‘Een burgerbehuizing met schuurtje en hoenderpark’

Winschoter Courant 17 september 1931.

Winschoter Courant 17 september 1931.

Zoiets was vroeger nieuws dat in de krant stond. Onderhands betekende dat het vastgoed niet zoals gewoonlijk via een openbare veiling verkocht werd.

Dat mijn overgrootvader Geert Perton een “hoenderpark” had, was nieuw voor mij. Dat gold ook voor het feit dat hij al in 1931 naar zijn dochter Maria in Nieuw-Amsterdam verhuisde, en niet in ’36 zoals ik altijd meende. Een lidmatenregister van de hervormde gemeente Finsterwolde zette me op het spoor. Daarin ontbreken mijn overgrootvader en mijn oud-tante Siene vanaf dat jaar.

Nog iets opmerkelijks: het krantenbericht ging vier dagen vooraf aan het passeren van de akte bij de notaris. Bron van het bericht moet dan haast wel een van de partijen geweest zijn. Zowel de koper als de verkoper was schoenmaker, misschien kenden ze elkaar van een beroepsvereniging of iets dergelijks.  In elk geval hadden ze er beide belang bij dat de loop in de zaak bleef.

Mijn overgrootvader was sinds 1929 weduwnaar en de boedel was nog onverdeeld tussen hem en zijn vijf kinderen. Daarom hadden die allemaal eerst een volmacht getekend.

In de akte heet het vastgoed:

“eene behuizing en schuurtje, met erf en tuin , staande en gelegen aan den Klinkerweg te Finsterwolde”.

Geen sprake van een hoenderpark. Zo’n voorziening was notarieel kennelijk niet van belang. Samen met het goed werd verkocht:

“de in voormeld onroerend goed aanwezige machineriën en schoenmakersgereedschappen”.

Hindrik Heethuis, de koper, die uit Sellingen kwam,  beloofde 2900 gulden te betalen voor het vastgoed en 200 voor de bedrijfsinventaris. De 3100 gulden in totaal moest hij voldoen op 1 november, zoniet dan dreigde een rente van 6 % per jaar over het verschuldigde. Die dag was ook de aanvaarding van het goed door Heethuis, terwijl mijn overgrootvader even eerder moet zijn verhuisd.

Heethuis kon blijkbaar geen externe geldschieter vinden. Op 6 november tekenden hij en mijn oudoom Harm Sprang, hoofdonderwijzer te Meerland – die optrad als volmacht van mijn overgrootvader – een hypotheekakte, waaruit bleek dat Heethuis 600 gulden voldeed en er dus 2500 gulden over het goed bleef staan en dat tegen een rente van 4,5 %.

Beurde mijn overgrootvader zo aan rente ƒ 112,50 per jaar, Heethuis moest op jaarbasis ook nog ƒ 25,- aflossen zodat de revenuen voor Geert Perton in het begin ƒ 137,50 per jaar geweest zullen zijn. Bepaald geen vetpot, ik vermoed dat dat bedrag geheel is opgegaan aan kostgeld bij zijn dochter.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 110 (notarissen Finsterwolde) inv.nr. 212 (akten 1931) de nummers 1154 (koopakte 21 september) en 1207 (hypotheek 6 november).

 


Geboorteplek Otto Eerelman geïdentificeerd

De plek waar Otto Eerelman geboren is - hoek Boteringestraat en Zwanestraat, in de woonkelder - Collectie Groninger Archieven 1986-205.

De plek waar Otto Eerelman geboren is – op de hoek van de Boteringestraat en de Zwanestraat, in de woonkelder – Collectie Groninger Archieven 1986-205.

Beginnen we bij de geboorte-akte van Otto Eerelman uit 1839. Daarin staat als geboorte-adres aangemerkt: K 59a.

Destijds werden adressen nog aangeduid met letters en nummers. Deze dienden als basis van het bevolkingsregister, dat eens in de tien jaar en wel in ronde jaren (1830, 1840, 1850 etc.) werd opgemaakt. Een letter en nummer in 1839 verwijst dus naar het bevolkingsregister van 1830.

In dat bevolkingsregister van 1830 staat geen adres K 59a. Wèl een adres K 59, waar nog een ongeletterde en ongenummerde kelder onder zit. K 59 is het pand op de noordhoek van de Zwanestraat en de Oude Boteringestraat. Volgens latere foto’s heeft de kelder de ingang aan de Boteringestraatkant. In 1830 woont volgens het Bevolkingsregister nog de vijftigjarige Hindrik van Bruggen op K 59. Hij is wolkammer: iemand die oneffen wol gelijkmatig kamt, zodat er effen garen van kan komen. Waarschijnlijk is Van Bruggen ook degene die van de kelder onder K 59 gebruik maakt.

De ouders van Otto Eerelman, Samuel Eerelman en Corneliske Pluimker, trouwen op 18 mei 1837. Samuel, zoon van een wolkammer, blijkt een week eerder de zaak van Hindrik van Bruggen te hebben overgenomen, getuige een advertentie in de Groninger Courant van 12 mei:

“S. EERELMAN heeft de WOLKAMMERS-AFFAIRE begonnen, in den Kelder van van DAM, in de Oude Boteringestraat, bevorens door H. van BRUGGEN bewoond geweest; verzoekt ten vriendelijksten gunst en rekommandatie , terwijl men van eene prompte en civiele bediening verzekerd kan zijn.”

Erboven staat overigens een advertentie van Van Bruggen, dus de vorige bewoner, die met zijn zaak verhuisd blijkt naar de Ebbingestraat. Relevant voor een wat beter zicht op de bijverdiensten van een wolkammer is de volgende passage:

“en blijft aldaar continueren in het verkoopen van WOLLEN GARENS en KOUSEN, ook VIJFSCHACHT, BAAI en SCHUIDEGOED , en verder al wat in zulk eenen WINKEL behoort.”

De niche van de wolkammerij bestond dus vooral uit een handel in ouderwetse, zware wollen stoffen. Schuidegoed (katoenen schorten e.d.) zal eveneens bijkomend spul geweest zijn.

Nog even recapitulerend: Otto Eerelman deed zijn oogjes open op het adres K 59a, wat de woonkelder was onder het hoekpand Boteringestraat/Zwanestraat, alwaar zijn vader in 1837 de wolkammerij van Van Bruggen overnam.

Overigens verhuist het gezin Eerelman al in 1840 naar  E 106. Dit is aan de Gelkingestraat, als ik het goed heb uitgemiddeld vlak achter de Drie Gezusters. Hier groeide Eerelman op. Hij bracht zijn hele jongenstijd dus door vlakbij de Grote Markt, waar hij op zijn tachtigste ook zijn grootste werk zou situeren.

De pel in juni 2014.

De pel in juni 2014.


Groninger boeren over de hekel

Blijkbaar waren er in het voorjaar van 1815 Groninger boeren, die terugverlangden naar hun welvaart en de relatief lage lasten onder Napoleon en die er daarom bezwaar tegen maakten om de wapens tegen de teruggekeerde dwingeland op te nemen? Een scribent van Vaderlandsche Letteroefeningen haalde ze althans flink over de hekel:

“…hoe dwaas toch inderdaad, de goedkoopheid der granen aan het Bewind te wijten! Of hoe goddeloos, naar eeuwigen oorlog te wenschen, ten einde zich met het bloed van anderen vet te mesten!”

 


Rondje langs de bloei van Peize

Raapzaad bij het Transferium Hoogkerk:
2015-05-10 003
Buizerd boven de Bolham:
2015-05-10 007
Vergeet-mij-nietjes op de wal van het Omgelegde Eelderdiepje:
2015-05-10 009
Drentsedijk:
2015-05-10 014
Blauwgras kleurt pas met voldoende zon:
2015-05-10 024
Dieplader aan de Drentsedijk – de firma Pomper, een loonbedrijf uit Smilde, laat er brandnetels overheen groeien:
2015-05-10 036
Bij de Woudrustlaan onder Peize:
2015-05-10 045
Je hebt daar ook een stukje broekbos:
2015-05-10 046
Bomen met de voeten in het water:
2015-05-10 052
Zoiets wordt heel gauw een ondoordringbare wildernis:
2015-05-10 053
Achterstewold – rooie rododendron:
2015-05-10 057
Dikke peerden op de Peizerhorst:
2015-05-10 092
Langs de weg naar Winde – brem:
2015-05-10 101
Bij het Eelderdiepje tussen de Peizerhorst en Eelde:
2015-05-10 102
Bloesem bij de Eelder Molenweg:
2015-05-10 108
Pad bij de Vosbergerlaan in Eelde:
2015-05-10 110


Bewoners wilden graag van steegnamen af

Van bijna alle stegen in de Oosterpoortwijk vroegen de bewoners vroeg of laat zelf of hun steeg straat mocht heten. Iets waar de raad nooit moeilijk over deed. Alleen bij de Houtzagersteeg ging het anders.

Wonen aan een steeg leverde een stigma op. Bewoners hadden veel liever dat hun steeg straat heette. Zo ook in de Oosterpoort, waar tussen 1880 en 1930 alle stegen op één na van de straatnaambordjes verdwenen.

De Oliemuldersteeg, genoemd naar het recht van overpad dat de oliemulders van het Winschoterdiep er ooit op hadden, beet daarbij het spits af. Dat was in 1880. Van 8 juli dat jaar dateert het adres van de rentenier J. van Dam Kzn. aan de gemeenteraad, met ’t voorstel om de Oliemulder­steeg de naam Adolfstraat te geven. De gemeente had de steeg zes jaar eerder aangekocht en bestraat, Van Dam bouwde er intussen zes “flinke burgerwonin­gen”, terwijl hij ook nog een woonhuis voor zichzelf neer wilde zetten. Er stonden ook verder al talrijke woonhui­zen, het geheel was danig opgeknapt, en Van Dam meende “dat de naam van Oliemuldersteeg minder gepast is en die naam z.i. geen gunstige invloed uitoefent bij het verhuren van woonhuizen en woningen aldaar”. Bovendien bestond er verwarring met een Oliesla­gers­teeg elders in de gemeente.

Toen de burgemeester met hem sprak, bleek het Van Dam niet zozeer te gaan om het “Oliemulderach­tige” van de naam. Hij wilde aan een straat wonen in plaats van aan een steeg. Van Dam en de andere bewoners zouden ook “zeer tevreden” zijn met de aanduiding Oliemulderstraat. En daartoe besloot de gemeenteraad, zonder stemming, op 24 juli 1880.

Achttien jaar later volgde de Cubasteeg. Deze was in 1896 helemaal doorgetrokken naar de Meeuwerderweg. En daardoor, vonden de bewoners, was de steeg “uit haar isolement” verlost en “van slop tot straat verheven”. Vandaar dat ze verzochten om de naam Cubasteeg te promove­ren tot Cubastraat. Ook hier ging de gemeenteraad zonder discussie of stemming mee accoord, en wel op 17 september 1898.

De beide Brandenburgerstegen, eveneens genoemd naar een herberg in de de zeventiende eeuw, kwamen in 1902 aan de beurt. Ook hier was het weer een adres van bewoners dat de bal aan het rollen bracht. Tegen de traditionele naam Brandenburger­steeg voerden ze in, dat dat steeg ze deed denken aan een “nauwe, onaanzienlijke doorgang”. En dat terwijl er “nette burgerhuizen” waren gekomen en veel verbeterd was. Daarom wilden ze van de naam af. De raad had geen beden­kingen tegen de naamsverandering, die op 25 oktober 1902 vastgesteld werd.

Bij de Witlattensteeg, vanaf begin achttiende eeuw genoemd naar witgeverfde tuinhekken, liet de naamsverandering wat langer op zich wachten. In 1929 leverden HJ ter Mars en 37 andere bewoners van deze steeg een verzoekschrift bij de raad in, om de naam te verande­ren: “Daar het allen nette bewoners zijn en het ook geen steeg is maar een doorloopende straat en het geeft ook zoo’n lagen indruk….”  De raad hoefde ook hier niet over te discussiëren, op 23 september van dat jaar stelde hij de nieuwe straatnaam Witlattenstraat zonder stemming vast.

Van alle stegen buiten de Oosterpoort hield de Houtzagersteeg, vanaf 1745 zo genoemd naar houtzagerijen en aannemersbedrijven, nog het langst haar omineuze steegnaam. Zij heeft erg lang op de vernetting moeten wachten, tot na de oorlog maar liefst. En die vernetting gebeurde niet eens op uitdrukkelijk verzoek van de bewoners zelf, zoals bij de andere stegen in de Oosterpoort, maar op voordracht van B&W.

Het stadsbestuur voerde in 1950 aan dat veel mensen niet graag in een steeg woonden, en dat die naam steeg een negatief stempel op de straat en haar bewoners drukte. Daarom moest Houtzagersteeg eindelijk maar eens Houtzagerstraat gaan heten.

Anders bij die eerdere hernoemingen, was er nu wèl enige discussie. Volgens het communistische raadslid De Jong had dit voorstel niets om het lijf. Hij vond het zelfs een mislukte poging om de bewoners onder de kin te strijken. Een andere naam maakte de straat er heus niet beter op. En door de heersende woningnood waren slopbewoners niet per definitie a-sociaal. De Jong zag liever dat het stadsbestuur echt wat ondernam tegen de woningnood, zoals de CPN ook deed. Bovendien, er waren nog talrijke andere gangen in de stad, moesten die dan ook allemaal maar worden omgedoopt?

Van de straatnaam ging de discussie weldra over op de woningnood en van de woningnood ging het al gauw over op de waterstofbom, per slot van rekening was het kouwe oorlog. Maar de CPN-fractie stond helemaal alleen in haar kritiek en de Houtzagersteeg werd omgedoopt in Houtzagerstraat. Op 6 februari 1950 gebeurde dat.

Overigens is er tegenwoordig helemaal niets meer over van die oude Houtzagerstraat, Cubastraat en Witlattenstraat. Het voor auto’s doodlopende woonerfje bij de Meeuwerderweg, dat nu Houtzagerstraat heet, heeft qua ligging bijvoorbeeld nauwelijks iets te maken met de vroegere Houtzagerstraat. De oude voerde helemaal van de Oosterweg naar de Meeuwerderweg en lag vlak achter de Veemarktstraat. Het eerste stukje Palmslag vanaf de Oosterweg, tot en met de nummers 5, volgt nog wel steeds het tracé.

Harry Perton

Eerder in iets andere vorm verschenen in De Oosterpoorter van maart 2008.


Een fotoshoot van vreemde blauwe types op het Martinikerkhof

Terwijl we over het Martinikerkhof liepen:
2015-05-09 009
Ontwaarden we vreemde blauwe types:
2015-05-09 011
Met maskers op:
2015-05-09 013
De zich noemende Toyisten hielden een fotoshoot voor hun vestiging in de stad:
2015-05-09 014
Tevens kreeg ik een bon voor een gratis tweede kopje koffie in hun ontbijt- en koffietent,


Met Paulien Ex langs Eerelmans plekken in de stad

Na de eerste bezichtiging van de Eerelman-expositie in de Groninger Archieven, was er vanmiddag een stadswandeling langs Eerelmans plekken onder leiding van Paulien Ex. Hier staan we bij het pand op de hoek van de Oude Boteringestraat en de Zwanestraat, waar Otto Eerelman in 1839 in een woonkelder werd geboren, als zoon van een wolkammersechtpaar:
2015-05-09 004
Het stadhuis vormde het hoofddoel van de wandeling. Ik was er een tijd niet geweest en vond het fijn om het weer eens van binnen te zien. Eerelmans onverbiddellijke stadsicoon, de paardenkeuring van de 28e augustus, opgeleverd in 1920:
2015-05-09 026Dat paard, Tabor geheten, leefde al niet meer, toen Eerelman het schilderde, en ook verscheidene keurmeesters waren uit de tijd. Zelfs smokkelde Eerelman wat allang afgebroken panden op zijn doek. Het is dan eerder een ideaaltypisch stadsbeeld, om Weber erbij te halen,  dan een stadsbeeld dat echt zo bestaan heeft. Je reinste geschiedvervalsing dus, en toch kan me dat in dit geval geen moer schelen.

Maar eerst belandden we in de collegekamer, waar een paar prachtige H.W. Mesdags hangen:
2015-05-09 031
In de oude raadszaal ‘de Groninger stedemaagd’, een werk uit Eerelmans eerste periode in Groningen (1839-1876). Wijsheid, muziek, bouwkunst, industrie, goeie riolering en zeevaart – Groningen heeft het, getuige de maagd d’r attributen:
2015-05-09 033
Justus Datho Quintus, die ouwe aristocraat, vond onze aanwezigheid in zijn domein maar niets. “Affreus gepeupel”, hoorde ik hem denken:
2015-05-09 038
Zelfs op het plafond nog wapens van de stad, in carré:
2015-05-09 057
Terug bij Eerelmans topstuk, waar onze gids op enkele bijzonderheden wijst:
2015-05-09 061
Op weg naar huis langs de kermis, waar Eerelman zo graag mocht komen, hoewel hij deze mogelijk wat lawaaiig zou hebben gevonden:
2015-05-09 069


De aalbes boven alles!

Aalbessen. Fruitstukje door Willem de Sitter, ca. 1870. Collectie Groninger Archieven 695-32.

Aalbessen. Fruitstukje door Willem de Sitter, ca. 1870. Collectie Groninger Archieven 695-32.

De Groninger Burgemeester Lucas Trip (1713-1783) was in zijn dagen een nationaal bekende dichter. In de Witte Lattensteeg buiten de Oosterpoort had hij een hof, waar hij, getuige zijn bundel Tijdwinst in ledige uuren (1754), aan de teelt van aalbessen de voorkeur gaf boven de cultuur van bollen, druiven en morellen:

“Wast, o Floraas hovelingen!
die van Anemoon en tulp
wonderheden weet te zingen,
wast uw blompronk zonder hulp?
Zonder mesten, wieden, gieten?
Tart zij weer en winterweer?
Zal heur verw, zo zagt en teer,
door geen zomerbrand verschieten?

Neen! O neen! Dat toont uw kruipen
om haar bol; met ééne vlaag
krygt heur schoonheid doodsche stuipen,
’t blompje hangt verflenst omlaag.
Maar, schoon niemant zich erberremt
over deeze besseplant,
zy verduurt, door de Almagtshand
tegens weer en wind bescherremd.

Frankendaler druiven zwellen
node zonder kunst of kas.
Langzaamrypende morellen,
dat verkwiklyk herfstgewas,
eischen vaste scheidingsmuuren
tot een steun voor stam en tak.
Myne bes kan ’t ongemak
van een vrye lucht verduren.”

Zie ook.


Vroege Drentse dorpsgezichten in een Gronings familiearchief

Ik had de portefeuille met tekeningen, prenten en foto’s, nagelaten door de familie Wolthers al vaker door mijn handen laten gaan, deed dat vandaag weer, en besloot nu maar eens om enkele tekeningen, die door de map heen verspreid waren geraakt, bij elkaar te leggen. Reden: het betreft Drentse topografica. Hele vroege ook nog, want uit de zomer van 1812. Soortgelijk werk is er niet veel. Niet alleen zijn deze tekeningen stijlverwant, wat in de context van de map wijst op een en dezelfde maker, ook gaat het in alle gevallen om pentekeningen, ingekleurd met waterverf, die ook nog eens door dezelfde soort vlekken zijn ontsierd.

Een gezicht te Eext is gesigneerd. Een herder hoedt enkele koeien bij ene drinkplaats. De weg erlangs voert naar de es (bouwland) die met wallen en een houten hek voor het vee afgesloten is:

1 - Gezicht in de Eext, getekend julij 1812 JD Wolthers.

“Gezicht in de Eext, getekend julij 1812 JD Wolthers”

Een gezicht te Gieten draagt dezelfde signatuur aan de achterkant. Bij een tweesprong staat een (boeren)huis met een put. Langs de weg zie je onder meer wilgen, wat net als het water in de sloot wijst op een wat lagere ligging:

2 - Gezicht te Gieten, getekent july 1812 JD Wolthers

“Gezicht te Gieten, getekent july 1812 JD Wolthers”

Ook de jaartalloze nummer 3 is weer getekend met die naam. In de verte ligt het dorp Anloo met zijn karakteristieke kerktorentje. Op de voorgrond is de rogge-oogst op de es aan de gang:

3 - Anlo, JD Wolters zj

“Anlo, JD Wolters”

Nummer vier draagt naam, plaatsnaam noch jaartal, maar hoort duidelijk in de serie thuis. De dakruiter op het kerkdak dat boven de bomen uitsteekt deed mij aanvankelijk met het belendende hoge pand een wat meer stedelijke omgeving vermoeden, maar Lars Sanders wees hier in een reactie op Ter Apel, en vergelijking met schilderijen in de collectie van het Groninger Museum leerde vervolgens dat hij gelijk heeft. De dakruiter en het kruis op het dak zijn praktisch identiek, bovendien staat daar ook een vrij hoog gebouw naast het klooster:

4 -

Verklarende tekst ontbreekt.

De tekeningen zijn dus in juli 1812 gemaakt door – voluit – Johan Diederik Wolthers, die op dat moment nog vrijgezel was, maar een jaar later als 34-jarige rentenier zou trouwen. Hij stamde uit een Gronings regentengeslacht – bij zijn huwelijk heet zijn vader “vroedschap”, en voorvaderen fungeerden meermalen als Burgemeester van de Stad.

Johan Diederiks beduidend jongere vrouw tekende eveneens, en dat verdienstelijk. Eind 1825 beloonde een Gronings kunstgenootschap namelijk een fruitstukje van haar met vijf ducaten. In hun artistieke voetsporen trad zoon Wolter, later burgemeester van meerdere Groninger gemeenten. Kurend in Bentheim tekende hij in de jaren 1840 honderden portretten van mede-badgasten (volgens een artikel dat eind vorig jaar in Stad & Lande verscheen). Het ging dus al met al om een tamelijk kunstlievende familie.

Naschrift 9 mei 2015:

Dit stukje is wat betreft de vierde tekening herschreven, omdat Lars Sanders de lokatie identificeerde als Ter Apel.


Sanoma’s janboel eindelijk hersteld

Vandaag kwam een eind aan een operatie die ruim twee jaar geleden begon en die bestond uit:

  • Het importeren en centreren van ca. 3200 plaatjes in de oude Gelkinghe logs (1 juli 2005-23 augustus 2011) die even eerder hier in Groninganus geïmporteerd waren;
  • Het zoveel mogelijk weer embedden van de filmpjes in de hier opgenomen ouwe Gelkinghe-logs;
  • Het herstellen van alle in de pastei gevallen diakritische tekens in de ouwe Gelkinghe logs;
  • Het ervoor zorgen dat dat de links in die logs wederom nieuwe vensters openen;
  • Het vervangen van de uiteraard niet meer werkende interne Gelkinghe-links in interne Groninganus-links;
  • Met als extraatjes het klein zetten van alle kapitale koppen  – zodat ik goed kon bijhouden wat al gebeurd was en wat niet – en het aanpassen van alle citaten aan de Groninganus-layout.

Bij deze operatie zijn ongeveer 800 van de ca. 4000 Gelkinghe-logjes gesneuveld (dus 20 %). Het betreft vooral aangeklede, maar niet meer werkende linkdumps, naast muzieklogjes waarbij de ingesloten YouTube- of andere filmpjes niet of niet vlug genoeg weer te vinden waren. Polemica heb ik laten staan.

Hiermee is de verschrikkelijke janboel die Sanoma/Web-log destijds afleverde, voor wat betreft de Gelkinghe-logs hersteld en zijn die logs integraal opgenomen in Groninganus. Waar ik nog diakritische pastei in reacties aantref, zal ik die nog wel herstellen. Alleen staat dan bij de reacties van mezelf uit de periode 2005-2011 nog de naam Gelkinghe, in plaats van Groninganus. Dit ook te veranderen, zou me echter teveel tijd gaan kosten.


Dieren van de dag

Mus kijkt of ekster in aantocht is:
2015-05-04 001
Een elzenhaantje op mijn houten fietsbakkie:
2015-05-04 021
Belgisch paard en veulen met hun kont in de wind aan de Zijlvesterweg:
2015-05-04 027
Eend met jongen, daar niet ver vandaan:
2015-05-04 032


De teleurgestelde Harry Helpgraag

Man kent me van iets en schrijft me als privépersoon aan op know-how. Ik maak hem in mijn privé-tijd per mail wegwijs in het archief, voor zover dat voor zijn studie van belang is. Zoiets vergt wat uitzoeken, nadenken, navragen en formuleren, al met al is er toch wel een uur of wat in deze dienstverlening gaan zitten. Maar een bedankje, hoewel dat niets kost, kan er niet af, ook niet als hij nog wat navraagt en ik hem een stuk koeler dan voorheen van dienst ben. In de boekhandel zie ik vanmiddag zijn boekje liggen. Ook hierin uiteraard geen bedankje.  Tja, wie geen waardering weet te geven, hoeft er ook niet op te rekenen. Ik denk niet dat ik deze meneer nog eens help.

Het is trouwens bepaald niet de eerste keer dat me zoiets overkomt. Ik denk wel eens: waarom zou je überhaupt nog iemand willen helpen? Je bent er een boel tijd mee kwijt en voor degenen die ervan profiteren ben je verder menigmaal lucht.


Rondje Hilmahuizen:

Boom- of paalhut, Vierverlaten:
010
Zuidwendinger molen, met op de achtergrond een boerderij op Lagemeeden;
014
Dam met paardenbloemenspoor:
022
Langs het Hoendiep nz.:
025
Tuintje in Enumatil:
045
Hek bij Briltil:
056
Curieuze geitjes in de Galanden:
077
Landschap bij de Gaweg, oorspronkelijk Noordhorn:
084
Bij Gaarkeuken:
102
Westerzand bij Lutjegast – de meeuwen vlogen niet achter de tractor aan, maar bleven op een strook haaks op het spoor dat de tractor achterliet:
120
De prille bladeren van een rode beuk op het Westerzand:
121
Bij Lutjegast. Het veulen was helaas net uitgedarteld en wilde drinken:
125
Gezicht op Lutjegast vanaf de opgang naar de brug bij Eiberburen:
135
Het uitzicht de kant van Stroobos op:
141
’t Wingewest woar gasvlaam braandt:
144
Parmante hazen, met op de achtergrond Stroobos:
158
Bonte Piet bij Hilmahuizen:
168
Structuur in droge sloot bij Lutjegast:
224
Bij Niekerk hebben ze het Hoge Voetpad verbreed en gerenoveerd. De laatste keren dat ik erlangs kwam, schold ik ook op de vergaand oneffen toestand, maar de romantiek is er nu wel verdwenen:
245
Viaduct Roderwolderdijk – uitzwaaiers van de FC Groningen die morgen de bekerfinale tegen PEC Zwolle speelt:
259


De kluizenaar van Wymeer

Ruim een jaar geleden schreef ik hier een stukkie over een kluizenaar die bij het smokkelaarsoord De Lethe, op de grens met Duitsland, in een hol woonde. Elke zomer trok dat hol vele dagjesmensen. ’s Mans overlijden op 70-jarige leeftijd werd in 1898 door meerdere Nederlandse kranten gemeld.

Het gekke was dat ik zijn naam – Pieter Alberts – niet terugvond in het overlijdensregister van de gemeente Bellingwolde. “Het zou natuurlijk kunnen dat de man over de grens stierf”, opperde ik destijds al: “Wordt mogelijk nog eens vervolgd”.

Dat vervolg is er nu ik zocht op een Duitse plaatsnaam uit de buurt van Bellingwolde, te weten Wymeer.  Een bericht dat oorspronkelijk in de Winschoter Courant stond, en dat op 2 september 1896 werd overgenomen door De Amsterdammer, bevestigt mijn vermoeden van vorig jaar: het hol bevond zich niet op Nederlands grondgebied, maar net erbuiten:

Een kluizenaar

Wanneer men van Bellingwolde naar Wymeer (Duitschland) den straatweg passeert, ziet men aan zijne rechterzijde een groot stuk braakland, dat, niettegenstaande het wel vruchtbaar is, daar reeds eenige jaren zoo onbebouwd heen ligt. Op niet grooten afstand van den weg zal men er zoo iets ontwaren, dat aan het verblijf van menschen doet denken.

Naderbij gekomen ziet men een ouden kookpot, wat brandstof en overblijfselen van voedsel en te midden daarvan een hol, welks uitgang ternauwernood een mensch zal kunnen doorlaten. Toch gaat het, want ziet! nauwelijks zijn uwe voetstappen gehoord, of daar komt een vuile mannengedaante te voorschijn. Ge beeft eenigszins, doch herstelt u al gauw, indien het blijkt, dat onder dit afzichtelijke kleed geen slecht hart klopt.

Ge knoopt een gesprek met den ouden man aan en hoort vreemd op, indien hij u meedeelt, dat hij reeds 20 jaren dit kluizenaarsleven heeft geleid, 65 jaren oud is en nimmer heeft gedokterd. In zijn hol kan hij alleen in gebogen houding vertoeven, een bed ontbreekt, wat oude lompen vervullen er de plaats van. Behalve dit, vindt men er niets anders in dan – een wagenrad dat dienst doet als kleerstander.

Toen we den man een fooi boden, weigerde hij dit; dat Hollandsche geld had geen waarde. Een Duitsch stukje aanvaardde hij dankbaar, met de leuke opmerking, dat hij daar nog wel eens een arm mensch mee kon verrassen. Er wordt dan ook wel eens beweerd, dat deze kluizenaar niet onbemiddeld moet zijn. (Winsch. Crt.)”

Mogelijk hebben berichten als dit de belangstelling van de dagjesmensen gaande gemaakt.


Martenshoekster krinkiespijers mochten graag poseren

2015-04-29 007 b

Knipseltje uit Het Noorden in Woord en Beeld, de editie van vrijdag 15 oktober 1926.  De linker man zit schrijlings op een hondenkar en zal dus wel een kleine negotie hebben gehad. Hij heeft zijn trekhond, een soort van labrador, schijnbaar liefdevol op zijn kar en schoot genomen. Waar de andere twee, veel kleinere hondjes voor dienden is onbekend. Misschien werden ze ingezet tegen ratten, mollen en zo.

Overigens wordt Het Noorden in Woord en Beeld, een populair fotoweekblad dat tussen 1925 en 1938 verscheen, nog opgenomen in de nationale kranten- en tijdfschriftendatabank Delpher. Een poos geleden leende RHC Groninger Archieven haar leggers ter digitalisering uit aan de KB/Delpher – deze zijn inmiddels weer terug.

Op de lijst met aanwinsten waar we ons binnenkort verder over mogen verblijden, staan verder nog diverse krantentitels uit de collectie van het Veenkoloniaal Museum in Veendam, namelijk:

  • Veendammer courant: algemeen nieuws‐ en advertentieblad voor het arrondissement Winschoten, 1829‐1905;
  • De Nieuwe Veendammer Courant, algemeen Nieuws‐ en advertentieblad voor de Veenkoloniën, 1870‐1920;
  • De Noord‐Ooster: algemeen nieuws‐ en advertentieblad, 1903‐1950;
  • Dagblad voor de Veenkolonieën en omliggende streken, 1946;
  • Het Parool: onafhankelijk dagblad van het Noorden (editie Groningen) 1946.