‘Over vruchten en groenten in vroegeren tijd’

Eerder publiceerde ik hier de herinneringen van Waalko Jan Roelfsema aan de eerste fiets en de eerste fotografie in Groningen. Dit keer is het fruit aan de beurt, zoals dat in de tweede helft van de negentiende eeuw bij Groningers op tafel kwam.

Omgeving van Isaac de MOUCHERON Antw 18e groenteverkoopster

“In den Groningschen Volksalmanak van 1920 schreef ik op blz. 86 als ‘Herinneringen uit mijn jonge jaren’ dat het toenmaals met de tafelvruchten slecht gesteld was. Deze opmerking kwam mij voor den geest, toen ik vanmorgen hier in Apeldoorn druiven kocht, en wel prachtige Frankenthalers, en dat voor den prijs van vijf en dertig cts per kilo!

Druiven? Dat was in mijn jeugd een vrucht die men nauwelijks kende, het beste misschien nog door de afbeeldingen. Wel had men in stad en provincie enkele druivenkassen, maar de vrucht kwam niet in den handel. De enkele bezitters dier kassen gebruikten die vruchten zelf, ofwel schonken die als een zeer bijzondere, voor geld niet verkrijgbare delicatesse aan familie …. en aan zieken. Mijn schoonvader was bezitter van een kas met witte druiven, die gewoonlijk een goed beschot opleverden, maar het was een bizonderheid als wij kinderen ook wel eens een trosje te proeven kregen; bijna alles ging naar zieken. – Laat ik terstond hieraan toevoegen, dat de kwaliteit van toen niet in de schaduw kon staan bij de tegenwoordige, die haast goedkoop genoeg zijn voor volksvoedsel. Veelal waren het  toen oude bomen, die er met de jaren niet beter op waren geworden.

Nu had men toen nog wel wijnstokken in de open lucht, die in gunstige zomers wel iets gaven, maar de vrucht had geen voldoende warmte gehad, en bleef dus zuur en smakeloos. Armzalige trosjes zag men dan in de groentekelders te koop liggen, maar ze vonden nauwelijks aftrek.

Met perzikken, abrikozen en meloenen was het al niet beter gesteld, ook deze kwamen slechts voor in enkele particuliere tuinen, en werden dus niet in den handel gebracht. Daarentegen werden andere tafelvruchten: appelen, peren, pruimen, bessen, aardbeien, frambozen in voldoende hoeveelheden aangeboden; Loppersum en omstreken leverden een goed deel aan de Groninger markt. De kwaliteit was in doorsnee beneden die van thans,  al moet erkend worden dat de heerlijke jutteperen en princesse nobels van voorheen niet meer voorkomen, verdrongen als zij zijn door niet altijd betere soorten. Buitenlandsche vruchten, behalve gedurende enkele maanden de cinaasappelen en citroenen, kwamen toen niet voor. (1)

Fruit- en groentewinkels had men destijds in onze stad geen enkele; het waren alle woonkelders, waarin de zaken gedreven werden. Wel de voornaamste en meest bekende zaak, in de Guldenstraat, was die van vrouw Filippus, in de wandeling ‘Zwarte Gees’ geheeten om het donker van teint en haar. Het was een flink wijf, lang niet op haar mondje gevallen (2) en als geknipt voor haar bedrijf, dat haar een goeden naam had bezorgd.

Laat ik hier ook nog vermelden, dat er in die dagen geen enkele bloemenwinkel was. Wèl had men op de marktdagen aan de noordzijde der Vischmarkt een plaatsje bestemd voor de enkel;e tuiniers, die daar wat potbloemen verkochten: weinig zaaks, meest geraniums, fuchsia’s en balsemienen. Gesneden bloemen waren nergens te koop.

(1)
Dat men toen een groot gedeelkte van het jaar zonder vruchten zat, was vooral een bezwaar als men gasten had. Om aan dit gemis een weinig tegemoet te komen, plaatste men steeds twee kristallen compotes op de tafel: een met gember en de andere met ingemaakte morellen. Wat er ook verder voorgediend werd, men kon er zeker van zijn, dat die twee compotes nooit ontbreken zouden.

(2)
Dit heeft zij o.a. getoond in een reclame-commissie voor den U.O (?), waar zij den oud-burgemeester Van Roijen afsnauwde, gelijk ik elders verteld heb. Haar echtgenoot Filippus was een knappe man wien de livrei als pedel van Vindicat goed kleedde. Hun oudste zoon is lange jaren de voortreffelijke paukenist van het Harmonie-orkest geweest, terwijl een andere zoon daar de contrabas bespeelde. Andere kinderen hebben den handel met groenten en fruit in verschillende winkels voortgezet.

October 1932″

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1501 (Verzameling losse stukken Gemeentearchief Groningen) inv.nr. 369.6 (aantekeningen door W.J. Roelfsema Hzn. over het dagelijks leven in Groningen etc., eind 19e – begin 20e eeuw) katern VI, pag. 84-87.

Groninger Courant 9 december 1855.

Groninger Courant 9 december 1855.

Groninger Courant 16 oktober 1857.

Groninger Courant 16 oktober 1857.

Nieuwsblad van het Noorden 4 december 1889.

Nieuwsblad van het Noorden 4 december 1889.

Nieuwsblad van het Noorden 8 februari 1891.

Nieuwsblad van het Noorden 8 februari 1891.


Belgische krantendatabank moet nog groeien

Leuk nieuwtje: de Belgische pendant van de krantendatabank Delpher is online.

Luddik steekproefje: het zoekwoord Finsterwolde leverde 5 treffers op. Van die 5 zijn er 2 (40 %) echter onbruikbaar:

Ce journal ne peut être consulté qu’à la Bibliothèque royale de Belgique !

Hieruit blijkt ook dat je het Frans machtig moet zijn.

De 3 wel bruikbare resultaten (60 %) betreffen de onlusten van 1892 en 1909 en een verschrikkelijke hagelbui in mei 1835:

Le Messager De Gand 29 mei 1835.

Le Messager De Gand 29 mei 1835.

Het zal voor menige lezer misschien even slikken zijn dat Finsterwolde in Friesland wordt gesitueerd. Hagelstenen als duiveneieren zorgden er voor een ravage in de korenvelden, de (bloeiende) fruitbomern hadden extra veel te lijden, maar van alle bomen werd het blad verscheurd.  Sinds mensenheugenis had men zoiets niet meegemaakt.


Rangoon, Zuiderpark

11-30-2008_023
Een pracht van een veranda in het Groninger Zuiderpark:
11-30-2008_022
De villa heet Rangoon, en werd in 1881 gebouwd in opdracht van Egbert Willem Wolter Dickgreve (1848-1896):
LC 4 okt 1882
Hij was koopman in Rangoon in Birma geweest en wilde zich waarschijnlijk in Groningen vestigen. Hier had zijn gelijknamige grootvader gewerkt als kruidenier en apotheker, laatstelijk in de Gouden Ploeg aan de Ebbingestraat. Hier was zijn vader, later predikant van Denekamp, geboren, afgestudeerd en getrouwd. Maar er kwam iets tussen en Dinckgreve jr. en vrouw keerden terug naar Rangoon, waar hij van 1888 tot 1891 nog onbezoldigd consul der Nederlanden is geweest, voordat hij en zijn vrouw andermaal repatrieerden om zich in Nijmegen te vestigen.

Aan deze Dinckgreve danken we dus die veranda. Waar trouwens nooit een mens op zit, want het pand is al vanaf 1971 kantoor.

Meer info over dit monument.


‘Arme grond, rijke man’

002 was 005

Met veel genoegen naar ‘Arme grond, rijke man‘ gekeken, de aflevering van de IJzeren Eeuw-serie over W.A. Scholten, de Groninger agro-industrieel en grondvester van een multinational. Niet omdat deze uitzending mijn beeld van deze man nu zo veranderde, want in de kranten van zijn tijd las ik gewoon iets te veel bedrijfsongevallen waar hij zich niets van aantrok, en de anekdote over de eenhandige man die van Scholtens nog maar de helft van zijn loon kreeg, verbaasde me dan ook niets. Bovendien passeren we regelmatig zijn prots aan de Hereweg (tuinhuis, villa, grafmonument) om te beseffen wat voor man dat was, die hierin zijn genoegdoening vond.

Nee, we kenden die Scholtens eigenlijk al, maar de aflevering was verrassend door de keuze van de settings en, vooral, de interviewees: twee vrouwen, Dorien Knaap en Carolien Verhoeven als meest in het oog lopende deskundigen, twee stoere scheepsbouwers juist voor de emotionele noot in duplo.

Nog een minpuntje. In het begin van de uitzending werd het veenkoloniale gebied van voor Scholtens voorgesteld als gebied waar niets wilde groeien. Dat is natuurlijk onzin, die er alleen maar toe dient om het verhaal scherp aan te zetten. Helaas nam het narrativisme hier een loopje met de nauwkeurigheid.

Een paar keer zie je een scène van presentator Hans Goedkoop op de studiezaal van de Groninger Archieven. Dan ligt er een dik goudachtig boek op zijn tafel. Er werd verder niet op ingegaan, voor het verhaal was het een overbodig object. Toevallig heb ik dat foto-album net vorige week in handen gehad. Het is werkelijk een prachtstuk – zie boven.


Een onverwachte plek voor asperges

Manet aspergebundel 1880 Wallraf Richartz

Groningen, voorjaar 1715. De plotseling mataglap geworden kandidaat in de theologie Van Selbach slaat zijn broer dood. “Hij had het paaslam geslacht”, verklaarde de predikant in spe achteraf:

“Het moest volbracht worden”.

En dan te weten dat de gebroeders Van Selbach de dag tevoren nog genoeglijk met elkaar asperges hadden zitten eten. Dat overheerlijke galgenmaal zegt natuurlijk nog niet dat het voornaamste ingrediënt hier ook vandaan kwam. De asperges kunnen immers import zijn geweest. Hoewel ze dan bij de toenmalige, zeer langzame middelen van vervoer als paard en wagen, beurtschip en trekschuit aanzienlijk aan kwaliteit zouden hebben ingeboet.

Inderdaad zijn er bewijzen, dat de aspergeteelt ooit min of meer gewoon was in en om de stad Groningen. Ten eerste werden werden aspergeplantjes hier rond 1750 bij de vleet aangeboden. Zo woonde er een bloemist en deurwaarder aan de Rademarkt, Lambertus van Alsema, die vanaf 1744 herhaaldelijk in de Groninger Courant adverteerde, dat hij onder meer “enige duizenden allerbeste aspergeplanten” te koop had. Begin jaren 1760, als deze Van Alsema gestorven is, springen er twee hoveniers in het gat in de markt: J.G. Becker aan de Nieuwe Kijk in het Jatstraat (anno 1764 als stadshovenier de ontwerper van het Sterrebos) en zijn collega Andreas Danikes vooraan in de Volteringestraat (= Folkingestraat). Ook koopman H. Brommelkamp in De nieuwe Spijkerboor aan de Steentilstraat verkoopt dan jonge aspergeplanten. En in de jaren 1770 duikt dergelijk commercieel pootgoed buiten de stad op, bij de hovenier van artilleriemeester Trip op de Vredenburg, een huis van stand in Sappemeer.

De prijzen waarvoor de één en tweejarige aspergeplantjes werden aangeboden? Per honderd kostten ze tussen de 15 en 22 stuivers, ruim het dagloon van een geschoolde, volwassen timmerman. Geen spul dat iedereen zich kon veroorloven. Of ligt dat wat genuanceerder?

De bovengenoemde bloemist Lambertus van Alsema moet zijn aspergeplantjes buiten de Oosterpoort hebben opgekweekt. Daar had hij een hof (= siertuin) van meer dan 100 roeden en nog een flinke lap grond tussen de Witte Latten- en de Oliemuldersteeg, die hij naderhand in percelen ging verhuren, toen hij een moeskerij met 661 roeden (ruim een hectare)  Pelstergasthuisgrond aan de westzijde van de Oosterweg overnam. Of Van Alsema zelf ook het product asperges teelde, weet ik niet. Maar in de omgeving van zijn gronden kwamen, getuige een viertal verkopingen, wel aspergebedden voor:

1728

De hof van Nanne Aijkes aan het pad langs het Nieuwe Graven Diep oftewel de Griffe,

“sijnde voorsien met een somerhuijs, deftige aspergie bedden en vrugtbomen”.

NB: Aijkes had in de Steentilpoortendwinger nog een hof.

1734

De hof van wijlen secretaris Hoisingh tussen de Cuba- en de Witlattensteeg met “schoone vrughtbomen, planten en aspergiebedden”. N.B.: Hoising bezat verder drie panden aan de Schoolholm en het A-kerkhof. Op zijn hof buiten de Oosterpoort zat een pachter, de kennelijk ter zake kundige “mr. Joost hovenier”, wiens aanplant èn huisraad uitdrukkelijk van het verkochte hof werden uitgezonderd. Waarschijnlijk bewerkte deze Joost de aspergebedden van de notabele hof-eigenaar. Er woonden in de omgeving wel meer hoveniers en mensen die hand- en spandiensten op hoven verrichtten. Zeer waarschijnlijk waren dit de eerste vaste bewoners van het gebied buiten de Oosterpoort na de moeskers.

1745

De “tuin of behovinge” van weesheer P. de Cock en zijn vrouw,

“Voorsien van tyn voor 3 jaar groote nieuws angelegte Asperge Bedden en veelerhande jonge exquisite Vrugtdragende boomen, zeer angenaam gelegen aan de overzijde van de Trekvaart buyten ’t Kleine Poortjen op de streek van ’t MIEUWERT, als meede een Somer huijs, staande boven een Gragte uytziende over de Groenlanden op de Stadt, de weg, en het lopend Trekdiep; Een prieel en verdere Commoditeyten, als de Gegadigde in ogenschijn kunnen neemen.”

N.B. De precieze ligging van deze hof was aan het Winschoterdiep, even binnendijks ten zuiden van de oliemolen, temidden van groenland, op een lokatie tussen de huidige Van Julsinga­straat en Verlengde Frederikstraat. Inderdaad had je van hieruit, als je standpunt maar hoog genoeg was, een fraai uitzicht op de stad met haar wallen, poorten en torens.

1758

De “Welgeleegen Hof” van A.J. Schutte,

“zynde het eerste in de Kuibasteeg, zynde voorzien met een steene Zomerhuys, Stookhuys, Privé en Regenbak, benevens 6 Aspersie Bedden en veel Fyne Vruchtdraagende Boomen; beneffens een groot getal Persiker Abrikosen en Wyn Stokken. Die het zelve in Oogenschyn gelieft te neemen, kan de Sleutels by bovengenoemde laaten haalen; Het zelve is reeds bepoot en beplant.”

N.B. Schutte was wijnhandelaar, eigenaar van Het Provinciale Koffiehuis aan de Brede Markt en handelaar in Franse pruimen. Zijn hof lag in de hoek Oosterweg-Cubasteeg noordzijde.

Bij verkopingen van de meestal veel grotere moeskerstuinen werden aspergebedden nooit genoemd. Deze vier hoven vormden bovendien maar een kleine minderheid van alle hoven buiten de Oosterpoort en het Kleine Poortje. De teelt van asperges was dus niet grootschalig. Anderzijds ging het wel om zeer opvallende hoven. Iedereen die toentertijd in deze omgeving rondliep, moet ze hebben gekend. In drie van de vier gevallen bleken de eigenaren van hoven met aspergebedden in goede doen. Zij zullen het arbeidsintensieve werk aan de bedden hebben overgelaten aan hoveniers, die vaak in de onmiddellijke nabijheid, zo niet op de hoven woonden.

Toch ontbeerde een van de vier eigenaren een titel en een familienaam. Maar een armoedzaaier kan deze Nanne Aijkes niet echt geweest zijn, daar hij ook elders nog een hof bezat. Hoe het ook zij met die Aijkes, buiten de Oosterpoort was de grond uitstekend geschikt voor de aspergeteelt. Want de asperge gedijt met zijn dikke, vlezige, diepgroeiende wortels het best op zandgrond en het allerbest op zandgrond met een ondergrond van klei, omdat die snel opwarmt. Maar van veel vocht heeft de asperge zijn bekomst, dus moet die zandgrond wel goed afwateren. En aan die criteria voldeed de grond buiten de Oosterpoort. Onder een laag middeleeuwse en later opgebrachte cultuurgrond van één à anderhalve meter zat er immers nog een half metertje dekzand, waaronder zich keileem bevond. Maar dat keileem hield het water niet op. Als het flink regende, vloeide het hemelwater dankzij het aflopen van de Hondsrug vlot naar de ringsloot van polder de Meeuwerd (nu Meeuwerderweg).

Diezelfde oostelijke helling van de Hondsrug zorgde ervoor, dat de aspergebedden er na zonsopgang razendsnel opwarmden. Nu bevonden zulke gronden waar asperges het goed op doen zich wel meer in de omgeving van Groningen. Inderdaad waren er vlakbij of wat verder weg nog wel meer hoven met aspergebedden. Aan de andere kant van de Hereweg, op de westflank van de Hondsrug, bijvoorbeeld:

1743

De hof van de weduwe van Jan Bazuin aan de Baresteeg, met “drie Espergy Bedden”.

1751

Een “extra Vermaakelyk en groot Vrugtbaar Hof” van Tamme Jacobs aan het eind van de Aduardersteeg,

“hebbende haar uytzigt over het Land (…), met extra vrugtbaare Wynstokken, Persiken, Abricosen, Kersen en 8 schoone Aspergie Bedden (…)”

Opmerkelijk: in geen van beide gevallen ging het om gerenommeerde eigenaars. Dat was wel weer het geval met de Gezworene H. Bloemert, die in 1744 behoorlijk wat onroerend goed aan de oostzijde van het Schuitendiep, tussen de Steentil- en de Sint-Jansbrug, van de hand deed, onder andere een hof met “Deftige Vrucht Bomen, Aspergie Bedden &c”.

Eveneens in goede doen waren de bezitters van buitenhuizen in de omgeving van de stad, waarbij zich soms aspergebedden bevonden. Zo lagen er anno 1751 maar liefst achttien in een keukenhof bij een huis van stand te Eelde en beschikte ook het landgoed Ekenstein bij Appingedam anno 1753 over meerdere aspergebedden.

Tijd voor een afronding. Rond 1750 vormden aspergebedden vlakbij en in de stad Groningen bepaald geen onbekend verschijnsel. Niet dat iedereen er nou asperges teelde, verre van dat, maar iedereen kende wel liefhebbers, gezien de verspreiding. Getuige de namen en functies van eigenaars der aspergebedden, waren die vaak in goede doen, maar niet noodzakelijkerwijs, want er zitten ook mensen bij zonder titels en klinkende familienamen.

Zullen de notabele eigenaars het arbeidsintensieve werk aan hun bedden hebben overgelaten aan hoveniers, die vaak in de onmiddelijke nabijheid van, zo niet op hun hoven woonden, ook sommige mensen die van zonsopgang tot zonsondergang moesten werken om zich in leven te houden, leken er de tijd en het geld voor over te hebben. Dit waren de èchte liefhebbers, dunkt me.

Omstreeks 1994 in iets andere vorm verschenen in wijkkrant De Oosterpoorter.


Rondje Leek

De Poffert:
2015-04-24 007
Batse kwik:
2015-04-24 010
Langs het Hoendiep:
2015-04-24 017
Bij Enumatil vloog een roofvogel op van een plek waar een andere bleef zitten. Op de grond nestelende buizerds? Het schijnt wel eens voor te komen.
2015-04-24 027
Bij de Traansterweg:
2015-04-24 031
Doel van de reis: de opening van de Eerelman-tentoonstelling in Museum Nienoord:
2015-04-24 041

Je mocht op deze expositie niet fotograferen en ik ben daarom niet zo lang gebleven. Weer naar buiten, waar de vogeltjes fluiten:

2015-04-24 045
Grappig bootje op het Leeksterhoofddiep:
2015-04-24 052
Eikentweeling:
2015-04-24 053
Bij het Leekstermeer in de buurt:
2015-04-24 075
Voor de molen van Roderwolde zong een shantykoor uit Roden net zijn laatste noten. De heren kregen een borrel:
2015-04-24 083
Boom op wagen bij het Waal:
2015-04-24 084


Onlander rondje

Blaarkop:

2015-04-23 006
Reiger op jacht:
2015-04-23 011
Scholekster:
2015-04-23 014
Wegje, slootje, boomwalletje:
2015-04-23 016
Mishandelde eik:
2015-04-23 023
Even dat pad op:

2015-04-23 029

Dagpauwoog, zich warmend in de zon op het beton:
2015-04-23 033
Niet storen a.u.b., we zijn bezig:
2015-04-23 040
….zaad langs de Drentsedijk:
2015-04-23 042
Woerd wil indruk maken:
2015-04-23 049
Grutto bij de Peizerhorst:
2015-04-23 063
Bij Eelde:

2015-04-23 096

 


Onbekende filmbeelden van pas bevrijd Groningen

Er zitten bekende shots tussen de filmbeelden die Beeld & Geluid vandaag op YouTube postte van het pas bevrijde Groningen (medio april 1945). Een paar. Maar het gros had ik nog nooit eerder gezien:


Keuringsarts bezwendeld met krappe hupzelen

In 1832 moest je nog loten voor de militaire dienst. Hoe meer jongens uit je dorp afgekeurd waren, hoe groter de kans dat jij als gezonde Hollandsche jongen inlootte en in dienst moest. Balen!

Daarom werd fraude bij de keuring, die in de twintigste eeuw stof voor allerlei heldenverhalen gaf, in de negentiende eeuw bepaald niet op prijs gesteld door je leeftijdgenoten. Albert van Loo en Mannes Harkema, twee boerenknechts van Grootegast, hebben dat bijvoorbeeld mogen merken.

Bij hun opmeting ter keuring voor de militaire dienst bleken beide slechts 156,5 centimeter groot. Te klein om als kannonnenvoer te dienen. Onderdeurtjes. Vrijgesteld!

Acht andere Grootegaster jongemannen van hun lichting, jongens waarmee ze nog in de klas hadden gezeten, vonden dit oneerlijk. Ze meenden dat Albert en Mannes normaal wèl groot genoeg waren om goedgekeurd te worden.  Algemeen werd gezegd – en dat zou desnoods ook wel bewezen kunnen worden – dat beide jongens zich  probeerden te verkleinen

“door middel van het ontnemen der natuurlijke nachtrust, door veelvuldig gebruik van sterke drank, door het dragen van zware lasten, door zich stijf in de hulpseelen te vinden”.

Tot “algemeen verwondering” hadden ze hun doel ook nog bereikt. Daarom wendden hun gedupeerde medelotelingen zich tot de Gouverneur, de Commissaris des Konings in de provincie Groningen, met het verzoek om Albert en Mannes te laten hermeten,

“zonder zulke kunstgrepen vooraf te kunnen gebruiken”.

De Gouverneur bleek het gloeiend met ze eens. Hij schreef de Burgemeester van Grootegast dat die de beide jongens al de volgende dinsdag moest laten ophalen door de gemeenteveldwachter, die ze dan naar het provinciehuis in Groningen moest brengen. Burgemeester en veldwachter moesten hierbij discretie betrachten:

“Het zal noodig zijn dat deze personen niet te vroeg met het doel hunner reize naar herwaarts worden bekend gemaakt, opdat zij onvoorbereid voor Gedeputeerde Staten verschijnen, en geene middelen bezigen welke zouden kunnen strekken om het gemelde college te misleiden.”

Hoe de hermeting in bijzin van het provinciebestuur verliep, melden de stukken helaas niet, en evenmin is bekend, of Albert en Mannes ingeloot werden, en daadwerkelijk hun dienstplicht moesten vervullen. Maar dat ze er bij hun leeftijdgenoten uit lagen, lijkt haast wel zeker.

Bron: Henk Hartog, ‘Stijf in de hulpseelen’ en andere kunstgrepen, in: GroninGEN, afdelingsorgaan NGV afd. Groningen, april 2015 (XXII-2).


Opmerkenswaardige archivalia

In dezelfde archiefdoos met het dossier over de Paardenkeuring zitten ook nog wat mappen met kleurig spul van later datum:

– Briefhoofd van De Ploeg (1938):

004

– Affiche voor een tentoonstelling van jonge Nederlandse schilders (1953):

005

In esthetisch opzicht is dit een fijn weekje.


Een kijkje bij het nieuwe fietspad tussen Hoogkerk en Stad

Vanochtend bleek dat de aanleg van het fietspad is begonnen. Dit is het stukje dat richting de Hunsingolaan voert:
2015-04-21 002
Op het lange eind, tussen de kniebocht in de Peizerweg en Ruskenveen/Hoogkerk was ook al een graafmachine bezig:
2015-04-21 007
Vanmiddag laat was dit het beeld:
2015-04-21 009
De teellaag is er opmerkelijk dun, je zit er zo op het zand:
2015-04-21 012
Het pad maar eens even een eind afgelopen. Rechts de tochtsloot die het water van hier ooit naar de Zuiderwatermolen van Hoogkerk voerde:
2015-04-21 014
Her en der bakstenen in de grond, sporen van vrij recente bewoning:
2015-04-21 015
Nog eens de tochtsloot, die dus vrij breed is:
2015-04-21 018
Op de terugweg richting stad, met rechts de KPN-antennetoren:
2015-04-21 021


Hoeveel Eerelmans Paardenkeuring kostte

Otto Eerelman, De Paardenkeuring van de 28ste augustus (1920), collectie gemeente Groningen (stadhuis).

Otto Eerelman, De Paardenkeuring van de 28ste augustus (1920), collectie gemeente Groningen (stadhuis).

De vraag was: Weet jij hoeveel het schilderij de Paardenkeuring de gemeente kostte ?

Dat wist ik niet. Het bleek ook nogal een zoektocht.

Via Harry Kraaijs boek over Otto Eerelman kom ik al vlot bij het gemeentelijke dossier over de opdracht. Daarin zit wel de begeleidingsbrief van Eerelman voor diens nota d.d. 30 juni 1920, maar niet de nota zelf. Ook noemt het briefje het bedrag niet.

Wel is het episteltje voorzien van de gemeentelijke potlood-notitie dat er een bevelschrift tot betaling uitgegaan is. Maar wie betaalt zo’n som namens de gemeente? Via de inventarissen van de gewone stukken archief (series, dossiers) kom ik er niet uit.

Dan herinner ik me dat de gemeenteontvanger een apart archief had (iets wat je inderdaad maar net moet weten). In de door de ontvanger opgemaakte gemeenterekening over 1920, echter, blijkt op de  – wat mij betreft – voor de hand liggende plekken evenmin iets over Eerelmans werk te vinden. De ontmoedigende vraag dringt zich op: zou het bedrag later betaald zijn?

Nee, zo blijkt, als ik het mandaatregister met de verordonneerde betalingen van 1920 er nog even op nasla. Het meldt dat de kunstschilder Otto Eerelman op 5 juli 1920 een bedrag van ƒ 5500,- kreeg wegens diens levering van een schilderij.

Uit de verwijzing naar de gemeenterekening  blijkt daar, dat de som onzichtbaar en dus zeer discreet opgenomen is in een optelpost van sommen, betaald voor verfraaiing van het stadhuis.  In de rekening viel het antwoord op de vraag, kortom, sowieso niet te vinden. Op de aangewezen, vroege plek van de optelpost in de rekening zou ik het bedrag ook nooit hebben gezocht – in de veel oudere stadsrekeningen, waar ik ruim ervaring mee heb, vind je dat soort buitengewone, eenmalige uitgaven altijd in het laatste hoofdstuk, dus achterin.

Enfin, dat bedrag van 5500 gulden in 1920 komt volgens het omrekeningstooltje van de IISG neer op bijna 30.000 euro nu. Ik denk eigenlijk dat het omgerekende bedrag nog hoger zou moeten zijn, Destijds kon je er een kast van een pand voor die 5500 gulden kopen, nu niet eens meer een klein huis voor het vermeende equivalent.

Natuurlijk zou een groot schilderij als de Paardenkeuring beduidend meer dan dat IISG-bedrag opbrengen, als het onder de hamer kwam.


Rondje Aduard en Middag

Leegkerk vanaf een karrespoor in een weiland, waarvan het hek open stond:
2015-04-19 019
Topgevel kerk Aduard:
2015-04-19 022
Beschildering tongewelf kerk Aduard:
2015-04-19 030
Lichtval in de kerk van Aduard:
2015-04-19 037
Detail herenbank (leeuw) in de kerk van Aduard:
2015-04-19 063
De kerk van Fransum, gezien vanaf Hardeweer:
2015-04-19 086
De kerk van Fransum, gezien vanaf Suttum:
2015-04-19 092
Een kieviet bij de Oldijk onder Ezinge:
2015-04-19 108
Hindoeïstisch circus slaat tent op bij Feerwerd:
2015-04-19 122
Feerwerdermeeden:
2015-04-19 126
Aalscholver op waarschuwingsbord bij het Aduarderdiep ambieert rol als gier in cowboyfilm:
2015-04-19 132
Dorkwerder hazen:
2015-04-19 139


Rondje Pasop

Onlanden, zwanenvlucht:
2015-04-18 005
Droog plekje op de Onlanden met hondsdraf:
2015-04-18 007
Bij Lettelbert:
2015-04-18 017
Paard wil naar ander paard aan de overkant van de sloot, maar dat kan niet:
2015-04-18 018
Bloesem op het talud van het viaduct tussen Lettelbert en Oostwold:
2015-04-18 026
Vervallen schuurtje in Lettelbert:
2015-04-18 027
Schapen op de Traansterdijk:
2015-04-18 036
De Lage Traan:
2015-04-18 040
De kievieten erboven:
2015-04-18 044
Boer woelt land om, meeuwen vinden dat leuk:
2015-04-18 047
Pasop:
2015-04-18 057
Tulpen en hyacinten voor het slooppand aan de Aduarderdiepsterweg:
2015-04-18 083


Paterswoldse aardbeien

Ottolander, Nl flora & pomona (Groningen 1875)

“EELDE, 21 Aug. Sedert de groententuinen bij de stad Groningen meestal tot bouwterrein zijn gebruikt hebben vele arbeiders in deze gemeente en vooral te Paterswolde zich met kracht op de groenten- en vruchtenteelt toegelegd. Velen hebben hun bestaan daardoor vrij wat verbeterd en zijn daardoor in vrij wat beter conditie dan vroeger. De grond schijnt hier voor de cultuur van deze vruchten uitstekend geschikt te zijn en vooral levert het kweeken van aardbeien aanzienlijke voordeelen op. Een der kweekers van deze plant verkocht in dit seizoen van 11 Are land voor ruim ƒ 200, dit zou van een H.A. dus ongeveer eene opbrengst van ƒ 1800 worden.”

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 22 augustus 1898.

Commentaar: zoals wel vaker, berichtte de krant hier vrij laat over een zich langzaam voltrekkende ontwikkeling. De moeskerijen buiten de  wallen van de stad die eerder groente en fruit leverden aan de stadjers, werden immers al vanaf 1875 bestemd voor woningbouw. Zo stamt de Warmoesstraat in de Oosterpoortwijk van 1879, terwijl de Jacobstraat van 1877  is en de Frederikstraat van 1878.  Rond 1880 stegen de stedelijke groenteprijzen dus al en moeten de arbeiders van Paterswolde, die steeds minder emplooi in de turfgraverij vonden, hun kans hebben geroken.

Paterswoldse aardbeien waren al gauw een begrip in Groningen. Ze werden in “groote hoeveelheden” verbouwd op “enorme aardbeienvelden” die vooral tijdens de bloei een “magnifiek gezicht” opleverden. Eind jaren 20 echter, zat er even een dip in de teelt. Misschien hing deze dip samen met de economische crisis? Maar de vraag naar de luxe lekkernij herstelde zich vlug en in mei 1934 kondigde het Nieuwsblad van het Noorden zelfs de aankomst van de eerste aardbeien in de stad Groningen aan, alsof het een equivalent van de Hollandse Nieuwe betrof.

Paterswoldse aardbeien werden ook een exportproduct. In juni 1936 gingen ze al eens per vliegtuig naar de Nederlandse ambassadeurs in Brussel en Londen, beide oud-Groningers.  Dit gebeurde door de veilingvereniging van Eelde/Paterswolde op verzoek van de gemeenter Eelde. Vanaf 1947 kwam een export per vliegtuig naar Londen tot stand, waar ze dan misschien ook wel op Wimbledon zijn verorberd.

Intussen kwamen ze in Groningen vooral door venters aan de man. Zo maakte ik er ook kennis mee, omstreeks 1977. Dat was nog net op tijd, want in 1980 bleek de teelt al “nagenoeg verdwenen”. Al met al heeft ze dus een eeuw bestaan.