Balkgat op het Nanninga-terrein, ca. 2002

Het Balkgat – ooit de gracht waarin een houtzaagmolen hout liet dobberen – is er nog wel, maar in een danig verstedelijkte omgeving, sinds de nieuwbouw van De Linie eromheen werd gebouwd. De sjeu is er sindsdien af. Bijgaande foto’s, gescand vanaf oude negatieven, zijn gemaakt toen die wijk eraan zat te komen, in 2002 of 2003 dacht ik.

11-23-2008_022

11-23-2008_023

11-23-2008_031

11-23-2008_032


De Pluimgraaf, raskippenblad voor sjieke lui

002 Pluimgraaf

Een andere mooie vondst, deze week, was dit nummer van De Pluimgraaf uit 1904. Het betreft een weekblad voor liefhebbers van vooral kippen en daarnaast zang-, sier-, en volièrevogels, uitgegeven door Vincent Loosjes te Haarlem. Van dit blad zijn weinig andere exemplaren bekend. De kopletters en de omlijsting van de tekening zijn typisch Jugendstil, van de tekening zelf zou ik dat niet durven beweren, die lijkt gemaakt door iemand die anders wel sprookjesboeken illustreerde.

Om dit nummer zit nog een postbandje met de naam van de post-abonnee, W.C. Alberda van Ekenstein in de Oude Boteringestraat te Groningen. Dat was een jonkheer en inderdaad blijkt dat het fokken van pluimvee aanvankelijk, zo vanaf 1880, vooral een zaak van voorname lui was, die uit esthetische en nationalistische motieven een voorkeur hadden voor vaderlandse pluimveerassen. Pas na de Eerste Wereldoorlog, toen het plebs op zaterdagmiddag vrij kreeg, zonk dit cultuurgoed naar lagere standen, die meer naar de opbrengst in eieren en minder naar esthetische aspecten keken en die daarom ook buitenlandse kippenrassen niet versmaadden.

Bron van het stuk: RHC Groninger Archieven, Toegang 2063 (archief van de familie Alberda van Ekenstein) inv.nr. 63.

Over de geschiedenis van de georganiseerde raspluimveeteelt zie men ook het proefschrift van Bart Mombarg uit Peize (RuG 2000).


“Duyzend maal de groetenis van mijn” – Een soldaat van Napoleon schrijft zijn moeder in Groningen

002

Kijk, dit is iets bijzonders. Van officieren in het grote leger van Napoleon zijn er wel dagboeken, memorialen en brieven bewaard gebleven, maar van gewone manschappen is er zo goed als niets aan ons overgeleverd. Van zo iemand is dit is een brief. Extra speciaal is deze door het naieve voorgedrukte briefhoofd, dat een soldaat in een legerkamp voorstelt en ingekleurd is met waterverf.

De brief dateert van 23 augustus 1811 en is geadresseerd aan de 64-jarige weduwe Jacob Iepes (ook wel Ypes), die destijds buiten het Kleinpoortje te Groningen woonde. Dat was in een klein strookje lintbebouwing aan de oostkant van het (oude) Winschoterdiep. Over die weduwe ben ik weinig te weten gekomen, eigenlijk alleen dat zij en wijlen haar man in 1774 trouwden, waarbij hij van Hellum en zij uit Onnen afkomstig bleek. Tot 1801 woonde zij nog aan de oostkant van de Oosterweg, dus buiten de Groninger Oosterpoort, maar dan niet in een moeskerij of groentekwekerij zoals de meeste bedijven aldaar destijds.. Ze was ook weer niet onbemiddeld, want ze bezat haar eigen huis en twee éénkamerwoninkjes die ze dat jaar liet verkopen om te verhuizen naar het Winschoterdiep, waar ze waarschijnlijk een kleinere huurwoning betrok.

De brief kwam van haar zoon Egbert (26), zeesoldaat of marinier bij een Hollands regiment dat onder het bevel stond van ene Stuart. Egbert lag in het Camp de Boulogne, dat Napoleon acht jaar eerder liet inrichten voor een uiteindelijk afgelaste invasie in Engeland. Over zijn leven hier was Egbert eigenlijk best  tevreden. Toch vertelt hij zijn moeder ook over een zeegevecht met de Engelsen dat bijna een jaar eerder plaatsvond. Het kostte de Hollanders 9 doden en 12 gewonden, terwijl hun ‘broeders’ de Fransen nog veel meer manschappen verloren. Toen ze weer aan wal kwamen, mochten ze voor de Keizer paraderen en een eresalvo afvuren. Napoleon bleek heel tevreden over ze, en tracteerde ze royaal. Egbert was blij dat hij dat meegemaakt had.

Egbert Jacobs was bepaald geen veelschrijver, zoals blijkt uit het feit dat in augustus 1811 nog eens verslag deed van een gevecht dat al in september 1810 plaatsvond. Zijn handschrift, of dat van de kameraad die hij de brief dicteerde, is onbeholpen, evenals de poging tot het volgen van briefconventies, om over de interpunctie maar te zwijgen, want die ontbreekt. Egbert had dus bijna een jaar niets van zich laten horen, maar was toch bang dat hij zijn moeder nooit meer zou zien. Blijkbaar kwam hij te weten dat het minder goed met haar ging, en reageerde daarop. Hij wilde graag op verlof bij haar langskomen, maar had daar mogelijk de bemiddeling bij nodig van een “mijn heer” die hij goed kende van vroeger. Impliciet blijkt uit de brief dat die meneer een officier was die in of nabij Groningen woonde. Egbert vroeg zijn moeder immers om bij die heer langs te gaan, of anders zijn zuster die heer een brief te laten schrijven. En aangezien Egberts brief zich in een recente, nog niet via internet toegankelijke aanvulling op het archief Clant van Hankema bevindt, moet dat haast wel de (oud)officier Pieter Bindervoet geweest zijn, sinds ongeveer 1807 de borgheer van Hankema in Zuidhorn. Mogelijk wilde Egbert het contact met Bindervoet ook wel herstellen voor wat extra geld, omdat de soldij van twee stuivers daags bepaald geen vetpot was.

Hieronder laat ik de brief van Egbert volgen, waarbij ik interpunctie en witregels heb toegevoegd, veel hoofdletters heb verkleind, maar de spelling heb gelaten zoals die was. Alvast een waarschuwing: vele malen staat het woordje ‘en’ voor ‘een’. Egberts taal lijkt een beetje Hollands voor een Groningse jongen, wat kan komen door beïnvloeding, als het inderdaad geen kameraad was die de brief voor hem opschreef. Van de derde briefpagina waren helaas stukjes van de rand af, daar heb ik in mijn transcriptie zo mogelijk aanvullingen gegeven tussen vierkante haken.

Camp de Boulogne, le 23 augustus 1811

Waarde moeder, zuster en swager,

Ik heb u brieff in goeden welstand ontfangen en daaruit verstaan als dat u alle nog vris en gezond ben, hopen van u ’t zelven, was ’t anders om te hooren ’t zou mijn uit hert en ziel leed zijn. Maar waarde moeder, het doet mijn grood leed als dat ik u moed laten weten als dat ik in zoo en naren omstandigheden heb bij geweest en daar wij den 19 september slaag ben geweest met de Engelsen van des namiddag 2 uer tot 5 uer en daar hebben wij en man off 8 dooden bij gehad en 12 geblesseerd en ook en schip bij verlooren met 50 soldaten, maar dat was van de Fransen. Maar waarde moeder, ik ben er door Gods goedheyd goed hen? of gekomen. En wen wij van den ree aff kwammen, toen moesten wij voort revue maken voor de Keyzer maken en vueren en toen wij dat gedaan hadden, waar den Keyzer daar wel heel meeden kontent was, en toen kregen wij en goed traktaad van hem en nue zijn ik blijd, waarden moeder, als dat ik dat bijgewoond heb.

Maar waarde moeder, ’t doet mijn grood leed en verdried als dat u, mijn waarde moeder, zoo en grood verdried heb gehad wegens dat u zoo ziek is geweest, maar ik hoop als dat God u helpen zal, waarde mnoeder. Ik wenste wel als dat ik u nog in en gezondheyd mag ontfangen als ik rijs avond off morgen nog rijs langs mog komen bij u mijn waarde moeder.

Wad mijn hier aangaad, ben ik heel wel kontend meden, ik heb er nog geen verdried in wat mijn hier aangaad.

Maar waarde moeder, schrijft mijn tog eens hoe ’t in Groninge gaad met de rekwisiesie gaad.

En nue heb ik en versoek aan u off u mijn tog zieto en brieff wil terüg stueren, wand ik ben heel verwonderd hoe ’t daar toegaad bij u aan huys.

En, waarde moeder, ik heb en verschoek aan u off u tog reys bij mijn heer wil aangaad hoe hij het tog heeft en laad hij mijn tog eens schrijfen hoe hij het heeft, wand het verwondert mijn dat ik geen brieff van hem terugkrijg. Nu is mijn versoek waard moeder [off] mijn suster en brief naar hem wil [stueren] off hij dan zoo goed is en wil mijn en weg […] stueren dat Stuad in zijn eygen wil waar […] U Edle weeet wel hoe ’t gaad met en zoo [een] die en beetje geld heeft, dat is gou weg, en voor iemand die voor ’t eerst onder dienst komt, schoon ik tog nog geen gebrek heb maar en soldaat die van zijn traktement moed bestaan, die is ongelukkig. U Edle kan wel begrijpen: van 2 stuyvers kan men nied vet teeren.

Waarde moeder, ik weed tot dus verders niet meer tee schrijfen, als duyzend maal de groetenis van mijn aan alle goeden vrienden en zuster en zwager en aan de kinderen en aan Pieter Julsing, Kier (?) Medenbroek, Kuff met de Kin maar tog nooyd off immer met mijn hert, verblijff u toegenegen zoon Egbertis […] tot in der dood.

(Post scriptum)

Waarde moeder als u mijn schrijft sit[o] mijn dan tog een off ik met verloff [naar/bij] u zal komen voor een week off 8 off […] en zoo ik ofer zal komen bij u, soo schrij[ff] mijn dan het in de brieff.


Zeven vloeken voor de Kouachi’s

Dat je, als je de hemelpoort bereikt, eerst maar eens met een bulderende lach uitgelachen mag worden, om een schaamte te ervaren, duizend maal sterker dan je op aarde ooit ervoer.

Dat je maar rechtstreeks naar de hel door mag gaan.

Dat je de hellepoort binnengezogen, meteen doorstoken mag raken met gloeiende naalden, net zo lang tot je nog bij volle bewustzijn zijnde, geen spier meer kunt bewegen.

Dat je maar heel langzaam gevild mag worden, waarbij er telkens mieren op je los worden gelaten.

Dat je bij wijze van waterboarding bepist mag worden door de 72 maagden der wrake, allemaal tegelijk.

Dat je bij dat alles tot in de eeuwigheid gedwongen mag worden tot het aanzien van een voortdurende stroom profeetcartoons, met voor de variatie elke middag de nieuwste Charlie Hebdo.

Dat jullie beider namen, en dit tot slot, tot vergetelheid uitgegumd mogen zijn in het grote boek des levens.


Een boodschap voor de fascislam: Charlie leeft

Hebdo - Je suis charlie

 


Het Noorden des lands als een enorme legpuzzle

Bij de Groninger Archieven is vandaag op de vloer van de ontvangsthal een enorme legpuzzle gelegd, voorstellende het Noorden des Lands.
001
De ‘stukjes’ bestaan uit Bonnebladen of andere ouwe kaarten. Er zitten nog wel wat naden tussen, het heeft archiefmensen ook veel moeite gekost om de puzzle te leggen.

Een ervaren puzzelaar begint dan aan de randen.

Van Lauwerszee:
002
Om de Noord:
003
Via de Oosterhorn en de Punt van Reide tot Dollard tou:
004
De kaart, waarover het publiek straks naar verluidt mag lopen, hoort bij de expositie Roodbaards Rijkdom, over de tuinarchitect Lucas Pieters Roodbaard (1782-1851). Her en der in het Noorden heeft hij zijn sporen nagelaten. Eerder was deze expositie te zien in het Tresoar te Leeuwarden en de burcht van Wedde.


Rondje Peize – Roderwolde – Matsloot

Berk bij de Eelder Madijk:
2015-01-04 002
Paarden in contemplatie boven een bult hooi, Achterstewold Peize:
2015-01-04 013
Wegje aan de Groninger kant van Peize:
2015-01-04 016
Bij de Hooiweg tussen Roderwolde en Matsloot:
2015-01-04 019


Kees van der Hoef, 80, geëerd met film over zijn leven

Kees van der Hoef is tachtig jaar geworden. Vanmiddag vond het publieke deel van zijn verjaardagsfeest plaats in de bioscoop aan het Hereplein.

Zijn vriend Buddy Hermans maakte namelijk samen met o.a. Frans Westra, Tjerk Bekius en René Duursma een film over het leven van Kees, een bekend stadsfiguur en aanjager van de lokale literatuur.

De bios was met het oog op de première versierd met foto’s van Kees in zijn vele hoedanigheden::
2015-01-03 006

Marleen Vermooten van café Marleen kreeg de Kees van der Hoefprijs, bestaande uit een zootje paling uit het Groningse deel van het Zuidlaardermeer, naast een leuk geldbedrag:
2015-01-03 016

Haar café is nu dicht, omdat ze wil zorgen voor haar zieke partner, maar de dichters- en proza-avonden gaan door in de Kroeg van Klaas aan de Oosterweg.

De film bleek een af en toe hilarische hommage aan het stadsfenomeen Kees van der Hoef, met onder meer de beroemde scène uit Ochtendpussy (een persiflage op James Bond):
2015-01-03 029
Na afloop mocht de jarige tal van felicitaties in ontvangst nemen:
2015-01-03 033

De film kan je morgenmiddag nog drie maal zien in dezelfde bios.


Henri de Wolf in Forma Aktua

Even naar de Henri de Wolfexpositie in Forma Aktua geweest, waar werk uit particuliere verzamelingen hangt, dat je anders niet zo snel te zien krijgt.

Waar ik het meest mee had, waren de composities in olieverf van begin jaren zestig, toen De Wolf – denk ik – nog niet zo’n kroegtijger was:
2015-01-02 011
Toch is ook dit werk erg tijdsbepaald, waarmee ik bedoel dat je het niet zo gauw in een andere era zou plaatsen:
2015-01-02 013
Dat geldt uiteraard voor De Wolfs geëngageerde aktie-grafiek.  Een affiche tegen de neutronenbom (ca. 1978) met een flamboyant besnorde klompenboer die een kruisraket op een bedje van tulpen vertrappelt:
2015-01-02 020
Met zulke grafiek hangt het er vol. Deze is heel wisselend van kwaliteit, zo lijken vooral de posters voor de CPN en mantelorganisaties me snel in elkaar geflanst maakwerk toe.

Wel weer mooi vond ik deze kleurige prent voor de bevrijdingsbeweging van El Salvador met in de tekst een paar kruisjes die de abuizen tegelijkertijd verdoezelen en benadrukken:
2015-01-02 026

Morgenmiddag en zondagmiddag nog te zien.


Stats 2014

pageviews GroninganusNa de enorme dip, in augustus 2011 veroorzaakt door een totaal verbroddelde cms-migratie door Sanoma/Web-log, krabbelt mijn weblog qua bezoek weer langzaam uit het dal,  al blijft het record-aantal pageviews dat ik met Gelkinghe haalde – 389.868 in 2010 – nog steeds ver uit zicht.


Nieuwjaarswens

2014-12-31 016


Thewis Wits en zijn studententijd

Oud CPN-wethouder Thewis Wits is overleden. Najaar 2006, toen de Groninger Studentenbond (GSb) 35 jaar bestond, interviewde ik hem eens voor de Groninger universiteitskrant UK . Hij was immers mede-oprichter en eerste voorzitter van de studentenvakbond geweest, al werkte hij inmiddels al heel lang als manager bij de Milieudienst, waar zijn kamer gedecoreerd was met actie-affiches van Henri de Wolf.

“Hebben ze dat logo nog steeds? Ha, dat heb ik zelf ooit getekend. En de Nait Soez’n schreven we als bestuur zelf vol.

Ik had mijnbouw in Delft gestudeerd maar ben in ‘69 overgestapt naar psychologie in Groningen. Nee, ik ben niet afgestudeerd. Ik zat meer in het actiewezen dan dat ik studeerde, had na vijf jaar mijn kandidaats en kwam toen tot de conclusie dat ik echt de boeken in moest, wilde ik afstuderen. En ik was niet echt een studiehoofd. In 1975 ben ik daarom voor de CPN gaan werken.

Tja hoe ging dat? Er was een Groninger Studentenraad, de Gronstra, een soort studentenparlement met een heleboel verschillende kleuren. Wij vonden de Gronstra veel te slaperig, en haalden als GSb gelijk de absolute meerderheid bij de verkiezingen. En dat leidde weer tot overname van de Gronstra door de GSb.

We noemden ons een politieke vakbond van studenten. Als zodanig kwamen we op voor de belangen van studenten in samenhang met maatschappelijke ontwikkelingen. We zaten in de universitaire raden, voerden acties tegen de collegegeldverhoging en hielden ons bijvoorbeeld bezig met de staking in de strokartonindustrie die gesaneerd werd.

Hoogtepunten waren voor mij dat we erin slaagden studenten te mobiliseren, en onze samenwerking met het progressieve personeel in de Uraad. De leiding van de universiteit stond er ook open voor onze ideeën, trouwens. We hadden heel wat in melk te brokken.

In het algemeen heb ik absoluut geen spijt van mijn activiteiten in die periode. Wel vond ik de bezetting van het curatorengebouw een foute stap. Vanaf het begin had ik er moeite mee en de energie vloeide tijdens  die actie helemaal uit me weg. Ook hebben we eens een vertegenwoordigster van medicijnen uit onze Uraadsfractie gezet, omdat ze afweek van het fractiestandpunt. Als ik terugkijk, dan ging dat een streep te ver.

Eerst bestond er wel sympathie en samenwerking, maar wilde de GSb geen CPN-leden als leidende figuren. Zo’n relatie onstond pas met de staking in de strokarton. Een andere factor was dat de CPN-uitgeverij Pegasus heel toegankelijke literatuur aanbood over klassentegenstellingen.

Pas in 72, 73 werden veel GSb-leden lid van de CPN. Dat het zo lang duurde kwam ook doordat de CPN wat huiverig voor intellectuelen was. Pas toen de CPN meer openstond voor studenten,  ging de GSb opereren als een verlengstuk van de CPN.

Eind ’75 kwam ik voor de CPN in de gemeenteraad. Al na een week werd  ik wethouder omdat een kameraad, zal ik maar zeggen, het werk niet meer aankon. Ik ben ben naar boven getrokken door Fre Meis, had niet zo heel veel voeling met wat er in de stad gebeurde, dus dat was gelijk in het diepe en zwemmen maar.

Hier bij de Milieudienst heb ik indirect nog steeds met studenten te maken. Denk maar aan de traditionele schoonmaakacties van eerstejaars bij studentenverenigingen. Of aan de zwerffietsen in het stationsgebied. Zwien’n bint? Nee hoor, zo denk ik er absoluut niet over.  Dat is een maar een kleine minderheid. En ik wil vooral mijn  eigen leven niet verloochenen. Ook ik ben wel eens langs de gevels geschoven met een slok teveel op. Dat hoort een beetje bij het studentenbestaan. In het algemeen hebben studenten een heel postitief effect op de stad.”

—-

Eerder in iets andere vorm verschenen in de UK van 6 oktober 2006


Hoe een koejongen de dood vond bij Usquert

Op dinsdag 8 juli 1794 werd tussen tien en elf uur ‘s avonds een Garmt Klaassens aangetroffen op een binnenweg ten westen van Usquert, vlakbij “Ludemaas uitvaart”. De twaalfjarige jongen lag daar in deerniswekkende toestand naast een akker met bonen:

“geheel en al spraakloos en sonder verstand (…),  gevende met het spiren syner handjes nog eenige geringe tekens van leven te kennen…”

Op zijn rug zat

“de bloem van een koestaart, waaraan hij was vastgebonden geweest, en hetgeen door sterk rukken van dat beest aldus moet syn afgescheurd.”

Die koeiestaart had oorspronkelijk aan zijn middel vastgeknoopt gezeten, maar was met de “geringe kledinge” van de jongen tot onder diens armen opgeschoven. Ook hing de broek van de jongen los om diens onderbenen. De koe had dus de jongen, toen die zich niet staande wist te houden, een eind voortgesleept, tot haar staartpunt het begaf. Waarschijnlijk bokte ze daarbij hevig, in elk geval onderging de jongen een afschuwelijk lot.

Garmt werkte en woonde als “koejonge” bij Hans Arends in Usquert, maar zijn moeder woonde in Warffum. Op haar verzoek werd hij daarheen overgebracht. Hij leefde nog ruim een dag – op donderdagochtend 10 juli kwam hij te overlijden.

Het gericht van Usquert hoorde weldra van het geval en startte een onderzoek. Garmts bazin, de vrouw van Hans Arends, vertelde dat ze die avond tot ongeveer 9 uur nog bezig waren geweest met het zwelen van walhooi. Onderweg naar huis waren hun wegen gescheiden. Zij was binnendoor gegaan en ze had de jongen opdracht gegeven om de koe en vijf schapen op te halen, die een eind verder bij de binnenweg stonden te grazen. Ze waren gewoon dat vee ’s nachts binnen te halen, vandaar.

Om precies te zijn bevond deze levende have zich tussen “Harmke kinders huis” en “Hijbel Cornellis plaatse”. Op die laatste boerderij woonde en werkte een iets oudere jongen, namelijk Berend Jacobs, voor ongeveer 17 jaar geboren te Uskwert. Als habituele plaaggeest van Garmt Klaassens raakte Berend al snel bij het Gericht in beeld.

Op de vrijdag en zaterdag na het overlijden van de koejongen was Berend wezen hooien in het land van zijn werk- en kostverschaffer. Tegen  een arbeidersvrouw de daarbij hielp, was hij vertrouwelijk geweest en had hij een “eene openhartige belijdenis” gedaan. ’s Zondags kwam hij haar weer tegen bij haar huis. Inmiddels had de rechter haar en anderen gesproken. Dat meldde ze Berend met de vraag:

“Jonge hoe moet het nu, wie hebben voor het regt geweest.”

“Ik ga niet weg”, was Berends antwoord:

“Ik wil liever dat sy mij met seven paarden van elkanderen trekken.”

Daarmee zinspeelde hij op vierendeling, een straf op moord met voorbedachten rade. De uitlating kon als een verkapte bekentenis worden beschouwd en Berend raakte erdoor in het gevang.

We weten dat het Gericht ijverig bezig is geweest, maar helaas zijn de “ingewonnen informatiën , beëdigde verklaringen van getuigen en gehouden examina” niet bewaard gebleven. Wel vernemen we dat Berend voor zijn arrestatie goed was geïnstrueerd door zijn vader en enige anderen – hij moest de Richter maar aan de praat houden en niets meer zeggen dan dat hij Garmt Klaassens op de binnenweg was tegengekomen, waarbij de koejongen “de stok in de regterhand en de staart in de linkerhand” had gehad, op een moment dus, dat er nog helemaal niets loos was geweest.

In de eerste verhoren hield Berend zich keurig aan deze instructie. Na confrontatie met een getuige die kennelijk wat meer had gezien, gaf hij echter toe dat er inderdaad wat meer was gebeurd op de avond dat het “ongeval” plaatsvond.  Bij hun ontmoeting op de binnenweg had hij Garmt gevraagd

“of hij nog wel eens voor hem runnen wilde en dat hij door denselven met jaa was beantwoord mits dat gedet[ineer]de hem dan niet slagen soude.”

Toen Garmt al rennend een bepaald punt  bereikte, had Berend hem toegeroepen

“hij hadde nu genoeg gerunt, hij soude daar mede maar ophouden.”

Blijkbaar liet Berend de jongere Garmt wel vaker hardlopen, en gaf hij hem een pak slaag als hij niet voldeed.

Verder wenste Berend niet te gaan. Zo ontkende hij “volstrekt” dat hij Garmt aan de koeiestaart had vastgebonden.

Ander bewijs voor zijn betrokkenheid bleef ook uit. Na drie maanden besloot rechter Amsing daarom een eind aan het proces te maken. Amsing overwoog dat er weliswaar “seer sterke praesumtiën” tegen Berend Jacobs bestonden, maar dat die “niet genoegsaam” waren voor het opleggen van een bepaalde straf. Daarom liet hij Berend “bij provisie” vrij, waarbij Berend hem “onder handtastinge” moest beloven zich bij het Gericht te melden als hij een oproep kreeg. Zoniet, en nam hij de benen, dan werd hij alsnog verantwoordelijk geacht voor de dood van Garmt Klaassens.

Hoewel Berend dus bij gebrek aan doorslaggevend bewijs op vrije voeten kwam, veroordeelde Amsing hem nog wel tot betaling van de rechtskosten.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 136 archief (Hoge Justitie Kamer) inv.nr. 1987: vonnissen vreemde gerichten, de uitspraak d.d. 5 september 1794 door de richter van Usquert (fo. 217-219).


Rondje Leek

IJs op de Avondsloot, Hoogkerk:
2014-12-28 006
Bomijs bij Peizermade:
2014-12-28 008
Onlander riet:
2014-12-28 014
Uitgelichte Waalborg, Roderwolde:
2014-12-28 020
Kluitje elzen bij Leutingewolde:
2014-12-28 027
Het was de op een na laatste dag dat de expositie over de Leekster Courant kon worden gezien. De oprichter Harm-Jan Bronsema:
2014-12-28 031
Op een kaart uit de jaren 60 het verspreidingsgebied – tussen Ezinge in het noorden, Groningen en Vries in het oosten, Veenhuizen in het zuiden en Drachten in het westen. De speldjes staan voor agentschappen:
2014-12-28 040 was 68
Een flink deel van de distributie ging via de PTT:
2014-12-28 043
De Heidelberg-pers liep gesmeerd en leverde puik drukwerk af:

2014-12-28 053

Voor na de expositie wordt er nog een bestemming voor gezocht. Gegadigden kunnen zich melden bij de Historische Kring Leek.

Voorpagina in het lood:
2014-12-28 071
Oranje wilg? bij Oostwold:
2014-12-28 074
Bij de Zuidwendinger molen, waarschijnlijk vanwege de vorst, een stuk of 25 zwanen bij elkaar. De kerngroep:
2014-12-28 080


Abacus Theater reed in binnenstad rond

Op het Waagplein stuitte ik op de ‘Timecruisers’ van Abacus Theater:
2014-12-27 010
Twee gingen er net op weg naar de Herestraat:
2014-12-27 015
Op zo’n machine moet je je gezicht wel een beetje in de plooi kunnen houden, hè:
2014-12-27 025
Hoge zit, souverein overzicht:
2014-12-27 026
De nanometer staat nog in het zwart:
2014-12-27 028
Een derde apparaat bleek behept met panne:
2014-12-27 030 was 038
De piloot en boordwerktuigbouwkundige:
2014-12-27 034
In de tachograaf (?) zat een deuk:
2014-12-27 035