Ommetje Eelde

Heen langs de Eelder Madijk. Er heerst een straffe frisse noordwestenwind. Voor me is van alles aan de hand:
DSC05326
En achter me ook:
DSC05333
Maar onderweg alleen een paar drupjes op mijn hoofd gehad, geen bui. Magisch vierkant bij de Boterdijk:
DSC05337
Rustig bij de Twee Provinciën:
DSC05338
Toch nog zeilers:
DSC05341
Het witte molentje in de polder Lappenvoort:
DSC05354
Bij Oosterbroek – bos met zachte groentinten:
DSC05358
Bij de waterburcht – Japanse sierkers op springen:
DSC05384
Ook terug langs de Eelder Madijk. Dat ging wat minder snel. De nieuwe hoogzit waarover ik van de week al een tweet voorbij zag komen:
DSC05392
Helaas mocht je er nog niet op. Daar heb ik me dit keer maar aan gehouden. Het is vlakbij de boerderij van Natuurmonumenten en ik had geen zin in een boze boswachter op mijn nek:
DSC05393
Insectenhotel in aanbouw achter de boerderij van Natuurmonumenten:
DSC05400
Drie buitjes in één shot:
DSC05404


Het Peizer hippodroom

Gezien vanaf de Noorddijk bij Peize –  een kerel rijdt rondjes op een soort van boerensulky. De baan hoort bij een manege aan de Brusselseweg:

DSC05298 was 307

DSC05300

DSC05303a

DSC05303b was 299

DSC05304

DSC05311

DSC05313

DSC05314 was 287


Rondje Peize

Het heeft even geduurd, maar dan heb je ook wat – het fietspad langs het Omgelegde Eelderdiepje is weer (even) open. Meteen maar van de gelegenheid gebruik gemaakt.

Ze hadden alle struweel van de resterende bouwterreinen bij Ter Borch weggehaald. Twee vrouwen waren er bezig met schepjes. Het bleek geen archeologie – ze plantten “bloemen waar bijen blij van worden”:
DSC05240
In de buurt deze zwarte vlaggen rond wat ruigte.  ISIS nestelt zich in Eelderwolde?:
DSC05246
Nieuwbouw met uitzicht over de Onlanden:
DSC05252
Kuifeend op het Omgelegde Eelderdiep:
DSC05253
Een nieuwe brug vervangt het zeer vervallen oude bat, dat weggehaald is. Aan de ene kant jammer, aan de andere kant begrijpelijk uit oogpunt van veiligheid:
DSC05254
Tafeleend:
DSC05261
Onland:
DSC05264
Nog geen blad aan deze bomen:
DSC05268
Deze meneer vloog met een sierlijke boog over het diepje:
DSC05270
Bij de Noorddijk in de buurt van Peize
DSC05291
Wolddijk, Peize –  machine die puingrond zuivert van puin:
DSC05317
Stadspark, Groningen – lawaaidag ophanden:
DSC05319


Slootje van Zwedenlaan

DSC05214

DSC05217

DSC05224

DSC05232


Eten en gegeten worden (II)

Het Bourgondier blijkt een kroket. Een kroket volgens de oorspronkelijke receptuur: met draadjesvlees en niet teveel kruiderij. Smaakt mild, kan ik u vertellen:

85

88

Meer info.


Rondje Westerkwartier

Boerderij Lagemeeden te koop, met een boel ruimte er omheen. Tikje boven mijn budget:
DSC05100
Dampaal met zonnebadend elzenhaantje:
DSC05113
Fuut op het Hoendiep:
DSC05122
Bij de Maarsdijk onder Niekerk:
DSC05131
Bij Niekerk:
DSC05138
Meidoornbloesem, Dijkweg Bakkerom:
DSC05144
De kerk van Tolbert:
DSC05154
De voormalige smederij tegenover die kerk:
DSC05160
Lettelberterdiep – het opduwertje dat ik al eens eerder kiekte, maar dan varend:
DSC05165
Bloeiend daslook bij het viaduct over de A7, Lettelbert:
DSC05171
Oprit boerderij bij de A7:
DSC05174
Matsloot – opvliegende kievit:
DSC05192


Kauwtjes plukken pony’s voor nesthaar

Ik zag vanochtend een heel stel zwarte vogels bovenop de pony’s bij het Hegepad zitten. Meende dat het kraaien waren, maar nu ik de foto groot zie, blijken het kauwtjes. Ze bleven nog mooi zitten toen ik mijn camera tevoorschijn haalde, maar de meeste vlogen op, toen iemand anders voorbij kwam. Toch heb ik er nog twee kunnen kieken. Beide hebben wat ponyhaar in de snavel, bij de een is het een klein plukje, bij de ander een stevige dot. Ze waren dus nesthaar aan het verzamelen:

DSC05089


Du Four & De Meuse, of aanzienlijke tuindieverij

Besse tulphiacint en narcis

Op de laatste dag van de winter en de eerste dag van de lente van het jaar 1793 werden er in de vergadering van het Groninger stadsbestuur een paar klachten over hofdieverijen in het gebied buiten de Herepoort voorgelezen.

De eerste was afkomstig van de provinciale klerk Pootholt. Hem waren tussen 11 en 15 maart uit zijn tuin aan de Baresteeg enige tientallen “dekkers” (glazen stolpen voor bolgewassen) ontvreemd, plus enige tientallen “kropsaladeplanten”.

De tweede kwam van de weversbaas Jan ten Cate, die in de juist gepasseerde nacht van de 20-ste en de 21-ste maart uit zijn hof aan de kleine Brandenburgersteeg enige tientallen glazen “klokken” (eveneens glazen stolpen voor bolgewassen) en enige tientallen hyacinten- en tulpenbollen was kwijtgeraakt.

De fiscaal (officier van justitie) kreeg opdracht beide zaken in onderzoek te nemen. Al in de ochtend van vrijdag 22 maart liet hij zijn bevindingen weten. Burgemeesteren & Raad gaven hem opdracht enkele tuinen “waarop suspicie was gevallen” te laten doorzoeken, “als mede om by de hoveniers, in die tuinen arbeidende, informatiën in te winnen”.

Er werden dus al wat tuinen verdacht. Ze lagen aan de Brandenburgersteeg èn bij de drekstoep aan het begin van de Oosterweg oostzijde. Degenen die deze tuinen in loondienst bijhielden kregen wat vraagjes te beantwoorden.

De fiscaal deed dit werk niet vergeefs, want ’s middags kon hij de heren berichten dat er verdenking was gerezen tegen “de Heer” Antonius Ludovicus du Four en diens kameraad Jacques de Meuse. Na enig heen en weergepraat besloot het stadsbestuur beide mannen in hechtenis te laten nemen. Du Four werd per koets naar de Poelepoort overgebracht en De Meuse evenzo naar de A-poort. Afgesproken werd dat de fiscaal de verdachten nader aan de tand zou voelen in bijzijn van president-Burgemeester van Sijsen en diens bijzitters, die het proces in staat van wijzen zouden brengen.

Laat me eerst maar eens een het profiel van beide verdachten schetsen. De heer Du Four (29), wiens naam ook wel als één geheel werd geschreven, was ondanks zijn jeugdige leeftijd al gepensioneerd luitenant. Misschien wel verstandig, dat vroege afzwaaien, want in de zuidelijke Nederlanden golfde een oorlog op en neer. Toen Du Four in 1786 trouwde met Margareta Hemmina, de negentienjarige dochter van de Groninger gildrechtsheer, kluftheer en gezworene Cebes van Berchuis, schreef men in het trouwboek dat hij afkomstig was uit Parijs. Hij en zijn vrouw hadden intussen twee zoons gekregen, gedoopt als Cebes en Ubbo Emmius.

Jacques de Meuse, een geboren Maastrichtenaar en de oudste van de twee verdachten(38), was in 1791 met zijn vrouw en drie kinderen uit het Luikse overgekomen, nadat men hem tot schermmeester van Stad en Lande benoemd had. Zijn traktement van 300 gulden per jaar was niet hoog en niet laag te noemen, maar de omgang met de jongeheren en studenten die hij de kunst van het duelleren op de floret bijbracht vergoedde wellicht veel.

Zaterdag de 23-ste maart liet men huiszoekingen uitvoeren in de huurhuizen van Du Four en De Meuse bij de A-kerk en aan de Oude Kijk in het Jatstraat. Ook werden beider inboedels gerechtelijk geïnventariseerd, met het oog op een publieke verkoping ter bestrijding van de proceskosten.

Merkwaardig is dat in de procesbundel, naast financiële bescheiden, slechts twee verhoren van De Meuse te vinden zijn en een brief van Du Fours vrouw. Waarschijnlijk komt dit doordat het justitiële onderzoek in het geval van de gepensioneerde luitenant uitgevoerd werd door de auditeur-militair, die naderhand verzuimde om de nu ontbrekende stukken terug te geven aan het stadsbestuur. Over het onderzoek komen we zo in eerste instantie alleen wat te weten uit de ambtelijke declaraties. Afgezien van de fiscaal en de auditeur-militair waren daar vier raads- en weeskamersdienaars, de schout, de adjunct-schout en vijf schoutendienaars bij betrokken, kortom: de hele prinsemarij van de stad.

Enige van de vermiste goederen waren meteen al gevonden bij het doorzoeken van de verdachte hoven. Naar andere goederen werd ’s nachts gedregd – daarbij scheurde nog een visnet. Tezelfdertijd had men de tuinen van Du Four en De Meuse bewaakt. Ook was er nog omgezien naar de vermiste perzikenboom van nota bene spinhuismeester Pothof.

Negen getuigen legden verklaringen af. Beide gevangenen moesten vier keer een verhoor ondergaan; ook werden ze nog met elkaar geconfronteerd, waarbij er een koets tussen de A- en de Poelepoort heen en weer ging. Dit alles leverde vette rekeningen op.

Bij zijn eerste verhoor na het vooronderzoek, op maandag 25 maart, wist De Meuse zich nog haaks te houden. Hij loochende niet dat hij op zijn tuin in de Brandenburgersteeg verschillende glazen klokken had – die zou hij één à twee jaar tevoren bij kooplieden aan de A en de Noorderhaven hebben gekocht. De hem getoonde klokken noemde hij de zijne. Dat er in een bloembed op zijn tuin met aarde overdekte hyacintenbollen aangetroffen waren, waarvan loof en knoppen bleken te zijn verwijderd, kon hij ook verklaren: hij had ze er opzettelijk afgesneden om ’t volgende jaar “beter bloem” te krijgen. Deze bollen had hij voor twee jaar onderweg van Luik in Amsterdam gekocht. De hem getoonde bollen herkende hij niet met zekerheid. Van de paar hem getoonde hyacintenknoppen met -loof die in een ander bloembed gevonden waren, “met ongoed overdekt”, wist hij evenmin of ze van hem konden zijn. Hij had dit spul er in elk geval niet verborgen. Hij kende de hem getoonde knoppen niet. Wel was waar dat er in zijn tuin enige tulpen los in de grond van een bloembed waren gezet, hetgeen kort tevoren was gebeurd. Hij had ze daar een week eerder eigenhandig gepoot en altijd al gehad; hij vond ze in zijn hof nadat hij die twee jaar geleden kocht. Van de hem getoonde tulpen kon hij echter niet zeggen of hij ze kende.

Op donderdag 28 maart overhandigde de fiscaal een zootje hyacinten- en tulpenbollen aan de bestolen Jan ten Cate. Deze kwamen uit de hof van Du Four. Kennelijk had de auditeur-militair meer succes gehad in het verhoren van de oud-luitenant, maar de fiscaal hoefde niet lang achter te blijven, want de schermmeester sloeg al de volgende dag door, waarbij nog enige andere feiten aan het licht kwamen.

De Meuse bekende nu, dat hij samen met Du Four op een avond na de poortsluiting de glazen klokken en kropsaladeplanten uit de hof van Pootholt aan de Baresteeg genomen had. Ze waren over de planketting geklommen en hadden ook nog het zomerhuis in een hof ernaast bezocht, maar hadden daar niets van hun gading gevonden. De klokken waren door hem en Du Four naar zijn eigen hof overgebracht; Du Four had de sla-plantjes meegenomen en de dag erna was de buit gebroederlijk verdeeld. De Meuse had ‘zijn’ plantjes meteen maar gepoot.

De tweede strooptocht van die maand had het duo opnieuw na het sluiten van de poorten ondernomen, om een uur of negen, tien ’s avonds, dit keer in de hof aan de kleine Brandenburgersteeg van Jan ten Cate, wiens klokken en bollen dadelijk naar De Meuses hof waren overgebracht. De hyacintenbollen pootte De Meuse nadat hij het loof er had afgesneden, “hebbende zulks gedaan opdat het niet bekend zou worden, dat hy ze hadde”. Ook de in zijn tuin aangetroffen tulpenbollen waren van de weversbaas afkomstig. De Meuse en Du Four hadden de bollen meegenomen in een grijs schortje en een witte handdoek, eveneens van Ten Cate. Het schortje, de handdoek en een aantal al te herkenbare klokken hadden ze bij donkere avond nabij de A-brug in her diep gegooid.

Bij hun bezoek aan Ten Cates hof was De Meuse ook nog even over een heg in de belendende hof van blauwverver Crone gegaan, om een rode trap in te pikken, die hij eerst loodgrijs verfde, maar naderhand gedeeltelijk in stukken sloeg en verbrandde.

Om helemaal schoon schip te maken: al in september, oktober van het vorige jaar waren hij en Du Four bezig geweest in hoven achter en naast de zijne, van o.a. stadsdeurwaarder Grimminga. Ze hadden toen in een half turfkorfje aardige voorraadjes druiven, peren, zoete en zure appels weggedragen. De Meuse had aan die strooptocht nog het “borreltje” – een langwerpig, afgeplat rond flesje van groen glas met een kort halsje – overgehouden dat in een la in zijn zomerhuis aangetroffen was. De Meuse verklaarde aan het eind van dit tweede ons overgeleverde verhoor “het uiterste berouw te hebben over zyne gepleegde misdaden” en verzocht de heren om genade voor zichzelf en medelijden met zijn vrouw en kinderen.

Tijdens zijn detentie kreeg de schermmeester negen maal bezoek van zijn vrouw. Het was echter de echtgenote van Du Four die van zich liet spreken. Uit een brief “an mijn lieve man Du­four” d.d. maandag 1 april blijkt, dat zij niet toegelaten was tot diens kamer op de Poelepoort, omdat ze zich in een koets had laten voorrijden:

“Waarde man,
Mijn hart is steeds by u die my by de 7ven jaer wel behandelt hebt. Gaarne sprak ik u mondeling. Solsiteer daarom, zegt dat ik geen koets weer zal gebruiken, opdat ik sien mogt hoe gy vaart. En konnen wy dat geluk niet hebben, vraag dan an men­Heer de Fiscaal ootmoedig permissie of gy nu en dan an my een briefje van uwe handt moge toeschikken tod myn geruststelling, met melding hoet met u is.

Och bid geduirig dat Jehova God dit ongeval an onse zielen en alle die eenige betrekking op u hebben moge hieligen en de harten uwer Brave Rigters en men­Heer de Fiscaal in desen met genade vervulle.

Begeert gij ook jets?

In welke verwagtinge verbijve na hertlyke groetenis van ons alle.

In haest gelyk boven,
uwe teder beminnende en tot in de doodt getrouwe Huisvrouw M.H. Dufour geboren Van Berchuys.”

Drie weken na de bekentenissen – het stadsbestuur had wel erg veel tijd nodig om tot een conclusie te komen – maakte mevrouw Du Four haar opwachting in het Raadhuis met een verzoekschrift dat, getuige het heel andere taalgebruik, wellicht een voortbrengsel was van haar papa of een jurist. Na de arrestatie van haar man had ze eerst in de veronderstelling verkeerd dat de verdenking op haar echtgenoot een abuis was, “alzo zy hem altyd hadde bevonden met die principes te zyn geïmbueerd welke het caracter van een eerlyk man uitmaken”. Het bericht van zijn bekentenis bracht haar “onuitsprekelyke droefheid”. Met geen mogelijkheid kon ze begrijpen wat hem hiertoe had bewogen. Het was volgens haar allemaal eerder gebeurd “uit een kwalyk geplaatste genoeglykheid, om een ander van zyne genoegens te beroven” dan te beschouwen als een regelrechte diefstal.

Als haar man met een “deshonorent” vonnis zou worden gestraft, zou men hem als een onwaardige zijn luitenants-pensioen ontnemen. Dat zou voor haar en de kinderen een “allerongelukkigste toestand” zijn, ze werden dan in “een alleruiterste armoede” gedompeld. De slachtoffers zagen de ontvreemdingen inmiddels ook “als van weinig belang en eerder voortgekomen om hun ongenoegen dan schade aan te doen”. Die schade was intussen helemaal vergoed. Daarom verzocht mevrouw Du Four, bij welk verzoek zich voegde de vrouw van De Meuse – die zich met haar kinderen “in gene voordeliger omstandigheden” bevond – de magistraat om clementie met beider echtgenoten en om te volstaan met hun voorarrest en een boete als straf.

De heren van de raad besloten echter dat het recht haar gewone loop zou hebben. Wel mocht mevrouw Du Four eind april, toen haar woning moest worden ontruimd, de meubels naar haar vaders huis laten overbrengen.

Op donderdag 9 mei werden op de A- en de Poelepoort de vonnisen over De Meuse en Du Four uitgesproken. Van enige clementie was geen sprake, want hun misdaden konden “in een welgestelde maatschappye” niet worden getolereerd en waren “ten hoogsten strafbaar”. De Meuse en Du Four, ze werden voor hun leven verbannen uit Stad en Lande. Bovendien moesten ze de proceskosten betalen.

Mevrouw Du Four, die zich gedwongen zag met man en kinderen “haar geboorte Stad en Land te verlaten”, deed nog een poging dit laatste te voor­komen, maar op haar nieuwe rekest reageerden de heren absoluut onwelwillend.

En zo kwam het dat twee berooide gezinnen zonder inkomsten onze provincie verlieten, een ongewisse toekomst tegemoet.

Harry Perton

Eerder in iets andere vorm verschenen in De Oosterpoorter, ca. 1995.


Eten en gegeten worden…

Met een krokant korstje van het spit, Iets overheerlijks voor kannibalen!:
DSC05079 b

Of – wat zou Marianne Thieme hier nou van vinden?


Hoe een fietsendief te Uffelte tegen de lamp liep

GESNAPT
[Uffelte] (26 maart). – Toen de Rijksveldwachter D. van de Berg gisteren voor controle op den weg was met den kommies Perton, hield hij een jongeling aan, aan wien hij direct meende te bespeuren, dat er iets niet in den haak was. Daarom nam hij hem mede naar het arrestantenlokaal, waar de deugniet vertelde te Smilde een fiets te hebben gestolen, toen hij in gezelschap was van twee kameraden, die nu loopende zouden volgen, daar hij de gestolen fiets bereed.

Direct werden door den politieman alle middelen in het werk gesteld, om de kameraden ook ingerekend te krijgen. Toevallig vernam hij op datzelfde oogenblik per radio, dat uit Sneek drie jongens de ouderlijke woning waren ontvlucht, waarvan opsporing en aanhouding werd verzocht. De beide andere jongens zijn inmiddels reeds, dankzij de activiteit van een deurwaarder uit Assen, te Meppel ingerekend kunnen worden.

De hier aangehoudene is door den veldwachter en den heer Perton naar Smilde overgebracht en daar bleek dat alles klopte. Ook de eigenaar herkende zijn fiets, zoodat dit jeugdige drietal straks nog wel wat te goed zal hebben en voornamelijk de eigenlijke fietsendief.

De bengels waren resp. 15, 15 en 16 jaar oud. Een van hen, de rijwieldief, is heden ter beschikking van de justitie te Assen gesteld.

Bron: Provinciale Drentsche en Asser Courant 28 maart 1930.


Op en neer naar Roden

Had vanmiddag een afspraak in Roden om een oude vervenersboekhouding in te zien. Besloot na raadpleging van de buienradar toch maar op de fiets te gaan.

Friese solextoeristen hebben de Onlanden nu ook ontdekt:
DSC05040
Poeltje langs de weg in Foxwolde:
DSC05043
Boom bij het Oosteinde in Roden:
DSC05048
Nog meer bomen daar:
DSC05049
Op de terugweg bij de afslag naar Peize even stilgestaan bij een poeltje met een weelde aan dotterbloemen:
DSC05055 was 71
Deels nog in de knop, deels al bezocht door insecten:
DSC05063
In de poel zwom dit meerkoetpulletje moederziel alleen rond:
DSC05066
Verder maar weinig dieren gezien, wat aan de frisse noordenwind zal hebben gelegen, maar het wijdse uitzicht met schapenwolkjes vergoedde veel:
DSC05072


De zwerftocht van mijn grootvader en hoe die in de krant kwam

opa 1 img657 v

Stukje uit de krant, van toen mijn grootouders vijftig jaar getrouwd waren. Hij is al aan het dementeren en kijkt wat gepuzzeld in de lens, zij geniet zichtbaar van het moment. De tekst focust vooral op hem. Zij had ook niet zoveel te vertellen, verbaal tenminste niet.

Of het nu komt door de verslaggever of diens voornaamste zegspersoon, het stukje bevat enige foutjes. Zo beweert het dat beiden in Midwolda (de gemeente) zijn geboren. In werkelijkheid is alleen mijn grootvader daar geboren, om precies te zijn in Oostwold. Mijn grootmoeder kwam ter wereld in Finsterwolde. Het stukje brengt haar geboorteplaats dus over naar de zijne.

opa 2 img658 v

Die zwerftocht door het land valt ook wel mee, zoals zijn ambtenarenboekje duidelijk maakt. De volgorde van Rotterdam, Sas van Gent, Geesteren en Tubbergen klopt nog wel, maar die gold alleen mijn grootvader. In de Eerste Wereldoorlog was hij soldaat-commies geweest en in 1919 kwam hij, waarschijnlijk na een korte opleiding, als commies derde klasse terecht bij de douane in de haven van Rotterdam. Hij was toen nog vrijgezel en bleef er niet enige jaren, zoals het stukje meent, maar slechts een half jaar: van 1 juni tot 1 december. Voor een jongen van het Groninger platteland moet de ervaring tamelijk overweldigend geweest zijn, misschien dat de tijdspanne daarom in de herinnering nogal opgerekt raakte.

Harm Perton als commies in Rotterdam.

Harm Perton als commies in Rotterdam.

Daarna zat hij vijftien maanden aan de Belgische grens in het Zeeuws-Vlaamse Sas van Gent, en per 1 maart 1921 kwam hij, inmiddels gepromoveerd tot commies tweede klasse, wat dichter bij huis, eerst drie maanden in Geesteren aan de Twents-Duitse grens en vervolgens in de hoofdplaats van de gemeente waar Geesteren onder viel: Tubbergen. Hier heeft hij ruim drie jaar gezeten en in die tijd was het pas dat ze in Finsterwolde trouwden en zij uit Finsterwolde naar zijn standplaats overkwam. In Finsterwolde waren beiden opgegroeid, maar hebben ze als getrouwd stel nooit gewoond. In Tubbergen werd in 1923 ook hun oudste kind geboren, de zuster van mijn vader, tante Antje.

Het gekke is dat zijn verplaatsing naar Uffelte, per 1 november of 1 december 1924, al even onprecies in de krant kwam. Nu de leggers van de Provinciale Drentsche en Asser Courant bij Delpher zijn in te zien, liet zich dat ontdekken. Op 15 oktober bevatte die krant dit bericht uit Uffelte:

opa 4 naar Uffelte PDAC 15.10.1924 bbbb

De naam is verkeerd gespeld, maar dat gebeurde wel vaker. Ik denk dat de Uffelter correspondent hem noteerde zoals hij hem hoorde, met een stomme e en een wegvallende r [puh-ton]. In Eelde werkte Willem Perton, een achterneef van mijn grootvader, als kommies in het dorp en later ook bij het vliegveld. Abusievelijk nam de correspondent aan dat het deze Perton betrof. Maar achterneef Willem bleef lekker in Eelde, tot zijn dood.

Zes dagen later kwam de krant erop terug in een bericht uit Eelde:

opa 5 verward met neef Eelde PDAC 21.10.1924 bbbb

“Schijnt op een misverstand te berusten” – de krant wilde haar Uffelter correspondent niet helemaal désavoueren. Waar de nieuwe kommies van Uffelte dan wèl vandaan kwam, hebben de lezers nooit uit haar kolommen mogen vernemen.

Moraal: de krant is een mooie bron, maar je moet niet alles op voorhand willen geloven. Het is een nog véél mooiere bron als je er nog iets naast hebt.

Overigens stond deze grootvader van me, tot mijn verbazing, nogal vaak in de Provinciale Drentsche en Asser Courant. Hij maakte ruzie met het lokale ziekenfonds, bracht fietsendieven op en werd een keer bijna doodgereden. Binnenkort hier meer over zijn Uffelter avonturen.

:


‘De grootsten en edelsten van Finsterwolde opgesomd’

Sinds een optreden van Domela Nieuwenhuis heerste er een gespannen sfeer in Finsterwolde. Bij de raadsverkiezing van 1889 stelde zich zelfs een socialist kandidaat: de logementhouder Hommes. Toen het tot een herstemming kwam tussen hem en de liberale boer Mellema, spande de gevestigde orde zich in om Mellema zoveel mogelijk stemmen te bezorgen. Destijds bestond er nog geen algemeen kiesrecht, alleen huisvaders die een bepaalde som aan hoofdelijke omslag betaalden, mochten stemmen. Dit censuskiesrecht sloot middenstanders al wel in-, maar arbeiders uit. Die middenstanders waren echter bang om klanten kwijt te raken. Hommes verloor dan ook de stemming met 62 stemmen tegen 66 voor Mellema.

Bij de socialisten, die blijkbaar anders hadden verwacht, heerste enige bitterheid over deze uitslag. In hun lijfblad Recht voor Allen publiceerde de Oldambtster correspondent de namen van de belangrijkste tegenstanders, “opdat zij naar verdiensten vereerd worden”:

“De kern van de kliek vormen de burgemeester-kassier Schortinghuis en de notaris Koning; de hulp van eenige landbouwers is hun niet onwelkom, zooals die van de Barlagens, den kleinen Bontkes en den langbeenigen Bontkes. De kandidaat Mellema zal zich natunrlijk ook dapper geweerd hebben. De burgemeester laat de wethouders Onnes en Muntinga naar zijn pijpen dansen; het kassierschap van dien burgemeester kan voor zijne omgeving zijne goede zijde hebben! Al hadden we ’t ook niet gezegd, dan wist ieder dat de dominee (Niermeijer, HP) er bij behoorde, die op den preekstoel zijn bijbel en zijn Jezus vergeet en zijn gehoor op de schandstreken en slechte bedoelingen van D[omela] N[ieuwenhuis] gaat onthalen. De dokter Schönfeld doet ook al mee; de arme menschen, die aan zijne behandeling worden toevertrouwd, zullen ook wel denken, jou liefde voor de dubbeltjes is grooter dan die voor het menschdom, wat toch wel de plicht eens geneesheers moet zijn. Als liefdesbode tusschen al die grootheden dient de kommissionair De Vries, iemand die overal te vinden is waar wat te halen valt en die dus zijn beroep wel eer aandoet. Dan nog verdienen eenige onderwijzers, die stellig bevreesd zijn dat hunne schrale bezoldigingen verhoogd zullen worden, genoemd te worden en bakker Siks, die als burgerman zeker verheerlijkt is met al deze voorname lui op een rijtje voor te komen. Voeg hierbij nog de konkurrenten (logementhouders) van Hommes, dan hebben we de grootsten en edelsten van Finsterwolds ingezetenen opgesomd.“ (namen door mij vet gezet, HP)

De burgemeester, de dokter, de dominee, de notaris, de voornaamste boeren en enkele onderwijzers, heel de dorpselite spande dus tegen de socialisten samen. Over notaris Koning en dokter Schönfeld heb ik later wel eens oud-tantes van me horen spreken, altijd in positieve zin. Voor hun mening gingen ze af op hun vader, de schoenmaker Geert Perton, die op zijn ouwe dag CHU stemde. Ook al had hij in het Finsterwolde van voor 1919 geen stemrecht omdat hij geen hoofdelijke omslag betaalde, hij behoorde blijkbaar toch wel tot de reactionaire krachten in het dorp.


Oei, de minicar groeit

DSC05031

Die mini-cars worden steeds groter. Van deze zou je een camper kunnen maken, of om mijn part een reizend poppentheater. Je moet wel langs binnenwegen natuurlijk, maar dat is sowieso veel leuker dan de snelweg.

v


“Het socialisme is daar onbekend. Er is er misschien niet één, die er iets van weet”

Terwijl het zaad van de revolutie in Friesland en Groningen allang wortel had geschoten, viel het in Drenthe nog op een rotsbodem. Dat merkte ook de rooie dominee Van der Heide uit Scherpenzeel, die in 1897 in het Drentse deel van het kiesdistrict Wolvega een verkiezingscampagne wilde organiseren voor een SDAP-kandidaat bij de ophanden zijnde parlementsverkiezingen.

Het kamerlid voor dat district was de liberaal Houwing, die in Havelte woonde, waar hij voordien, en zelfs nog even tijdens zijn kamerlidmaatschap, predikant was geweest. Diens rooie collega uit Scherpenzeel kreeg in Zuidwest-Drenthe geen poot aan de grond. Hij schreef in De Klok, het blad van de Friese progressieven:

“Maandag jl. begaf ik mij op mijn trouwe fiets over Steenwijk de heide op. Ik bereikte Havelte. Daar is het hol van de leeuw. De heer Houwink is daar ‘domineer’ geweest en thans woonachtig. De logementhouder maakte bezwaren mij de zaal te geven. Hij is tevens winkelier, woont nog maar twee jaar in Havelte en is bang dat zijn zaak door het laten optreden van een ‘sosjaal’ zal verloopen.

In het een uur verder gelegen Uffelte (kerkelijk één met Havelte) was het nog erger. “De menschen waren niet lichtgeloovig”, werd er mij gezegd, dus was er voor een socialist niets te halen”.

Twee uren verder ligt Diever. Ook daar werd kortweg de zaal geweigerd. Ik was nog van plan Vledder te bezoeken, maar herinnerde mij tijdig dat ook daar een sterke liberale kiesvereeniging is, die zeker het vergaderen kon beletten.

Zoo ben ik genoodzaakt niet te kunnen voldoen aan wat ik op mij nam. De heer Houwing zit in die buurt, wat men noemt: vast. Bij de boeren en neringdienden zeer vast. Het socialisme is daar onbekend. In die drie plaatsen is er misschien niet één, die er iets van weet.

Toch gevoelen de arbeiders de verongelijking, zooals ik uit gesprekken kon opmaken. Besef hoe het ‘anders kan’ ontbreekt. Alleen zeiden bijna allen mij “dat de riken wel wat meer betalen mosten”.”

Bron:  De Recht voor Allen van 26 mei 1897, die het bericht uit De Klok overnam.