Een vroege veenstaking in Westerbroek

Westerbroek met zijn laagveenderij en baggelputten of petgaten (blauw). Fragment kaart uit de Atlas van Huguenin ca. 1825 (editie uitg. Heveskes).

Westerbroek met zijn laagveenderij. De baggelputten of petgaten (blauw) zijn duidelijk te onderscheiden. Fragment van een kaart in de Atlas van Huguenin, ca. 1825. (Editie uitgeverij Heveskes.)

Uit een vonnis, dat de richter van Selwerd en Sappemeer in 1796 uitsprak, valt op te maken dat een veenhut (of turftent) in Westerbroek destijds onderdak bood aan een ploeg van een man of tien. Dit uiteraard alleen tijdens het seizoen dat er turf gegraven of gebaggeld werd. Gewoonlijk duurde dat van eind maart, begin april tot de langste dag – rond 21 juni keerden de seizoensarbeiders of baggelaars dan terug naar hun vaak ver verwijderde woonplaatsen, en gingen de turfmakers, d.w.z. de vaste arbeiders die dicht op het veen woonden, bezig met het drogen van de turf, door deze op een bepaalde manier op het zetveld in “vuren” te stapelen.

Daar in Westerbroek was april dat jaar ene Eildert Sybrands (26) aan het werk als “trekker” (baggelaar) in het “baggersveen” (de laagveenderij) van de lokale veeneigenaar Fokke Heerkes. Van origine was deze Sybrands een Reiderlander, want afkomstig uit Weenermoor, maar hij woonde al een poos in Scheemda. Tijdens het baggelseizoen nam hij echter zijn intrek in een veenhut van Fokke Heerkes, in welk onderkomen een veenstaking uitbrak.

Op dinsdag 12 april was dat. Sybrands stapte die ochtend met zeven of acht mede-arbeiders de deur van de veenhut uit, althans volgens het verhaal dat naderhand het gericht bereikte. Buiten lieten twee anderen, namelijk Johan Hindrik Bolman en Geert Hindriks ten Lage, nog op zich wachten Daarom keerde Sybrands in de hut terug. Aanvankelijk bleek geen van beide achterblijver bereid “om met de troep naar ’t veen te gaan”. Volgens het verhaal probeerde Sybrands ze daartoe over te halen,

zeggende tegen den eenen dat hij met hun zoude gaan omdat hij een oud trekker was, en tegen den anderen “doe zelste ook met” , er wijders bijvoegende “en zal niemand in de hut blijven”.

Bolman ging inderdaad mee, Ten Lage kennelijk niet. Toen de ploeg buiten de deur zo zijn maximale sterkte bereikt had, zou Sybrands de leiding op zich hebben genomen. Tegen een collega zei hij:

 “Neem doe een romp (= hemd) en zet hem op een stok, ik zal een emmer nemen.”

Als vaandrig en tamboer gingen beide mannen voor in een “optogt”, wat ze volgens het gericht deden “op een oproerige en zamenroottende wijze”. De emmer waarmee Sybrands “veel geraas” maakte en de stok met het “hemdrock” als vlag in de handen van zijn collega golden, althans volgens het gericht later,

als tekenen van opstand onder het werkvolk in de venen”.

Eerst ging de troep naar het veen van de eigen veenbaas, Fokke Heerkes. Dat het werkvolk niet bij voorbaat een eenheid vormde, blijkt uit het feit dat daar al mannen aan het werk waren. Met name een Hindrik Derks en een Derk Grote werden vanuit de troep verzocht om aan de staking mee te doen. Blijkbaar ging het om wat oudere baggelaars met overwicht op een achterban.

Nu gaven veeneigenaren uit een bepaalde streek vaak dezelfde, onderling afgesproken lonen. Bij een loonconflict kon dan de ene naar de andere wijzen, zodat stakers ook de veenarbeiders op naburige velden moesten zien over te halen, wilden ze een vuist kunnen maken. Dat gebeurde hier eveneens, want Sybrands ging dezelfde dag met enige van zijn ”cameraden” naar het veen dat onder toezicht stond van de veenbaas Berend Luitjes Wolf,

om de aldaar aan ’t werk zijnde arbeiders in hunne belangens over te halen, of zelfs met geweld ertoe te nootzaaken.

In verband met de inzet van dat geweld dreigde een van die kameraden arbeiders uit een naburig veen op te halen als de arbeiders van Berend Luitjes Wolf “niet goedwillig wilden uitscheiden”. Denkelijk was dat naburige veen het baggelveld van Heerkes, waar de arbeiders al overgehaald waren.

Dit dreigen met geweld vormde waarschijnlijk de aanleiding voor het gericht om Sybrands vast te zetten in de Stadsgeweldige te Groningen. Hij werd er echter vooral van verdacht dat hij met enige mede-arbeiders afsprak

om hun werk in ’t veen gezamentlyk te staken teneinde hun meester Fokke Heerkes tot een verhoging van arbeidsloon te nootzaken.

Bovendien zou hij als “voornaam aanvoerder” en “opstoker” schuldig zijn aan de

zamenrotting en oproerige bewegingen die onder een gedeelte van het werkvolk (…) om andere veenarbeiders op te rujen en het werk te doen staken en daardoor de eigenaars der baggerveenen tot het uitbieden van hogere arbeidslonen, dan er toen gewoonlijk gegeven wierden, op een ongeoorloofde en strafbare wijze te nootzaken.

Na tien weken voorarrest, kreeg Sybrands zijn sententie voorgelezen door het gericht van Selwerd en Sappemeer. Er waren verscheidene getuigen tegen hem geweest, maar hij had zelf steeds de beschuldigingen ontkend. En aangezien sommige getuigen zelf ook verdacht waren en de getuigen elkaar onderling tegenspraken, viel Sybrands’ schuld niet zonder twijfel vast te stellen. Daarmee was er gebrek aan wettig en overtuigend bewijs en kon de richter niet “welverdiende straffe” opleggen die hij eigenlijk in de zin had..

Aan de andere kant, zo overwoog de richter, stond ook Sybrands’ onschuld allerminst vast. Daarom liet het gericht van Selwerd en Sappemeer Sybrands vooralsnog vrij, met de waarschuwing dat hij zich ter beschikking van het gericht moest houden voor het geval dat er alsnog voldoende bewijs zou komen.

Deze uitspraak dateert om precies te zijn van zaterdag 25 juni 1796, dus een paar dagen na de langste dag. Het baggelseizoen was toen al voorbij. Voor Sybrands viel er dat jaar niets meer in het veen te verdienen.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 136 (archief Hoge Justitiekamer) inv.nr. 1988 (register vonnissen vreemde gerichten) op de aangegeven datum.


Vier recente draailierdeunen

Liereman met draailier. Detail uit de prent 'Kluchtige schermutseling tussen Scaramouche en Harlekijn', 1742. Collectie Rijksmuseum.

Liereman met draailier. Detail uit de prent ‘Kluchtige schermutseling…’ (1742). Rijksmuseum.


‘Gaan met die banaan’ – waar komt die uitdrukking vandaan?

Huisnaam studentenhuis in de Hoekstraat, Groningen (2008).

Huisnaam studentenhuis in de Hoekstraat, Groningen (2008).

De laatste tijd koop ik regelmatig bananen, terwijl ik er jarenlang niet naar getaald heb. Ik zie nu dat ook elders sprake is van herwaardering. :-)r

Naar de uitdrukking ‘gaan met die banaan’, die daar en passant “raar” gevonden wordt, heb ik even een klein onderzoekje ingesteld. De eerste melding in een krant blijkt Het Vrije Volk 1989. Het gaat dan om een popmuzikantenartikel. Later dat jaar krijgt een candidcamera-show op Veronique (met Patty Brard als presentatrice) de uitdrukking ‘Gaan met die banaan’ als titel .

Hoewel je hier bijkans nostalgisch van zou worden, is die uitdrukking dus niet erg oud. Ik wil hierbij de hypothese poneren dat ze uit de wielersport afkomstig is. Bij middellange tijdritten en bergop stak er bij renners een banaan half uit de opgestikte zakjes op hun gekromde rug, iets boven hun heup. Die banaan moest onderweg voor de suiker-suppletie zorgen, als het aankwam op stoempen tegen het zuur.

Flink doorgerijpte bananen vind ik overigens juist het lekkerst. Hierin ben ik niet de enige. Ook Surinamers savoureren de vrucht het liefst in zulk een staat.


Grafschrift voor Kuilmans, zich noemende Erfprins van Oranje

GRAFSCHRIFT
VOOR
KUILMANS

Gevangen genomen te Zuidbroek den 18 april 1802, als zich noemende Erfprins van Oranje, aldaar gestorven 10 dagen daarna, en begraaven.

Staa Wandelaar! en leez’ wat schelm hier ligt begraaven.
’t is Kuilmans, die er een van ’s Prinsen Lyfwagt was –
Bedrieger was hy – en een schandvlek voor Bataven!
Van niemand niet bemind als van zyn eigen ras.
Te Zuidbroek heeft men hem verdienstelyk gevangen,
Terwyl hy onbeschaamt zich Erfprins noemen deed –
En voor zyn schurkery verdiend had opgehangen
Te zyn – maar neen! hy stierf den dood van een Profeet.

Zuidbroek den 30 april 1802,
M…..

Vullertje in de Nieuwe Onverwagte Courier van 4 mei 1802. Inderdaad werd een week eerder de “gerechtsgevangene” Jakob Kuilman in Zuidbroek begraven, al heb ik verder niets over hem in het rechterlijk archief van het Wold-Oldambt kunnen vinden. Mogelijk was de man bij zijn aanhouding al te ziek om te kunnen verhoren.

Destijds was net de Vrede van Amiens gesloten tussen enerzijds Frankrijk en de Bataafse Republiek en anderzijds het Verenigd Koninkrijk en zijn bondgenoten. De oude stadhouder, prins Willem V, die bij de Bataafse Revolutie in 1795 naar Engeland gevlucht was, voerde in Parijs besprekingen over zijn nieuwe positie. Er gingen al geruchten over zijn terugkeer. Hangende een vergelijk, kwamen ook de hoofden van de vroegere partijen (orangisten en staatsgezinden/patriotten) nader tot elkaar. Machtsdeling en een partiële restauratie hingen, kortom, in de lucht. Op die situatie zinspeelde het grafschrift, vooral ook door dat laatste woordje: profeet.

Tegen de terugkeer van het oude verzetten zich nog enkele democratisch-gezinde patriotten, die in Groningen het radicale weekblad De Onverwagte Courier lieten herleven. Net als de voorganger (1795-1798) fulmineerde het hevig tegen orangisten. Waarschijnlijk omdat het ook ons bevriende staatshoofd Napoleon niet spaarde, werd het spoedig verboden.

Mannen die zeiden namens de prins te handelen, of zich voor hem uitgaven, dan wel de mensen in de waan lieten dat ze werkelijk te maken hadden met de prins of diens afgezant, liepen er wel meer rond in Oost-Groningen, in jaren dat patriotten het er voor het zeggen hadden. Zo maakte in het voorjaar van 1787 Hindrik Hecket, alias de Huzaar, er furore. In 1796 ging het om een Prins Frederik. In volgende stukjes zal ik over hen iets vertellen.


Dienstmededeling II

Het laten wachten van reacties op toestemming heb ik weer uitgeschakeld.


‘Een voorbeeld zonder wederga, was de eedele Hyleke Gockinga’

Silhouet van Hyleke Gockinga (1723-1793), Afkomstig van de prent met het grafschrift.

Silhouet van Hyleke Gockinga (1723-1793).

Vredelust, waarnaar tegenwoordig een veel zuidelijker gelegen straat genoemd is, was een buitenplaatsje even buiten de stad Groningen aan de westzijde van het Winschoterdiep. Oorspronkelijk heette dat Buitenlust. Omstreeks 1762 werd het huis gebouwd door de gepensioneerde predikant Rudolf Ottinga, die het vastgoed drie jaar later overdeed aan Hyleke Gockinga, een vrome en geleerde jonkvrouw en weldoenster.

Op ’t moment dat juffer Gockinga Buitenlust overnam stond er nog een oud tuinmanshuisje op de tuin. Ook hoorden er een schuur en een stal, een rij lindebomen en een haag op het achterliggende land bij. Waarschijnlijk vormden die linden en die haag een laantje, dat over polder de Meeuwerd naar de Oliemuldersteeg voerde. In elk geval was Buitenlust vanuit de stad sneller via de Oosterweg, die hofsteeg en de Meeuwerd te bereiken, dan via het Kleinpoortje, de Bonte Brug en het dijkje langs het Winschoterdiep.

Juffer Gockinga zou bijna twintig zomers lang op Buitenlust blijven wonen. Zij was in 1723 geboren als dochter van de stadssecretaris Hendrik Gockinga en daarmee telg van een zeer aanzienlijk geslacht, dat de stad al vanaf de veertiende eeuw bestuurders leverde. Zelf zou ze echter nooit trouwen, en ze kwam dus als ‘oude vrijster’ op Buitenlust.
`
Ze was gezegend met veel aardse bezittingen. In haar periode op Buitenlust woonde ze ’s winters waarschijnlijk in haar huis aan de Pelsterstraat, dus binnen de wallen van de stad. Naast haar twee huizen had ze de beschikking over behoorlijk wat land. Het groenland in de Meeuwerd, dat haar broer, de Hoofdman Scato Gockinga, van ds. Ottinga overnam, pachtte zij weer van haar broer. Daarnaast kreeg zij in 1779 het noordelijke stuk van de Meeuwerd in beklemming, zodat ze zeggenschap had over bijna al het groenland tussen de huidige Meeuwerderweg en het Winschoterdiep. Waarschijnlijk verhuurde zij dit weiland weer perceelsgewijs onder aan mensen die er hun vee en paarden lieten grazen, zoals koemelkers en scheepsjagers.

Hetzelfde gold voor de 11 gras hooiland die ze aan de zuidzijde van de Boermandeweg bezat, haar 36 gras ‘Kraanland’ aan de Drentse Laan (Peizerweg), en haar 19 gras groenland onder Noorddijk. Al met al ging het hierbij om bijna 30 hectare nabij de stad, buiten de Meeuwerd om.

Verder bezat ze dan nog twee grote boerderijen in de Stadspolder onder Nieuw-Beerta en, samen met familie, grote stukken veen in de Ommelander Compagnie en onder Scharmer. Dat laatste veen kwam in 1780 in eigen beheer ‘aan snee’, waarna ze in de Groninger Courant steeds advertenties zette voor spon-, baggel- en lange turf uit haar veenderij. Turf die ze ’s zomers voor Buitenlust langs zag varen en die ze verkocht via twee agenten-wederverkopers in de stad.

Grappig aan die advertenties is, dat ze eerst in het voorjaar en later alleen nog in het najaar werden geplaatst, dus steeds later in het seizoen. Waaruit op te maken valt, dat de onderneming steeds meer gevestigd raakte, want de eerste turf was altijd voor de vaste afnemers en alleen voor wat er overbleef moesten er nieuwe klanten gevonden worden.

Juffer Gockinga zat er dus warmpjes bij. Toch ging haar hart duidelijk niet uit naar materiële zaken. Al heel jong gold ze als ‘bekeerd’. Op haar negentiende deed ze belijdenis en meteen daarna werd ze antwoorder in de catechisaties van vooral de zwaardere Groninger predikanten. Zo’n antwoorder moest de door dominee gestelde vragen voor anderen voorbeeldig beantwoorden. Het betrof een informele functie in de bevoorrechte gereformeerde kerk (waartoe ruim driekwart van de Groningers behoorde), maar wel een die tot grote eer kon strekken. Deze functie bekleedde ze zo’n halve eeuw.

Met verschillende predikanten bleef juffer Gockinga bevriend. Een van hen was Paulus Chevallier, die in 1751 naar Groningen beroepen werd, waar hij het een jaar later tot hoogleraar theologie bracht. In het archief van deze Chevallier bevinden zich inderdaad ook enige brieven van juffer Gockinga, waaruit we haar beter leren kennen.

Uiteraard schreef zij de hoogleraar bijna alleen, als een van beide niet in Groningen vertoefde. In de brieven sprak ze hem aan als “hooggeleerde dierbare leeraar”, “professor amicissima”, “hartlijk geliefde vriendt” en “teergeliefde zielsvriend”. Maar hoewel ze zichzelf zijn “dienstvaardige dienaresse en vriendin” noemde en “uw zeer aanklevende vriendin”, die hem aanhing “gelijk een gordel kleeft aan de lendenen eens mans”, moeten we dit alles puur geestelijk verstaan.

Zo sprak ze eens deze zegen uit over een vakantie-tripje van professor:

“God verkwikke, verfrisse en versterke U ligchaam! maake het (…) meer en meer vatbaar voor de bewerking van U zeedelijke Geest & U reedelijke Geest voor de bewerking van de Godlijke Geest, ten eynde Gij met vernieuwde ziels- & ligchaams kragten U wichtige Post wederom moogt aanvaarden”.

Zelf maakte ze eens een uitstapje om met eigen ogen te zien hoe enkele gangmakers van een gereformeerde opwekkingsbeweging in Oost-Friesland het deden. Vooral van de invloedrijke ds. Venecamp van Bonda (Bunde) bleek de reli-touriste gecharmeerd. Bij deze bevindelijke boetprediker antwoordde ze ook weer ettelijke keren in catechisaties, tot een “volmaakt genoegen” van hem en de zijnen. Ze noemde hem dan ook “deftig” en “vriendelijk”, een mening die niet iedereen kon delen.

Na 1780 verwaterden de betrekkingen tussen juffer Gockinga en professor Chevallier, omdat hij in de politieke woelingen van die tijd steeds meer partij voor de patriotten koos. Ook de oranjegezinde en patriotse partijgangers onder de Groninger predikanten ging zij trouwens uit de weg. “Gelijk ik in dezen tijd heb pogen te zwijgen en mij van menschen te onttrekken”, schreef ze professor,

“zoo hoop ik het verder te doen. Ik beschouw de schuld weerzijdig, dies heb ik ras door spreeken weerzijdige vijanden, best is het mij dan weinig met menschen, maar veel met de Heere te spreeken.”

Ze hield zich dus bewust afzijdig bij de politieke woelingen, waarvan ze de schuld zowel bij de oranjepartij als bij de patriotten legde. Toch gingen de conflicten haar niet bepaald in de kouwe kleren zitten. Want ook in de catechisaties drongen die door en in haar laatste jaren viel dat godsdienstonderricht haar zo zwaar dat ze jammerde: “Ach, was ik geen antwoorder”.

Uit die functie vloeiden intussen wel de twee boeken voort, waaraan ze ook buiten Groningen bekendheid dankte. Het eerste was een vertaling van een werk van de zeventiende-eeuwse Engelsman John Owen en het tweede betrof een eigen werk over het eerste bijbelhoofdstuk Genesis.

Met de vertaling van Owens meer dan 500 kwarto pagina’s tellende Salus Electorum Sanguis Jesu, of de dood van den dood in den dood van Christus, zijnde een verhandeling over de vrijkoping en verzoening door Jezus’ bloed… was ze rond 1760 al bezig. Maar het werk bleef jarenlang liggen en ze pakte het pas weer op in maart 1766, nadat ze Buitenlust overnam. Haar eigen voorwoord schreef ze daar op 17 september 1767 af, waarna de theologische faculteit haar goedkeuring aan het gehele werk gaf en drukker Jacob Bolt het kon opleggen en uitgeven.

Het boek kostte maar liefst twee goudguldens, bijna drie timmermansdaglonen en was dus niet bepaald voor iedereen weggelegd. De hooggeleerde theologen roemden de “welbesneedene penne” van Gockinga, volgens hen een “waardig cieraat van Groningens kerkgemeente”. Interessant is vooral Gockinga’s eigen uitgebreide voorrede, waarin ze stilstaat bij de heiligen en de gemeenschap die deze met elkaar moeten vormen. Een heilige definieert ze als “een mensch welke in volle kracht en nadruk Gode is toegewijd, en die dit in zyn gedrag door genade toont”. Een onontkoombare voorwaarde voor die toewijding is een levendig zondebesef. De heilige moet zichzelf altijd eerst kennen als

“een armen hel- en doodwaardigen zondaar, die om Adams schuld als een vloekeling in de werelt kwam, en van het ogenblik zyner geboorte af, voor eeuwig hadde moogen verstooten worden”.

Zichzelf en al zijn daden moet de heilige als “door en door bedorven” zien:

“…hy heeft niets dat ten goede voor hem pleiten kan, en daarom begeert hy ook niets vuuriger, als om maar van allen waan, dat hy iets is, daar hy niets is, ontdaan te worden, en werpt alle zyne gerechtigheden, welke hy voor onrein verklaart (…) voor de mollen en de vledermuisen.”

Passages als deze doen sterk denken aan Schortinghuis, de bevindelijke predikant van Midwolda, die in zijn werk ’t Innige Christendom (1741) uitging van een volslagen menselijk onvermogen. Ook juffer Gockinga was daar wel eens mee behept, getuige haar uitspraak

“dat myn doen en laaten, myn zwygen en spreeken geduurig berispelyk is (…), dat ik der christen naam onwaardig draage, en dat niets my betaamlyker zou zyn als over myne eindelooze te kortkoomingen te weenen totdat er geen geest meer in my was, ja dat ik voor Hem en in zyne heilige oogen een aller ondraaglykst schepzel zou zyn, zoo Hy my niet in de volmaakte gehoorzaamheid van den eenigen Verlosser zyne grooten Zoon beliefde aan te zien.”

Nou hadden ‘fijne’ calvinisten weinig op met de ‘werkheiligheid’ van degenen die zich erop beroemden goede daden te verrichten. Maar dat men niets tot eigen heil kon aanbrengen en voor alles aan Gods genade overgeleverd was, bleek ook vaak een excuus om helemaal niets voor anderen te doen. Een dergelijke passiviteit echter, kon juffer Gockinga niet waarderen. Op de schouders van heiligen rustten volgens haar vele plichten jegens medemens en maatschappij. Een waar christen moest bijvoorbeeld vlijtig zijn in zijn werk, goed zijn godsdienst oefenen in kerk en gezin, bouwen aan de kerk, de armen gedenken, zieken bezoeken en vreemdelingen herbergen en daarbij iedereen vermanen om op het rechte pad te blijven. Zelf voelde ze zeker “lust” om die plichten te vervullen;

“en schat het voor een groot voorrecht als ik in eenig ding de gemeente Godts mag dienstbaar zyn en de vermoogens, welke de Heere my vrymagtig gegeeven heeft (…) tot zyne heerlykheid, en ten voordeele van zyn Volk besteeden.”

Dat bleek ook weer uit haar eigen Verhandeling over het eerste Bybel-boek genoemd Genesis, vervattende de oudste gebeurtenissen der Wereld, een werk in octavo dat tussen 1788 en 1796 in zes afleveringen uitkwam. Samen tellen die meer dan 2100 pagina’s. Ze vormen dus een kolossaal boek, waaraan Juffer Gockinga zeer lang moet hebben gewerkt. Zelf gaf ze ook wel eens de moed op dát ze het ooit zou voltooien: “Weinig dachten wy, dat zulks ooit ter Drukpersse van ons zou overgegeven worden”. Dat het er uiteindelijk toch van kwam, lag aan de aandrang, die veel mensen op haar uitoefenden.

In dit werk ontleedde en verklaarde juffer Gockinga zo’n beetje zin voor zin Genesis. De ouderdom van deze oudste geschiedenissen bepaalde ze op exact 2369 jaar. Een van de inzichten die weldra achterhaald zouden zijn, vandaar misschien ook, dat het laatste deel van haar werk in het familie-archief Gockinga nooit opengesneden werd. Haar werk droeg ze op aan onder andere haar broer Scato Gockinga, inmiddels Luitenant-Generaal van de Hoge Justitie Kamer.

Het dictum van de vier hoogleraren van de nog behoorlijk orthodoxe theologische faculteit luidde, dat Gockinga’s werk blijken gaf “van een schrander en geoeffend doorzicht in de Goddelyke Bybelwijsheid, van een juist wikkend oordeel, van een zeer uitgebreide kunde, en in de bespiegelende en in de gemoedelyke waarheden van onze dierbren Godsdienst”, waarbij het naar hun smaak ook opgeschreven was “in een klaaren, beschaafden en krachtigen schryftrant”.

Zoals gezegd kende Gockinga’s Genesis een lange voorgeschiedenis. Delen ervan moeten overdacht en geschreven zijn op Buitenlust. Toch vond het werk hier niet zijn voltooiing, want enige jaren voor de verschijning verhuisde de schrijfster, al bleef zij wel aan de zuidkant van de stad wonen. Begin 1784 ruilde ze haar buitenplaats aan het Winschoterdiep tegen de tuin met woning van Raadsheer Wytsius Lohman en diens vrouw Anna de Savornin. Deze bevond zich tussen de Oosterweg en ‘De weg onder de Boompjes’ (nu Parklaan). Juffer Gockinga kreeg daarbij van de Lohmans nog 4000 gulden toe, precies de som die ze in 1765 had neergeteld voor Buitenlust. Haar nieuwe goed voegde ze samen met een huis en hof aan de westzijde van de Oosterweg, die ze eind 1782 al verworven had, en nog een tuin en hof met een stenen zomerhuis (een achtkantige koepel) aan ‘De weg onder de Boompjes’ die ze eind 1784 kocht. Zodoende kreeg ze hier al met al de beschikking over een lap grond, die in onze tijd wordt ingenomen door buurtcentrum ‘t Poortershoes, het daarachter liggende deel van het ouderenhofje Parkhorn en drie belendende panden aan de Parklaan, richting stad.

Een hovenier, Frans Hageman, schoot ze hier bovendien het aankoopbedrag van zijn naastgelegen huis en tuin voor. Deze Hageman, een van de weinige buiten-Oosterpoorters die al beschaafd met mes èn vork aten, zal op haar tuinencomplex aan het werk zijn geweest. Voor de hypotheek moest hij overigens toestaan dat juffer Gockinga en de bewoners van drie eenkamerwoninkjes, die zij inmiddels aan de Oosterweg had laten bouwen, toegang kregen tot zijn put. Later bleek hij nog eens voor ruim 85 gulden bij haar in het krijt te staan – de onderlinge verhoudingen leden dus niet onder dat collectieve putgebruik.

Wellicht in haar huis tussen de Oosterweg en ‘Onder de Boompjes’ overleed Hyleke Gockinga op 10 december 1793. Dat er na haar dood door vele Groningers gerouwd werd, blijkt uit drie klaagzangen of lijkdichten, die bij haar begrafenis uitgesproken zijn en die naderhand in druk verschenen. Ze waren van ene V.J., de boekhandelaar Johannes van Groenenberg en de predikant Albertus Alberthoma, en alle drie stipten ze de didactische en intellectuele gaven van de overledene aan, maar ook nog een onvermoed filantropisch aspect. Zo dichtte V.J.:

“Een grote Christenschaar, laat heure tranen vloeien;
Een talrijk vriendental zal thans de zark besproeien
Van haar, die ’t leerzaam deel des volks op ’t harte droeg,
En die om heur waardij, nog altijd stierf te vroeg,
Men hoort de schaam’le weeuw, de treurge wezen klagen:
Hier ligt mijn Dorcas nu! – Mijn steun wordt weggedragen!”

Naast een Dorcas (weldoenster), noemde V.J. Juffer Gockinga een “Debora, voor Gruno’s Kerk een hoeder”, een “zeldzaam licht” en een “pronkjuweel der vrouwen”…

“…dat wys en ongeleerd de vraagbaak mag beschouwen
Dat wonder onzer eeuw, dat nergens weerga vond;
Dat, bijna vijftig jaar, haar tijd en gulden mond
Besteedde tot Gods eer, tot nut haars medemenschen”

Voor Van Groenenberg was ze “de bloem van Gods kindren, die Gods roem uitbazuinde in Sions Zalen”. “Hier ligt ’t puik-Juweel der Vrouwen”, schreef de boekhandelaar, “die haar huis, haar hart en mond aan den dienst van God verbond” en die “zo vaak, zo troostlijk sprak”. Bij hem heette ze eveneens een Dorcas…

“…vol van goede werken:
Die zo menigmaal haar hand
Opende, om het ingewand
Van behoeftigen te sterken”

Geen wonder dat ook die behoeftigen hevig treurden:

“Armen zuchten, haar die gaf,
Rukt de dood nu naar het graf…”

De gedrukte klaagzangen vormden niet het enige blijvende eerbetoon. Drie maanden na haar dood verscheen er een gedrukte en ingekleurde prent “ter aandenking van wylen de Welgebooren Jonkvrouw H. Gockinga”. Deze werd gemaakt door Douwe Lofvers, een 24-jarige kunstschilder en tekenleraar, die normaliter vooral kamerbehangsels, schoorsteenstukken en rijtuigen beschilderde, maar ook wel grof schilderwerk aannam.

De vervaagde prent met het grafschrift voor Hyleke Gockinga. Collectie RHC Groninger Archieven 518-23.

De vervaagde prent met het grafschrift voor Hyleke Gockinga. Collectie RHC Groninger Archieven 518-23.

Op deze gedenkplaat staat een door een treurwilg omhulde graftombe in de vorm van een gepunte obelisk, met tegen de sokkel een plaquette met het silhouet-portret van de overledene. Naast dit grafmonument vinden we een voor die tijd typisch-zinnebeeldige voorstelling. Zo wordt “de weenende Godsdienst” getroost door “een Genius” (beschermgeest) en spelt “een wichtje” aan de voet van het monument de naam, levensjaren etc. van de overledene. Ook Lofvers produceerde overigens weer een gedicht, dat hij onderaan zijn gedenkplaat plaatste, en waarin hij bovenal de intellectuele talenten van juffer Gockinga roemde:

“Bekend met Grieken en Romeinen
En Arabier en Brit en Gal
Wier reine deugd en zuivre zeden
Geen Christen ooit vergeten zal
Een voorbeeld zonder wederga
Was de eedele Hyleke Gockinga.”

Kennelijk beheerste juffer Gockinga Engels, Frans, Latijn, Grieks èn Arabisch. Vanwege die uitgebreide talenkennis noemde een verre nazaat van profesor Chevallier haar ook wel “de Anna Maria Schuurmans van Groningen”, naar de beroemde geleerde vrouw, dichteres en kunstenares uit de zeventiende eeuw.

Toch blijft Hyleke Gockinga vooral intrigeren in haar gedaante van weldoenster. Haar lofdichters zullen de waarheid geen geweld hebben aangedaan, maar verder is er geen bron die op haar filantropie wijst. Haar vrijgevigheid zal ze dus buiten institutionele kaders om hebben getoond, zonder dat er verder iets van op schrift kwam te staan.

—-

Herziene versie van een verhaal dat eerder in wijkkrant De Oosterpoorter verscheen.


Zwarte ooievaars uit het archief en in oude kranten

Foto: Sergey Yeliseev (2009). Flickr creative commons.

Foto: Sergey Yeliseev (2009). Flickr creative commons.

Op 6 september meldde ik hier dat ik een zwarte ooievaar had gezien bij de Kopaf, tussen Nieuwolda en Wagenborgen.  Van de week kwam ik weer een zwarte ooievaar tegen, maar dan in het archief, op een briefje daterend van 6 augustus 1846.

Destijds vloog de ciconia nigra, naar het zich laat aanzien, niet ver van de plek waar ik hem ruim anderhalve eeuw later zag. Dat laat zich tenminste afleiden uit het feit dat heer Gockinga jr. op de buitenplaats Veenhuizen onder Noordbroek in het bezit kwam van een exemplaar, dat hij cadeau deed aan het Museum voor Natuurlijke Historie van de Hogeschool te Groningen.

In genoemd briefje nu, bedankt  prof. Theodorus van Swinderen hem namens het museum. Dat gebeurde op een voorbedrukt formulier, waarop de datum, de schenker, het geschonkene en de dankzegger konden worden ingevuld. Maar de hoogleraar voegde er ook nog wat aan toe over de zwarte ooievaar:

“Het is een zeldzaam dier, dat, zoover ik weet, vroeger slechts eens in de provincie voorkwam. Ik heb er slechts een exemplaar van in het museum en dat nog zeer slecht; en dit geschenk  is mij dus dubbel welkom .”

In een latere hand, denkelijk die van Gockinga, is er nog een notitie aan het blad toegevoegd over een paartje zwarte ooievaars in Helmond, 1852, waarover men kon lezen in het Algemeen Handelsblad.

Door die notitie kwam ik op het idee om via Delpher en de Krant van Toen in oude Groninger kranten te kijken naar de verschijning van zwarte ooievaars in Groningen en directe omgeving. Pas na de Tweede Wereldoorlog duiken ze hier op:

Jaar Maand/Periode Lokatie Bijzonderheden
1957 augustus Hornhuizen, Spijk Beide verzwakt.
1962 oktober Bierum, Spijk, Uithuizermeeden, Haren, Groningen Veelal uitgeput.
1965 mei Schiermonnikoog 3 exemplaren.
1975 augustus Paterswolde 7 exemplaren.
1985 augustus Schiermonnikoog Met veel buizerds.
1991 juli Zuidlaren Geland bij noodweer.
2000 augustus Eemshaven Meerdere exemplaren.
2000 september Noorddijk, bij de stad Dit jaar veel.
2002 juni Bij het Anderse Diepje
2007 augustus Roodeschool, Uithuizermeeden, Finsterwolde Op een gemaaid graanveld.
2008 voorjaar Sellingen
2009 ? Bij Slochteren
2010 juli Exloo
2010 herfst Lauwersmeer
2011 augustus Piccardthofplas bij stad
2012 augustus Ter Borg

Tot 2000 zijn er een , hooguit twee meldingen per decennium, daarna wordt de frequentie opeens veel hoger. Meestal verschijnen de vogels, die afkomstig zijn uit Oost-Europa, in augustus of een maand of wat later tijdens hun trek op oostenwind en termiek naar het zuiden, een enkele keer gebeurt dat in het voorjaar. De verschijningsplaatsen liggen meestal vrij dicht bij de kust, de laatste jaren echter, worden ook wat meer binnenlands gelegen plaatsen bezocht. Vooral in de beginjaren is er sprake van verzwakte exemplaren, wat zou kunnen samenhangen met weinig optimale vliegcondities.

De grotere verschijningsfrequentie, het ook opduiken in het voorjaar en de meer binnenlands gelegen verschijningsplaatsen zouden misschien de hoop kunnen voeden op een terugkeer als broedvogel van de zwarte ooievaar, die hier ooit wel inheems moet zijn geweest.

Cartoon Nieuwsblad van het Noorden 17 aug. 1957.

Cartoon Nieuwsblad van het Noorden 17 augustus 1957.


Rondje Eiteweert – Leegkerk

Het grondvlak voor de nieuwe Van der Valk bij de A7 ligt er inmiddels – van de zomer zag ik hier nog reeën grazen:
2015-01-17 001
Dat stuk grond is nu Drenthe, gemeente Tynaarlo – een paar jaar geleden is het met Groningen uitgeruild tegen wat nu bedrijventerrein Westpoort is (voorheen Matsloot). Eerder was er sprake van, dat er tussen de nieuwbouw van Van der Valk en natuurgebied Peizermaden een natuurzone zou komen, maar nu wil Tynaarlo hier vlakbij de Bruilweering een crematorium vestigen:
2015-01-17 002
Bij het Eelderdiep:
2015-01-17 004
Mos (?) kwam de laag bladeren te boven – weet iemand wat voor soort het is?
2015-01-17 006
Het nog steeds kolkende Peizerdiep:
2015-01-17 009
In de Onlanden – elk seizoen heeft zijn eigen kleuren:
2015-01-17 011
Doorzonkerk, Leegkerk:
2015-01-17 017
Zij lust het riet rauw, al eet ze het met lange tanden:
2015-01-17 019
Geslaagde poging om het agrarische mbo wat meer sexy te doen lijken?


Dienstmededeling

Om redenen worden reacties gemodereerd.


Een onverwachte blik op het academieplein

Op een bundel verzen, gemaakt voor de promotie van de jurist en latere topregent Johan Geertsema (1716), vinden we dit plaatje:

003

Een aankomend geleerde overhandigt een rol met zijn theses aan Minerva, godin van onderwijs, kunst en wetenschap. Op de achtergrond links de parafernalia van een studentenbestaan: Japonse rok, wat boeken op een plank, en iets ronds aan een koord, mogelijk het onderscheidingsteken van een studentenclub. Door een portaal rechtsachter krijgen we zicht op een stad. Een stad? Nee, het is warempel de stad Groningen, om precies te zijn het academieplein, de Broerstraat dus, zij het wel iets vervormd:

003 deurzicvht

De laagbouw rechts was het academiegebouw, een voormalig vrouwenklooster. Maar de rooilijn liep evenwijdig aan die van de tegenoverliggende kerk, en dus niet taps toe, zoals op dit stadsgezicht. Die kerk is de middeleeuwse Franciscaner kerk, in 1716 in gebruik als academiekerk, tevens aula. Tussen beide gebouwen door zien we de Oude Kijk in ’t Jatstraat, met achter het academiegebouw nog net het bovenstukje van Het Wapen van Bentheim, dat met zijn renaissancegevel nu nog steeds tegenover de Broerstraat te vinden is.

Een alleraardigst detail vormen de twee studenten op de voorgrond, of het plein. Die ene lijkt zijn degen te trekken. Duels kwamen destijds nog regelmatig voor in heren- en studentenkringen.

In het bundeltje zelf staan, na enkele Latijnse verzen, enkele stukjes doorspekt met Gronings en Westfaals – zeer vroege streektaalspecimina, waarvan de waarde echter wel eens betwijfeld wordt.


Gesneuveld voor Napoleon

In Drenthe is er een lijst teruggevonden van alle Drentse jongens die in dienst van Napoleon gesneuveld zijn tijdens de veldtocht naar Rusland (1812) en de Volkerenslag bij Leipzig (1813). In totaal gaat het om 160 à 170 man, alleen al voor Drenthe!

Destijds telde Drenthe in totaal ongeveer 40.000 inwoners. Van die bevolking vormden de gesneuvelden bijna een half procent.

Voor Groningerland zou dat percentage destijds neerkomen op ruim 500 jongens die dankzij Napoleon vroegtijdig aan hun einde kwamen.

Je zou denken dat er ook voor Groningen een lijst moet zijn met hun namen, maar ik weet dat verschillende onderzoekers ernaar uitgekeken hebben, zonder hem te vinden, helaas.


Ja, zo’n reisje langs de Rijn, Rijn, Rijn

489 Beckering Vinckers 51a Rijnboot a

De aartsvaderlijke Neptunus heeft een jong mokkel aan de haak geslagen en streelt  achteloos haar blote rug. Zij houdt het gevleugelde wiel op hun beider schoot vast. Met zijn vrije hand wijst hij naar een salonboot met raderen, die van Mainz naar Keulen opstoomt over de Rijn. Het is 1896, La Belle Epoque.

489 Beckering Vinckers 51a Rijnboot b

Het gaat weer even goed met de mensen. Op de achterkant van de folder zien we dat de bovenklasse zich weer een reisje over de Rijn kan permitteren. Die mevrouw in het centrum van het beeld lijkt verdiept in een boek, maar schijn bedriegt, want het zal een reisgids zijn die ze raadpleegt om de fraaie omgeving te kunnen duiden. Haar dochter, zuster of vriendin kijkt even mee. De heren om hen heen zijn minder geïnteresseerd in het natuurschoon.

 


Landarbeidershuisjes

Landarbeidershuisjes, veel is er niet over gepubliceerd. Als ik merk dat het Neerlands Volksleven van de jaargang 1962 er een artikel over bevat, wil ik dat dus wel even lezen.

Dat stuk werd geschreven door Henk Braber, destijds de baas van de provinciale VVV hier in Groningen. Hij propageerde  de ingebruikneming van landarbeidershuisjes als tweede woning, vooral in de noordelijke kuststreek.

Het Oude Veerhuis, Zoutkamp.

Het Oude Veerhuis, Zoutkamp.

Hierin voelde Braber zich niet altijd even begrepen. “Iedereen haalde de schouders op en lachte”, schreef hij over het onthaal dat zijn gedachtengoed meermalen vond:

“Menigeen moest er om begrijpelijke sociale redenen niets van het nieuwe idee hebben. Lege landarbeiderswoningen dienden gesloopt te worden.”

In de jaren 50 hadden zulke huisjes een slechte pers. Ze waren vaak matig onderhouden en slecht bereikbaar en ze misten aansluiting op waterleiding en elektriciteitsnet, nutsvoorzieningen die al wel aanwezig waren in de dorpskom, net als telefoon. Destijds zijn er dan ook aardig wat van die huisjes gesloopt.

2 Thesinge

Dat het er nog niet meer zijn geweest, komt ongetwijfeld door de trek naar het platteland van de babyboom- en hippiegeneratie, in de jaren 1965-1980. Bij hen viel de propaganda van Braber c.s. erin als Gods Woord in een ouderling:

 “Wat kunnen deze eenvoudige stulpen, vaak met hoge vlierstruiken en geboomte er om, een aardig accent vormen in het Groninger landschap!”

En:

“…een plekje zonder lawaai van het verkeer, zonder glurende buren, links, rechts en boven. Een stukje waarlijke vrijheid tussen het koren en onder een wijde hemel met allerlei vogels. Waar het nog bestaat dat fazant of patrijs in je tuin broeden en de hazen stoeien op de landweg.”

Tijdens het lezen van Brabers artikel probeerde ik te doorgronden wie de illustraties maakte. De signatuur liet zich niet ontcijferen, maar het handschrift kwam me ergens bekend voor. Aan het eind van het stuk gekomen, bleek waarom: de tekeningen zijn gemaakt door Nico Visscher, decennialang de cartoonist van het Nieuwsblad van het Noorden, Binnenlands Bestuur en de Oosterpoorter.

3 't Stört bij Leens

Ik wist niet dat Nico ooit topografica had gemaakt en toen ik hem erover belde, bleek hij de tekeningen zelf ook niet meer te hebben: “Heel vaak kreeg ik ze niet terug.” Hij had er nog meer gemaakt, vertelde hij. Hopelijk bevinden ze zich nog in het archief van de Provinciale VVV – ik kan me haast niet voorstellen dat iemand zoiets weggooit.

4 Garmerwolde


Een gerieflijk gemak voor de borgvrouw

Se non e vero…

Briefje met anekdote, 20e-eeuws typoscript, aangetroffen in een fotomapje uit een familiearchief, geeft een onverwacht inkijkje in de Menkemaborg te Uithuizen.

Bij die borg had je ter weerszijden voor de brug twee torentjes staan. Het verhaal gaat dat dit zogenaamde plonsplees waren, waar de bewoners hun behoefte deden, die dan beschaafd getoonzet in het stilstaande water van de gracht gleed.

De laatste borgbewoners, jonkheer Jean Francois Lewe van Nijenstein en zijn uit Hellevoetsluis afkomstige vrouw Charlotte Servatius, zouden een eeuw geleden nog gebruik van deze hygiënische voorziening hebben gemaakt.

Charlotte was het in stadshuizen wellicht wat minder primitief gewend. Vooral ‘s winters vond ze het maar koud, op zo’n plee te zitten. Echter, daar werd iets op gevonden en het vrouwelijke huispersoneel werkte gaarne aan de oplossing mee.

Elke avond diende de dienstmeid zich aan bij mevrouw met de boodschap:

“Mevrouw, ’t is zo wied”.

Mevrouw repte zich dan op een holletje naar buiten om op de plonsplee te gaan zitten. De dienstmeid had deze terdege voorverwarmd.


‘Sweet Swastika-home’

zzz swastika home

HJR Noorden heeft een paar curieuze plaatjes op zijn Flickr-account gezet. Op het eerste staat een   mejuffrouw Titia E. Amshoff, privé-docente Engels, voor een deur. Deze geeft toegang, naar blijkt uit de tweede foto, tot het pand op de hoek van de Grote Kromme Elleboog en de Turftorenstraat hier in Groningen. Op de gevel van dat pand prijkt reclame voor mevrouw Amshoffs Engelse lessen. Mogelijk zou dat nog geen wenkbrauwen omhoog hoeven jagen, ware het niet dat Amshoff deze reclame, naast Americana, voorzag van maar liefst vier hakenkruizen. Sterker nog, haar woning hier noemde ze: “My own dear, sweet Swastika-home

“Everybody can learn English here at anytime.”

HJR dateert de foto’s op respectievelijk 1932 en 1922. Met het vroegste jaartal zit hij sowieso goed, want met haar bizarre marketing haalde juffrouw Amshoff in 1921 en 1922 de krant.

Het eerste bericht stond op 8 oktober 1921 in Het Volk, dat haar reclame “opzienbarend” noemde:

“Een schilderdoek is aangebracht in een blind venster. Op dit. stuk ziet men, van boven af te beginnen, eerst de Amerikaansche vlag, waarbij een afbeelding van het Amerikaansche Vrijheidsbeeld. Aan beide zijden zijn 2 Swastika’s aangebracht, waartusschen „The busy curve” (de drukke Bocht). Daaronder volgt een afbeelding van haar huis met het onderschrift: „My own dear sweet swastika home corner (mijn eigen lieve, zoete Swastika-huis-hoekje) Gr. Kromme Elleboog, Turftorenstreet. Any Body can learn English here at any time. (ledereen kan hier te allen tijde Engelsch loeren). Thursday (Donderdag) 21 September 1921). Daaronder weer twee Swastika’s en als slot een afbeelding van het grootste stoomschip der Holl. Am. Lijn, de „Statendam”, met welk schip hare emigranten-leerlingen naar Amerika kunnen vertrekken!”

Wat de krant opzienbarend vond, was niet zozeer de aanwezigheid van de swastika’s. Het betrof destijds nog een neutraal symbool – zo voerde de Groninger roetvereniging De Hunze een tijdlang dit logo, terwijl er zelfs een joodse voetbalclub Swastika in Groningen bestond. Nee, getuige de kop boven het bericht benadrukte deze socialistische krant vooral het moderne Amerikaanse, “wetenschappelijke” karakter van Amshoffs werving.

Het tweede bericht was korter en stond in het Nieuwsblad van het Noorden van 31 augusts 1922. Ook die krant verbaasde zich over de reclame die Titia Amshoff maakte, dit maal in de vorm van een stadsplattegrondje waarop de route naar haar huis was aangegeven. Deze folder bevatte tevens een foto:

“Ook een ansicht van haar huis houdt de herinnering aan mej. Amshoff en haar lessen levendig.”

Ik neem aan dat dit de tweede foto in de collectie van HJR Noorden is.