Ooievaars, rustend op verlichting Hoogkerker ijsbaan

Vanavond om half zeven bij de ijsbaan van Hoogkerk:

029

030

Het terrein grenst aan dat van de Vensterschool. Oude tijden herleven?

Een man die zijn hond uitliet, zei dat ze er al een paar dagen zaten.


Tolmeester doet wielrijder in het Boven Oosterdiep belanden

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Winschoter Courant 22 mei 1895.


Onlander rondje

Van de week hoorde ik ’s ochtendsvroeg al heigeluiden uit die richting komen – de bouw van het Van der Valkhotel bij het Transferium Hoogkerk is begonnen:
2015-09-19 001
Blaarkoppen bij de Bruilweering
2015-09-19 007
Blaarkop, detail:
2015-09-19 010
Bij het pad naar de vogelkijkmuur:
2015-09-19 024
Moerasvegetatie:
2015-09-19 028
Rijpe bessen bij de Drentsedijk:
2015-09-19 047
Bij de weg tussen Peize en Groningen:
2015-09-19 052
Bruidspaar poseert bij het Stadsparkpaviljoen:
2015-09-19 054


Achter de regenboog aan door Drenthe

Langs de Drentse Hoofdvaart en de A28 was er voortdurend een regenboog in beeld:

De pot met goud bleef buiten bereik.


Alerte reiger op een zacht bedje van waternavel

2015-09-17 010

Gezien bij het nieuwe fietspad tussen Hoogkerk en stad. Hier in de omgeving hebben ze de helft van de waternavel opgeruimd en de andere helft vrolijk laten zitten:

2015-09-12 007

Heb het waterschap al gevraagd hoe dat zit, en dat zoekt het momenteel uit .


Insectenslachting

Net als regen, de eerste verkoudheid, en gedeprimeerdheid hoort het zo’n beetje bij het beginnende najaar – op onze galerij is weer een ware insectenslachting aan de gang. De spinnen hebben hun webben voor de ramen gespannen en dat geeft de nodige spin-off tegen de kozijnen en op de vloer. Maar ook zijn er grote insecten die de luwte zoeken achter de stroken ramen, waar ze naderhand op de een of andere manier niet meer achter vandaan kunnen komen, zodat ze zich tegen diezelfde ramen doodfladderen:

2015-09-12 002

2015-09-17 005

 


Een stuurman strandt in den vreemde

Begin april 1807 klaagde Derk Cornelis bij de drost van het Oldambt, dat hij zijn welverdiende loon niet kreeg.

Het jaar ervoor was hij als stuurman gaan varen bij Veendammer schipper Berend Jans Bijl. De overeengekomen gage bedroeg 360 gulden per jaar.

Op 11 november lagen ze in een Franse haven, toen er een “blokkade” of embargo op het schip werd gelegd. Het kon dus niet verder. De schipper was kennelijk eerst nog optimistisch geweest, maar dankte Derk op 13 februari af, waarna Derk huiswaarts vertrok.

Nu, na drie maanden, wilde Derk eindelijk wel eens zijn gage beuren van de schipper, en restitutie van zijn reiskosten op weg naar huis. Uiteraard mocht de schipper daarvan aftrekken wat hij hem al voorgeschoten had, zoals 23 gulden van zijn loon.

Derk had schipper Bijl hier vriendelijk om verzocht, maar kreeg niets. Daarom ondervond hij de “onaangename noodzakelijkheid” om zich tot de rechter te moeten wenden. Maar aangezien hij geen spaargeld had en nauwelijks in staat was zijn gezin te onderhouden, wilde hij graag gratis kunnen procederen tegen schipper Bijl, of, bij diens afwezigheid, tegen de boekhouder van het schip: Harm Cornelis.

Na een eerste hoorzitting kreeg de onfortuinlijke stuurman van de drost het recht, om kosteloos een proces te voeren.

Uiteindelijk bepaalde de drost op 11 maart 1808, dat de stuurman recht op zijn volle gage had voor de tijd dat het schip nog niet onder embargo lag. Maar voor de periode van gedwongen verblijf in de haven (dus van 11 november 1806 tot 13 februari 1807) mocht schipper Bijl volstaan met de halve gage.

Wat betreft de reiskosten die de stuurman op zijn thuisreis maakte, besloot de drost dat schipper Bijl ofwel het bedrag per mijl, zoals dat vermeld stond in de monsterrol, moest betalen, of dat een arbitragecommissie zich nog hierover zou gaan buigen.

Bron


Verpozen bij de Hoge Vier

2015-09-15 006

Het verbaasde me al dat een graafmachine gister de bult ter plaatse slechtte. Vanochtend bleek er een spiksplinternieuw bankje op die plek te staan, zo’n beetje halverwege het nieuwe fietspad tussen Hoogkerk en Stad. Er kwam nog een rond tafeltje bij, en een informatiebord over de Hoge Vier, oftewel de vier veenterpjes die in de omgeving zijn aangetroffen.

Het nieuwe straatmeubilair is gemaakt naar een ontwerp van Reinier van den Berg uit (sinds kort) Aduard. Hij stond er zelf ook bij en bleek desgevraagd “heel tevreden”. Ook over het verdwijnen van de bult waarop het bankje aanvankelijk had moeten staan: “Ja gelukkig is die weg, want dat was wel zo’n onzin, die bult”.

Eerder haalde ik een vrouw in die met haar aangelijnde hond op het pad wandelde. Ze had een doorzichtig plastic zakje in de hand en raapte her en der wat rommel op, die ze in het zakje stopte. Inderdaad wordt er nogal wat rotzooi weggegooid, wat extra opvalt langs zo’n nieuw pad. Had zelf ook al eens het idee gehad om die rommel op te rapen, maar dat  natuurlijk niet uitgevoerd. Terwijl de ontwerper en ik stonden te praten kwam deze vrouw voorbij. Even later haalde ik haar weer in en heb ik haar maar bedankt namens de gebruikers van het fietspad, wat me een glimlach van oor tot oor opleverde.

Overigens is er nog steeds geen naam voor het fietspad. De straatnamencommissie denkt er al sinds begin dit jaar over na. Moeilijk hoor, zo’n naam.

Naschrift woensdag 16 september:

Het tafeltje en het infobordje staan er inmiddels ook bij:

2015-09-16 006

2015-09-16 002

Update donderdag 17 september:

Vanavond een mailtje van de gemeente dat de padnaam medio oktober onthuld wordt. Volgens die mail moet het informatiebord er nog worden neergezet…


Oldambtster Monumentendagrondje

Bij de kerk van Beerta (die nog dicht was, even na twaalven:
2015-09-12 019
Barse kerels hielden de wacht bij het fietspad langs de Tjamme:
2015-09-12 032
In de kerk van Finsterwolde – grafsteen op het koor met koe en eikels:
2015-09-12 045
Kantklossende en wevende dames op de eerste verdieping van de toren:
2015-09-12 063
Het uitzicht bovenin, op Ganzedijk:
2015-09-12 067
Loodgietersmerk in de zinken bekleding op de toren:
2015-09-12 068
De grafstenen van mijn betovergrootouders Elzo Perton en Geeske Boog hebben inmiddels ook hun zwarte randje teruggekregen:
2015-09-12 077
Louis Hagen, de drijvende kracht achter de werkgroep die in Finsterwolde grafstenen opknapt:
2015-09-12 084
Ploegen bij de Goldhoorn, tussen Finsterwolde en Oostwold:
2015-09-12 088
In het gereformeerde kerkje van Oostwold – glas-in-lood in Amsterdamse Schoolstijl:
2015-09-12 095
In de hervormde kerk van Oostwold – rococo doopvont (ca. 1775):
2015-09-12 115
In een vergaderzaaltje hing een portrettengalerij van predikanten – achter het tafeltje op deze foto ds. Kromsigt, die op Schortinghuis promoveerde en bij wie mijn overgrootouders kerkten:
2015-09-12 121
In de polder tussen Midwolda en Nieuwolda:
2015-09-12 127
Boerderij bij Nieuwolda:
2015-09-12 130
Opgeknapt snijwerk uit bovenlicht siert nu voorgevel in Nieuwolda:
2015-09-12 133
Engel aan de kansel, hervormde kerk Nieuwolda (1718):
2015-09-12 147
Nog een engel:
2015-09-12 149
Apostel op de kansel:
2015-09-12 150
Op het koor engelen van Yvonne Struys. Eigenlijk heb ik een beetje een hekel aan recente kunst in kerken op Monumentendag, omdat die kunst de aandacht voor het monumentale dreigt weg te nemen. Maar deze beeldengroep stond niet op de grafzerken, zoals je ook wel meemaakt, en op de kansel en het orgel na is de kerk van Nieuwolda ook vrij steriel, en dan is het wel een verrijking. Het prevelementje dat de kunstenares op een A4tje zette zal ik de lezer overigens maar besparen:
2015-09-12 163
Bij Nieuwolda: een Groninger Meeuw (soort kip) in de berm:
2015-09-12 183
Bij Nieuw-Scheemda deze boerenschuur, een alternatief voor de afzichtelijke kavaljes van groen plastic die hier en daar opduiken – alleen vraag ik me wel af hoe lang dat hout het houdt:
2015-09-12 199
Windwijzer tussen Nieuw-Scheemda en Noordbroek:
2015-09-12 204
Polderweg:
2015-09-12 206
Achterdiep, Sappemeer:
2015-09-12 216
Jonge sla in september?
2015-09-12 218
Aardappeloogst bij Kolham (meende eerst dat het suikerbieten waren, maar ik heb de fabriek hier nog niet geroken):
2015-09-12 222
Veldje zonnebloemen, Westerbroek:
2015-09-12 227
Weer terug in de grootse stad:
2015-09-12 229


Blanco paspoort voor Oost-Friesland

paspoort op Oost-Friesland 1807

Uit de jaren 1802-1807 stamt een registratie van paspoorten, uitgereikt namens het Departementaal Bestuur van Groningerland. Aangezien Haiko Aeijkes (Perton) in die jaren meermalen de grens moet zijn gepasseerd, dacht ik dat zijn naam wel in die registers zou staan Maar helaas, ik trof hem er niet in aan. Terwijl er wel andere Oldambtsters een paspoort in Groningen kwamen afhalen, voordat ze de grens overstaken.

Al met geeft de registratie een mooi beeld van de reisbestemmingen, waarvoor de paspoorten werden uitgereikt. Ik was dus naar iets anders op zoek en heb niet zitten turven, maar kreeg stellig de indruk dat Oost-Friesland met een straatlengte voorlag op andere reisdoelen. Verrassend vaak werden ook Denemarken en Zwitserland genoemd, maar ik zag ook Frankrijk, Oostenrijk, Engeland en Ierland genoemd als bestemming.

Oost-Friesland was als reisdoel dermate geliefd, dat het Departementaal Bestuur er apart paspoorten voor liet drukken. Tussen wat losse paperassen zat het blanco exemplaar, dat je bovenaan dit logje vindt. Een mooie invuloefening.


Een richtbier in Beerta

In het voorjaar van 1805 krijgt de pastorie van Beerta een nieuwe (boeren)schuur. Via het boek met de kerkvoogdijrekeningen is de bouw goed te volgen.

000 richtbier

Op 15 juni was het gebintenstel van dominee zijn schuur met vereende krachten rechtop gezet en schonk de kerkvoogdij 3½ gulden aan de timmerknechten “in de pulle van de meiboom”. Of dat in natura (bier) gebeurde of in geld, valt aan de hand van de post in het rekenboek moeilijk uit te maken, maar dat bedrag was precies goed voor een halve ton kluinbier.

Je ziet hier in Groningen nog steeds wel eens zo’n tak op de nok van een huis in aanbouw staan, maar eigenlijk uitsluitend als het een puntdak is. Misschien hangt het ook wel samen met de opdrachtgever. Bij een grootschalig bouwproject van een projectontwikkelaar zie je het niet zo gauw, bij een woning voor een particulier is de kans heel wat groter, vooral als het een cataloguswoning met Duitse bouwers is.

Het bevestigen van zo’n tak betekent dat het hoogste punt van de nieuwbouw is bereikt. ‘De pannen kunnen straks worden gelegd. En om dat te vieren is er pannebier, zoals het nu meestal op zijn Hollands en Fries genoemd wordt. Zolang er een wapperende vlag bij de meiboom hangt, moet de opdrachtgever dat bier nog geven. Blijft die vlag daar maar wapperen, dan betreft het een regelrechte vrek. Neemt een bezem de plek in van de vlag, dan heeft men alle hoop voor dit sujet laten varen.

In Groningen en Drenthe sprak men vroeger meestal van richtbier. Vincent Sleebe geeft een beschrijving in zijn proefschrift (p. 43) over zeden en gewoonten op het Groninger platteland tussen 1770 en 1914, waarbij hij ook meldt dat de tak “soms” meiboom werd genoemd:

“Na het planten van deze boom was de bewoner van het huis verplicht een borrel of maaltijd te spenderen, meestal richtbier of richtmaal genoemd. Deze verplichting werd dan gesymboliseerd door een lege fles en een houten ham aan de meiboom te hangen.”

Bij de schuur van Beerster “domie” was die fles nog een pul. Aan een pul zit meestal een oor, en ik vraag me nu opeens af of men het bier aan een touw omhoog haalde naar de nok, om het daar te consumeren, of dat men het pas met beide benen op de grond ging hijsen.


Afrekeningen in de kerspelschool

In het kerspelboek van Beerta, bijgehouden door schoolmeester Popko Jurjens (Dijksterhuis) staan eind achttiende eeuw diverse postjes wegens timmerlonen, uitbetaald aan Hindrik Uildriks of Uilders:
072

Helaas ontbreken de notaatjes zelf en wat het kerspel te vertimmeren had, is me onbekend – hekwerk? beschoeiingen? richtingaanwijzers? – maar zeker is dat Hindrik de kwijtingen in het kerspelboek niet erg soepel ondertekende. De timmerman kon schrijven, maar daar is het dan ook wel mee gezegd:
074
De laatste post, van 19 maart 1800, heeft Hindrik niet meer getekend. Op 18 februari van dat jaar was hij op het kerkhof van Beerta ter aarde besteld, naast zijn vrouw die hem zes jaar eerder in het graf voorging. De laatste post in het kerspelboek wordt overdekt door een mee ingebonden kwitantie, waarbij  Hindriks dochter verklaart dat ze het door “wijlen onsen vader” verdiende geld op de rekendag in de kerspelschool heeft ontvangen van de kerspelsecretaris en schatbeurder Craker:
083 Kwitantie Ettje Hindriks b
Die dochter is Ettjen Hindriks, en ze sprak in de eerste persoon meervoud als vrouw van Haiko Aeikes (Perton). Schrijven deed ze al heel wat beter dan haar vader.

Even een eind vooruit zoomend: Ettjens kleinzoon, de boerenarbeider Elzo Perton (1831-1908), mijn betovergrootvader, kon aanvankelijk helemaal niet schrijven. Kleine middenstander of landarbeider – daar zat toch ook wel een standsverschilletje tussen. Voor de middenstander was schrijven een noodzaak, voor een arbeider niet zo. Het lijkt erop dat onze familie in de eerste helft van de negentiende eeuw onderhevig is geweest aan een zekere mate van proletarisering.

Naschrift 9 september 2015:

Ook Hindrik Uildriks was een immigrant, want hij heette nog Hindrik Ulrichs, toen hij in 1762 op huwelijkscontract in Beerta trouwde met Aeltjen Clazens. Zij kwam van Beerta, hij van Raute. Zou dat Rautendorf achter Bremen kunnen zijn? Hoe dan ook, oorspronkelijk zal zijn voornaam Heinrich hebben geluid.

Er kwamen vijf kinderen van:

Grappig is hoe Hindriks achternaam in de loop van de tijd evolueert van Ulrichs (1762-1764) naar Uildriks (1767-1770) naar Uilders (1778). Gezien de gelijkstelling van Ulrichs=Uildriks in zijn eigen geval, zullen de eerste twee kinderen en het vierde jong gestorven zijn. De tweede Ettjen (van 1767) trouwde dus de stamvader Perton. Waar de jongste zoon bleef, heb ik niet kunnen achterhalen.


Een afschrift uit Bonda’s dodenprotocol

Soms doe je iets waarvan je dan vindt dat je dat veel eerder had moeten doen. Zoals de huwelijksbijlagen van Beerta bekijken, niet allemaal tegelijk natuurlijk, maar die van Haiko Aeijkes Perton zijn vier kinderen om te beginnen. Deze stukken zouden allicht wat kunnen vertellen over de sterfdata van Haiko en zijn vrouw.

Ze deden meer dan dat, want bij de huwelijksbijlagen van Haiko’s oudste zoon Aeike (1821 nr. 14) zit ook een uittreksel uit het dodenboek van Bonda, waaruit blijkt wie diens grootouders waren. Op grond van een stamboom op ruitjespapier, mij ooit gegeven door een neef van mijn vader, zouden Aike Aikes en Grietje Geers , beide uit Wymeer, maar in 1748 getrouwd in Bellingwolde, Haiko’s ouders zijn. Dit zou dan, gevoegd bij het feit dat Haiko uit Bonda (Bunde) kwam, toen hij in 1788 trouwde in Beerta, impliceren dat zijn ouders twee maal over de grens verhuisd waren: ten eerste van Wymeer naar Bellingwolde en ten tweede van Bellingwolde naar Bonda, een opvallende zigzagbeweging, waar ik ook wel eens wat achter heb gezocht.

Maar het zit anders, zoals blijkt uit dit verzegelde afschrift uit Bonda’s dodenprotocol:

Uittreksel dodenboek Bonda

De ouders van Haiko heten hier Eiko Heikes (ca. 1730-1804), schoenmaker, wonend te Bonda, en Janna Geerds (1722-1805). Hiermee zijn niet alleen de naam van Haiko’s moeder en allerlei jaartallen vastgesteld, maar is dus ook een fabeltje uit de wereld geholpen: de kans is groot dat deze tot nu toe oudst bekende voorouders Perton langdurig in Bonda hebben gewoond. Ben benieuwd wat voor archivalia er van Bonda uit die periode bewaard gebleven zijn.


Hoe onze familienaam in de wereld kwam

Met Haike, Haiko of ook wel Haeyke Aeijkes of Aeikes begint de geschiedenis van onze fami­lie in Nederland. In 1788 trouwde hij te Beerta met Ettjen Hendriks en het trouwboek van dat kerspel meldt, dat hij uit Bonda (= Bunde) en zij uit Beerta zelf kwam:

1788 a huwelijk sept
Het paar bleef in Beerta wonen en kreeg er in tien jaar tijd vijf kinderen, waarvan er eentje jong overleed. Aeike, de oudste zoon, van wie auteur dezes afstamt, werd getuige het Beertster doopboek geboren omstreeks midwinter 1788:
1788 Aeike
Aaltje, de oudste dochter, zag nog geen anderhalf jaar later, in april 1790, het levenslicht:
1790 Aaltje
Twee jaar later, in april 1792, gevolgd door de eerste Janna:
1792 Janna
Die nog weer 2,5 jaar later, in september 1794, opvolging kreeg van een tweede meisje met die naam:
1794 Janna
Misschien verbaast het, dat twee opeenvolgende kinderen dezelfde voornaam kregen, maar dat was zo de gewoonte – als een kind stierf, noemde men het volgende van dezelfde kunne vaak precies zo. De hekkesluiter van de kinderschaar was weer een jongen, het nakomertje Hindrik, dat op 1 juli 1798 gedoopt werd:
1798 Hindrik
Ik zou absoluut geen printjes van deze notities in het doop- en het trouwboek van Beerta geven, als er niet iets opvallends mee aan de hand was: in alle gevallen werd de naam Perton later toegevoegd. Dat gebeurde steeds met een wat minder scherpe pen en met een wat lichtere kleur inkt. Handschriftvergelijking leert echter, dat het pootje hetzelfde is als dat van degene die het doop- en trouwboek bijhield, te weten dominee Haenenberger van Beerta, die daar van 1774 tot zijn plotselinge dood in 1814 op de kansel heeft gestaan.

Met andere woorden: op het moment dat de huwelijks- en doopplechtigheden plaatsvonden, achtte de predikant het gangbare patroniem nog voldoende voor identificatie, maar later niet meer.

Bij nader inzien van het Beertster doop- en trouwboek ten tijde van Haenenberger, blijkt dat die wel meer familienamen heeft toegevoegd aan de patroniemen van bruidegoms en vaders, zonder dat er sprake is van een doorhaling èn correctie. Zo heel vaak gebeurde dat niet, maar je kunt zulke notities ook weer niet echt zeldzaam noemen.

In het trouwboek gebeurde het naast die ene Perton-notitie slechts drie keer, namelijk bij de bruidegoms Vlothuizen (1782), Bouskool (1786) en Prijt (1811). Bij Vlothuizen was dominee zijn pen even stomp en zijn inkt even licht als bij de Perton-notitie, bij Bouskool en Prijt ging het echter om dezelfde inkt en pen als de oorspronkelijke inschrijvingen. Daarentegen lijkt bij een toevoeging van de plaatsnaam Ulsda aan de naam Bontko Jans in 1779, weer sprake van dezelfde wat slechtere materiële condities als in het geval Perton.

In het doopboek gebeurde het, afgezien van de Pertonnetjes, zestien keer, maar gaat het slechts om vijf familienamen.  Enkele zijn er dus meermalen vertegenwoordigd. Incidenteel gaat het om Vlothuizen (1776 – deze naam kwamen we ook  al in het trouwboek tegen), Knoop (1781) en Kuiper (1791), terwijl vier kinderen van de schoolmeester Dijksterhuis(1780, 1782, 1784, 1786)  en maar liefst negen van een boer Roelfsema (1785 , 1786 , 1788, 1789, 1790, 1792, 1793, 1794 en 1804) naderhand hun familienaam toegevoegd kregen door ds. Haenenberger.

Net als in het trouwboek, is de inktkleur en de penscherpte bij de toevoegingen in het doopboek wisselend. De naam Vlothuizen is conform het geval in het trouwboek bijgeschreven met lichtere inkt en minder scherpe pen. Hetzelfde geldt voor Kuiper. Bij Knoop is de inkt juist donkerder en de pen scherper, terwijl het bij de vier Dijksterhuisjes om en om gaat. Interessant is vooral het beeld bij de familie Roelfsema. Bij de eerste drie toevoegingen lijkt er sprake van gelijke materiële condities als bij de oorspronkelijke inschrijving, maar daarna wordt de inkt lichter en de pen minder scherp.

Qua penscherpte en inktkleur lijken dus niet alle toevoegingen van familienamen op hetzelfde moment te zijn gedaan. Toch past hier een slag om de arm – het zou ook kunnen zijn dat de pen van de predikant gedurende het toevoegen minder scherp werd, terwijl hij op een gegeven moment de inkt wat moest aanlengen om er mee uit te komen. Een dergelijke gang van zaken lijkt vooral te kunnen worden bewezen door de Roelfsema-addenda.

Zoals opgemerkt, zijn de toevoegingen van de familienaam Perton materieel gelijk. Hun lichte kleur doet vermoeden dat dominee aan het einde van zijn inkt zat. De vraag is: wanneer zijn de toevoegingen gedaan? Qua Perton in elk geval na 1798, en als we afgaan op de andere toevoegingen na 1804. Een uiterste datum is ook bekend,  want getuige notities in de beide protocollen, leverde ds. Haenenberger zijn doopboek op 21 oktober 1811 in bij het gemeentebestuur van Beerta, en zijn trouwboek op 20 november van hetzelfde jaar. Daarna kon hij er niet zomaar meer bij. De familienamen zal hij er  dus voor die tijd bij hebben geschreven.

Nu was er in het eerste decennium van de negentiende eeuw nog geen noodzaak voor het hebben van een familienaam. Het voeren van zo’n naam werd pas wettelijk verplicht na 18 augustus 1811, toen Napoleon zijn decreet terzake uitvaardigde, waarbij hij degenen die er niet aan wilden voldoen met straffen bedreigde. Vermoedelijk heeft ds. Haenenberger, toen hij het doop- en het trouwboek moest inleveren, deze dan ook nog één keer nagekeken, en daarbij in een beperkt aantal van aan hem bekende gevallen de familienamen toegevoegd. Dit kan dan gebeurd zijn op zijn eigen initiatief, als ‘service’ aan die families, maar ook is het denkbaar dat die families hem daar om verzochten, of hem daartoe verplichten via de rechterlijke macht. Door het ontbreken van expliciete verwijzingen naar laatstgenoemde weg, komt die echter minder in aanmerking.

Als ik het bij het rechte eind heb, was ds, Haenenberger omstreeks september 1811 dus in elk geval verantwoordelijk voor de registratie van de familienaam Perton. Waar hij eerder volstond met het patroniem,  werd de toevoeging nu noodzakelijk geacht, zelfs in het geval van een overleden meisje.

Eerder dacht ik dat de naam Perton medio achttiende eeuw ontstaan was en samenhing met een juridisch pardon. Voor zo’n pardon vond ik echter geen spoor van bewijs. De naam werd wat later ook uitgesproken als Peton of Puton, dus met een stomme e en onhoorbare r. Het zou ook maar zo kunnen dat het een onomatopee betreft, een klanknabootsing van bijvoorbeeld een dof dreunend kanon. Aeike Haijkes, de oudste zoon van Haijko Aeijkes, had er rond 1808 precies de leeftijd voor om te dienen in het nationale leger van koning Lodewijk-Napoleon.


“Mijn haan kraait altijd koning”

Haanlied 1 uit 1774-3250 nr 5 RuG lustrum 1864

Haanlied 2 - uit 1774-3250 nr 5 RuG lustrum 1864

Bron: RHC Grioninger Archieven, Toegang 1774 (verzameling documentatie) inv.nr. 1774-3250/5: map met diverse paperassen m.b.t. het RuG-lustrum van 1864.