Muizenplaag in het Oldambt
Geplaatst op: 16 februari 2015 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie“In 1823 werd door de veldmuis en slak alles aangetast en ontzettend beschadigd, waarop in het najaar de veldmuis van buitendijks, waarschijnlijk uit Oostfriesland, naar binnen rukte en zich zoo vermenigvuldigde, dat het aankomende zaad en winterkoren aanzienlijk werden benadeeld.
De buitengewoon zachte winter van 1823 en 1824 bragt weinig bij tot vernietiging van het ongedierte, en alzoo vermenigvuldigde hetzelve zich in het voorjaar zóódanig, dat eerst de graslanden en de jonge granen en vervolgens bij den oogst de haver, rogge, het koolzaad (schoon op den wortel door sterken groei onaangeroerd gebleven) afgemaaid zijnde, echter door de veldmuis als het ware werd uitgedorschen.
Ook de binnenlanden van het Oldambt werden spoedig geheel overstroomd door myriaden van veldmuizen; en ook hier werden niet alleen nieuw bezaaide akkers herhaalde reizen weder afgevreten, maar zij vervolgden den landman in de schuren en vernielden aldaar het nog overgebleven koren.”
Bron: A. Smith, Geschiedenis der provincie Groningen (Groningen 1849) pag. 422.
Rondje Eiteweert – Leegkerk
Geplaatst op: 15 februari 2015 Hoort bij: Drenthe, Hoogkerk 8 reactiesCanadese ganzen bij de Langmadijk:

Peizerdiep bij Eiteweert:

Het schuurtje van Leegkerk:

Men kan sprokkelmaand ook overdrijven:

De afgelegde weg (bij de Tichelwerkbrug, Leegkerk):

Bult afgedankt touw:

De eerste haas van het jaar:

Hoogkerker tokkies kan het niets schelen of ze overstromen:

Ook in 1756 aardbeving gevoeld in Groningen
Geplaatst op: 15 februari 2015 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenTrouwens, niet alleen in 1640 en 1692 voelde men aardbevingen in Groningerland, ook op 18 februari 1756 was dat het geval. De Groninger Courant berichtte ruim een week later:
“In deeze provintie van Stad en Lande heeft men op dezelve dag en uur, namentlyk op den 18 deezer, ’s morgens ten 8 op zommige plaatzen van gelyken eenige ligte aardschuddingen gevoeld, als te Delfzyll, in de Wildervang, in Sappemeer, in het karspel Haaren en op andere plaatzen meer, dog niet algemeen zynde ook niet in alle de huvzen van yeder gevoeld, gelyk dan ook van zommige perzoonen in deeze stad betuygt word dat zy insgelyks eenige ligte beweegingen zyn ontwaar geworden.”
De krant bracht destijds niet of nauwelijks plaatselijk nieuws en dat het in dit geval zo laat gemeld werd, kwam – zoals uit de eerste zin van het citaat al blijkt – doordat het een internationaal en geen noordelijk, laat staan een specifiek Gronings fenomeen betrof, terwijl de berichten van elders maar langzaam doorsijpelden:
“Voor het overige verneemd men byna uyt alle hoeken van ons Nederland en het aangrenzende Duytsland, dat men op dien zelven dag, namentlyk den 18 deezer ’s morgens van 7 tot 8 uuren op de eene plaats wat eerder op de andere wat laater eenige ligte schuddingen van aardbeevinge heeft gevoeld, in de eene plaats wat ligter op de andere wat zwaarder, dog alles zonder veel schaade van belang, maar overal groote ontsteltenis te veroorzaaken; te weeten in de Nederlanden te Maastricht, Antwerpen, Oirschot, Boskoop, Bergen op Zoom, Heusden, Gorinchem , ’s Haage, Dordrecht, Delft, Leyden, Amsterdam, Haarlem, Spaarendam, Hoorn, Enkhuyzen, Schiedam, Woerden, Leerdam, Utrecht, Amersfort, Nymegen, Campen, Zwol en op meer andere plaatzen, te lang om alle te noemen. Voorts in Duytsland te Kleef, alwaar de schuddingen zoo zwaar zyn geweest, dat daardoor verscheyde schoorsteenen zyn omgevallen, keukengereedschappen en porceleyn in eenige huyzen door malkanderen geworpen, deuren opengesprongen, klokken vanzelver geluyd, muuren gescheurd enz. Dog Gode zy dank verder geen ongeluk of schaade veroorzaakt. Den 13 deezer ’s nademiddaags ten 4 uuren, had men diergelyke schuddingen van ’t aardryk insgelyks gevoeld te Luyk, Aaken , Dusseldorp, Limburg, Verviers, Spa, tusschen de Maas en Rhyn tot aan Keulen toe en mogelyk wel verder. Zoodat het schynd dat de beweegingen van onzen aardbol op verscheyde plaatzen nog niet opgehouden heeft.“
Zoals Derdeprijs onder aanhaling van Buisman in zijn reacties bij mijn eerdere logje aanvoerde, lag het epicentrum in 1640 in het Duitse Rijnland en in 1692 in datzelfde Rijnland en het Waalse Maasland. In beide gevallen ging het om oude aardbreuken, terwijl de magnitude in 1692 een 6 op de schaal van Richer zou zijn geweest. Getuige het kranteverslag van 1756 lag ook toen het epicentrum in die zuidelijke omgeving, wat niet wegneemt dat de aardbeving dus ook toen tot in Groningen toe gevoeld werd.
Naschrift 18.2:
Het ging om de aardbeving van Düren, met 6,1 op de schaal van Richter de zwaarste van Duitsland ooit. (Met dank aan Derdeprijs.)
Levensgevaarlijk, zo’n kerkhof
Geplaatst op: 14 februari 2015 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen“Toen men in february 1755, in de Martinikerk te Groningen, een zeker graf geheel en de daar in liggende kist een weinig geopend had, sloeg er een vuurvlam uit de kist, die den doodgraaver het hair en de wolle vezeltjes zyner klederen verschroeide. Deeze vlam is zekerlyk eene opgeslooten vuurstof geweest, hoedanigen er menigvuldig in de mynen gevonden worden. Dog hoe het zy met deeze bliksem- en donderstoffe, ik onderwind my niet hieromtrent iets meer dan vooronderstellende voor te draagen…”
Bron: J. le Francq van Berkhey, Natuurlyke historie van Holland, I (Amsterdam 1769) p. 365. De oorspronkelijke mededeling deed de heer Engelhart uit Groningen in deel III van de Handelingen der Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen.
Aanvulling: de oorzaak.
Opening roeiseizoen
Geplaatst op: 14 februari 2015 Hoort bij: Stad nu 2 reactiesZe hadden er mooi weer bij, de roeiers van de Gyas-Hunze race, wat de traditionele opening schijnt te zijn van het roeiseizoen voor Nederlandse competitieploegen:




Twee Brits aandoende types op het stadsbalkon
Geplaatst op: 14 februari 2015 Hoort bij: Stad nu Een reactie plaatsen
Er stonden twee Brits aandoende types op het stadsbalkon. Ze probeerden passanten te verleiden tot het maken van een selfie in een bushokje met reclame voor vliegveld Eelde. Zo’n selfie moet je dan posten op een Facebook-account, om in aanmerking te kunnen komen voor twee gratis vliegtickets naar Londen v.v..
Uit de webpagina terzake blijkt, dat nog steeds niet tot het management van vliegveld Eelde doorgedrongen is dat je in Groningen geen Centraal Station hebt, maar een Hoofdstation. Daarom noem ik vliegveld Eelde hier ook vliegveld Eelde en niet Groningen Airport Eelde. Dat zal ze leren!
In de Zuidbroekster petoet
Geplaatst op: 13 februari 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Ommelanden 1 reactieWillem van der Velde zette net een prachtige foto op Twitter, van de toegangsdeur tot het cachot in de toren van Winschoten. Hoewel de samenstellende delen niet allemaal even solide meer ogen, gaat er nog steeds een suggestie vanuit: ‘Gij die hier naar binnen treedt, laat elke hope varen’.
De foto bracht de erfgoedredacteur van de Leeuwarder Courant op een idee: “Is misschien leuk om alle noordelijke oude kerkers eens op rijtje te zetten”. Zelf noemde hij alvast Joure en Leeuwarden, de Sneuper van Dokkum kwam in een eerste reactie op het hounegat (hondegat) van Anjum.
Opeens herinnerde ik mij dat Jan Pieter Koers me jaren geleden eens vier interieurfoto’s stuurde, die hij maakte in de petoet, welke zich in de toren van Zuidbroek bevindt. Volkomen terecht veronderstelde Jan Pieter dat ik daar nog nooit in geweest was,
“…maar de muren en deuren laten heel mooi zien hoe de opgesloten lieden zich probeerden te vermaken: de muren zitten vol namen en in het houtwerk zijn tal van bootjes gekerfd. Misschien een verwijzing naar de vrijheid. Of zouden het zeelieden zijn geweest? In ieder geval zijn er geen paarden of koeien afgebeeld…”




Zo’n cachot was een soort Huis van Bewaring, in dit geval van 1709 tot 1803 voor het hele Oldambt. Er zaten dus in principe verdachten, geen veroordeelde criminelen.
Daarnaast zullen er veel kwajongens een poosje in opgesloten zijn geweest wegens appelgapperij en dat soort vergrijpen.
Het meest gangbaar waren echter mannen die zich schuldig hadden gemaakt aan openbare dronkenschap. En daar zullen best wel eens passagierende zeelui bij hebben gezeten, onderweg tussen de stad en de veenkolonies.
Naschrift 16 mei 2016
Bij resolutie van Burgemeesteren en Raad van 6 december 1709 werd besloten om een gedeelte van de Zuidbroekster toren geschikt te maken als Oldambtster gevangenis “van sodanige sterckte dat de gevangens met weijnige moijte secuir konden werden bewaackt ende bewaart”. Een commissie moest hiervoor zorg dragen.
Engelsman over Groningen (1804): ‘Many tokens of opulence, few of good taste’
Geplaatst op: 12 februari 2015 Hoort bij: Stad toen 3 reacties“We left Neue Schanz at seven in the morning and reached Groningen, the capital of the province, at five in the evening. As we intended to continue our journey the next morning, we were happy that the evenings were long and that we had so much time to examine the town.
Everything in it was a fresh token of the qualities already noticed. Houses not large, but convenient; streets clean, and well aired; the population good and the people warmly cloathed, with a neat and healthful aspect. Many tokens of opulence, few of good taste. Their very signs were characteristic: the golden scales, the golden beaker, nay the golden heart. Young women, who seemed to be servant maids, had not only earings but plates of gold ornamenting their bosoms.
The hats of the women made the strangest appearance. It is no exaggeration to say they were as large as tea-boards; projecting forward and on each side, so as to over-shadow not only the face but the body. They were chiefly of straw; and had two broad ribbands: not tied, but pendent from the sides. This voluminous hat formed a remarkable contrast with their short compact dress, of which the Dutch milk-maids, sold in our toy-shops, is a faithful picture.
We had proofs of the uncorrected rudeness, common to country towns. One group of these girls laughed aloud at us, when we passed them, and even the gentry rose, looked, and pointed at us, through their sash-windows, with that kind of laughter which characterizes ignorant surprise.
These are trifles; and in fact we laughed in turn. I suppose it was virtue in us, that we concealed our laughter from the objects of it, though I leave it to better casuists to decide how far this kind of laughter, or, if they are in the humor to dispute, any kind of laughter, is a mark of sound sense. I own, I wish I could laugh oftener. Yet I am very wrong, if I wish for folly; and I do not very well know how pure wisdom should excite laughter. Bless us! We have many doubts to solve; and, as I fear, much rubbish to remove.
Are we in the land of metaphysics; or of moral philosophy; or where ? We ought to be at Groningen; sober Groningen: where the people appear to have a deal of common sense. Be it remarked, however, that here, in sober Groningen, we met with the first tree of liberty.
(…)
Of the buildings we remarked, that the windows were too large, and disproportionate to the width of the walls; that the bricks, of which the houses were chiefly built, were neatly laid; that green was the most common colour for house painting; that, to one of the churches, there is a very handsome gothic tower; and that the town-house, which was then erecting, promised to be the best edifice in Groningen.”
—
Thomas Holcroft, Travels from Hamburg, through Westphalia, Holland, and the Netherlands, to Paris, Vol. I (Londen 1804) 41-43.
Stemwijzer geeft onveranderlijk dezelfde top 3 aan
Geplaatst op: 11 februari 2015 Hoort bij: autobio Een reactie plaatsenIk zag dat de Stemwijzer voor Groningen net online is gekomen. In mijn geval met als resultaat weer dezelfde top 3 als die van jaren her, al steekt GroenLinks er dit keer duidelijk bovenuit:

Kikkers die een koning willen
Geplaatst op: 10 februari 2015 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
De fabel zou van Aesopos zijn en deed in het middeleeuwse en vroeg-moderne Europa in allerlei varianten de ronde. Ze gaat over kikkers die een koning willen. Die kikkers bléven er maar om zeuren en om er vanaf te zijn, smeet Jupiter ze uiteindelijk een holle boomstronk toe. Maar daar waren de kikkers al gauw op uitgekeken. Ze hadden liever wat meer leiderschap gehad. Of Jupiter daar asjeblieft voor kon zorgen? Dit keer stuurde de geïrriteerde oppergod een reiger op ze af en dit monster vrat de ene na de andere kikker op. Moraal van het verhaal, zoals verwoord door Vondel in diens Vorstelijcke Warande der dieren (pag. 45):
“Ziet toe, en wacht u wel van licht te muytineren,
Noch wilt zoo onbedacht verwerpen u Lands Heeren.
Zoo d’eerste reedlijck is, of al wat strenge viel;
Een tweede koomt al haest en neemt u lijf en ziel.”
In de Groninger geschiedenis speelt de fabel van de kikkers ook nog een rolletje, want in april 1748, in de weken voor het roemruchte Boerencongres dat zou aandringen op een erfelijk stadhouderschap voor Oranje etc., was er een dominee die daar vanaf de kansel tegenin durfde te gaan. Het verhaal komt in twee pamfletten voor, maar dit is de versie van Rust uit Onrust (pag. 44/45):
“Zeker predikant, zondag voor de aanstellinge der volmagten tot zyn voorafreden gebruikende de fabel van Esopus dat de kikvorschen een koning begeerden te hebben, werd dat van zyn hoorders zoo wel opgevat, dat zyn Wel Eerw[aarde] tot scriba van hunne vergadering wierd aangesteld, hebbende die bedieninge, doch zonder tractement, moeten aannemen en bekleden.”
Deze aldus vernederde predikant was hoogstwaarschijnlijk ds. Tjaarda de Cock van Nieuwolda, in wiens kerkeraadsprothocol over de jaren 1748-1750 we diverse notities aantreffen over de inning van de vijftigste penning, iets wat de boerenvolmachten eveneens regelden. In geen enkel ander kerkeraadsprothocol zag ik dergelijke notities staan.
Ds. Tjaarda de Cock hoorde politiek gezien bij het staatsgezinde kamp. Hij was geboren als zoon van een stad-Groninger Gezworene, die in 1737 als stadssecretaris stierf. Een oudere broer bracht het in de stad tot Raadsheer, niet in de laatste plaats dankzij een sinds de studietijd onderhouden vriendschap met de machtige leider van de Groninger staatsgezinden, Burgemeester Geertsema, wiens promotie hij ook opluisterde met een eerdicht, en wiens zuster hij huwde. Geertsema had een buitenplaats vlakbij Nieuwolda, waar hij invloedrijk was, bijvoorbeeld bij de aanstelling van predikanten. Maar die buitenplaats was begin april 1748 op een avond door een menigte Oldambtsters geplunderd en de burgemeester door zijn ambtsbroeders afgezet, waarmee de beschermer van ds. De Cock wegviel.
—
Andere bronnen dan de gelinkte: het kerkeraadsprothocol van Nieuwolda zit enigszins verscholen in retro-acta Burgerlijke Stand 319 bij RHC Groninger Archieven. Verder verwijs ik nog naar mijn boekje Het loeit in het Oldambt, hoofdstuk ‘Religie in de coulissen’, pag.nr. onbekend omdat het boekje hier even onvindbaar is.
Zwijnewapen
Geplaatst op: 9 februari 2015 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Anders dan het wilde zwijn, aldus Rietstaps Handboek der Heraldiek, komt het gedomesticeerde varken weinig op wapens voor. Toch vond ik zo’n blazoen. Het is dat van de Groningse familie Sijlman en het staat in een genealogisch handschrift uit 1815.
Bij een familienaam als Sijlman verwacht je eerder sluisdeuren in het wapen dan varkens. Ik neem aan dat de boom een (bijgesnoeide) eik is, aangezien varkens graag eikels lusten, wat hun vlees op een dermate heerlijke smaak brengt dat ekkelhammen vroeger als een ware delicatesse golden.
Misschien zaten de Sijlmannen ooit in de ekkelhammenhandel?
Station Zuidbroek, nu museum
Geplaatst op: 8 februari 2015 Hoort bij: Ommelanden 9 reactiesVanmiddag even naar het nieuwe trein- en trammuseum in Zuidbroek geweest:

Ik trof er een zeer klantvriendelijke loketbeambte:

Achter hem zat de stationschef wat voor zich uit te staren (vroeger rookte zo iemand dan een sigaar en hing er op schouderhoogte een laagje rook):

Een vrouw stond te wachten op de volgende trein:

Elders vitrines met bordjes:

Kaartjesknippers:

Een detail van iets waarvan ik vergeten ben wat het ook alweer was:

En alom het gevleugelde wiel, zoals hier op een pet in goud en bekroond met een keizerskroon:

De stadsroeper, zijn werk en verdiensten
Geplaatst op: 7 februari 2015 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Op een promotieprent uit 1884 staat deze stadsroeper samen met een fantasiefiguur die een lijst spullen omhoog houdt, welke spullen de promovendus – een “fijn en nobel mensch” – straks niet meer nodig zal hebben (zoals een schoteltje voor oogwater). Deze spullen werden zogezegd enkele dagen na zijn promotie bij opbod verkocht voor zijn adres in de Poelestraat, een veiling die de afgebeelde uitroeper dus bij bekkenslag aankondigde.
De vondst van de afbeelding gaf me aanleiding om te zoeken naar een ooit in WP 4,2 aangelegd bestand met gegevens over de stadsroepers van Groningen. Helaas was het onvindbaar. Ik meen dat er de bron voor een instructie in zat, naast wat losse gegevens. De instructie bleek ook niet terug te vinden via de verschillende archieftoegangen op placcaten, ordonnanties en resoluties, maar met een middag werk kwamen er toch wel redelijk wat gegevens boven water.
Zo’n stadsroeper kondigde voor particulieren boeldagen en kleinere verkopingen aan. Een enkele keer hebben we daar zicht op, doordat de ruchtbaarheid via de roeper gecombineerd werd met een bekendmaking in de krant. Zo stuurde de eigenaar van nieuwe oesterputten bij Harlingen eind 1755 wat van zijn oesters naar de Groninger visafslag om potentiële afnemers te overtuigen van hun kwaliteit. Dit voornemen liet hij in de krant plaatsen, maar niet de datum van afmijning, want:
“den dag van de verkopinge zal nader door den gewoonen roeper bekend gemaakt worden.”
In het voorjaar van 1772 was er een hond zoek. Het signalement in de krant ging gepaard met het adres waar het beest naar toe kon worden gebracht:
“wie dezelve geborgen heeft kan ze bezorgen aan den Stads Uitroeper, zullende een vereeringe hebben.”
Fungeerde de roeper in dit geval waarschijnlijk als contactadres voor iemand die zelf niet in de krant wilde staan, in september 1797 kondigde de krant een verkoping aan van twee paar nieuwe gouden epauletten van de stadsroeper zelf:
“zynde dit dezelve welke op donderdag laastleeden door de Stads Uitroeper (aan wien deeze in eigendom zyn toebehorende) zyn uitgeroepen.”
Zulk werk deed de stadsroeper nu ook voor de stad. Daarbij zal het vooral gegaan zijn om executieverkopen en veilingen van in beslag genomen onderpanden. Voor dit en nog weer ander stadswerk (waarover straks meer) ontving de stadsroeper een traktement uit de stadskas en daarom vinden we de namen van de stadsroepers in de stadsrekeningen terug:
| Jaren: | Naam: | Bijzonderheden: |
| 1561-1568 | Lambert Hassinck | |
| 1568-1570 | Johan Hoedt | Zoon van de vorige, later opzichter van de drekstoep en hoornwachter op de Martintoren. |
| 1571-1580 | Berent van Winsum | |
| 1580-1594 | Johan Arens | In 1594 als katholiek afgezet door het nieuwe, gereformeerde stadsbestuur? |
| 1595-1606 | Vastert van Metelen (Dasart) | Eerder hoornwachter op de Martinitoren. |
| 1607-1628 | Wessel Hindricks | |
| 1629-1639 | Ubbe Pieters | Verdiende een traktement van 25 Emder guldens oftwel ruim 28 gulden per jaar. |
| 1639-1672 | Hindrick Willems (de Roeper) | Kreeg bij rekest en apostille van 3 april 1644 gedaan dat zijn traktement verhoogd werd tot 50 gulden per jaar.Bij Brede Raadsresolutie van 31 maart 1659 werd dit nogmaals verhoogd tot 75 gulden per jaar en in 1667 nog eens tot 100 gulden per jaar, “mits dat hij de pleijne ende de horn omtrent de secretarije tijdtlijx wel sal reijnigen”. In 1673 tekende (voogd?) Coenraat Redeker voor Willems’ laatste traktement. |
| 1674-1683 | wed. Hindrick de Roeper | Weduwe van de vorige. |
| 1684-1724 | Jan Thijes | Op 31 juli 1683 besloot het stadsbestuur het traktement met 15 gulden per jaar te verhogen “voor ’t schonen van de pleyn”. Het bereikte daarmee de maximale hoogte, die het zelfs na 1800 nog had. In 1724 tekende (voogd?) J. Zuiderhof voor Thijes’ laatste traktement. |
| 1724-1737 | Sijben Boneschans | Boneschans ontving zijn traktement getuige zijn kwitanties (mede) voor “vuur buieten” op het raadhuis. In 1737 tekende een J.A. Pijper (voogd?) wegens het laatste kwartaal. |
| 1737-1758 | Thomas Hoflander | Mogelijk afkomstig uit brouwersgeslacht. Schreef op zijn kwitanties dat hij zijn traktement (mede) ontving voor het “bueiten van vuir op het statshuis”. |
| 1759-1765 | Jan Terveen | |
| 1766-1797 | Christiaan Engberts | Bewoonde een eigen huis aan de Nieuwe Boteringestraat. Zijn laatste traktement was dat vanwege het eerste kwartaal 1797. Engbers werd mogelijk afgezet wegens zijn orangistische overtuiging. In 1803 verkocht zijn weduwe de woning. |
| 1797-1824 | Douwe van der Werp | Gezien het aanstellingsjaar een patriot. Het lijkt erop (zie boven) dat hij vlak na zijn aantreden gouden epauletten voor zijn outfit had aangeschaft, maar dat dit niet op prijs werd gesteld en dat hij ze daarom maar verkocht. Hij ontving in 1806 nog een traktement voor driekwart jaar, maar staat daarna niet meer bij de stadsofficianten in de stadsrekeningen. Hij overleed in 1824 op 72-jarige leeftijd en werd toen nog wel “uitroeper” genoemd, maar was tevens leedaanzegger. Hij bewoonde een eigen huis aan de Carolieweg zz, dat na zijn dood door zijn weduwe werd verkocht. |
| Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1700 (verzameling Kuiken) inv.nr. 1 – lijst stadsofficianten; Toegang 1605 (stadsbestuur 1594-1816) inv.nr. 332 (stadsrekeningen); en idem inv.nr. 332b (bijlagen bij de stadsrekeningen); met nog enkele via internet gevonden bijzonderheden (zie de links). | ||
Zoals in de kolom met bijzonderheden is te zien, stond op de kwitanties van Boneschans en Hoflander dat ze hun traktement ontvingen als “vuurbuiter” of “vuirstooker” op het stadhuis. Waarschijnlijk ging het slechts om een neventaak, maar wel een die al behoorlijk oud was. In zijn rekest van 1644 voerde Hindrick Willems immers aan, dat hij zijn uiterste best deed bij het werk “wegen ’t Heeren Huijs”, en dat hij daar zelfs een meid voor in dienst genomen had. Het is moeilijk voor te stellen dat hij zijn kerntaak, het eigenlijke roeperswerk, door haar liet doen. In de meeste kwitanties werden deze officianten ook uitsluitend aangeduid als stadsroepers en je mag dan aannemen dat deze kant van het werk het voornaamste motief voor bezoldiging door de stad vormde.
Interessant is dat Willems in 1644 ook meldde
“dat het roepen soo veel als wel voormaels (doordien dagelijx weinich voorvalt) niet kan opwerken”
Er zat dus wat de klad in zijn belangrijkste werk. Inderdaad trokken het stadsbestuur het traktement op en deed het dat later nog een paar keer, zonder die besluiten te motiveren. Bij de verhoging van 75 naar 100 gulden in 1667 gold als voorwaarde dat de stadsroeper “de pleijne (= Brede Markt) ende de horn (= hoek) omtrent de secretarije tijdtlijx wel sal reijnigen” en in 1683, toen er nog eens 15 gulden bij het traktement op kwam, werd deze extra taak nog eens uitdrukkelijk aangestipt.
Van 1683 tot 1806 ontving de stadsroeper van stadswege dus 115 gulden per jaar. Nu bedroegen de minimale kosten van levensonderhoud met burgermanspot destijds een 150 gulden. Die 115 gulden van het roeperstraktement kan je dan beschouwen als te weinig om van te leven. Duidelijk is dat de stadsroeper niet alleen van dit traktement bestond, maar een onzichtbaar deel van zijn inkomsten uit de markt haalde. Afgaande op de stadsrekeningen, hield het traktement van stadswege in 1806 helemaal op. Mogelijk was Douwe van der Werp om die reden tevens actief als leedaaanzegger.
Al met al moet de stadsroeper in die vroegmoderne periode toch redelijk hebben verdiend. Dat blijkt indirect ook wel uit het ‘equivalent’ dat hij voor het aanvaarden van zijn ambt moest betalen. Die som bedroeg 200 gulden, evenveel als neergeteld moest worden door onder meer de stadspander, de stadsschulte, een stadsmakelaar en de groen- en de visschrijver, maar meer dan werd betaald door een stadsbode, de gildrechtsdienaar en zeven van de acht poortiers. Dat een stadsroeper niet tot de allerarmste burgers behoorde, blijkt ten slotte ook uit de twee laatste roepers uit de tabel: beiden beschikten over een eigen huis, waar arbeiders en armen doorgaans in een huurwoning zaten.
Vier kwitanties:

Hindrick Willems, 1645

Jan Thijes, 1683.

Sijben Boneschans, 1724.

Thomas Hoflander, 1738.
Toen ik vandaag naar de stad ging
Geplaatst op: 6 februari 2015 Hoort bij: Stad nu 2 reactieszag ik allemaal verbrijzeld ijs op een oprit aan de Peizerweg:

Wat daar nou gebeurd was?

Topmeeuw bij het Hoornsediep ter hoogte van de Cascade:

Hé, er staat een fiets op de bovenste etage van de fietsparkeerflat bij het station:

Man laat z’n vrouw veilen, met haar toestemming
Geplaatst op: 6 februari 2015 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieVind je de ene avond een maagdenveiling als satire, heb je de volgende avond, terwijl je heel ergens anders naar zoekt, opeens een werkelijk waar gebeurde veiling van een vrouw voor je neus staan:
“L.l. Maandag heeft een zekere Thomas Moore op de markt van Evesham zijne vrouw willen verkoopen. Onder een ontzaggelijken toeloop van volk en door den stads-omroeper voorafgegaan , zag men den man inderdaad zijne wederhelft met een touw om den hals naar het marktplein geleiden. Nadat aldaar zoowel hare deugden als ondeugden waren uitgebazuind en de koopprijs was ingesteld, kwam de policie tusschen beide en belette den openbaren verkoop, die echter alstoen, met volle goedkeuring der vrouw, in eene nabij gelegen herberg plaats had , waar zij voor de som van 2 sh. aan haren eigen schoonvader werd toegewezen.”
Bron: Groninger Courant 1 mei 1849.

Recente reacties