreden, Glimmen:
DSC05713
Zijweg in Glimmen:
DSC05716
Tulpen op volkstuin bij Sassenhein:
DSC05719
Magnolia in Haren:
DSC05720


Uithangbordenjurisprudentie 2

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

In 1755 sleepte de weduwe Timen Willems haar ex-huurder Aeisso Ebels voor het Oldambtster gerecht, omdat hij het pand dat hij van haar huurde, zou hebben verlaten onder medeneming van “het uithangbort voor de deure, de platen uit de haart, en de sloten van de deuren”. Omdat het zaakje me sterk deed denken aan een soortgelijk proces dat in de stad Groningen speelde, besloot ik het uit te zoeken.

In het stad-Groninger proces ging het over de vraag of een bepaald uithangbord aard- en nagelvast goed betrof. Dat uithangbord was daar meegenomen door de oude eigenaar, nadat die het pand verkocht had en eruit verhuisde. Nu staan losse uithangborden ook wel eens op boedelinventarissen en het gebeurde bovendien wel dat uithangborden meeverhuisden van het ene naar het andere adres. In het stad-Groninger geval echter, meende de nieuwe eigenaar van het pand dat het aard- en nagelvast goed betrof, dat als zodanig bij het huis hoorde te blijven. Van het gerecht kreeg hij gelijk, omdat het bord sinds mensenheugenis de opeenvolgende winkeliers in het pand had gediend.

Ook in de Oldambtster zaak speelde de verkoop van het pand een rol bij de twist over o.a. het uithangbord, alleen was het pand hier eerder het eigendom van de huurder geweest.

Die huurder, Aeisso Ebels, kwam oorspronkelijk van Scheemda, toen hij in 1746 in Oostwold trouwde met zijn eerste vrouw, die daar geboren en getogen was. Een jaar nadien kregen ze een zoon, Ebel, conform de traditie genoemd naar zijn grootvader van vaderskant. Niet veel later overleed de moeder, en omdat Aeisso in oktober 1749 van plan was om te hertrouwen, werd er ten behoeve van dat zoontje een boedelinventaris opgemaakt, waaruit bleek hoe Aeisso’s huishouden er zakelijk voor stond.

Aeisso en zijn overleden vrouw bezaten een huis met een grote tuin. Daarnaast hadden ze 1,5 deimt (= bijna 0,7 ha) bouwland. Naar later blijkt bevond dit land zich in Oostwold tussen de Hereweg en het Koediep, en ten oosten van kerkeland. Een deel hiervan was afgesplitst en verpacht als heem (= huisplaats), waarvoor Aeisso en vrouw een jaarlijkse grondpacht van 5 gulden beurden. De rest van het bouwland gebruikten ze blijkbaar zelf, of verhuurden ze los.

In hun huis bevonden zich spullen waaruit je kunt opmaken wat Aeisso Ebels voor de kost deed. De vier weegschalen van messing, de grote en kleine metalen gewichten, de aangebroken vaten met tabakspijpen en de niet nader gespecificeerde winkelwaren laten zien dat hij kruidenier was. De 8 “bouteljes”, 20 bierglazen en 15 roemers vind je evenmin in een gewoon huishouden – naast of in zijn winkel tapte Aeisso wijn en bier. Op zijn schuldenlijst staat onder meer een bedrag van 30 gulden aan Steven Hillebrands Oostinga, de bierbrouwer van Midwolda. Dit bedrag vormde de waarde van ruim acht vaten bier. Ook Timen Willems, wiens weduwe later het uithangbord etc. zou opeisen, vinden we op de schuldenlijst, bij hem stond Aeisso voor ruim 96 gulden in het krijt. Al met al geeft de inventaris de indruk van een redelijk welvarend middenstandshuishouden. Getuige haar lijfstoebehoren zat Aeisso’s overleden vrouw ook goed in de kleren, al had hij haar zilveren oorijzer met gouden stiften reeds verkocht.

Het meeste goed hield Aesso aan; de voogden over zijn zoontje betaalde hij een afkoopsom. In juni 1750 trouwde hij in Oostwold met zijn tweede vrouw, die van Heiligerlee kwam. Vreemd genoeg werd er pas een huwelijkscontract opgemaakt, toen zij hoogzwanger was van hun eerste kind. Volgens het stuk ging het om “nawoorden met de vrienden” (= familie). Hadden verwanten eerst mischien bezwaren tegen het huwelijk gehad? Hoe het ook zij, Aeisso’s tweede vrouw kreeg tussen 1751 en 1762 zes kinderen, die allemaal ook in Oostwold werden gedoopt.

Waarom Aeisso en zijn tweede vrouw in de financiële problemen raakten is onbekend, al speelde ziekte in zulke gevallen vaak een belangrijke rol. Samen met de voordochter van zijn eerste vrouw, die nog recht had op haar erfdeel, had Aeisso het bouwland al voor zijn hertrouwen verkocht. Als hij er al wat van overhield, dan was dat niet genoeg als reservepotje. In 1750 en 1751 leenden hij en zijn tweede vrouw in totaal 600 gulden van Timen Willems en diens vrouw te Heiligerlee. Waarschijnlijk om van die schuld af te komen, verkochten Aeisso en zijn vrouw eind 1751 hun huis en tuin te Oostwold met “alles wat aard- en nagelvast is” voor ruim 800 gulden aan dit echtpaar, dat het huis vervolgens weer aan Aeisso verhuurde.

Deze oplossing bood maar een paar jaar soelaas. In het najaar van 1754 was de huurschuld van Aeisso Ebels dermate opgelopen, dat de weduwe Timen Willems het nodig vond om beslag op zijn inboedel te laten leggen. Aeisso leende vervolgens 250 gulden van zijn schoonvader, maar hij en zijn gezin verlieten wel het huis, waarbij hij dus onder meer het uithangbord meenam, mogelijk om met behulp van het oude huismerk klandizie mee te trekken naar zijn nieuwe adres.

Maar, zoals gezegd, de weduwe Timen Willems nam dit niet. Op 26 mei 1755 liet ze Aeisso een gerechtelijk bevel overhandigen, dat hij het uithangbord, de haardplaten en de sloten van het huis weer aan haar terug moest geven. Volgens haar behoorde dit spul bij het huis. Aeisso bestreed dit, getuige zijn verweer op 9 juni in de rechtsstoel Midwolda, dat hij het “bredt” rechtmatig had meegenomen,

“doordien het selve hem door de b[rouw]er Steven Oostinge is vereert en door hem is laten schilderen, te meer daar het maar los hing…”

Waar Timen Willems’ weduwe het uithangbord etc. deel vond uitmaken van het vastgoed, beschouwde Aeisso het dus als los goed, omdat hij het kreeg van zijn bierleverancier en het zelf liet beschilderen. Bovendien hing het sowieso los. Ook beide haardplaten – vaak fraaie stukken vanwege de daarin gedreven voorstellingen – zaten volgens hem niet vast. De liggende wilde hij nog wel teruggeven, maar de staande wilde hij houden. Wat betreft de deursloten ontkende hij “die weggebroken en tot sig genomen te hebben”. Maar hij liet de beslissing graag over aan de drost, vandaar dat die een commissie belegde met beide partijen, om tot een uitspraak te komen.

Nadat de drost de stukken bestudeerd had en in oktober nog wat getuigen liet horen, deed hij die uitspraak op 3 november 1755. Hij oordeelde

“dat destijds doe Timen Willems en zijn huisvrouw deze behuisinge van Eijsso Ebels hebben aangekogt een uithangbort voor het huis is geweest, mitsgaders onder- en bovenplaten beide vast in de haart, waar tegens niet komt te strijden, dat het uithangbort an den ged[aag]den door een derde zoude zijn vereert, aangezien die gepretendeerde vereeringe dog als anterieur zijnde in die koop geen verandering van zaken koste maken, daar hij ook genoegzaam als nagelvast moet worden geconsidereert uit hoofde dat het in haken hangende, en de spil etc. daar blijvende, het bort als een accessoor daarvan ook zekelijk niet heeft mogen weggenomen worden.”

De drost veegde Aesso’s bezwaren dus van tafel. Bij de verkoop van het huis hing het uithangbord in haken aan een spil (ophangijzer), die bij Aeisso’s verhuizing achtergebleven was. Het bord hoorde bij de spil, de spil bij het huis en daarom hoorde het bord bij het huis. Dat Aeisso het bord eerder van de brouwer kreeg, maakte niet uit. Hij moest het weer teruggeven aan de weduwe Timen Willems. Dit gold ook voor de beide haardplaten. Voor het wegbreken van de deursloten echter, vond de drost geen enkel bewijs. Alleen op dat punt sprak hij Aeisso vrij. Maar omdat het gelijk zo bij beide partijen lag, moesten beide partijen ook een bijdrage leveren in de proceskosten. Aeisso diende tweederde te betalen, de weduwe één derde.

Hoewel deze uitspraak aan duidelijkheid niets te wensen overliet, bleek Aeisso toch nog traag in het overhandigen van de spullen. Vandaar dat de drost voor december een afspraak in het huis te Oostwold arrangeerde. Als Aeisso dan nog steeds in gebreke bleef, kreeg hij een nieuw proces aan de broek, dat hij dan helemaal zelf moest betalen.

Ruim een half jaar later maakte de wed. Timen Willems te Heiligerlee plannen om te hertrouwen. Op de boedelinventaris die er dan voor haar kinderen gemaakt wordt, staat onder meer een hypotheek van 600 gulden, gevestigd op het huis in Oostwold. Inmiddels had ze dat kennelijk verkocht. Bij de twee koeien, de vaars, het schaap, de lammeren en de “waskebalie” in haar eigen achterhuis of stal, treffen we een uithangbord en haardplaten aan, hoogstwaarschijnlijk afkomstig uit Oostwold. Ze beschouwde deze spullen nu als los goed, terwijl ze deze in handen kreeg doordat ze volgens haar en de drost tot het vaste goed behoorden.

Bronnen, afgezien van de gelinkte:
RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerecht drost Oldambt) de inv.nrs. 10 – civiele zaken rechtstoel Midwolda; 78 – boek van uitspraken, 3 november 1755; en 7210 – verzegelingen Oostwold.


Een enigszins vreemde lucht

DSC05612

DSC05613

DSC05614

DSC05617


Een onwaarachtige overval in het Kloosterholt

Als je van Eexta (lionksboven) naar Winschoten (rechtsonder) langs het Winschoterdiep ging, kwam je langs het Kloosterholt, een vrij groot bos.

Als je van Eexta (linksboven) naar Winschoten (rechtsonder) langs het Winschoterdiep ging, kwam je langs het Kloosterholt, een vrij groot bos.

Dit zaakje diende op 10 december 1753 in een civiele zitting van de Oldambtster drost in de rechtstoel Midwolda. Landschrijver Gockinga eiste er uit hoofde van zijn aanklagersambt dat Albert Geerts Timmerman, wonend in de Eexta, “arbitraire soude worden gecorrigeert” omdat hij anderhalve maand eerder een valse aangifte had gedaan bij het Oldambtster gerecht,

“zeggende dat hij in ’t Kloosterholt door twee personen zoude zijn aangetast en met de pistool op de borst gedwongen zijn gelt over te geven, daar nogthans alles verdigt en onwaaragtig was bevonden.”

De landschrijver had het allemaal terdege onderzocht en de gedaagde gaf het feit grif toe, zodat vlug tot een schikking kon worden overgegaan. Helaas is onbekend hoe hoog de boete was, we krijgen alleen te horen dat de landschrijver het bedrag gerechtelijk mocht invorderen.

Je zou veel meer willen weten, met name over het motief van Timmerman om die overval te verzinnen. Waarschijnlijk wilde hij ermee verdoezelen dat hij door eigen schuld geld kwijt was geraakt. Door goklust? Ook dat is een gok.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (drost Oldambt) inv.nr. 9: civiele rechtdagen rechtstoel Midwolda.


Opschrift in de molen Joeswerd, Feerwerd

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

“Drie dingen die verwond’ren elk
Een zwarte koe geeft witte melk
De zoute zee geeft versche visch
En dat een zoete meid zout water pist.”

Bron: Zelfzwichter nr. 6, nov. 1976.

Overigens is dit staaltje volkspoëzie ook in molen De Liefde te Uithuizen te vinden.


Milieudienst is onnodig en gevaarlijk parkeren onder Stadsbalkon nog niet afgeleerd

DSC05424

Sinds ik in 2011 naar de westkant van de gemeente Groningen verhuisd ben, fiets ik ’s morgens bijna nooit meer onder het Stadsbalkon door. Vanochtend kwam het er weer een keer van, want ik moest pinnen aan de andere kant van het station. Het was om een uur of half negen en de gemeentelijke Milieudienst bleek het inladen van fietsen tijdens de ochtendspits nog niet te zijn afgeleerd. Heen zat er niemand in die wagen, terug evenmin. Kennelijk waren ze ook nu weer rustig aan het koffieleuten, terwijl ze hun kar daar gevaarlijk op het fietspad lieten staan.


Boerenmeid in zak gestopt, belandt in het diep

Naderhand kon Habbo Sybolts (Hovinga) zich wel voor de kop slaan. Eind 1751 had deze boer uit Nieuwolda bij hem thuis een weddenschap met zijn twee inwonende knechten afgesloten. Volgens hem paste Aaltjen Pieters, zijn dienstmeid, “niet in de sak”. Zijn beide knechten dachten van wel. Ze pakten Aaltjen bij haar lurven, en stopten haar in de bedoelde zak, die ze dichtbonden. Kennelijk was de lol er toen nog niet af, en wilden ze haar nog meer schrik aanjagen. Ze legden haar in een looike, een dichte slee, die de ene knecht de deur uit en de andere knecht naar het diep toe mende. Een looike is een vrij robuuste bak, op vlak terrein slaat die heus niet zo snel om. Maar in dit geval werd de slee op de schuine diepswal gebracht. Daar kapseisde hij, zodat de nog steeds in de zak zittende Aaltjen in het diep raakte, waar ze met “groot gevaar” uit werd gered.

Het verhaal kwam landschrijver Gockinga ter ore, die de zaak onderzocht, voor het gerecht bracht en “arbitraire correctie” tegen Habbo Sybolts eiste. Ten eerste had Habbo met het aangaan van de weddenschap aanleiding gegeven tot het hele gebeuren. Bovendien verzaakte hij zijn zorgplicht als werkgever jegens Aaltjen, doordat hij niet had gemaakt dat ze meteen weer uit die zak vrijkwam. Had hij een appeltje met haar te schillen, misschien? Aaltjen was in elk geval niet meer bij hem werkzaam.

In de zitting van het Oldambtster gerecht, op 21 februari 1752, gaf Habbo de feiten toe. Hij vroeg de drost om de boete in een gezamenlijke commissie vast te stellen. Wel wilde hij graag dat het gerecht hem niet verantwoordelijk zou houden voor datgene wat er buiten zijn medeweten en buiten zijn huis was voorgevallen.

Een paar dagen later al, vond de commissie plaats. De drost stelde de boete vast op tien daalder (ƒ 15,-). Viel dat nog mee, daarnaast moest de boer de gerechtskosten betalen. Maar ook daarbij zou de drost niet het volle pond gaan rekenen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief drost Oldambt) inv.nr. 78 (uitspraken in commissie).


Kwestie om een grafpaal

Consternatie in de Beerta, anno 1752. Jan Andries had een paal laten zetten op een legerstede (grafplaats) die zich bevond op het plaatselijke kerkhof. Twee andere boeren, Melchert Berents en Hindrik Hindericus, hadden dit grafmonument weer verwijderd. Jan mocht dan wel denken dat die legerstede van hem was, zij meenden dat ze toebehoorde aan hun kant van de familieclan. En omdat ze er samen niet uitkwamen, stapte Jan naar de Oldambtster drost.

Jan baseerde zich op een akte uit 1740, toen hij Wypke Cornelis de weduwe van Jacob Jans trouwde. In ruil voor een afkoopsom aan hun kinderen, nam hij toen de hele boedel van Wypke en haar overleden man over. Die eerste man van Wypke, Jacob Jans dus, was in 1729 ook in die legerstede begraven, evenzo Wypke en bovendien enige kinderen van Wypke en hemzelf, zonder dat iemand daar bezwaar tegen maakte. Daarom meende Jan ook “te regte een pale geset te hebben”.

Melchert Berents en Hindrik Hindericus voerden daartegen aan dat Jans afkoopbrief van 1740 niets zei over de legerstede. In die akte mocht dan wel het goed overgedragen zijn van Wypke Cornelis en haar eerste man, maar Wypke was de tweede vrouw van Jacob Jans, en de afkoop raakte niet de nalatenschap van diens eerste vrouw Bouwina Huninga, waarvan Melchert en zijn kompaan Hindrik de schoonzonen waren. Van Bouwina kwam die legerstede. Bouwina had haar nooit van de hand gedaan, integendeel, twee jaar nadat haar goederen op hun vrouwen waren vererfd, hadden zij hun stiefvader Jacob Jans nog het geld teruggegeven, dat hij voor de verhoging van die legerstede betaald had.

Melchert en Hindrik wilden wel bekennen dat Jan “door toelatinge” gebruik van de legerstede had gemaakt, maar dat gaf hem nog geen recht van eigendom. Melchert had twee jaar geleden zijn kind ook in deze legerstede laten begraven. Hij en Hindrik konden wel “gedogen” dat Jan en zijn kinderen daar “des verzogts” begraven mochten worden, maar dat moest dan wel gebeuren op aanwijzing van hen.

Partijen hadden duidelijk geen zin om de kwestie nog hoger op te laten lopen en ze verzochten de drost om tot een uitspraak te komen. De drost bestudeerde de stukken en kwam op 30 januari 1753 met zijn conclusie. Hij wees de legerstede toe aan Melchert Berents en Hindrik Hindericus. Jan Andries had er volgens hem geen recht op.

Nu hoorde  bij elke heerd een legerstede en Jan was bang dat de kerkvoogden hem (bijv. bij verhoging van het kerkhof) nog (financieel) zouden kunnen aanspreken op deze kwestieuze legerstede. Daarom stelde de drost ook nog even vast, dat hiervan in het vervolg geen sprake kon zijn.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (drost Oldambt) inv.nr. 78 (prothocol van uitspraken).


De Winschoter nachtwacht

Op 6 november 1770 geven de gezamenlijke kluftmeesters van Winschoten bij de Oldambtster drost te kennen, hoe zij,

“overwegende de dieverijen welke aldaar van tijd tot tijd, voornamentlijk in de winter gepleegt zijn en vrezende dat de hoge prijs van allerleij eetwaren welke onvermijdelijk een nijpende armoede met zig sleept, de genoemde wanhopige middelen zullen vermeerderen, nodig geoordeelt hebben om een nagtwagt aan te stellen.”

Dit besluit was genomen na een overleg met de afgevaardigden van de verschillende gilden (buurten). In dit overleg waren ook financiering en andere zaken geregeld. Maar omdat de nieuwe nachtwachten zonder rugdekking van de drost geen verdachte personen konden aanhouden en ondervragen, of andere “maatregels” konden nemen “om an het heilsame oogmerk te kunnen voldoen”, vroegen de kluftmeesters de drost om de aanstelling van deze “ratelwagt” goed te keuren en om de wachters bovendien de genoemde bevoegdheden toe te kennen.

Een week later was de drost er wel uit. De kluftmeesters kregen toestemming voor een “provisionele” (tijdelijke) aanstelling van wachters, op voorwaarde dat ze ervoor zouden zorgen “dat door die wagters gene excessen werden begaan”. Mochten de wachters iemand in verzekerde bewaring stellen, dan moesten ze dat ook meteen doorgeven aan de plaatselijke wedman.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (drost Oldambt) inv.nr. 6122 (rekesten met apostilles).


Mijn opa in de krant (2)

Mijn grootvader Harm Perton was als commies in Uffelte verantwoordelijk voor het toezicht op de betaling van allerlei directe, persoonsgebonden belastingen, zoals die over de inkomsten, waarvoor hij ook wel (boeren)boekhoudingen in zijn ressort controleerde. Een van de kleinere belastingen, waarop hij toezicht uitoefende, was die op de rijwielen. Zo heb ik hier al eens aan de hand van een Nieuwsbladbericht beschreven hoe hij eind augustus 1927 iemand aanhield, omdat die geen fietsenplaatje leek te hebben. Later bleek dat deze man zich, na een laatste scheerbeurt bij een lokale barbier, van kant had gemaakt door in de Drentse Hoofdvaart te springen. Mijn grootvader was een van de laatste mensen die hem zag.

Blijkbaar waren bekeuringen destijds zo zeldzaam of bijzonder, dat ze nog de krant haalden. In de Provinciale Drentsche en Asser Courant, sinds kort op Delpher, vond ik tenminste enkele berichtjes over bekeuringen, door mijn grootvader uitgereikt aan mensen die een rijwiel bereden, “dat niet voorzien was van een belastingplaatje”. De eerste bon van dien aard dateerde van oktober 1926, toen een J.S. Blok van Wapserveen de klos was. De tweede, in januari 1927, betrof een dochter van de landbouwer O. En de derde, in september 1930, ene T.K. Bij de tweede ging het overigens om een coproductie met de plaatselijke rijksveldwachter Van de Berg, later bekend als opleider van eminente speurhonden.

Zoals een fietsenplaatje een bewijs van betaling der rijwielbelasting vormde, gold het kenteken op motoren en auto’s als een soort van kwitantie voor de motorrijtuigen- of wegenbelasting. Ook op dit vlak was mijn grootvader verbaliserend actief, want van een familieverhaal wist ik al dat de burgemeester van Havelte eens door hem op de bon geslingerd is, toen de man in een auto zonder nummerbord rondreed. Dat geval heeft helaas, naar het zich nu laat aanzien, de krant nooit gehaald, maar wel een ander, te weten dat van de Havelter motorrijder P.M. die in augustus 1929 meende het zonder wegenbelastingkaart te kunnen doen.

Rijksveldwachter Van de Berg en mijn grootvader trokken wel vaker samen op. In 1930 hield de agent een fietsendief aan, terwijl hij met mijn grootvader op pad was. Samen brachten ze de “deugniet” op naar de plaats delict in Smilde. Van eind 1931 dateert het bericht, dat enige Uffelter schoolkinderen in een bosje achter een café een “vreemde, rare kerel” hadden gezien, “die hen bang had gemaakt enz.” Veldwachter Van de Berg trok er samen met mijn grootvader en de caféhouder op af, maar de mannen konden de persoon in kwestie niet vinden. Achteraf concludeerden ze dat er “een mollenvanger of zoiets” aan het werk was geweest, “die eenige grimassen tegen de kinderen heeft gemaakt”. Dit laat echter onverlet dat mijn grootvader blijkbaar een van de eerst aangewezen personen was, die de veldwachter bij zoiets moesten assisteren.

Mijn grootvader gold als “streng doch rechtvaardig”. Of hij zich daar populair mee maakte, weet ik niet. In 1929 schreef een Jan G[uichelaar] een ingezonden brief in de Meppeler Courant, waarin hij ene J.P. beschuldigde van fraude en knevelarij. Wegens smaad voor de politierechter gedaagd, zei verdachte dat hij net zo goed Jan Perton had kunnen bedoelen. Mijn grootvader heette weliswaar niet Jan, maar hij was wel de enige volwassen mannelijke drager van de familienaam Perton in de wijde omgeving. Probeerde verdachte zijn schuld te verloochenen door de aandacht te verleggen naar een misschien even plausibel mikpunt?

Feit is dat mijn grootvader bijna een keer is doodgereden door een vrachtwagen. In het bericht over die zaak ontbreekt weliswaar een ander motief dan gemakzucht, maar toch wordt de functie van mijn grootvader er uitdrukkelijk in genoemd, zodat niet helemaal mag worden uitgesloten dat die functie een rol speelde. Dit geval speelde zich in maart 1934 af op de Pijlebrug tussen Havelte en Meppel. De vrachtwagenchauffeur nam de bocht naar de brug veel te krap, zodat mijn grootvader “zijn lichaam over de brugleuning moest gooien, terwijl hij zijn beenen door het frame van de fiets moest steken, daar hij anders tegen de brugleuning zou zijn platgedrukt”. Nader onderzoek door iemand van de Groninger verkeersbrigade wees uit dat verdachte inderdaad de bocht nogal afsneed. De man werd daarom conform de eis veroordeeld tot 15 gulden boete of tien dagen hechtenis.