Rondje Roden

Het was 13 graden toen ik vanmiddag van wal stak. Kreeg bijna spijt dat ik mijn handschoenen niet bij me had.

Boerderij in Foxwolde kreeg een nieuw dak:
2015-06-09 001
Fazantenhaan bij de Zwarteweg onder Roden:
2015-06-09 018
Veldje tussen Roden en Leek:
2015-06-09 023
Fazantenhaan bij de Roderwolderdijk vlakbij Vierverlaten. Dit exemplaar oogde wat droger:
2015-06-09 036


Zestenig kind

“Als een bijzonderheid wordt ter onzer kennis gebragt , dat te Beerta onlangs een kind geboren is , dat aan elken voet zes teenen heeft. Opmerkelijk is het daarbij , dat ook de vader van dat kind geboren is met 12 teenen en even zoo veel vingers; de zuster van dien man heeft zes teenen aan ieder’ voet, die ook reeds weder een kind ter wereld bragt met hetzelfde gebrek, terwijl het eerste kind van den vader, en ook van deszelfs zuster de natuurlijke hoeveelheid hebben.”

Bron: Groninger Courant 17 oktober 1851.

Al eerder had ik hier een berichtje over zesvingerigen. In 1888 heette het dat een Groninger boerenfamilie Detmers met zesvingerigheid behept zou zijn. Er werd in 1851 echter geen kind Det(h)mers geboren in de gemeente Beerta, waar Nieuw-Beerta onder viel. Wel een dochter van de boerin Geertje Dethmers Dethmers (!), maar de vader heette in dat geval Gastman en die komt dus niet in aanmerking.


Een kikkerorgie aan de Aduarderdiepsterweg


Portret van de beeldhouwer Jan Steen

Kort videoportret van de beeldhouwer Jan Steen, die eind juni, begin juli weer een tiendaagse verkoop-expositie houdt in en om zijn atelier in Den Andel:

Regie – Buddy Hermans; camera Teade Jagersma; montage en geluid – René Duursma. Gemaakt in opdracht van de stichting Jan Steen.


Naar Balloo en terug

Alarmerende kievieten bij de Drentsedijk:
2015-06-06 018
Hoekje bij de Peizerhorst:
2015-06-06 026
Grazend paard met wapperende manen:
2015-06-06 032
Boer verweidt koeien bij Winde:
2015-06-06 044
De schuur van Winde:
2015-06-06 049
De gekandelaberde dames rechts doen je uitgeleide bij Bunne:
2015-06-06 051
Opkomend mais bij Donderen:
2015-06-06 053
Desintegrerende hooimijt voorbij Vries, in de hoek tussen de Taarlose weg en de A28:
2015-06-06 062
Brink met brandkuil, Taarlo:
2015-06-06 071
’t Loonerdiepien:
2015-06-06 073
Doel van de reis was de tentoonstelling van Joost Doornik bij Galerie Drentsche Aa in Balloo, Doornik excelleert in stemmige bruine café-interieurs, maar zijn in de open lucht geschilderde stadsgezichten en landschappen mogen er ook zijn. Deze ‘Bloemenmarkt voor de V&D Groningen’ bijvoorbeeld, toont heel mooi het weerkaatsende licht op het natte plaveisel – in de verte rechts het geboortehuis van Eerelman:
2015-06-06 090
Bij het Balloërveld deze doorzon-menhir, een monument gemaakt door de Groninger beeldhouwer Bastiaan de Groot ter nagedachtenis van Harry de Vroome, die veel voor het Drentse Landschap heeft gedaan:
2015-06-06 105


Een jonge reebok aan de Madijk

Aan het eind van een tocht naar Balloo, vlakbij huis aan de Eelder Madijk, zie ik opeens een donkere gedaante afsteken tegen het overdadige groen:
2015-06-06 129
Het was een jonge reebok, die ik maar moeilijk scherp in beeld kreeg, hoewel hij geduldig bleef poseren. Bijgesneden opname:
2015-06-06 132
Hij nam nog even de tijd om naar het zuiden te kijken:
2015-06-06 135
Vestigde vervolgens nog even zijn blik op het noorden:
2015-06-06 136
En kuierde uiteindelijk doodgemoedereerd zijn luilekkerland in:
2015-06-06 137


Door de grazige landouwen van het oostelijk Westerkwartier

Blaarkoppen op de dijk van het Aduarderdiep – op de achtergrond de pastorie van Leegkerk:
2015-08-05 007
Dezelfde koeien vanaf de Tichelwerkbrug – op de achtergrond de suikerfabriek van Hoogkerk:
2015-08-05 010
Vlakbij die brug – Nubische geiten die met smaak het lange gras verorberen:
2015-08-05 023
Kikkers bij Den Horn in een sloot:
2015-08-05 030
Bij de Traansterweg, niet ver van Pasop:
2015-08-05 034
Hooilandje bij Oostwold:
2015-08-05 042
Snoetjeknoffelende paarden bij Oostwold:
2015-08-05 045
Klein eindje verder: zwaan valt al te opdringerige pink aan:
2015-08-05 057


Ommetjes rond de grup

Vanmiddag. Bloemrijk grasland, Matsloot ten zuiden van de A7:
2015-06-04 004
Hetzelfde stuk maar dan anders:
2015-06-04 007
Hooien op westkant Westpoort:
2015-06-04 012
Kiekeboe! Verstoorde reiger.
2015-06-04 014
Wegwezen hier:
2015-06-04 016
Margrieten reikhalzend naar de zon, wat kouwelijk in de namiddagwind:
2015-06-04 036
Vanavond: paard met kolder in de kop, Peizermade:
2015-06-04 058
Onlanden – zingende leeuwerik in den hoge:
2015-06-04 070
Zuring:
2015-06-04 077
Bij Roderwolde: ooievaar met buizerd op de achtergrond:
2015-06-04 100
Foxwolde – opkomend mais en schapen in het dal:
2015-06-04 106
Roderwolde naast het Waal – zwelende boer:
2015-06-04 108


Hoover bestormt de Dwingeler markt

img294

De stand van Electrotechnisch Bureau A. Vondeling op een beursachtige toestand in een grote tent, ergens in de jaren 50.

Mijn grootvader heeft zich op zijn gemak geïnstalleerd op een stoel, temidden van zijn commoditeiten. Naar ik vermoed is dit niet de verkoophouding die anno 2015 de  voorkeur geniet: te afwachtend, te passief. Maar zijn rust is hem gegund – hij heeft immers eerst kleden over de houten vloer gedrapeerd en daarop al  zijn huishoudelijke apparaten uitgestald. Die apparatuur is uitsluitend van het Amerikaanse merk Hoover, waarvoor hij agent of dealer was. Tegenwoordig staat het bij uitstek bekend om zijn stofzuigers en die vinden we ook wel op de achtergrond van mijn opa zijn stand, maar het zijn toch vooral de wasmachines en centrifuges die daar de aandacht trekken. Een laag hekje op de voorgrond moet voorkomen dat de gading makende consument deze verleidelijke, maar kwetsbare en prijzige goederen al te enthousiast benadert.

Op een reclamebord links achter de rug van mijn opa staat iets leesbaars – een slagkreet: “Hoover wast schoner!” Die slogan bleek van 1952 tot 1955 in gebruik in kranten-advertenties. De foto zou wel eens gemaakt kunnen zijn bij de landbouwtentoonstelling die in 1953 te Dwingeloo plaatsvond.

(Adv.)

Nieuwsblad van het Noorden 9 juni 1953.

Nieuwsblad van het Noorden 9 juni 1953.

Zoeen ongeveer had mijn moeder ook. Ze had hem niet van een vreemde.


Johan Winkler over het Stad-Gronings (1874)

“…hoewel de invloed van ’t nederlandsch (nog meer dan van ’t hollandsch) op den tongval der groninger ingezetenen, vooral der meer aanzienlijken, wel degelijk aan te wijzen is en in den laatsten tijd ook zeer toeneemt, zoo spreekt toch nog ieder echte Groninger, vooral onder de zijnen en in zijn eigen woonplaats, steeds goed groningersch. Alle slechte eigenschappen van de groningerlandsche tongvallen treden bij het stad-groningersch, zoo als het door de leden der kleine burgerij en van den geringen stand te Groningen wordt gesproken, dan ook sterk op den voorgrond. De dwaze uitspraak der t als d, der v als b, der s als z, der f als v enz., eveneens als het schreeuwen en als het in ’t oog loopend laten werken van alle spraakorganen, is bij de echte Groningers in de stad ook sterk in zwang.”

Bron: Johan Winkler, Algemeen Nederduitsch en Fries Dialecticon I (Den Haag 1874) 415.


Hoe Dwingeloo leerde wat kunst was

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Nee, mooi kan ik het nog steeds niet vinden. De schilder, een J.O. Verduijn of J. Overduijn, had weinig kaas gegeten van perspectief en bracht zijn verf nogal dun op, maar dat is nog het minste verwijt, want Ploeg-schilders nemen we zoiets ook niet kwalijk. In dit geval lijkt het er echter op dat er meer een tekenaar dan een schilder aan het werk is geweest. Hij heeft alle objecten keurig omlijnd: de boerderij, de hooibulten, de boomstammen en de paaltjes langs en in het weiland. Terwijl hij het gras tamelijk liefdeloos met snelle horizontale vegen aanbracht, net alsof er zojuist een storm overheen ging.

Mooi vind ik het doek dus absoluut niet, maar er zitten wel verhalen aan vast. Mijn ouders kregen het bij hun huwelijk, eind 1952, van de heer en mevrouw Benus. Zij waren de buren van mijn grootouders in Dwingeloo, d.w.z. zij bewoonden de andere helft van de twee-onder-een-kap als huurders van mijn grootouders. Meneer Benus, afgaande op zijn naam waarschijnlijk afkomstig uit de Veenkoloniën, was onderwijzer in Dwingeloo, later hoofdonderwijzer in Geeuwenbrug. Van hem en zijn vrouw heet het dat ze bijzondere liefhebbers waren van mijn grootmoeders groentesoep. Zij hadden het schilderij gekocht van een van de kunstenaars uit het westen, die ’s zomers op uitnodiging van het burgemeestersechtpaar Stork naar Dwingeloo kwamen, althans, zo weet mijn moeder er altijd bij te vertellen.

Het werkje stelt voor een boerderij op de Weijert bij Dwingeloo. Later is deze boerderij verbrand en sinds de jaren 70 of 80 ligt er een nieuwbouwbuurt. Toen er een paar jaar geleden een tentoonstelling van Dwingeler dorpsgezichten was in het voormalige gemeentehuis van Dwingeloo, stuurde mijn moeder dit schilderij niet in. Wel liep daar een vroegere bewoner van de boerderij rond, die er navraag naar deed en zo viavia bij mijn moeder terechtkwam. Met tranen in de ogen aanschouwde hij zijn ouderlijke huis. Hij wilde het doek heel graag kopen. Maar mijn moeder wilde het niet kwijt. Wel stond ze toe dat er een kopie van gemaakt werd, waarmee de voormalige bewoner ook heel gelukkig was. Zodat er nu twee versies van het wangedrocht bestaan.

Overigens klopt het dat destijds kunstenaars uit het Westen naar Dwingeloo kwamen. Dat was tenminste zo in de zomers van 1951 en 1952. Er ging de mare rond dat ze met schilderijen voor hun logies moesten betalen, maar dat bleek onwaar. Desondanks was het zoeken naar onderdak voor ze meegevallen, aldus de vrouw van burgemeester Stork:

“Je doet natuurlijk, als altijd, de ervaring op, dat je niet steeds het meeste succes hebt bij degenen, die er materieel het beste toe in staat zijn. Mijn man en ik doen ons best de mensen ervan te overtuigen, dat kunstenaars gewone mensen zijn als zijzelf, dat ze voor hen niet de minste omslag behoeven te maken en dat er niets anders van hen verwacht wordt, dan dat ze bij de vier, vijf of meer borden er één bijschuiven.”

Volgens mevrouw Stork viel er eerst wel enig “wanbegrip” te overwinnen:

“Kunstenaar is niet alleen voor eenvoudige lieden nog al te vaak het synoniem voor iemand, die onmaatschappelijk is en het zo nauw niet neemt.”

Maar achteraf was alles reuze meegevallen:

“Gelukkig wel. De vier kunstenaars, die verleden jaar hier zijn geweest en de eersten van de minstens twaalf, die dit jaar zullen komen, kwamen uitstekend terecht. Er is algemene tevredenheid van weerszijden.”

Dat achtte mevrouw Stork ook in kunstpedagogisch opzicht van groot belang, want

“Als je ziet wat de mensen nog altijd aan hun wanden hangen aan „schilderstukken”, waarvoor ze soms nog heel wat betalen, dan begrijp je, dat er op dit gebied nog heel wat te verbeteren is, al heeft de actie van de Bond van Plattelandsvrouwen en het werk der Landbouwhuishoudscholen inzake woninginrichting al veel goeds gedaan.“

Er hing dus voor het zegenrijke logies kwalitatief nog heel wat inferieurder spul in de Dwingeler huiskamers, dan dit schilderij van mijn ouders!

De Dwingeler regeling voorzag ook bij de kunstenaars zeker in een behoefte, want in totaal kwamen er in de zomer van 1952 achttien uit westelijke steden naar Dwingeloo. Bij de Dwingeler landbouwtentoonstelling van 1953 zou er een expositie van hun werk zijn, maar daarover vond ik geen bericht.

 


Wat je langs de Dorpsstraat zag

Götz jrn 60

Zo’n twintig jaar geleden deed ik nogal eens lange interviews met oudere buurtgenoten voor De Oosterpoorter en vaak wisten die nog precies wat voor winkels er voor (ruim) een halve eeuw  aan de Oosterweg en Meeuwerderweg waren geweest. Van pand tot pand konden ze die opnoemen. Als ze er dan verder geen bijzonderheden bij wisten te vertellen, nam ik zo’n opsomming niet op in de uitwerking van het interview. De namen alleen boeiden me niet – daarvoor kan je immers ook wel in de Groninger adresboeken en telefoongidsen terecht.

Het grappige is, dat een dergelijke opsomming bij de Havelter herinneringen van Tjalling Waterbolk me helemaal niet verveelt. Daarin beschrijft hij – nota bene zonder namen te noemen – de panden die hij begin jaren 30 vanaf de Raadhuislaan op weg naar school (nu Piet Soerplein) passeerde:

“Onderweg kwamen we eerst langs een groep grote en kleine boerderijen en schuren rondom een onregelmatige, deels met bomen beplante open ruimte, de Oosterbrink. Daar stond ook een nieuw café-pension. Vervolgens liepen we langs het bedrijf van een schilder, een paar burgerwoningen, een kruidenierswinkel, een smederij, het huis van de gemeenteveldwachter, het huis van de huisarts en een oude boerderij met een klopper op de deur van het voorhuis. Zo kwamen we dan bij de ook weer met eiken beplante Westerbrink, met daaraan een café, een timmerbedrijf, en een grote oude boerderij met een wit geverfd voorhuis. Langs een grote open weide bereikten we ten slotte de school.”

Dat die opsomming me niet verveelt, komt uiteraard door de herkenning die ze oproept. Veel functies waren ruim dertig jaar later nog precies gelijk. Alleen is de school medio jaren 50 verhuisd. Om de omgekeerde tocht van het Piet Soerplein naar de Raadhuislaan te maken:

In die grote open weide tussen de Dorpsstraat en de Kosterijstraat lag een diepe sloot, door ons ook wel de Kikkersloot genoemd. Hierin vingen we salamanders, die dan na een paar dagen onvermijdelijk het loodje legden in onze jampotjes. Het was dan zaak de boel heel vlug weg te gooien, voordat ze begon te stinken.

In het grote vierkante witte huis met het blauwwitte monumentenschildje woonde – dacht ik – een Kassies, in de boerderij erachter zat de pottenbakker Dirk Staf. Van het timmerbedrijf ben ik de naam kwijt (iets als Waning, Waarsing o.i.d?), maar er stond een stellage naast, waarmee men bomen op een zaagstelling takelde, zodat er planken uit gezaagd konden worden. Dat heb ik echter nooit gezien – volgens mij ‘sliep’ dit bedrijf al in mijn tijd. Het café, nu weer deels in oude Jugendstil-gedaante hersteld, was toen van de familie Scholtmeijer. Er hing een kastje met veel geraadpleegde voetbalberichten aan de voorgevel. Achter het café was er met Pasen een keer een kermis met een draaimolen touwtjestrek- en schiettent e.d., later kwam er een grote zaal voor feesten en partijen.

De boerderij met de klopper op de deur heette het Schultehuis, omdat de schulten (zeg maar burgemeesters) er in de achttiende eeuw hadden gewoond. De huisarts, aan de overkant van de Dorpsstraat, moet in Waterbolks tijd dokter Miedema geweest zijn, die in de oorlog zwaar fout was en daarom na de Bevrijding een beroepsverbod opgelegd kreeg. In mijn tijd woonde er diens schoonzoon dokter Landeweer, die door de sneeuwduinen te laat kwam bij mijn geboorte.

Naast de de smederij, even verderop, had je een winkel in huishoudelijke benodigdheden en speelgoed – beide zaken waren van de familie Kwint, dacht ik. Een grote attractie in de herfst vormde de kastanjeboom voor de smederij, het was meen ik de enige kastanje van heel Havelte. Naast de smederij grensde een stukje es (bouwland) aan de Dorpsstraat, hiervoor stond een bord met plaats voor een drietal reclameposters (Martini, jenever uit Sappemeer, Mascotte etc.).

De schilder die Waterbolk noemt, heette in mijn tijd Daleman – deze was tevens drogist en er hing een email bord aan de muur met reclame voor het verfmerk Ripolin, met drie mannetjes in dezelfde verfhouding achter elkaar die elkaars ruggen beschreven.

Tot slot het nieuwe café-pension: dat was in 1930 opgericht door de brugwachterszoon H.J. Götz, wiens voorvader zich in de jaren 1820 vanuit Den Haag in de weldadigheidskolonie Frederiksoord had gevestigd. In mijn tijd werd het horecabedrijf uitgebaat door zoon Bertus Götz, die het in 1980 verkocht – sindsdien heet het Hoffmann’s Vertellingen.


Over de lokale Friese pers en zijn invloed (1898)

“Of wij in Friesland gebrek aan couranten hebben! In schier elke gemeente van eenig aanbelang is wel eene drukkerij met eene redactie te vinden, die de omstreken afweidt, van plaatselijke nieuwtjes eene mooie verzameling per week aanlegt en voorts de lezeren van alle goede en kwade zaken op de hoogte houdt. In den slapsten tijd verschijnt er somwijlen een half blad. (…)

De kleine of locale pers is soms neutraal, soms partij-orgaan. In het eerste geval is zij in de plaats gekomen om langs burgerlijken stand, familie- en geboorteberichten ellen- en urenlange boerenvisites te rekken, babbelenden ouden vrouwtjes gebogen over „warme stoof en breikous” een nooit eindigende en goedkoope praatstof aan te bieden, want allen kenden den omtrek van ouder tot ouder en de geslachten van tien en meer personen tot in het zesde en zevende lid. Een dorp van duizend zielen, omringd als eene moeder door hare kinderen van kleinere met driehonderd tot vijftig jonge en oude Friezen en Friezinnetjes is de toonaangever (of liever geefster!) van de landstreek. En op die wijze zou men onze provincie gemakkelijk in sferen van invloed kunnen verrdeelen, sferen waarbinnen ieder blaadje promeneert en domineert en als een koninkje (of koninginnetje!) den gouden scepter zwaait.

Het is onbegrijplijk hoe de menschen aan zulke kleine courantjes hangen! Naast den almanak is het dan ook menigmaal het eenigste geestesvoedsel dat de hongerige nieuwtjes-verslindende zieltjes bereikt. Denkt u zich, waarde lezers! op een hoogte een huisje, vanwaar rechts en links modderwegen gaan naar bouw en akkers, maar die b.v. nu met de vooreinden onder water liggen, dan is het in de huisgezinnen, die op de groote ruimte wonen van de mieden of maden, een oogenblik van gewicht als iemand van de naastlegers op groote klompen of in laarzen komt aangebaggerd met de courant. Van stukje tot beetje wordt alles nagelezen en uitgeplozen en naar kennis en bekwaamheid beoordeeld. En geen wonder! De dagen zijn zoo kort en de avonden zoo lang en – lang niet allen hebben nog een kleine bibliotheek in huis. (…)

Doch de pers, de partiidige organen? In verkiezingsdagen kon men eerst met recht bewonderen welk eene uitstekende macht die courantjes vertegenwoordigen en hoeveel gewicht ze in de schaal kunnen leggen als ze door een bekwaam politicus worden geleid. Bijna alle partijen hebben in de acht districten een spreektrompet. Met hoeveel zorg zien wij in die dagen de mobiel-verklaring van het leger kiezers voorbereid! Met welk een ongeëvenaard talent gaan die redacties te werk om over alle plaatselijke hinderpalen en beletselen heen naar het doel te streven! Waarlijk, wie de beteekenis van eene kleine pers wil begrijpen moet in den verkiezingsstrijd eens waarnemen, hoe zij aan den arbeid is.”

Bron: ‘Brieven van een Fries’ CCIX, Nieuwsblad van het Noorden 25 december 1898.


De balder- of ballebusse: vermaak van Drentse kwajongens

2015-05-29b 008

Vanmiddag was de presentatie van Werk van eeuwen, een boek gebaseerd op gesprekken met Tjalling Waterbolk, de bekende archeoloog en landschapsbeschermer.

Hij is van de generatie van mijn vader, en we komen allebei uit hetzelfde dorp: Havelte. Volgens het eerste hoofdstuk in het nieuwe boek groeide Waterbolk er tussen 1924 en 1942 op, in mijn geval gebeurde dat ruim dertig jaar later.

Dan ga je vergelijken en daar komen overeenkomsten en verschillen uit. Een overeenkomst is dat we beide ons vertier vonden in de overvloedig aanwezige natuur, het zwerven in het veld, het hele einden fietsen. De huppies of primitieve blaasinstrumentjes die hij in het voorjaar van jonge lijsterbesscheuten maakte, leerde ik ook maken van een buurman, alleen noemden wij ze uppies, zonder h. We zongen er min of meer hetzelfde klopliedje bij. Nog iets wat we gemeen hebben: het ’s zomers logeren bij Groninger familie, waardoor je verschillen in landschap en geuren op gingen vallen: voor zowel Waterbolk als mij is kamille typisch Gronings, ook in mijn tijd zag je dat spul nauwelijks in Zuidwest-Drenthe.

Het verschil: bij mij bleef de natuurbeleving veel meer in het globale steken. Hij viste bijvoorbeeld veel vaker, krijg ik de indruk, wat ook kwam door zijn vader – de mijne viste niet. Zowel met zijn vader als later zelfstandig zocht hij eieren. Ik heb wel eens zitten vissen, maar vond er eigenlijk geen zak aan, en ben ook wel eens met buurjongens meegeweest om kievietseieren te zoeken, maar dacht al gauw dat ik wel wat beters te doen had. De jonge Waterbolk was ook veel beter op de hoogte van fauna en vooral flora, dan ik. Ik spaarde dan wel vogelpostzegels, maar zoals de jonge Waterbolk vogels in de natuur aan hun zang kon herkennen, dat was mij absoluut niet gegeven, helaas.

Een grappige overeenkomst betreft de specifiek Drentse proppenschieters. Waterbolk noemt ze “balderbussen”, een naam die inderdaad ook voorkomt in de Drentse woordenboeken van Bergsma (1906) en Kocks (2000). Balderbussen werden in de herfst gemaakt – in Waterbolks jeugd gebeurde dat nog met een uitgeholde vliertak, waarin een stempelstok van eikenhout paste, die eikels of elzenproppen met een knal wegschoot.

In mijn tijd heetten die balderbussen ballebussen – de d en de r waren er dus in die drie decennia uitgesleten. Ook maakten wij als kinderen van de Wederopbouw niet louter meer gebruik van natuurlijke materialen: het vlierhout had bij ons afgedaan. Wij gebruikten plastic buis, om precies te zijn eindjes van een centimeter of 20-25 zoals je ze vinden kon bij een van de vele woningbouwprojecten. Vaak ging het om nogal snel en ruw afgezaagde stukjes. Met een schuurpapiertje haalde je de braampjes af van de buiseinden, die je zo glad mogelijk maakte. Vervolgens nam je een rechte stok die nèt wat dikker en ruim een handbreedte langer was dan de buis. Je sneed er een handvat aan, door met een mesje de rest van de stok af te schillen tot hij soepel door de buis paste. De stempel of kwast aan het andere uiteind van de stok maakte je door met dat uiteind op een straatsteen, stoep of muur te bonken, net zolang tot  het voldoende ging rafelen. In beide uiteinden van de buis sloeg of propte je vervolgens eikels. Je plaatste de stempel op het ene uiteind van de buis, zette het handvat van de stempelstok tegen je buik, nam de buis in beide handen en vuurde af door de buis naar je toe te trekken waardoor de stempelstok door de buis ging: vanwege de luchtdruk in de buis schoot de eikel aan de andere kant er met een beste knal uit, terwijl de andere eikel dankzij de stempelstok diens positie innam. Met dit vervaarlijke instrument schoot een buurjongen eens een vogel uit de boom, iets waar niet iedereen even goed over te spreken was. Ik meen dat we aan het maken van deze ballebussen deden tot we een jaar of tien elf oud waren, daarna werd het collectief afgedaan als te kinderachtig.


Ongehoord geval van twee zwaluwen en een mus

“Nog ter school gaande, hadden wij onzen weg doorgaans over het Martini-Kerkhof alhier. Als wij nu eens op zekeren dag hierlangs passeerden, trok het getjilp van een mannetjes muschje mijne aandagt tot zich. Aanstonds zag ik nieuwsgierig naar de plaats, vanwaar ik dagt dit geluid te horen en zag het diertje in de grootste vreugde zitten in een nest, ’t welk door zwaluwen aan de vensters der kerk gebouwd was, en ’t welk het scheen ingenomen te hebben, om het voor zich te behouden.

Dan deze vreugde duurde niet lang, maar had weldra voor het arme diertje de treurigste gevolgen. De zwaluwen, aan wien het nestje toebehoorde, en die waarschijnlijk uitgevlogen waren om eenig voedzel of iets anders op te sporen, keerden weder en vonden dezen vreemden gast in hunne wooning. Aanstonds ontstond er een hevige twist in het nest, en het muschje moest de vlugt nemen, doch wierd terstond door een der zwaluwen vervolgd, terwijl intusschen de andere zwaluw naar den grond vloog en iets, hetgeen mij een draad garen geleek, opraapte, en daarmede naar het nest terug keerde: het duurde niet lang, of ik zag de vervolgde musch, nog steeds door de zwaluw agtervolgd, over een daar tegenover staand huis ook terug keren, en, tot zijn ongeluk, in het reeds gemeld nestje vliegen. Hierop hoorde ik weder een hevigen twist in het nestje, welke egter eensklaps door eene diepe stilte wierd afgebroken.

Dan hoe verbaasd stond ik te kijken, toen ik de musch, die uit het nest wilde vliegen, terstond met gemelden draad garen om den hals zag hangen, even als iemand, die geëxecuteerd wierd; in welke houding hij, na eenige beweging gemaakt te hebben, stierf, en er een langen tijd daarna heeft gehangen.”

Bron: Vaderlandsche Letteroefeningen 1805, pag. 701 (correspondentie via apotheker Tieboel uit Groningen).