Uit het vriendschapsalbum van Octavia Feith
Geplaatst op: 26 maart 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten Een reactie plaatsenSjieke lui schreven tussen 1832 en 1836 teksten voor het vriendschapsalbum van Octavia Feith, dat altijd losbladig is gebleven. Bij slechts enkele zitten plaatjes, die ze waarschijnlijk zelf tekende. Daardoor zijn ze, hoewel zéér Biedermeier, wèl oorspronkelijk, anders dan de kant- en klare plaatjes die je in latere poeziealbums aantreft.
– Vogelnest:

– Landschapje met huisje en molentje:

Bloemen, daar hield Octavia vooral van:

Met name viooltjes:

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1501 (Losse stukken GAG) inv.nr. 370.
Appel, bril, citroen – een ABC van voor het leesplankje
Geplaatst op: 25 maart 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Taal 6 reactiesAap, noot, mies mag dan in het collectieve geheugen gegrift zijn als verwijzing naar het vroegere spel- en leesonderwijs, niet altijd was het leesplankje van Hoogeveen dat die trits in ons geheugen grifte, maatgevend. Voor 1897 bestond dat hele aap-noot-mies zelfs nog niet. In die vroegere era bestonden er nog meerdere abc-boekjes, waar de letters naar andere dieren, voorwerpen en mensen verwezen. Een dergelijk boekje was het kaftloze katern uit de eerste helft van de negentiende eeuw, dat zich bevindt in het familiearchief Van Iddekinge. Het bevat 24 ingekleurde plaatjes voor even zoveel letters, alleen de q en de x komen er bekaaid af en moeten het zonder illustratie doen:








Afgewezen als model voor Minerva
Geplaatst op: 24 maart 2015 Hoort bij: Stad toen 3 reactiesBegin 1908 vroeg de Groninger kunstacademie Minerva via een advertentie om een model. Een opmerkelijke sollicitant was de negentienjarige mejuffrouw Hindrikje Knip. Dit is haar brief:
Groningen 29 Januari 1908
H.
Ik heb u advertentie gelezen en ben zoo vrij mij voor model aan te bieden. Ik ben ruim 19 jaar en heb een goed figuur. Ik ben machinebreister. Ik woon met mijn moeder maar zij mag het niet weten. Donderdagavond ben ik van zeven tot acht alleen thuis en kan u mij dan het best spreken want ik wil niet graag hebben dat u mij een brief thuis stuurd. Dan kan u mij ook zeggen wat U betaalt.
achtend,
juffrou
H. KnipKattendiep 40
Helaas voor haar werd mej. Knip afgewezen. Links naast haar ondertekening staat namelijk met grote rode en ook nog onderstreepte potloodletters: “Niet.” Onderstreept is tevens de passage in haar sollicitatiebrief, dat haar moeder het niet mocht weten. Dat zal de reden voor de afwijzing geweest zijn.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1448 (archief academie Minerva) inv.nr. 65: sollicitiebrieven van mensen die willen poseren als model (1908-1921). De voornaam Hindrikje komt uit haar trouwakte (1914).
Preeg
Geplaatst op: 23 maart 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen Een reactie plaatsenIn de vensterbank van een collega staat een heel dun koperen plaatje. Als je het tegen het licht houdt, zie je de uitsparingen goed:

Ooit deed een Plaatselijk Bestuur van Groningen hier dus iets mee. Die aanduiding ‘Plaatselijk Bestuur’ associeer ik met een deel van de Bataafse Tijd (1798-1810), maar het kan best zijn dat het koperen plaatje later gebruikt is.
Naast het plaatje, in dezelfde vensterbank, staat een oude preegtang. Daarmee werden inktloze reliëfstempels in papier geperst. Het kon dan gaan om notariële akten als koopcontracten of testamenten, verzoekschriften aan de overheid, of zelfs kranten. De aangebrachte reliëfstempels vormden het bewijs dat een pittige belasting, het droit de timbre of zegelrecht, betaald was.
Vermoedelijk legde ’t Plaatselijk Bestuur van Groningen het plaatje onder de preegtang, om zijn reliëfstempel of preeg in officiële stukken te drukken ten bewijze dat het zegelrecht voldaan was..
Als je de kleuren van de foto omkeert, krijg je een beter idee van de Grunniger preeg, al is het zwart op reëel papier hooguit schaduwgrijs (vaak vallen die pregen helemaal niet zo op):

Inderdaad ontbreekt er een stukje: tussen de twee linker adelaars.
De beginjaren van de fotografie in Groningen
Geplaatst op: 22 maart 2015 Hoort bij: Stad toen 4 reacties
“Het zal omstreeks 1858 à ’60 geweest zijn, dat mijne ouders van een bezoek aan mijne grootouders te Scheveningen een groote nieuwigheid meebrachten: een daguerrotype van hen beiden, in Den Haag vervaardigd. In Groningen is nooit gelegenheid geweest voor het maken van dergelijke afdrukken, en proeven ervan waren zéér zeldzaam, zoodat het schilderijtje heel wat bekijks had. Naar den tegenwoordigen maatstaf was het maar weinig zaaks: een verzilverde plaat waarop men niet zonder moeite, door het licht erop te laten spelen, eenige vlekken en strepen bespeuren kon, die inderdaad deden denken aan den persoon wiens beeltenis was opgenomen. Meer dan een succès de curiosité hadden die afbeeldingen niet, en ze werden al heel spoedig verdrongen door de photografie die weldra haar intocht deed, doch dit op schroomvallige wijze.
Wie nu juist de eerste beroepsphotograaf in Groningen geweest is, durf ik niet te zeggen. Wèl weet ik dat een der eersten een gewezen onderofficier was, die Jansen heette, en een zeer bescheiden atelier had in een tuinhuis aan de toenmalige Kruitgracht, nu Kruitlaan.
Ter wille van de grootouders te Scheveningen, die natuurlijk prijs zouden stellen op de beeltenissen van hunne kleinkinderen, werden – ongeveer in 1860 – mijn drie zusjes en ik naar Jansen geleid om daar gefotografeerd te worden. “Geleid om te lijden.” Want fotografeeren was in de eerste jaren geen kleinigheid: het poseeren duurde enkele minuten (men kon dan leeren hoe lang éém minuut duurde) en zoo was het, vooral voor kinderen, een beproeving om zóó lang rustig te blijven; het hoofd werd gesteund door een ijzeren beugel, die wel eens kneep. Er werden dan ook gewoonlijk een paar opnamen achter elkaar getrokken, om daaruit dan de minst slechte te kiezen. Als een bizonderheid herinner ik me nog, dat die eerste photo’s van Jansen op linnen genomen waren.
Intusschen maakte de fotografie reusachtige vorderingen. Zoo heb ik nog een portret van mij uit 1862, in Den Haag genomen, dat nu nog een zeer goed figuur maakt.
Nog ééne opmerking. In plaats van de natuur zoo veel mogelijk te benaderen, werd in die eerste dagen vooral veel waarde gehecht aan de “pose”. De ateliers der eerste fotografen waren gevuld met allerlei attributiën, die bij de opstelling konden gebruikt worden. Balkonhekken, kolommen met bloemvazen en dergelijke malle dingen waarmee een gewoon mensch nooit in aanraking komt; geschilderde achtergronden die zalen of parken moesten voorstellen waren er te vinden, en het kostte dikwijls moeite om onder die ongewone dingen een keus te doen. Voeg dan daar nog bij de ijzeren beugel die het achterhoofd omkneld hield, en men kan zich voorstellen wat er vaak van zoo’n opneming terecht kwam. De uit dien tijd nog bewaard gebleven foto’s zijn in onze oogen vaak belachelijk.
Al spoedig bracht de fotografie in haar gevolg de stereoscoop mee: het houten kastje, waarin men door twee openingen twee beelden ziet, die samensmelten. Deze plaatjes, vaak vreemde landen voorstellende, werden spoedig zeer populair, en terecht, want ze vermeerderden de kennis van vreemde landen, gelijk die tot hier toe langs geen andere wijze bereikt kon worden. De stereoscoop heeft haar recht van bestaan behouden.
De fotografie ging intusschen met groote schreden voorwaarts. De opneming werd steeds korter van duur, wat vooral aan de natuurlijkheid van het beeld ten goede kwam. De hooge prijs bleef aanvankelijk wel een beletsel: tien gulden voor twaalf kleine portretten was niets ongewoons. Op de kermis kon men wel goedkooper terecht, maar het werk was er dan ook naar.
Na Jansen, hiervoren genoemd, kwamen spoedig anderen, die een kostwinning zochten in de nieuwe kunst, maar het waren er slechts enkele. Van deze herinner ik mij nog Hühnerjäger, wonende in de O. Boteringestraat, een paar huizen ten noorden van de Butjesstraat, die goed werk maakte. Hij was een slimme mof, niet beschaafd maar goed gebekt. Op zekeren dag ontving hij het bezoek van de controleur der belastingen, een pompeus man die bij binnentreden zei: “Ik ben Crayvanger”. “Dann sind wir ja Verwandten”, kreeg hij ten antwoord: “Mein Name ist Hühnerjäger.”
Egenberger, kunstschilder en directeur van de academie Minerva, werd ook fotograaf. Het schilderen gaf hem in Groningen geen droog brood, en Minerva weinig meer. Hij had zijn atelier aan de Stationsweg, nabij de viaduct. Daar het nieuwe vak hem vreemd was, had hij een Duitscher in dienst genomen: een heel bekwaam vakman, die zich weldra van hem losmaakte en voor eigen rekening begon. Von Kolkow, zoo was zijn naam, kreeg het weldra heel druk, en is gedurende jaren wel de beste vakman ter plaatse geweest. Hij kwam uit Oost-Pruissen, noemde zich Freiherr Julius von Kolkow en gevoelde zich zéér, wat men ter wille van het uitstekende werk dat hij leverde, verdroeg. Vooral was hij actief in het opsporen van oude zaken die opgeruimd zouden worden, en menig vergeten brok kunst en natuur werd door hem voor het nageslacht vastgelegd.
Dan had men Kramer aan het Aa-Kerkhof, die eveneens mooie foto’s buiten de hem bestelde genomen heeft. Godfried de Jong en zijn opvolger Bekkering telden ook mee. Als laatste – en wellicht beste – noem ik Wijnberg in de Poelestraat, die vele jaren lang in zijn ruim atelier heel wat opnamen gedaan heeft en vooral gevraagd werd voor het maken van groepen, die hij bizonder goed wist weer te geven. Dat het poseeren hoe langer zoo korter duurde, en de fotografie bijna instantanée geworden was, is natuurlijk aan het welslagen in hooge mate ten goede gekomen.
De fotografie bracht weldra een andere liefhebberij mee: het verzamelen van de prentjes. Daarvoor kwamen al spoedig albums in den handel: groote boeken die vier gewone plaatjes op één bladzijde konden bergen, met mooie banden van leer en fluweel. Iedere familie die zich respecteerde, had zoo’n boek, dat te pronk lag op een tafeltje in de visitekamer. En als dan het gesprek kwijnen mocht, gaf het bekijken van die plaatjes weer stof tot discours. Ook de jonge dames waren niet tevree, alvorens ze in het bezit van zoo’n album waren.
Van zulke albums met foto’s uit vervlogen tijd, zullen er in oude families nog genoeg bewaard gebleven zijn. Het is te hopen, dat men die zaken niet beschouwt als oude prullen, maar ze zorgvuldig bewaart als trouwe getuigen van den tijd waarin ze ontstaan zijn, niet het minst ter wille van kleeding en uiterlijk voorkomen. Ik denk hier vooral aan de coiffure en het schoeisel van de vrouwen en meisjes, dat thans zulk een opvallend verschil toont met de drachten van eene halve eeuw geleden.”
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1501 (Verzameling losse stukken Gemeentearchief Groningen) inv.nr. 369.6 (aantekeningen door W.J. Roelfsema Hzn. over het dagelijks leven in Groningen etc., eind 19e – begin 20e eeuw) katern VI, pag. 74-79 (notitie gedateerd augustus 1932).
Rondje Eiteweert, Nieuwklap en Leegkerk
Geplaatst op: 22 maart 2015 Hoort bij: Hoogkerk, Ommelanden 7 reactiesEend in de Avondsloot:

Hangplek, viaduct Roderwolderdijk over de A7 (ook in de berm ligt het een en ander):

Flikflooiende futen op het Aduarderdiep:

Wilgenkatjes:

Stapel autobanden bij Nieuwbrug:

Boerderij Leegkerk:

Hoekje Aduarderdiep-Zuidwending:

Bergeend, Aduarderdiep bij de Washuisplaats:

Stal in aanbouw bij Nieuwklap:

Elisadahoeve met op de achtergrond watermolen De Jonge Held:

Een verbouwinkje bij Slaperstil:

Leegkerk, pastorie en kerk:

De eerste sociale woningbouw van Finsterwolde
Geplaatst op: 22 maart 2015 Hoort bij: Familie, Geschiedenis 4 reacties
Op 9 februari van dat jaar 1919 waren drie timmerlui al bezig met het voorwerk, waarschijnlijk het maken van kozijnen voor ramen en deuren. Op 23 februari kwamen er twee timmerlui bij, Aike en Elzo Perton, twee neven van mijn grootvader. Ook begonnen die dag vier grondwerkers aan het karwei, waaronder Harm Tuin (eveneens familie) en Jan Broesder, beide anarchisten. Dat gold ook voor Harm Broesder, de opperman. Op 2 maart werden er nog twee extra timmerlui ingeschakeld, terwijl op 6 april de voeger L. Reininga, aan het werk kon en op 20 april de stucadoor S. Havinga. Op 3 mei werden de eerste metselaars alweer afgedankt en op 17 mei de eerste timmerlui (de beide Pertons). Volgens het loonstaatje kwam eind juni het hele werk gereed, niet lang daarna zullen de eerste bewoners erin zijn getrokken.
In de twaalf zesdaagse werkweken zullen de neven van mijn grootvader elk ƒ 3,.- per dag hebben verdiend. Het totaal aan loonkosten bij het project bedroeg ƒ 5171,32. Daar kwam nog ruim 1500 gulden aan materialen overheen, o.a. 18 gewone tramwagons met scherp zand à ƒ 23,- en voor een kleine duizend gulden aan dakpannen. Merkwaardigerwijs ontbreekt de verwerkte baksteen in het kostenstaatje. In elk geval bedroeg de totale rekening, voor zover bekend, ƒ 6711,78.
Daarmee kwamen de kosten van het blokje van zes woningen (of drie twee-onder-éénkappers), welke de stichting Finsterwolder Woningbouw in het voorjaar van 1919 neerzette, neer op ruim 1000 gulden per woning. Omdat de gemeente Finsterwolde de kosten voorschoot en de stichting Finsterwolder Woningbouw drie jaar later nog steeds bijna 2800 gulden niet terugbetaald had, kwam er een proces van. Merkwaardigerwijs liet de gemeente dit proces namens haar voeren door haar opzichter Hendrik Boetz, met een bewijs van onvermogen. Waarom ze het zo deed, is onbekend, maar aan het verzoekschrift voor het verkrijgen van dit bewijs danken we het kostenstaatje, waaraan ik hierboven het een en ander heb ontleend.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 882 (archief Arrondissementsrechtbank Winschoten), inv.nr. 1382 (verzoekschriften) volgnummer 205 (30 juni 1922). Met dank aan Jan-Paul Wortelboer.
Eem op Toaldag
Geplaatst op: 21 maart 2015 Hoort bij: De actuele wereld, Taal Een reactie plaatsenBij de ingang en het uitdelen van programma’s:

Toch behoorlijk druk:

Qua baardlengte begint Swinder steeds meer te lijken op ZZ Top:

De kraam van marge-drukker Elze ten Harkel:

Jan Groenbroek, hoofdredacteur van Toal & Taiken, luistert naar een verstokte fan van dit blad:

Lezing van Pim Oosterheert over Groningse elementen in de taal van de Bommelsaga:

Een aandachtig gehoor:

Met ook feedback vanuit het publiek:

Een paar topografische voorbeelden van die taalinvloed:

Na afloop: twee Groninger taalaanjagers (Henk Scholte en Siemon Reker) in gesprek:

Ook de verhalenbus zat vol. De ruiten begonnen al te beslaan:

Tot slot nog een moppie blues van Erik Harteveld & Kopstubbers:

Ooievaar nestelde op Groninger galg
Geplaatst op: 20 maart 2015 Hoort bij: Stad toen 7 reacties
Detail kaart beleg van Groningen door M. Spinneker (1672). Collectie RHC Groninger Archieven 1536-1767.
Nergens kon ik een beeld van de plek vinden, waar in de zeventiende en achttiende eeuw Groninger ter dood veroordeelden werden geëxecuteerd. Tot ik de hulp inschakelde van een collega die zich wel eens met deze gerichtsplaats bezig had gehouden. Hij wees me op de onderkant van de Spinneker-kaart uit 1672.
De gerichtsplaats bevond zich aan de Hereweg, op een plak waar nu het Sterrebos ligt. Zoals je op het kaartfragment ziet, ging het om een groot podium, waartoe een gebouwtje met een verscholen trap toegang gaf. Als we de voordeur van het gebouwtje qua hoogte op 1,80 meter schatten, dan moet dat podium ongeveer even hoog zijn geweest. Als toeschouwer kwam je er niet zomaar op!
Vanwege die hoogte is het ook geen wonder dat er een keermuur om het zandlichaam zat. Deze lijkt zeskantig, als van een bijencel, alsof men de luiaards onder de veroordeelden in hun laatste uur nog even een symbool van vlijt onder de neus wilde wrijven.
Op het podium bevond zich het dichtst bij de toegangspoort een kleiner podium, opnieuw met een zeskante keermuur eromheen, waartegen een trapje stond om er met gemak op te komen. Hier moesten de tot onthoofding veroordeelde burgers met ontblote halzen knielen in het zand.
Helemaal achteraan op het podium stond de enkelvoudige galg, een universeel ontwerp, u wellicht bekend van westernfilms of anders wel het verveelspelletje galgje. Ophanging had als straf minder standing dan onthoofding. Anders gezegd, er zat meer schande aan vast.
Tussen de zandbult en de sologalg zien we dan nog de collectieve galg, het voorrecht van de georganiseerde misdaad, opgebouwd uit twee natuurstenen palen met een steng ertussen. De palen droegen allebei een bol in top. Dat deze collectieve gespuis-opruimer een tijdje in onbruik is geweest, moge blijken uit het ooievaarsnest op de ene paal, waardoor je de bol op die paal niet meer kunt zien.
Het spook op het Academieplein en ander bijgeloof
Geplaatst op: 19 maart 2015 Hoort bij: Stad toen 1 reactie
“Het zal omstreeks 1860 geweestzijn, dat het spookte op het academieplein. Het huis van mijn ouders in de O. Boteringestraat (nu 7) , lag in de nabijheid, en zoo bemerkten we al spoedig, dat iederen avond als het donker werd, een groote volksmenigte de Broerstraat inging, weldra zoo talrijk, dat de weinig talrijke politie er haast geen raad mee wist. Weldra vernamen we de beteekenis van deze zamenscholing: het spookte daar op het academieplein, en wel op de plek, thans ingenomen door het hygiënisch labaratorium, toen een met boomen en heesters beplante ruimte, door een hoog ijzeren hek van het plein gescheiden. Het heette, dat daar tusschen die boomen een wit spook verscheen. Nooit heeft iemand er ooit zoo iets gezien, en waarschijnlijk was het geheele geval niets dan een mystificatie, doch het pleit wel voor het bijgeloof der menigte, dat eenige avonden achtereen de stille stad in rep en roer komt om een spook te zien.
Maar destijds was zoo iets heel gewoon. Het geloof aan werkgeesten, goede geesten die ’s nachts voor de menschen onaangenaam of moeielijk werk verrichtten, was – vooral onder de vrouwen – zeer verspreid, In de jaren dat ik college liep, van 1862 tot 66, werkte ik ’s voormiddags eenige uren bij den amanuensis Deutgen, een man uit de kleine burgerij, die met twee zusters, oude jongejufvrouwen, samenwoonde. Deze vrouwtjes kwamen ’s morgens vaak aandragen met verhalen over den arbeid, die de werkgeesten den vorigen nacht voor haar verricht hadden.
Trouwens, tot den huidigen dag bestaat nog bij sommigen, waaronder wèl ontwikkelde menschen, de vrees om met dertien aan de eettafel te zitten. In 1921 werd te Uithuizen aan de lunch, welke het gemeentebestuur zijn hooge gasten minister de Visser, minister van staat de Savornin Lohman, de commissaris der koningin v. Starkenborgh e.a. aanbood, expresselijk een veertiende genoodigd!”
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1501 (Verzameling losse stukken Gemeentearchief Groningen) inv.nr. 369.3 (aantekeningen door W.J. Roelfsema Hzn. over het dagelijks leven in Groningen etc., eind 19e – begin 20e eeuw) katern III, vanaf de achterzijde pag. 6-7.
Eksters
Geplaatst op: 19 maart 2015 Hoort bij: Hoogkerk 3 reactiesDat het water niet wegloopt van onderbuurmans schuurdakje, heeft dus, naast het nadeel van een potentiële muggebroedplaats, ook een voordeel, namelijk dat van drinkende eksters, hier in een lange glijvlucht neergestreken vanaf hun oude nest vijftig meter verderop:




Wie weet wat dit voor ding is?
Geplaatst op: 18 maart 2015 Hoort bij: Stad toen 18 reacties
Achteraf vind ik het een beetje jammer dat ik er geen liniaal bij gehouden heb, maar dit loden of tinnen voorwerpje zal in werkelijkheid een drie à vier centimeter hoog zijn en ongeveer twee, drie centimeter breed. Aan de bovenkant zit iets decentraal een gat waarmee het ergens aan bevestigd was, volgens het jaartal eronder in 1943. Er staat een serienummer op – 9 of g 67 – en de plaatsnaam Groningen, die rondloopt met de onderkant.
Mijn collega dacht dat het een hondepenning was, ik zat zelf meer te denken aan het loodje van een stadsgas- of electriciteitsmeter.
Is er iemand van de lezers die het voorwerp herkent en wèl weet wat het is? Zo ja, dan zijn we u zeer erkentelijk als u dat aan ons meldt, hetzij als reactie op dit weblog, hetzij via de mail.
Alvast bedankt!
Naschrift 22 maart:
We houden het op een hondepenning.
“Men kende de slavernij, doch slechts bij name”
Geplaatst op: 17 maart 2015 Hoort bij: Kunsten, Stad toen Een reactie plaatsen
De vlucht van Eliza over het ijs. Bron: Janwillemsen (Flickr).
Waalko Jan Roelfsema (1847-1937) was zoon van een boekhandelaar. Tussen zijn herinneringen zit ook een beschouwing over veelgelezen boeken van rond 1860, toen hij een groot deel van zijn vrije tijd lezend en snuffelend doorbracht in de boekwinkel van zijn vader. Intussen luisterde hij dan naar de gesprekken die zijn vader en bezoekers hadden en hoorde zo allerlei namen en titels, waarvan enkele hem altijd zouden bijblijven:
“Het eerste werk van dien aard was De Hut van Oom Tom door mrs Beecher Stowe, en ik geloof dat na dien tijd geen boek zulk een opgang over de geheele wereld heeft gemaakt. Hier werd de vinger gelegd op een afschuwelijke wonde, op een wijze die ieder begrijpen kon en niemand onbewogen liet. Men kende de slavernij, doch slechts bij name, het was een klank, maar die geen blijvende indruk achterliet. Van nu af zag ieder voor oogen de naamlooze ellende, en de werking werd nog vergroot door de naïve, voor ieder bevattelijke wijze waarop de schrijfster, zonder omwegen of versierselen recht op haar doel afging, zonder moraliseering of pathetische ontboezemingen, en slechts de nuchtere feiten tot spreken brengend. De goede illustratiën (b.v. de geezeling van Oom Tom, en de vlucht van Eliza over het ijs) werkten de verbeelding in de hand. Zeker heeft dat eenvoudige werk een krachtigen stoot tot den oorlog tusschen Noord en Zuid gegeven, en veroorzaakt dat de sympathie der wereld ten deel viel aan de Noordelijken…”
Geen van beide illustraties die Roelfsema noemt, staan in de eerste Nederlandse druk van dit zeer invloedrijke werk. Ik denk dan dat latere plaatjes Roelfsema’s herinnering hebben vervormd. Inderdaad was voor veel Groningers slavernij, op een paar uitzonderingen na, een verschijnsel van ver weg, maar er waren zeker ook burgers met aandelen in bijvoorbeeld Surinaamse plantages, waar slaven op de inventaris stonden, zodat er wel iets meer bekendheid met het verschijnsel moet zijn geweest, dan Roelfsema meent. Een historisch onderzoeksproject, Mapping slavery, brengt dit deel van ons verleden momenteel in kaart.
Hoendiep Hoogkerk, begin van het blauwe uur
Geplaatst op: 17 maart 2015 Hoort bij: Hoogkerk Een reactie plaatsen
In de herfst zag het er zo uit.
Prille briefhoofden
Geplaatst op: 16 maart 2015 Hoort bij: Stad toen 2 reactiesVolgens mij heb je haast geen oudere gedrukte briefhoofden van Groninger bedrijven dan deze. De plaatjes zijn nog behoorlijk naïef.
– Rijtuigverhuurder Zuidema (1863):

Het achterwiel lijkt nogal ver uit te wijken, vergeleken bij het voorwiel:

– Hotel de Doelen van mej. Bulsing (1865):

Je zou je bijna gaan verbazen over een potkast, maar het is de bovenbouw van de postkoets, die hier al eeuwenlang zijn vertrekplaats had. Naar ik aanneem propere gordijntjes achter de ramen, een bovenlicht boven de deur met een lantaarn centraal in het snijraam:

– Likeurstoker Doorenbos (1867):

Zijn gereedschap – de vaatjes lijken wat klein:

– Zaadhandel Riepma (1867):

De zaaier was een vrij gewild symbool. Een houtzaagmolen aan het Winschoterdiep heette zo, een Groninger sigarenmerk uit de jaren 20, en in voorheen Hotel Weeva heb je nog steeds een raam met een zaaier. Die van Riepma vind ik een beetje armetierig. Het is zo’n heel voorzichtig zaaiertje, voor het eerst weer buiten na de winter, en bepaald geen breedwerpige enthousiasteling:


Recente reacties