Gronings antisemitisme in Amsterdams theater
Geplaatst op: 15 maart 2015 Hoort bij: Geschiedenis 6 reactiesAl eerder kwam hier ter sprake dat de Groninger adel in de negentiende eeuw nogal plat en onbehouwen uit de hoek kon komen. Dat gold niet alleen voor de Trippen, maar ook voor anderen, als we deze anekdote van Waalko Jan Roelfsema mogen geloven:
“Een typische figuur uit de tweede helft der 19e eeuw was notaris van Swinderen, die te Ezinge zijn standplaats had en op het oude riddergoed Allersma woonde, terwijl hij tegelijkertijd een huis in de stad hield: “Het Huis met den Schoonen Gevel” aan de Groote Markt. Hij was, wat men in Groningen een “plat man” noemt, plat in zijn taal, ongegeneerd in zijn doen, vriendelijk en voor iedereen een goed woord hebbend, nooit den meneer uithangend.
Eens is hij in Amsterdam en bezoekt ’s avonds het theater Prot in de Plantage. Tijdens de groote pauze loopt de zaal gedeeltelijk leeg. V. Swinderen, die in de stalles zit, gaat eens opstaan en kijkt rond. Boven op de galerij ziet hij een bewoner van Ezinge staan, dien hij met luide stem toeroept:
“Jij ook hier Aalfs?”
“Joa meneer notoares, meneer ook?”
“Bult jeuden hier van aovond.”
“Joa, merneer notaoris, hier boven bin ook niks as jeuden.””
Bron: Waalko Jan Roelfsema, Aantekeningen, cahier III.
Commentaar: Reneke Meinard Adriaan van Swinderen (1823-1899, portret) erfde de Allersmaborg op zijn 25e en was vanaf zijn 30e notaris in Ezinge, waar hij zich “zeer geliefd” maakte. Je kunt het bovenstaande gemoedelijke lulpraat noemen en er zullen misschien verder ook geen kwade bedoelingen achter hebben gezeten, maar de implicatie was wel degelijk dat er teveel joden in de zaal zaten. En daarmee zijn de uitlatingen antisemitisch te noemen. Antisemitisme was deze edelman en zijn dorpsgenoot dus niet vreemd.
De pennekunst van Jacob Derks Huisinga
Geplaatst op: 15 maart 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten, Stad toen Een reactie plaatsenIn de handschriftencollectie Fransema vinden we een deeltje dat de inventarisator ‘Pennekunst en Treklust’ noemde en dateerde op 1767. De toegang noemt geen naam van een maker, maar het blijkt te gaan om een boekje met penwerk en schrijfvoorbeelden, vervaardigd door een Jacob Derks Huisinga, wiens naam er ook veelvuldig in voorkomt.
Volgens het Stamboek van de doopsgezinde familie Huisinga (ook wel Huizinga) was de vader van deze Jacob Derks Derk Jacobs (Groningen 1684-1738). Samen met diens vrouw Grietje Pieters Ploeg (1695-1762) kreeg deze negen kinderen, waarvan Jacob Derks Huisinga (1736-voor 1784) het negende, daarmee het jongste en vanaf 1753 het nog enig overlevende was. Mogelijk werd hij onderwijzer of schrijver/klerk. Bottema noemt namelijk een schoolmeester Jacob Derks Huisinga te Wehe anno 1781-1782. Toch lijkt zo’n functie wat onwaarschijnlijk, omdat schoolmeesters eigenlijk de gereformeerde formulieren van enigheid moesten ondertekenen.
Sowieso was ‘onze’ Jacob Derks in 1765 te Groningen getrouwd met een Grietje Loman, met wie hij in 1769 een huis aan de Raamstraat kocht. Dat was niet echt op stand, maar het paar hoeft hier niet te hebben gewoond, de aankoop kan een belegging zijn geweest. Volgens het Stamboek kreeg het echtpaar drie kinderen: te weten twee dochters – Grietje (1768) en Eefje (1770) – en een zoon Derk (1773) die later mogelijk doopsgezind predikant in het Oldambtster Midwolda was.
In elk geval was het penwerk van Jacob Derks Huisinga van hoge kwaliteit. Diens boekje begint met diverse gotische en latijnse lettersoorten:

Vrijwel altijd betrok Huisinga de teksten, zoals deze over wijzen die nog wijzer worden, uit de bijbel:

Gebroken gotisch schrift:

Het begin van een alfabet met sierkapitalen:

Penwerk met plantaardige omlijsting:

Eenvoudig gebed – “Hier vind gy in dit bestek, ses letters in één trek”:

Leus in kruissteekletters, omlijst door penwerk en figuren (engelen boven, bladeren onder):

Vigilantia (waakzaamheid) met gecopieerd avondmaalstractaatje van de gereformeerde puritein Saldenus:

Blad met gecopieerd voorblad van een Duitse bijbel uit 1751:

Vogel bestaande uit een doorlopende tekst, met bijwerk:

Dat Huisinga wel goed met de trekpen overweg kon, maar slechts een matig tekenaar was, bewijzen de engeltjes links en rechts op de pagina ter ere van zijn moeder. Aangezien zijn vader overleed, toen Jacob Derks Huisinga twee jaar oud was, is het geen wonder dat de zoon haar als zijn belangrijkste opvoeder zag:

Even verderop een beschadigde pagina met een drinkbokaal, die een pagina met speelkaarten afdekt:

Uiteraard moest Huisinga als vroom christen weinig weten van het kaartspel. Op de afdekkende bokaal staat dit gedicht:
Regt deese roemer op
so vind gy daar de kaart
By veelen hoog geacht
by my zeer weinig waard
Want ’t waare spreekwoord segt
daar Baghuis sit ten toon
daar ’s Dobbelen gewis
En Zonde op den Throon.
Almanach (soort universele kalender voor aan de wand):

Grieks alfabet (er is ook een Hebreeuws):

Het topstuk, bestaande uit een trompe l’oeil met krant en almanak:

NB: Er was geen vrijdag 17 februari in 1768, die datum viel dat jaar op een woensdag. Ook levert zoeken in de Groninger Courant bij Delpher op de trefwoorden chaloup, Nabab en Heidukken (zoals die in de tekst voorkomen) niet een dergelijke pagina op. De conclusie moet zijn, dat Huisinga deze krant verzon.
Tot slot een hijgend hert, der jacht ontkomen (van Psalm 42).

—
NB: de genealogische en biografische notities aan het begin van dit logje zijn op 19 maart sterk herzien.
Herman Poort over Groningers en cultuur
Geplaatst op: 14 maart 2015 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen“Nee, ik zou niet graag iets kwaads van Groningen en de Groningers zeggen, want ik vind hier in deze stad, die ik liefheb, waarlijk belangstelling en waardeering genoeg. Groningen is nu eenmaal geen kunststad, nog minder een stad voor literatuur, maar de menschen voelen hier zuiver en wenden zich dadelijk af van iets dat onecht is of gemaniëreerd. “
Zie verder Den Gulden Winckel, 1919.
Smokkel in tijden van hongeroproer
Geplaatst op: 13 maart 2015 Hoort bij: Familie Een reactie plaatsen
Linksboven Oudeschans, ongeveer in het midden De Lethe en rechts Duitsland. Topografische en militaire kaart ca. 1854.
De broers Hindrik (17) en Heiko Perton (14), beide geboren en woonachtig in Oudeschans, waar ze werkten als arbeiders, liepen op Sinterklaasavond 1845 behoorlijk tegen de lamp. Ze werden ergens tussen Oudeschans en de grens staande gehouden en bekeurd door twee commiezen, die de “frauduleusen invoer van geraffineerd zout” constateerden. Elk van de beide jongens had een zak met 4 pond en 5 ons bij zich. Ze bekenden grif. Er viel gewoonweg niets te ontkennen.
Ook Heiko, de jongste, had het “oordeel des onderscheids” volgens de Rechtbank in Winschoten, waar ze tien maanden later voor het hekje moesten komen staan. De officier van justitie eiste twee maanden gevangenisstraf tegen beide. De rechter achtte het ten laste gelegde bewezen. Van hem kreeg Hendrik een maand en Heiko veertien dagen cel. Uiteraard ontvingen de jongens hun zout niet terug.
NB: Het is de tijd van aardappelziekte en hongeroproer. Ook mijn betovergrootvader, Elzo Perton, werd in deze jaren betrapt op smokkel, wat een vrij gewone bijverdienste was voor de wat meer marginale arbeidskrachten. Hindrik en Heiko waren zijn neven.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 882 (archief Arrondissementsrechtbank Winschoten) inv.nr. 227, volgnr. 108. Met dank aan Jan-Paul Wortelboer voor de attendering!
Groninger adel sprak zo plat mogelijk
Geplaatst op: 12 maart 2015 Hoort bij: Stad toen, Taal Een reactie plaatsenBijnamen zijn hier wel vaker ter sprake gekomen, maar vrijwel altijd als betitelingen van mensen uit de onderste lagen van de samenleving. Het gekke met de bijnamen die Waalko Jan Roelfsema (1847-1937) zich vooral uit zijn jeugdjaren herinnerde, is nou juist dat ze vrijwel allemaal behoorden tot lieden uit de bovenste lagen van de stad-Groninger samenleving.
Als tamelijk misantropisch ingesteld mens had Roelfsema, een ondernemer en langdurig gemeenteraadslid, een fijn ontwikkeld gevoel voor de ondeugden van zijn evennaasten, en dus ook voor de bijnamen die daar uitdrukking aan gaven. Het aardige is, dat sommige van die ondeugden te maken hadden met taal.
Dat Groningers in het derde kwart van de negentiende eeuw overdreven Hollands spreken niet zo op prijs konden stellen, zal misschien nauwelijks verbazen. Over de “stront-prefect” Evert Buttinger meldt Roelfsema, dat deze directeur stadsreiniging (later burgemeester van Wedde en Zuidhorn) “kazerne hollandsch” sprak. We herkennen hier meteen een Groninger type in, dat nu nog steeds bestaat en dat liever een plat-randstedelijke tongval hanteert, dan zich te laten betrappen op een meer autochtoon accent.
Nog erger was de commissionair Mulder, een collega van Roelfsema als bestuurslid van de Groningse Kamer van Koophandel. Roelfsema:
“Hij had iets opvallend pedants in zijn manieren en sprak erg hoog-haarlemmerdijks en dat op bloemzoeten toon, zoodat zijn bijnaam niet slecht gekoozen was.”
En hoe luidde dan die bijnaam van Mulder? Wel, men noemde hem “de hollandsche ruiter“. Zo iemand zat nogal hoog te paard, moet je maar rekenen.
Hier tegenover stonden echter de heer en mevrouw Trip. Naar de manier waarop deze man en vrouw elkaar aanspraken, heetten ze “Hinderk Jan mien jong”, respectievelijk “Kato mien wicht”. Omdat zijn vader in 1817 in de adelstand verheven was, mocht Trip zich jonkheer noemen – deze wethouder en gemeente-ontvanger behoorde tot een oude stad-Groningse regentenfamilie, die een jongere tak was van een eveneens patricisch Amsterdams geslacht. Die verre afkomst was in de taal van hem en zijn vrouw echter absoluut niet te merken, aldus Roelfsema:
“Deze soort lieden, de adelijken en de patriciërs, onderscheidden zich door hun zeer groningschen spraak en gebrek aan manieren; zij schenen er haast een eer in te stellen zoo plat mogelijk te doen en te spreken.”
Bij toeval eens in Apeldoorn in hetzelfde hotel verblijvend als de heer en mevrouw Trip, die als Groningers steeds hun gezelschap zochten, geneerden Roelfsema en vrouw zich voortdurend wegens
“de zeer laagbijdegrondsche gesprekkken en de platte taal van onze stadgenooten”.
Andere gasten vroegen de Roelfsema’s wie dat toch voor mensen waren, aan hun tafel:
“en kon men niet gelooven dat men aangezeten had met menschen van den groningschen adel.”
Verdampt geld
Geplaatst op: 11 maart 2015 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenIn zeker familiearchief zitten zestien van deze duizendjes:

Gemaakt in 1903.

En vier van zulke honderdjes:

Gemaakt in 1910.

Let op de oorlogsschepen, links in beeld. Ze kondigen de Eerste Wereldoorlog aan en dat conflict en de nasleep ervan (inflatie) maakten dat dit geld tien jaar later zo goed als niets meer waard was.
Het betreft Duitse Rijksmarken, in totaal dus RM 16.400 en ik was benieuwd naar het Nederlandse equivalent. Als de wisselkoers hier juist is, deed anno 1910 een gulden 0,6 mark. Eén mark deed destijds dus ƒ 1,67. Alle biljetten in het familiearchief waren voor de Eerste Wereldoorlog dan ƒ 27.333 waard. Met het tooltje van de IISG waarmee je historische guldens kunt omrekenen in hedendaagse euro’s, komen we dan uit op een bedrag van bijna 300.000 euro.
Destijds kon je er sowieso een riante woning van bouwen, schat ik. De eigenaar moet het bijzonder hebben gespeten, dat dit bedrag in een paar jaar tijds verdampte.
Aan de andere kant zou het niet in het archief hebben gelegen, als het zijn waarde behouden had. Die Eerste Wereldoorlog was dus ook nog ergens goed voor. Al valt dit voordeel in het niet bij de rampspoed die over Europa kwam.
Het Wapen van Rotterdam, een vergeten tabaksmerk
Geplaatst op: 10 maart 2015 Hoort bij: Stad toen 1 reactie
Het Wapen van Rotterdam. RHC Groninger Archieven 2476-55.
Het Wapen van Rotterdam was oorspronkelijk een herberg aan de Nieuwe Ebbingestraat westzijde, met om de hoek het Rotterdammerstraatje, dat naar deze herberg genoemd is. De oudste verzegeling met de herbergnaam dateert van eind 1662, begin 1663. Waarschijnlijk bestond de zaak toen al een poos.
In 1808 vestigde ene Jan Werkman zich in het pand met een handel in koloniale waren. Hij hield het uithangbord van de herberg aan. Binnen zijn handel bleek op termijn vooral de tabak belangrijk. Nadat Theodorus Niemeijer in 1819 de zaak overnam, ontwikkelde zich uit de handmatige tabakskerverij een tabaksfabriek op stoom. Nog lang bleef Het Wapen van Rotterdam Niemeijers belangrijkste tabaksmerk.
In 1904 verhuisde de fabriek naar de Eelderweg, zoals het eerste stuk van de Paterswolderweg toen nog heette. Eelderweg is het adres op bovenstaande tabakszak, die daar dus moet zijn gevuld.
Ergens in de tweede helft van de jaren twintig werd de naam van de Eelderweg veranderd in Paterswoldseweg. De laatste keer dat Niemeijer met het merk Wapen van Rotterdam adverteerde was eind 1922 (Nieuwsblad van het Noorden) en medio 1923 (Het Volk). Bovenstaande tabakspuut stamt dan hoogstwaarschijnlijk uit de periode 1904-1925.
Nog een Jagerslied
Geplaatst op: 9 maart 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 1 reactieDe omschrijving met “diverse stukken” is niet echt verhelderend, maar enfin, ik vond in het mapje weer een ‘Jagerslied’ uit Groningen. Althans, het liedvel is hier in de stad gedrukt bij A.F. Vos in de Geestelijke Maagdenstraat (nu Rode Weeshuisstraat). Het lied werd gezongen op de melodie van de Carmagnole, een Frans revolutionair lied dat na 1795 ook populair was onder Nederlandse patriotten. In de tekst gaan de Jagers met hun kanonnen los op de Engelsen. Eigenlijk kan dat alleen zijn gebeurd in 1799 tijdens de Engels-Russische inval in Noord-Holland. Daarmee verscheen het in hetzelfde jaar als dat andere lied over Jagers die uit Groningen vertrokken – mogelijk vormde dat andere lied een satirisch antwoord op het nu gevonden lied:

Rondje Ezinge
Geplaatst op: 8 maart 2015 Hoort bij: Hoogkerk, Ommelanden, Stad nu 6 reactiesBij Den Ham – reiger verorbert rat (?):

Volledig vrij zicht op de kerk, toren en kosterij van Ezinge omdat er wat bomen weggehaald zijn:

Garnwerd vanaf de Feerwerdermeeden:

Het kerkje van Oostum:

Tussen Wierum en Paddepoel een hele ris lok-kievieten op stokjes. Erachter ligt een donkergroen net:

De bedoeling zal zijn om de echte kievieten die hierbij neerstrijken, te ringen of de eventueel al aanwezige ringen te checken. Het net wordt zo te zien bediend vanuit dit mobiele commandocentrum:

Verderop lieten zich inderdaad enige kievieten zien en horen. Ook scholeksters waren er al:

Bij de Grouwelderij aan de Paddepoelsterweg bleek een heel stel wilgen ontdaan van hun kronen:

Die wilgen waren aangeplant in 1945:

Er zat ziekte in en er bestond gevaar dat ze over het dak heen zouden vallen. Als het goed is lopen ze wel weer uit:

In de voorhof stond weer een enorme hoeveelheid sneeuwklokjes:

Nog meer nieuws: op de zuidelijke vloeivelden van de suikerfabriek, nabij het spoor, staan opeens een stuk of twaalf caravans van stadsnomaden:

Een tochtje door het Stripmuseum
Geplaatst op: 7 maart 2015 Hoort bij: Kunsten, Stad nu Een reactie plaatsenJe hebt musea waar de vaste opstelling minstens de helft van het vloeroppervlak inneemt. En je hebt musea waar de tentoonstellingen juist veel belangrijker zijn, qua ingenomen ruimte. Het Stripmuseum in Groningen is duidelijk van de laatste categorie.
Eerst ga je met zevenmijlslaarzen door de algemene stripgeschiedenis. Je komt voorbij een grottekening, kerkramen en centsprenten. Ook dit vooroorlogse boekje behoort bij dat deel van het museum:

En deze wand vol met Stripschriften:

De eerste tentoonstellingsruimte heet naar Marten Toonder. Diens portret door Jan Kruis (ca. 1995):

Eerlijk gezegd taal ik al decennia niet meer naar strips. De laatste die ik tot mij nam, stonden begin jaren 80 in de Mad of in de Fabulous Furry Freak Brothers. Maar nu is er in het Stripmuseum een expositie over de Pep, een stripblad dat ik jarenlang zeer intensief las:

Dit was zo’n beetje mijn Pep-periode, met Agent 327:

Bezit nog steeds een ingebonden halve jaargang uit 1969, met onder meer Asterix, de Argonautjes, Toenga, Blueberry, Lucky Luke en Flippie Flink. En dan ook nog gewone verhalen met illustraties van Hans Kresse. Al herinnerde ik me deze van Vidocq niet:

Voorbij de Pep een vitrine met smurfenmerchandise:

Sigmund hield net zijn spreekuur voor gezinnen:

Het fenomeen strip zal me nooit meer zo boeien als weleer, vrees ik. Toch raakte ik aan het eind van de museumtocht wel weer gefascineerd, waar je in de loopgraven belandt met werk van de een groep jonge kunstenaars, de Smilingpoliticians, over de Eerste Wereldoorlog:




‘De Boonen’
Geplaatst op: 6 maart 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Taal Een reactie plaatsenNa het lofdicht op de zoepenbrij staat er een ode aan de bonen in de schriftjes van Siepko Lameris. Hoewel bonen in de negentiende eeuw een gangbaar voedsel vormden in heel Groningerland, lijkt dit vers afkomstig uit het Oldambt:
De Boonen
De boonen geven mark en bloud
En smaoken goud.
Bie zeuven boonen ’n goud stuk spek,
Dij dat nait lust, dat is ’n gek,
Dat is gaint nao d’Oldamster trant,
Gaint oet het Grönnegerland!’n Man, nait wied van honderd jaor,
Mien bessevaor,
Et zuk er drijmaol daogs van zat,
Mien vaor, dij zag al daoge dat,
Kreeg ook de smaok en dut hom ’t nao,
En hom aop ik weer nao.Krieg ie alsmits gain boonenpap,
Ie worden slap;
Waor zij nait bie de ribben staon,
Het nooit ’n man zien wark goud daon.
Wacht eerst zoo lank er meel in zit
Din geft ’t eerst regte pit.Al zai ‘k maor ain dij boonen et,
of ‘k mie gaauw zet:
As hij maor even wenkt nao mie,
Ben ik al klaor en stao hom bie,
En ‘k laot zoo lank nao binnen gaon,
As ’t maogien is voldaon.
Jan Jaap Zijlstra pronkt met andermans veren bij #MooiGrunnen
Geplaatst op: 6 maart 2015 Hoort bij: De actuele wereld, Ommelanden, Webdinkies | Tags: Abiant, Jan Jaap Zijlstra, vv Middelstum 14 reacties
Middelstum vanuit het westen gezien. Gister plaatste ik deze door mij gemaakte foto op Twitter onder de hashtag #MooiGrunnen. Blijkbaar vindt men hem mooi, want hij is acht maal geretweet.
Stemt dat tot tevredenheid, je hebt ook lui die zich niet vergenoegen met simpel retweeten, maar rustig de auteur/fotograaf uit de tweet knippen, om die dan zo te plaatsen:

Het is dan alsof ze zo’n foto en het bijschrift zelf hebben gemaakt. In deze parasitaire vorm is de tweet inmiddels twee maal geretweet en een paar keer gefavoritiseerd.
Er zijn dan mensen die vinden dat je daar blij mee moet zijn. Nou, dat ben ik dus helemaal niet met het wegpoetsen van mijn naam. Per slot van rekening heb ik de moeite genomen voor een goede compositie, wat destijds enig heen en weer rijden bij Stitswerd vergde. Bovendien heb ik deze foto geselecteerd uit de serie die ik er schoot, wat ook weer enige tijd en moeite kost. Deze meneer Jan Jaap Zijlstra deed er in elk geval geen flikker voor. Hij pronkt slechts met andermans veren.
Deze meneer Zijlstra noemt zich op zijn profielpagina , afgezien van Hoofdtrainer van de VV Middelstum,”sportliefhebber”, en hij vertelt daar ook dat hij twee kinderen heeft in de leeftijd van dertien en elf jaar. Hoe sportief is het, als je andermans foto’s onder je eigen naam op Twitter plaatst? En zou meneer Jan Jaap Zijlstra zichzelf inzake mijn en dijn een goed voorbeeld vinden voor zijn kinderen?
Er zijn nu drie uur verlopen sinds ik meneer Zijlstra via Twitter op deze sneue actie van hem wees. Geen woord van excuus, helaas, hoewel meneer Zijlstra getuige enkele retweets in de tussentijd wel actief op Twitter was. Blijkbaar behoort meneer Zijlstra tot de types die denken: “Ik hou me muisstil, dan drijft de bui vanzelf over”. Nou, dat doet ze dus niet.
Lofdicht op de Zoepenbrij
Geplaatst op: 5 maart 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Taal 2 reacties
Ze zijn nogal verfomfaaid en verstoft, de schriftjes die de Lopster uurwerkmaker Siepko Lameris vanaf 1857 met gedichten en stukjes proza volschreef. De afkalvende marges en het uit elkaar liggen van de blaadjes duiden erop, dat ze zeer vaak ter hand genomen zijn. Waarschijnlijk onderhield Siepko in de omgeving een voordrachtspraktijk, al is het ook mogelijk dat de schriftjes gewoon veel rond zijn gegaan, ook later nog in de familie.
In die schriftjes vind je voornamelijk Nederlandstalige stukjes van destijds bekende nationale auteurs. Maar er staan ook een paar Groningstalige stukjes in, helaas niet altijd compleet (voor zover ik tijd had om de puzzel te leggen). Anders dan bij de Nederlandstalige, zette Siepko bij de Groningstalige nooit de naam van een auteur. Wie ze schreef, is dus onbekend, maar de gedichtjes moeten zeker in de smaak gevallen zijn. Met name deze ode op de karnemelksepap, destijds dagelijkse kost voor zowat iedere Groninger – in menig huishouden hing het spul van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat boven het vuur te dampen, vaak werd het ook gegeten in combinaties met brood of aardappelen die ons nogal vreemd voorkomen:
Lofdicht op de Zoepenbrij
opgedragen aan een jeugdig en bevallig boerenmeisje door een boerenjongen.
—
De zoepenbrij dij smaokt zoo goud,
Mit stroop of zunder zuite;
Het geft ons fris en jeugdig bloud,
Het geft bie zwart brood kracht en moud
Veur wainig geld en muite!De stadjer let ‘r wien veur staon;
Maor zel der lank op loeren.
Hij wil der graog ’n uur om gaon,
Ja, luip der wel veur nao de maon,
En vind hom bie de boeren.Eet doe, mien wigt! maor zoepenbrij;
Het geft ook roode wangen,
(Maor wees nait mit de stroop te rei,
Want din rakst nait van kieven vrij.)
En loat de soeppot hangen.En of ze zeggen: ’t deugt die nait,
Dat binnen al maor praotjes.
De zoepenbrij, leuv maor da’k ’t wait
Nait al te kold, nait al te hait,
Is beter spul as taotjes.Het is ’n kost veur alle man
Veur jongen en veur ollen.
Het kind, dat lust ’t ‘r al graog wat van,
En dij ’t nait meer bieten kan
Zel ’t hier nait lank meer hollen.
Aanstalten voor fietspad, dat nog naam moet krijgen
Geplaatst op: 4 maart 2015 Hoort bij: Hoogkerk, Stad nu 2 reacties
Vanochtend bij de S-bocht in de Peizerweg gezien, dat daar een baan door het bosje is gehakt. Dit voor het nieuwe fietspad over de weilanden naar de Van Zwedenlaan, dat mij persoonlijk ruim 300 meter fietsen gaat schelen, maar noordelijker wonende Hoogkerkers nog veel meer.
De gemeente heb ik de suggestie gedaan om dit fietspad het Fraterpad te noemen, naar het middeleeuwse Fraterland waarover het voert. De Broeders des Gemenen Levens moeten het land hier in de vijftiende eeuw hebben ontgonnen, nog begin negentiende eeuw heette het land naar hen. Maar om mijn part mogen met de naam ook fraters in het algemeen worden bedacht, omdat die op sociaal en onderwijsterrein nogal wat goeds hebben verricht. (Zo was eentje jarenlang de drijvende kracht van het Buurtoverleg Oosterpoort.)
Het bestuur van de Vereniging Wijkopbouw Hoogkerk ging akkoord met mijn voorstel. In de gemeenteraad herinnerden GroenLinks en de ChristenUnie eraan, het college nam het mee naar de straatnamencommissie. Maar erg veel kans werd het niet gegeven, want De Verbetering’ schijnt voor dit gebied als werknaam inmiddels wat al teveel ingeburgerd geraakt in bestuurlijke kringen.
De Verbetering is een veel jongere naam, te weten van een waterschap dat pas opgericht is in 1893, als voortzetting van de Hoogkerker Zuidermolenpolder. De naam Verbetering staat voor de hoop der ingelanden dat hun nieuwe gemaal de zaak beter kon behappen dan de oude watermolen.
Bloeiende bomen
Geplaatst op: 3 maart 2015 Hoort bij: Kunsten 1 reactieUit negentiende-eeuwse compendia:

Els. Curtis’s Botanical Magazine, vol. 142.

Meidoorn. Bron onbekend.

Linde. Kähler’s Medizinal-Pflanzen.

Iep. Prof. Dr. Otto Wilhelm Thom, Flora von Deutschland, Oesterreich und der Schweiz (1885).

Recente reacties