Veiling van een partij maagden, vrijsters, bejaarde dochters enz.

catalogus maagden

Humor uit 1800, o.a. te koop bij de boekhandelaar Zuidema in Groningen voor 3 stuivers. Voor wie de complete catalogus van zestien pagina’s met maar liefst twintig ruimhartig omschreven kavels wil zien – deze is te vinden op Google Books en wel hier.


Sigarenzakje met swastika alarmeert Alkmaarder antifascisten

Winkelier in moeilijkheden.

Hoe men tegenwoordig onbewust ïn politieke moeilijkheden kan geraken heeft dezer dagen een eerzaam sigarenwinkelier in Alkmaar ondervonden, vertelt de „Standaard”. Deze winkelier had ruim een jaar geleden sigarenzakjes laten maken. De fabriek had voor een aardig zakje gezorgd. Behalve naam en adres van den winkelier kwam er een teekening op voor; met eenige figuratie waren open blijvende vlakken gevuld. De winkelier was met zijn zakjes best tevreden en geen enkele klant maakte aanmerkingen.

Totdat er korten tijd geleden op een avond een oploop voor den winkel ontstond. „Dood aan de Nazi’s”. „Weg met Hitler”. „Rood front”, werd er geschreeuwd. Den volgenden morgen was de winkelpui met een groot hakenkruis versierd.

De winkelier stond stom-verbaasd over de herrie. Hij had zich nooit met het nationaal-socialisme bemoeid. Hij informeerde bij de communisten wat dat beteekenen moest en deze hielden hem een van zijn sigarenzakjes voor: „Ziedaar je brandmerk”. In de figuratie op het sigarenzakje was een hakenkruisje verwerkt.

Een jaar geleden gold de „Swastika” In Nederland nog als een onschuldig figuurtje, waar geen mensch naar keek. Nu is het ineens een politiek embleem geworden, dat een doodonschuldig mensch den grootsten last kan bezorgen.

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 20 september 1933.

 


Sigarenzakjes van Nanninga

In het archief van de familie Nanninga bevindt zich een fraaie verzameling sigarenzakjes. Het zal verreweg de meeste mensen niets zeggen, maar tabaksverkopers leverden in zo’n zakje een stuk of wat sigaren, voordat de sigarendoos de functie overnam. Vanaf 1840 zijn de zakjes ruim een eeuw in gebruik geweest. In 1941 echter, verbood de bezetter het vervaardigen van een bepaalde soort wegens beperking van het papiergebruik en na de oorlog raakten ze in vergetelheid.

Of de zakjes van meet af aan al bedrukt waren, onttrekt zich aan mijn waarneming, maar waarschijnlijk gebeurde dat pas met de opkomst van de commerciële snelpers, na ca. 1860, 1870. Aan de voorzijde stond gewoonlijk de sigarenleverancier en aan de achterzijde een rebus. Juist dat drukwerk vormde tussen 1890 en 1930 reden om deze zakjes te verzamelen – uit die periode stammen ook de exemplaren van de familie Nanninga.  Daarbij kan je goed zien, waar deze familie woonde: Ten Post en Garrelsweer zijn goed vertegenwoordigd, evenals de stad Groningen. Ook de Ommelanden tussen Reitdiep en Damsterdiep leverden vrij veel puutjes aan de collectie, Oost-Groningen en Drenthe komen er ook nog wel in voor, maar gebieden daarbuiten praktisch niet.

Uit de kantine van de kazerne te Assen kot dit exemplaar, mogelijk vervulde de collectioneur hier zijn militaire dienst:
008
H. Tigelaar, na 1903 op het station van de Eerste Drentsche Stoomtramweg-Maatschappij te Nieuweroord,  koos voor een Jugendstil-achtig ontwerpje:
011
Veel sigarenleveranciers kozen echter voor uitsluitend letters op hun puutjes, zoals ook deze aan de Nieuweweg in Groningen:
016
Zoals gezegd stond achterop zo’n sigarenzakjes vaak een rebus. Nanninga zette de oplossing met potlood nogal eens voorop het zakje, wellicht vormden deze raadseltjes voor hem het motief om de zakjes te bewaren:
017
Kappers verkochten ook sigaren, dit plaatje van een kapperszaak kan je op meerdere sigarenzakjes uit de stad Groningen aantreffen:
020
Een vakgenoot uit Appingedam hield het weer sober:
038
Op het puutje van een kruidenier in Garrelsweer staat links in kleine lettertjes “Zakkenfabriek W. Kamerlingh Groningen”. Het blijkt te gaan om een drukkerij uit de Pelsterstraat, die o.m. in 1896 en 1903 reclame maakte voor haar sigarenzakjes:
042
Overigens was Kamerlingh lang niet de enige handelsdrukker die sigarenzakjes leverde. In de stad Groningen waren dat er ettelijke. In 1894 en 1895 ging het bijvoorbeeld om een Ottenhoff uit de Warmoesstraat, in 1896 om een Aldershoff met een drukkerij aan de Jacobijnerstraat, in 1904 om een Ubbens aan de Herebinnensingel, in 1912 om een Meijer aan het Zuiderdiep, en in 1911 om een Heijkens aan de A-Kerkstraat. Dat laatste bedrijf bestaat nu nog steeds.

Terug naar de zakjes zelf. Alweer een tramstation, dit keer te Harenermolen:
044
Een café in Ten Post waarvan de uitbater ook in hooi en stro deed:
055
Diens concurrent van Veelust had weer een manege en een dekstation:
060
Terwijl een kruidenier in Veendam reclame maakte met de nabijheid van het gemeentehuis (zo hij er niet in woonde):
066
Tot slot een specialist uit dezelfde plaats, die op zijn zakje een vakje liet aanbrengen waarin hij vooraf merk en prijs van de sigaren kon invullen:
069

Ook HJRNoorden heeft een verzameling op zijn Flickr-pagina’s staan.


Vanochtend bij de Emmabrug

001


De rarekiek en zijn uitbater, een kapstok voor satire

535-Hora Siccama 762 nieuwjaarsprent 1812 rarekiek rarekiekkas blogb

Dit tafereeltje staat op een voorgedrukte nieuwjaarsbrief uit 1812. De kist op de schraag is een rarekiek of rarekiekkas, waarin gaten met vergrotende lenzen de toeschouwers zicht geven op taferelen en personages, die op dat moment in de belangstelling staan. Getuige het schoorsteenpijpje is de kast in dit geval voorzien van toverlantaarntechnologie. Verder bevinden zich waarschijnlijk draai- en/of verschuifbare spiegels, panelen en opticaprenten in het inwendige. Deze attractie beleefde haar hoogtijdagen in de tweede helft van de achttiende eeuw, maar viel nog tot diep in de negentiende eeuw op kermissen en jaarmarkten te bekijken.

De mannen die er stad en land mee afreisden, stonden niet bepaald in hoog aanzien. Zo bevat een Groninger Courant uit 1767 het verhaal over de dochter van een Noord-Duitse rijkaard. Ze ging er vandoor met een kerel die rondzwierf met een rarekiek. Het bericht suggereert dat ze voor haar reisgeld een greep in de kas van haar papa had gedaan,

”wyl zy ongetwyffelt niet voorneemens zal geweest zyn, op hunne kunst te reizen”.

Met andere woorden: de verdiensten hielden niet over. De lage status van de rarekiek en zijn uitbater blijkt overigens eveneens uit een aflevering van De Vriend des Vaderlands uit 1832, waarin gezegd wordt dat de belangrijkste Schouwburg van het land zich verlaagd heeft tot een rarekiekkas.

Naar de rarekiek zijn in de achttiende eeuw tientallen politieke pamfletten genoemd. Wat betreft Groningen kennen we De Groninger Rarekiek, die in de jaren 1780 in een reeks vervolgen allerlei vooraanstaande personen te kijk zette. Als gefingeerde auteur werd opgevoerd een Steven Walon en uit een steekproefje bij Google Books blijkt, dat dit de gangbare praktijk was: afgezien van een enkele Savoyaard en Tiroler zijn het altijd Fransen en Walen die als vertellers en explicateurs in deze teksten figureren. Daarbij heten ze in de eerste decennia van de achttiende eeuw nog steevast Harlequin, naar de Italiaanse commedia del’arte-figuur. Dat ze ook wel als zodanig uitgedost zijn, dus met een ruitenpak, blijkt uit een enkele afbeelding. Na 1740 verdwijnt echter de naam Harlequin en daarmee waarschijnlijk ook de uitdossing. Aannemelijk is dat deze ontwikkeling in teksten de werkelijkheid op kermissen volgt.

Toen ik ergens in de jaren 80 de Groninger Rarekiek voor het eerst las, had ik aanvankelijk wat moeite met de taal. Ook die moet ontleend zijn aan de werkelijkheid. Het betreft een met Frans idioom doorspekt koeterwaals dat moeilijk leesbaar is als je geen rekening houdt met het vette Franse accent. De g bijvoorbeeld, wordt zo hard uitgesproken dat ze door een k wordt vervangen, terwijl de h nog wel eens wil ontbreken. Te pas en te onpas valt de uitroep “Fraai Curieus”, waarmee de rarekiekman het waarachtig belang van zijn attractie wilde aanprijzen.

Vooral in de opmaat van de pamfletten komt dit talige aspect tot uiting. Daar wordt vaak even de situatie opgeroepen van de rarekiekman die pas op de kermis is gearriveerd. Zo begint de eigenlijke tekst van Harlequin reysende met zyn rarekiek uit 1709 met:

“Mooy fraai kurieus; wie wil ze kyk,
De raritee, niete gelyk?
Allon messieurs, hier is mervelje,
’t is maar twie duit, ze is nonparelje…”

Een andere Franse Harlekijn heeft in 1732 deze introductie:

“Ik hebbe nou al fer kenoek ketorst en kesukkel met die kas
Ikke wil die pardie ier neersette, op oope of er ook nok wel een liefebbre was,
Fan die fraai curjeus en die foor een liard mon mooi spul wou beskouwen,
O! Ditte is un spul zonder weerka, keloof my fry te koeder trouwen,
Ikke kom daarmee zo rekelrekt fan Parys, die kroote en folkryke stad,
Daar ikke eb lank verkeert en met allerlei folke omkank keadt.”

De gebooren Hollander die in 1781, tijdens de Vierde Engelse Oorlog, zogenaamd zijn opwachting maakt in Londen, begint zijn verhaal zo:

“Je suis François, moi foi! en ik vertoon parbleus!
Een freemde rarekiek, o die is fraikerjeus! (…)
De vinding is gantsch vreemt, en nieuwerwets van steil,
Zy is sur mein parool! in alles sans pareil!
Kom Engelandertjes! Wilt my nu niet ontwyken,
Gy kunt hier, o zo mooi! door myne gaatjes kyken…”

Dat de toeschouwers geld moesten geven voor ze een blik door de glaasjes mochten werpen, blijkt nog eens uit De vrolyke Walon met de rarekiek-kas op de Amsterdamsche kermis, uit 1782:

“Alon folkje, keef my de handkeld, ze eb nok niete ontfang. Ha! jey, zel jou my keef andkelte? Zegge jy jae.”

De rarekiek-uitbater die in een krom Frans-Nederlands de in zijn kast getoonde actualiteiten becommentarieerde, vormde destijds dus een populaire kapstok voor satire. Aan de ene kant kon je hem personen en toestanden over de hekel laten halen, aan de andere kant hoefde men hem er niet al te zeer op aan te kijken en serieus te nemen. Dat de werkelijkherid van de kermis door zulke satire heen schemert, is mooi meegenomen, want daardoor krijgen we zicht op een professie, waarover anders nauwelijks iets bekend zou zijn..


Max en Maurits – vaaierde streek

Hou de twei deugenaiten meester Lampel bie poot haren. Noar ’t Duuts van Wilhelm Busch ien ’t Grunnegers van ’t Hogelaand overzet deur Jan Klompsma. ‘Boukje verscheen doudestieds, ien 80, bie Willem Diemer van Stabo/All Round an Oosterweg, en mog om mie wel ’n twijde druk beleven.


Op en neer naar stad

Patroon op rijplaat, gevormd door sneeuw en regen, heeft wel wat weg van de landkaart van Korea:
2015-01-31 009
Op de Bolham bij de Bruilweering waren ze bezig met alweer een nieuwe weg:
2015-01-31 016
Arriva-treinen, geparkeerd bij het Hoofdstation:
2015-01-31 028
Dorpsgezicht Hoogkerk:
2015-01-31 047


Swastika, een tennisclub te Oldehove (1976)

Naar aanleiding van het stukje Sweet Swastika-home, vroeg I. of ik wel wist dat er in de jaren 70 nog een tennisclub Swastika bestond in Oldehove? Nee dus. Volgens I. had een nieuw lid van die club een jaar lang tevergeefs geprobeerd om die naam veranderd te krijgen, voordat het in de publiciteit kwam. De oudere garde liep in die periode zelfs expres in bruine hemden rond op een soort van clubfeest.

Ik wilde dit eerst niet geloven, maar Delpher is my friendInderdaad blijkt er een tennisclub met de naam Swastika in Oldehove te hebben bestaan.

De vereniging was in 1924 opgericht als notabelenclub met een eigen baan, zoals je er wel meer had in de provincie Groningen. De naam Swastika was toen nog onbesmet. Getuige meldingen in het Nieuwsblad van het Noorden deed de club tot 1939 ook nog gewoon onder die naam mee aan wedstrijden van de noordelijke tennisbond.

Na de oorlog, toen de naam wel degelijk besmet was, werd niet meer aan externe competities meegedaan, men was zelfs niet eens aangesloten bij de tennisbond. Men moest hard werken in de wederopbouwperiode, de besloten club lag een poos op zijn gat. Pas toen in de jaren 60 de trek naar het platteland begon, het Oldehoofster tennis extern democratiseerde en nieuwe, talentvolle leden zich aandienden, die ook graag in competitieverband tegen andere clubs wilden spelen, kwam de controverse op.

Een eerste stemming over naamsverandering verloor de jonge garde nog met 53 tegen 7 stemmen. Maar de tennisbond weigerde de naam Swastika te accepteren, en dat beslechtte uiteindelijk het pleit. Pas sindsdien heet de tennisvereniging uit Oldehove officieel TC Oldehove, al doet ze het op haar website voorkomen dat dat altijd de naam is geweest.


Een heetgebakerd heerschap op de kansel van Lutjegast

Dat onze tijd zeker niet het alleenrecht heeft op politieke heftigheid, blijkt wel uit dominee Bruins van Lutjegast. Hij zat in 1788 al veilig in het buitenland, toen hij bij verstek tot eeuwigdurende verbanning werd veroordeeld, omdat hij zich schuldig had gemaakt

“aan verregaande lastering van den Hoogen Persoon van Zijne Doorluchtige Hoogheid den Heere Erf-Stadhouder der Vereenigde Nederlanden, alsook van diegenen welke den Prins aankleeven.”

In mei 1787 had Bruins namelijk “ten aanhooren van veele Ingezetenen” de prins een “schelm, hoerenjaager en wynzuiper” genoemd. Diens aanhangers waren volgens Bruins van hetzelfde laken een pak.

Ook stookte Bruins in september 1787 de mensen op om om tegen de Pruissische troepen te gaan vechten bij Utrecht, want als die de prins en de prinsgezinden weer aan de macht hielpen, zou een boer niets overhouden dan zijn kiel. De prins was immers “een moordbeul, erger dan Alva, een duivel uit de hel”.

Zelfs op de kansel deed Bruins dergelijke politieke uitlatingen. Prins Willem V en zijn aanhang noemde hij daar een “hels gespuis” en “vloekgespan”, dat het beste maar kon worden uitgeroeid.

Met zijn ambtgenoot Bacot van Eenrum behoorde Bruins tot de top 3 van patriotten in de Ommelanden.

Het vonnis.


Het begin van de radio in Baflo

radio 1926 Baflo

Notitie d.d. 2 maart 1926 in het dagboek van Aafke Sijtsma uit Baflo.

Dat was in de pionierstijd van de radio. Ga maar eens na wanneer de oudste omroepen werden opgericht: de NCRV (1924), de KRO en de VARA (1925), de VPRO (1926) en de AVRO (1927).

De leverancier, C. Veldman, was eigenlijk de dorpssmid van Baflo. Hij handelde in tweedehands maai– en schoffelmachines en kachels. Het merk radio dat hij leverde was Philips. Vrij standaard, lijkt me. Philips was in die tijd ’s wereld grootste fabrikant van radiobuizen, las ik ergens.

De 346 gulden die de Sijtsma’s voor hun radio neertelden zou volgens het tooltje van het IISG nu meer dan 2600 euro zijn. Een behoorlijk bedrag!

Hoe belangrijk Aafke de aanschaf vond, blijkt ook uit de rest van haar dagboek. Ze hield het bij in de jaren 1915-1919, jaren van oorlog en andere ellende zoals hoge prijzen en distributie. Daarna hield het op en pas in 1926 schreef ze er weer wat in dankzij de komst van de radio, maar na dat jaar liet ze het definitief liggen. Kwam dat doordat ze haar aandacht nu geheel door de radio opgeslokt werd?


Bij een weggekapt wapenschild in Niekerk

Een jaar of wat terug was het monumentenfonds van de vereniging  Stad & Lande op zoek naar een nieuw project. Ik opperde de zilvervloot-plaquette uit 1629 op de toren van Niekerk (Marne), met als motivatie dat de letters in verval en de tussenliggende beeltenis al helemaal weg was, zodat enig geld hier heel goed van pas zou kunnen komen:

2012-11-11 194

Op mijn suggestie hoorde ik niets. Maar daar kon ik me ook niet druk om maken, er zou vast wel een urgenter project zijn.

Inmiddels begrijp ik het stilzwijgen wat beter , want naar me nu blijkt, is die beeltenis, welke uit een dubbel wapenschild met het wapen Lewe bestond, al héél lang weg. Pathuis meent dat het “waarschijnlijk” in 1795 weggekapt is, maar dat lijkt me stug, omdat de Bataafse revolutionairen hier in eerste instantie helemaal niet zo voortvarend te werk gingen tegen aristocratische verschijningsvormen. Het jaar 1798, toen radicale democraten het even voor het zeggen kregen, komt volgens mij veel meer in aanmerking.

Bij die revolutie van 1798 werden we zeer tegen onze zin een eenheidsstaat, wat vooral betekende dat er geen enkele rem meer was op Hollandse machtshonger.  Hoogst ironisch is het dan, dat hier in Niekerk het wapen Lewe met zijn rode leeuw op een goudgele ondergrond weggekapt werd, terwijl dat in wezen hetzelfde wapen was als dat van Holland, ook al klimt die Hollandse versie de andere kant op.

Afschrift (18e eeuw) van het opschrift uit 1629. Groninger Archieven, Toegang 657 Verzamling Keiser, inv.nr. 164.

Afschrift (18e eeuw) van het Niekerker opschrift uit 1629. RHC Groninger Archieven, Toegang 657 (Verzameling Keiser) inv.nr. 164.

 


Haarms Loflaid op Stad (HCC Dronrijp Uges, 1842)

‘k Wol ’t ook eem perbaaiern:


Coverversie, zok mor zeggen, van dizzent hier.


‘Huisvriendjes en speelkameraadjes’

De vondst van de dag is dit kinder-voorleesboek uit 1896:
001 WAS 019
De verhaaltjes spelen zich af rond een boerderij. Alle gangbare huisdieren komen erin voor. Naast poesjes bijvoorbeeld hondjes:
006
En paardjes:
010
Het meest nog paardjes:
017
Het past dus uitstekend in een presentatie of tentoonstelling over de Groningse leefwereld van Otto Eerelman, waarvoor ik momenteel materiaal bij elkaar zoek.

Eerelman maakte met zijn paarden en honden werk naar de smaak van de elite en de gegoede burgerij. Zo’n prentenboek kostte ƒ 1,25, wat ongeveer het dagloon van een arbeider geweest zal zijn. Zo’n boek was dus niets iets wat arbeiderskinderen gewoonlijk in handen kregen. In dit geval komt het exemplaar uit het archief van de bankiers- en kunstenaarsfamilie Van Mesdag.

Overigens, om misverstanden te voorkomen: de illustraties uit dit prentenboek zijn niet van Eerelman, maar van ene Beata, die er ook best wel wat van kan.


Prettige melancholie

Bij donkere avond met de bus over natte wegen – het stemt me prettig melancholiek.

Er komt een herinnering bij boven. We rijden met een bus van de NWH tussen Wanneperveen en Meppel, waar we zullen overstappen, mijn moeder en ik. We zitten op één bank, die van die chromen buizen om de rugleuning heeft. Zij zit bij het gangpad en ik bij het raam. Buiten is het donker, je ziet alleen de regen die glinsterende kronkelpaadjes over de ruiten trekt.

In Wanneperveen waren we bij oom Geert en tante Jenny op bezoek. Het moet voor 1960 zijn geweest, want toen kreeg oom Geert, die onderwijzer was, een baan aan een school in Hoogeveen en verhuisden ze die kant op.

Voor 1960 – die aangename melancholie zit er behoorlijk diep in.


Culinaire uitvaart

Blijkbaar voldeed de man niet?:

img286b

Ze hebben trouwens wel razendsnel een vervanger gevonden.