Kerstmuis
Geplaatst op: 26 december 2014 Hoort bij: autobio, De actuele wereld 5 reactiesTerwijl op zekere plaats in Drenthe de toebereidselen werden getroffen voor een kerstmaal:

Dacht deze kleine muis zich wederrechtelijk toegang te verschaffen tot de keuken waarin al dat lekkers klaar stond:

Natuurlijk, buiten was het koud en binnen was het warm. Allemaal waar. Dit vormde naar de mening van het familieberaad echter geen enkele reden om de rakker een permanent onderdak te gunnen:

Het individu (nog wel) is op veilige afstand van de keukendeur weer op vrije voeten gesteld, nadat enkele mugshots van hem genomen zijn, zodat eventuele recidive zwaarder kan worden bestraft:

(Er schijnt een muizenplaag te zijn in Drenthe.)
Een volksgericht in Middelstum
Geplaatst op: 25 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieHet eerste wat aan het vonnis opvalt: ze vierden Groningens Ontzet in Middelstum, eind achttiende eeuw. Nog mooier: het vonnis vertelt over een volksgericht en hoe Ommelanders dat destijds opvatten.
De slachtoffers van dat volksgericht waren een Helena Hindriks, woonachtig in de dorpskern van Middelstum, en een Hindrik van de Burg, die bij de borg van Middelstum (Ewsum) in dienst was als hovenier. Dorps- en streekgenoten ergerden zich aan het “slegt gedrag” van Hindrik en Helena en vermoedden dat beiden er een “onbetamelijke conversatie” op na hielden. Men beraamde het plan om ze
“op de karre te krijgen en ter spot langs ’t loeg te krooden”.
Dat laatste woordje doet ten onrechte vermoeden dat het stel met een kruiwagen door het dorp gevoerd werd – uit het vervolg blijkt dat waarschijnlijk toch wel een grotere (mest-)kar is gebruikt.
De hoofdverdachte in dit drama was een Harm Willems, 31 of 32 jaar oud en geboren in Westeremden, maar eveneens wonend in Middelstum. Helaas staat zijn beroep niet in het vonnis, maar ik heb zo’n idee dat het een boerenarbeiders of boer was – in elk geval ging het om een sterke kerel. Hoewel het vonnis ook enkele namen van zijn kameraden noemt, kregen die geen crimineel proces aan de broek. Wellicht zijn die boetstraffelijk aangesproken.
Op zondag 28 augustus 1785,
“als wanneer er ter vieringe van Victorie wegens het verlaaten van Groningen in ’t loeg swarvers wierden opgestooken en afgesmeten” (voetzoekers HP),
vervoegde de hoofdverdachte zich ’s avonds voor het huis van Helena Hindriks bij zijn kameraden. Ze klopten aan bij Helena met de smoes dat ze een pijp tabak wilden aansteken en “onder conditie dat haar geen kwaad wilden doen”, liet Helena ze binnen,
“met dien gevolge, dat onder het schermutzelen de lampe is uitgeraakt”.
Kennelijk was de hoofdverdachte, Harm Willems dus, toen ergens anders nodig want hij begaf zich naar buiten, “onder de zamengerotte menigte der menschen”. Sommigen wezen hem op de hovenier, die een eindje verder op een publiek toegankelijk paadje stond te praten met iemand. Hoewel de hovenier “voor een sterken weerbaaren man gereputeert wierde”, wist Willem de man te overmeesteren door hem
“onverhoeds van agteren aan te tasten, op de grond te smijten en zodanigh vast te houden dat dezelve hem niet reppen off roeren konde”.
Die houdgreep bleek echter precair en Willems riep naar jongens in de “ommestaande en vergaderde menigte” dat ze hem moesten helpen. Dat hadden ze hem toch beloofd, “als het ertoe kwam”? Hij moest ze herhaaldelijk aan die belofte herinneren, maar toen schoten ze hem te hulp. Met vereende krachten kregen ze de hovenier op “de karre” die ze naar het huis van Helena Hindriks reden. Onderweg wist de man nog te ontsnappen. Ze achterhaalden hem, maar kregen hem niet weer op de kar.
Willems kameraden hadden Helena intussen nog steeds niet uit haar huis gekregen. Zij hield zich onder de bedstede schuil voor hun “insultes”. Met hulp van een schippersknecht sleurde Willems haar onder die bedstee vandaan,
“zodat zij in handen van de vergaderde menigte uit het huis en in de karre is gebracht”.
De hovenier dwong men vlak achter de kar te gaan lopen. Dat hield men vol tot voor de borg van Middelstum, waar hij er in slaagde te vluchten en de borg te bereiken, waar hij zich onttrok aan verdere “fachinante omstandigheden”.
Rechter overweegt
Als voornaamste belhamel werd Harm Willems door het lokale gericht opgesloten, eerst mogelijk in de toren van Middelstum, maar naderhand in een cel van de Hoge Justitiekamer aan de Oude Boteringestraat in de stad Groningen. Daar zat hij begin december 1786 nog steeds, toen de kerkeraad van Middelstum en een behoorlijk aantal “voorname ingesetenen” een rekest bij de rechter indienden, waarin ze zeer de nadruk legden op het “anders onbesproken gedrag” van de zondaar en pleitten voor diens spoedige vrijlating.
De rechter overwoog dat Willems “zich misschien door een onbezonnen drift heeft laten vervoeren en hem laten gebruiken” voor het overmeesteren van de hovenier en het buitenshuis krijgen van de weerloze Helena, die hij “ten prooije van ’t volk” overgaf. Waarschijnlijk nam men, aldus de rechter, “de voorhebbende karrevaart”, eerst niet serieus,
“als wordende zulks ten platten lande, zoals ten meeremaalen gebleken is voor eene, hoeverregaande ook, boerterie en spelletje beschouwd en gereputeert”.
Een en ander nam niet weg dat Willems het volksgericht op gang hielp, iets wat een “welgestelde jurisdictie” niet ongemerkt voorbij kon laten gaan, maar streng bestraffen moest. Het verzoekschrift van de Middelstummer dorpshoofden wilde de rechter echter wel mee laten wegen, en zo kwam het, dat Willems zijn inmiddels ruim vijftien maanden durende voorarrest als straf opgelegd kreeg, waarbij hij de gerechtskosten tevens voor zijn rekening moest nemen.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 136 (archief Hoge Justitie Kamer) inv.nr. 1986: vonnissen vreemde gerichten, het vonnis d.d. 9 december 1786 door richter D.J. Nauta van Middelstum.
Sellingen in licht en schaduw
Geplaatst op: 21 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenAls de verlichte Zuidhorner dominee Johannes Ernestus Winter (1751-1841) in de preek ter gelegenheid van zijn vijftigjarig ambtsjubileum terugkijkt op zijn leven, verwijlt hij ook even bij Sellingen, zijn eerste gemeente, waar hij van 1775 tot 1778 stond:
“nooit konde mij in die levensomstandigheden en staat van gezondheid een beter lot der bedieninge zijn te beurt gevallen, dan mij in het af- en hooggelegen Zellingen, in het landschap Westerwolde, gebeuren mogt. Lieve Zellingen! alwaar de lucht zoo schoon, zoo zuiver is, alwaar de inwoners zoo rustig zijn van ligchaam, als zuiver van hart en eenvoudig van zeden. Zellingen! dat de pogingen van eenen drieëntwintigjarigen jongeling niet slechts (…) met een dankbaar genoegen beaamde, maar zelfs met een gretig welgevallen opnam en al de zwakheden des jongelings liefderijk inschikte. Zellingen! alwaar ouden en jongen, en bij den winter éénmaal ’s weeks eene geheele Kerk volks mijne onderwijzingen zochten.”
Winter vertelt dan dat het niet het hogere tractement was dat hem naar zijn tweede en laatste gemeente lokte. Hij had
“eene behoefte die al de gezondheid der landstreek en al de goedheid van derzelver bewoners (…) niet konden bevredigen – de behoefte aan uitgebreidere verkeering onder meer beschaafde menschen, de onweerstaanbare trek naar verstandig onderwijs ter mijne verdere volmaking.”
Die behoefte kon Zuidhorn vervullen, zo dicht bij de stad Groningen met zijn academie.
Een conflict over zorgkosten in de ‘goede oude tijd’
Geplaatst op: 20 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesWelmoed Clasen woonde nog geen acht jaar in Noordhorn en daarom wilden de lokale diakenen (armvoogden) van deze ernstig zieke vrouw af. De aangewezen bestemming was Feerwerd, waar zij bijna 39 jaar eerder in de buurtschap Bolshuizen als Welmtje Clasen geboren was.
Eerst zonden de Noordhorner diakenen een brief naar hun ambtgenoten in Feerwerd, dat ze voornemens waren om Welmoed naar Feerwerd te sturen. Of de diakenen van Feerwerd dan voor haar opvang wilden zorgen. Die waren dat echter niet van plan. Per kerende post, nog met de brenger van de brief, lieten ze de Noordhorner confraters weten “dat mensch” niet voor hun rekening te willen ontvangen, “als vermeenende daar van allezints vrij te zijn”.
Niet lang daarna, op vrijdag 30 juni 1781, stuurden de Noordhorner diakenen de “alumna” toch op naar Feerwerd, en wel naar het huis van diaken Willem Hylkes. Die was op dat moment afwezig, evenals zijn collega. Volgens de verbolgen Feerwerders handelden de Noordhorners “op een clandestine manier”, op eigen gezag en zonder de benodigde toestemming van de rechter. Bovendien was Welmoed bij Willem Hylkes thuis
“tegen wille en dank van deszelfs domestiquen in de peerdestalle op stroo en eenig beddegoed neder gelegd”.
De Feerwerder diakenen meenden dat deze “ongehoorde manier” om hun armenkas met de zorg voor een patiënt op te zadelen, niet kon en mocht bestaan in een land “alwaar justitie vigeert”. Op dinsdag 3 juli reden ze het “vrouwsperzoon” weer terug naar Noordhorn, waar ze in aanwezigheid van de wedman (gerechtsdeurwaarder) hun ambtgenoten vroegen haar weer over te nemen, wat die echter pertinent weigerden. Daarom vervoegden de Feerwerders zich reeds de volgende ochtend in het rechthuis van Oosterdeel Langewold in Zuidhorn, waar ze de rechter vroegen om beide partijen te horen en dan een beslissing te nemen. De rechter willigde dit verzoek in.
Op 4 augustus, dus een maand later, vond de hoorzitting plaats. De diakenen van Noordhorn meenden geen zorgplicht voor Welmoed te hebben, maar beweerden ook, “noyt order of last te hebben gegeven om dit mensch alzoo te transporteeren”. Nu had de rechter intussen mede Johannes Tjeerts uitgenodigd, de voerman die de zieke Welmoed met zijn wagen naar Feerwerd had vervoerd. En hij
“protesteerde zulks niet op zijn eigen authoriteit te hebben gedaan, maar op order van de Diaconen van Noordhorn zoo hem van zijn nabuursvrouwen was overgebracht.”
Kennelijk leverde zo’n informele, gemoedelijk-dorpse opdrachtverstrekking gewoonlijk nooit problemen op, maar kreeg de voerman het dit keer op zijn brood gesmeerd. Hoe dan ook, hangende een eventueel gerechtelijk onderzoek naar het ziekentransport (dat nooit uitgevoerd is), besloten beide partijen – ongetwijfeld op stevige aandrang van de rechter – gezamenlijk Welmoeds levensonderhouds- en zorgkosten voor hun rekening te nemen, en wel elk voor de helft.
Beide partijen moesten dit nog wel eerst met hun kerkeraden overleggen – want verstrekkende beslissingen in armzaken namen diakenen zelden op eigen houtje – maar op 9 januari 1782 kon de rechter inderdaad aantekenen, dat het compromis zowel in Noordhorn als in Feerwerd geaccepteerd was.
En zo eindigde dan toch vrij vlot een van de vele juridische procedures, waarbij lokale diaconieën elkaar hulpbehoevenden in de maag probeerden te splitsen.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 3: civiel rechtdagenprothocol van Oosterdeel Langewold.
Oude meesters uit Dresden, in Groningen
Geplaatst op: 20 december 2014 Hoort bij: Stad nu 1 reactieHet Geheim van Dresden – van Rembrandt tot Canaletto is tot 26 mei volgend jaar te zien in het Groninger Museum.
Voor de video tekende Sije Kingma.
Hoedekast, een intrigerende veldnaam
Geplaatst op: 19 december 2014 Hoort bij: Veldnamen 2 reacties
Zwarte driekante steek of tricorne. Museum Rotterdam.
Begin 1785 speelde een proces over de Hoedekast: vijf grazen hooiland onder Lettelbert. Ik was eigenlijk niet op zoek naar veldnamen in het civiele prothocol van Vredewold, maar aan zo’n toponiem blijft mijn oog wel haken. Dat komt ook doordat het inconsistent lijkt: een kast staat immers rechtop, terwijl hooiland plat ligt. Dat maakt dan nieuwsgierig: hoe komen ze op zo’n naam?
Beetje googelen op Hoedekast levert meteen al het resultaat dat de eigenaren van de Hoedekast onder Lettelbert, de erven Van Ewsum, nog wel vier jaar hebben geprocedeerd tegen de huurder van dit hooiland, die in Romen onder Roden woonde.
En, verrassing: ik blijk niet de eerste die nieuwsgierig is naar de naam. De veldnamenonderzoeker Wieringa schreef er een artikel over in de Driemaandelijkse Bladen van 1976, aflevering 1. Dat heb ik maar eens rap geraadpleegd. Wieringa kwam de opvallende naam maar liefst vijf maal tegen: op de Zeyer es, op de Peizer Middelhorst, op de Glimmermade, in de Onnerpolder en ook bij Lettelbert aan het Leekstermeer, waarmee ik dan meteen een nadere plaatsbepaling van ‘mijn’ Hoedekast heb. Een Hoedekast onder Lieveren had Wieringa dan nog gemist, maar dat vergeef ik hem graag.
Want hij geeft ook nog eens een alleszins geloofwaardige verklaring voor de naam. Hem viel ten eerste de eendere vorm van alle percelen op: ze waren driehoekig. In het WNT vond hij de betekenis van hoedekas (zonder t, van het Franse cas) als beschermend foedraal voor een hoed. Het WNT verwijst naar een publicatie over Zaanse volkstaal, dat de hoed nader preciseert als een steek. De driehoekige stukken grond werden her en der dus Hoedekas genoemd, omdat hun vorm de naamgevers deed denken aan die van een foedraal voor een driekantige steek.
Wieringa verzamelde zijn veldnamen in de jaren 60 en 70 door lokale zegslieden ernaar te vragen, en in zijn artikel ontbreekt de historische dimensie. De driekante steek of tricorne was als manshoed zo tussen 1690 en 1770 in de mode. In die periode moeten de driehoekige lapjes grond de naam Hoedekas hebben gekregen. Het gaat dus niet om oud cultuurland, maar om grond die destijds in gebruik kwam en toen pas een naam kreeg.
Overigens kwam Wieringa ook nog latere verbasteringen tegen. Omdat hoed in de streektaal houd is, ontwikkelde zich wel de veldnaam Houtkast uit Hoedekas. Liggen misverstand, onbegrip en verkeerde conclusies hier al op de loer, een andere vervorming geeft daar helemaal aanleiding toe, te weten: Hoerekast.
Roderoede ontpopt zich als oproerkraaier
Geplaatst op: 18 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenEen bekende aanduiding van patriotten voor prinsgezinden was: oranjekraaiers. Ik had dit altijd figuurlijk opgevat, maar kwam nu een gevalletje tegen waarbij er letterlijk sprake is van kraaien door een oranjeklant.
Het deed zich voor in Aduard, op woensdag 10 juni 1795. Kort na de middag kwam Jacob Jans (52), “benevens eenig ander volk, dat met hem uit visschen was geweest” langs de Aduarderstraat. Aan die straat woonde de patriotse koopman Sjabbe Derks. Nabij diens huis daagde een van de visgezellen Jacob Jans uit door te zeggen “dat eens zoude kraayen”. Jacob Jans ging hier graag op in, getuige het feit dat hij
“hierop eerst het gekraaij van een haan heeft nagemaakt en vervolgens twee maalen Oranje boven geroepen heeft.”
Een maand later raakte Jans gedetineerd in het rechthuis van Aduard. Het lokale gericht hoorde getuigen, liet ze hun verklaringen onder ede beamen en verhoorde meermalen de verdachte. Eerst ontkende Jacob Jans. Vervolgens kon hij zich niets van het geval herinneren, omdat hij dronken was geweest. Toch getuigden “diverze personen” dat ze “op de publicque straat” uit zijn mond uitdrukkingen hoorden die bij placcaat van 26 februari 1795 streng verboden waren.
Zoals blijkt uit zijn vonnis, zat de richter van Aduard en onderhorige dorpen er enigszins mee in zijn maag. Aan de ene kant had het gekraai van Jans “geen verdere en rust verstorende gevolgen”. Ook had Jans naar eigen zeggen
“niet een opzettelijke en voorbedagtelijke toeleg, om daardoor samenloop van volk en onrustige beweegingen te verwekken…”
Het kwam doordat hij dronken was, wat de rechter als een verzachtende omstandigheid wilde opvatten. Daar stond echter een nogal verzwarende omstandigheid tegenover. Jacob Jans was namelijk de roderoede of veldwachter van Aduard, en als zodanig verplicht om tegen onrust te waken. Het stond hem absoluut niet vrij, zo overwoog de rechter, om
“in dronkenschap uitdrukkingen voor den dag te brengen waardoor de gemoederen des volks aan het gisten gebragt en zamenrotting van hetzelve veroorzaakt, onrustige bewegingen aan den gang gebragt en langs dien weg de openbaare rust en veiligheid gestoord zouden kunnen worden”
In dit opzicht maakte Jans zich aan “strafbare disobediëntie” schuldig en overtrad hij het placcaat. Daarom veroordeelde het gericht Jacob Jans op 27 juli 1795 tot 14 dagen op water en brood in dezelfde cel van het rechthuis, waar hij al enkele weken lang in voorarrest vertoefde. Tevens moest de roderoede de proceskosten betalen. Of hij zijn baantje daarna nog behield, is onbekend, maar hoogst twijfelachtig.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 179: ‘crimineel gerigstprothocol van Aduard’ 1769-1795.
Het ontslag van een snikkejongen
Geplaatst op: 17 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
Fragment uit een prent van Isaac la Fargue van Nieuwland, Vaart met trekschuit (1763), Rijksmuseum.
Op 13 februari 1782 liet Jan Luitjens zich aandienen bij het gericht van Oosterdeel-Langewold in Zuidhorn. Hij vertelde er hoe hij zijn zoon aan het werk hielp bij een schipper van een trekschuit:
“…hoe gepasseerde Maaii zijn zoon Luitjen Jans heeft verhuurt bij Hidde Berents om als snikke jonge te dienen op het veer van Noordhorn na Groningen en vice versa geduurende de tijd van Maii tot Maii voor de summa van 20 Gls. en het builgeld daar en boven”.
Met dat builgeld zal een deel van de fooien bedoeld zijn. Het vaste tractement van 20 gulden lijkt weinig, maar de zoon, in het vervolg ook wel “zoontje” genoemd, was nog jong en moest nog van alles leren. Bovendien bleef Luitje niet thuis wonen, maar kwam hij in de kost bij de snikkevaarder. Zij het niet voor lang, want op de zondag na Nieuwjaar , dus geruime tijd voor het aflopen van het arbeidscontract, zegde Hidde Berents dat op, met de mededeling aan Luitje “om voortaan niet weer te zullen rijden”. Een reden voor het ontslag gaf Berents niet en ook kreeg Luitje zijn loon niet mee. Redenen voor diens vader om naderhand bij Hidde Berends langs te gaan, die ook hem echter weigerde motief en loon te geven. Daarom stapte de vader naar de rechter.
Die belegde drie weken later inderdaad de door Luitjes verzochte hoorzitting met de voormalige werkgever van diens zoon. Nu gaf Hidde Berents wèl een reden voor de ontijdige ontbinding van het dienstverband, te weten: “dat de jongen was uitgebleeven op een dag als zij bij open weder na de stad hadden willen vaaren”. Met dat open weer wordt waarschijnlijk open water bedoeld – bij flinke vorst kon men immers niet varen vanwege het ijs en kennelijk was er net een vorstperiode geweest.
Na enige gepraat over en weer, bleken beide partijen “veerdig te zijn deeze zaak in der minne bij te leggen“. Bij deze schikking verklaarde Berents dat hij bereid was een rekening van 19 gulden en 5 stuivers ten laste van Jan Luitjes door te halen. Mogelijk betrof het geld dat de snikkevaarder voorschoot voor kleding en schoeisel, want daarvoor bleven ouders formeel nog jarenlang verantwoordelijk, ook al hadden ze hun kind bij een kost- en werkbaas uitbesteed. Maar het zou natuurlijk ook om vrachtlonen kunnen gaan, we weten het niet. Met het kwijten van dat bedrag betaalde Berents impliciet ook het loon van zijn voormalige snikkejongen. Bovendien gaf hij diens vader nog een douceurtje van een gulden en vijf stuivers “in de hand” en beloofde hij de proceskosten te betalen. In dat laatste zat waarschijnlijk zijn grootste pijn – zoiets beliep al gauw enige tientallen guldens. Berents was dus duidelijk de verliezer van het proces, al schoten Jan Luitjes en zijn zoon er als winnaars maar bitter weinig mee op.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (Gerechten Westerkwartier) inv.nr. 3 (rechtdagenprothocol van de rechtstoel Oosterdeel-Langewold).
Fris rondje Eiteweert en Leegkerk
Geplaatst op: 14 december 2014 Hoort bij: Drenthe, Hoogkerk Een reactie plaatsenBij het Omgelegde Eelderdiepje:

Langmadijk;

Hamersweg:

Oude dampaal:

De wintervoorraad hooi houdt niet over en de mijt lijkt ietwat te verzakken:

Weiland met enter-stiertjes van stal Rozenburg:

Deze twee bestegen elkaar net, maar ik vond het wat raar om dat te gaan fotograferen. Dit eelske moment ging nog wel mee:

Het duo Nieuwsgierig & Wantrouwend:

Suikercampagne:

Electriciteitshuisje bij Eiteweert:

Aduarderdiepsterweg – sloop is onvermijdelijk:

De suikerfabriek vanaf de Legeweg bij Leegkerk:

Rondje stad
Geplaatst op: 14 december 2014 Hoort bij: Stad nu 13 reactiesHereweg – topgevel boven voormalige ingang van het gewezen Rooms-Katholiek Ziekenhuis:

Hereweg – beukeblaadjes in de zon:

Esserveld – burgemeester Van Ketwich Verschuir kreeg ondanks de “dankbare herinnering” heel wat drek over zich heen:

Esserveld – varen tegen de achtergrond van marmer:

Essen:

Kooiweg – toeschouwers bij een voetbalwedstrijd:

Nieuwbouw voor jongeren op het Europapark kreeg rare naam – wie op hete kolen zit, wil daar immers als de wiedeweerga weer weg:

Plaquette met Sint Bonifatius hangt al sinds 2009 op de Jozefkerk, maar valt me nu voor het eerst op:

‘Volg uw overtuiging, waak voor uw karakter’
Geplaatst op: 13 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten Een reactie plaatsenOp de begraafplaats Esserveld, aan de zuidelijke rand van de stad Groningen, bevindt zich het grafmonument van de socialistische voorman Johan Hendrik Schaper (1868-1934):

Met het beeld van voorover leunende, filosofisch voor zich uit kijkende arbeider, waaraan beeldhouwer Willem Valk tussen juli en september 1935 werkte:


Aan de voet van het beeld dit dubbele motto:

Meer info:
- NvhN-verslag over de uitvaart van Schaper (1934)
- NvhN-verslag over de onthulling van het Schaper-monument (1935)
- Staat in Groningen over dit monument
- Dodenakkers over dit monument
Vrouw, zwanger door jood, moet het dorp uit
Geplaatst op: 12 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie“Op den requeste van de diaconen van Niezijl (…) van teneur hoe dat voor een geruimen tijd een zekere vrouwspersoon genaamt Voste (= Voske) Tonnes, geboortig van Visvliet bij hunnen (= haar) broeder Fedde Tonnes, alhier te Niezijl is koomen woonen, en na gerugten van anderen van een seekere jood bevrugt is geworden, waarop de kerkenraad van Niezijl heeft geoordeelt en goedgevonden dat de diaconen gemelde Voske Tonnes daar eens over zouden onderhouden, en wanneer zulks gebleek, om daar (= haar) dan mondelijk aan te zeggen om binnen 3 maal 24 uur ons caspel te ontruimen. Dit nu ondersogt en bevonden hebbende de waarheid te zijn, zo hebben wij deese onse orders ten uitvoer gebragt en van deese uitwerkinge zijnde dat sij tot op dit oogenblik deze onse beveelen blijvt weigeren. Hierom wenden wij ons dan tot het hoog Edele Gerigte en verzoeken ten dien einde dat het HE Gerigte ons hier in de nodige adsistentie mogte verleenen, dat wij met geen lasten bezwaart mogten worden, die ons niet aangaan.
Was geapostilleert/
Het EE Gerigte maakt dezen comm[issoriaal] om de supp[lianten] te verstaan.”
Aldus een matig afschrift in het civielrechtelijke prothocol van Oosterdeel-Langewold d.d. 14 oktober 1788. Ook in de Ommelanden (Westerkwartier, Hunsingo en Fivelingo) moesten de gereformeerde kerkeraden blijkbaar alert zijn op nieuwkomers die in de toekomst een beroep zouden kunnen doen op de lokale armenzorg. Dit werd verwacht van deze zwangere vrouw, of althans haar kind. Dat een jood de vrouw bezwangerde, maakte juridisch niets uit, de Niezijlster kerkeraad noemt dit waarschijnlijk vanwege de hoge zeldzaamheid en de taxatie dat de jood in kwestie ook maar arm was en niets zou bijdragen in de opvoeding van het kind.
Overigens is de hoorzitting, waarvan sprake is in de apostille of kantbeschikking, nooit gehouden. Blijkbaar koos de vrouw eieren voor haar geld en verliet ze Niezijl zonder dat de kerkeraad ter plaatse verdere stappen hoefde ondernemen.
Stilleven met de oude koningin toen ze nog jong was
Geplaatst op: 12 december 2014 Hoort bij: autobio 2 reacties
Hoe een referendum in Nuis mislukte
Geplaatst op: 11 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesMedeburgers!
Wij Onderschrevene Leden van den Kerkenraad te Nuis hebben ingevolge Uwe Publicatie van den 31 Julius 1797 de Grondvergadering geregeld, de tijd en plaats der bijeenkomst bestemd, en behoorlijk aan de apparente stemgerechtigden doen aanzeggen, doch is behalven de Kerkenraad niemand verschenen dan één stemgerechtigde, welke betuigden zich bezwaard te vinden het ontwerp van Constitutie voor het Bataafsche Volk met ja of neen te beantwoorden, als niet genoegzaam daar omtrent verlicht zijnde.
H. Pelinck, predikant te Nuis en Niebert
Gegeven te Nuis den 8 August: 1797
H. Wisses, ouderl. te Nuis
Wisse Halbes, Diaken te Nuis
Bij het nationale referendum van 8 augustus 1797 kwam in Nuis dus zegge en schrijve één stemgerechtigde opdagen, die ook nog niet ja of nee had willen zeggen. Het was nogal een treurige uitkomst, die de voorzitter van de stemopnemers, ds. Pelinck, aan het provinciebestuur moest communiceren.
Bij dat referendum werd een eerste ontwerp-constitutie voor de Bataafse Republiek aan de stemgerechtigden in de grondvergaderingen voorgelegd. Dit ontwerp, bijgenaamd ‘het dikke boek’, was een moeizaam compromis, waarbij federalistische uitgangspunten de doorslag hadden gegeven, hoewel er op het punt van de ineensmelting der nationale schulden een concessie was gedaan aan de aanhangers van een eenheidsstaat.
Ondanks de kersverse scheiding van kerk en staat werd dit referendum in Groningerland op lokaal niveau meestal georganiseerd door de gereformeerde kerkeraden. Dit orgaan stond in de kerkelijke gemeente Nuis en Niebert onder voorzitterschap van de lokale predikant ds. Pelinck, zelf geen patriot of aanhanger van de nieuwe, patriotse orde. Hij stond namelijk niet op de lijst van stemgerechtigden, maar dat waren in Nuis en Niebert ook slechts vijf mannen, waarvan er vier behoorden tot één enkel gezin, te weten de dikke boer Halbe Wisses en diens zoons Wisse, Alle en Mense Halbes, waarvan er twee zich naderhand Offringa gingen noemen.
Er waren dus slechts twee huishoudens potentieel vertegenwoordigd in de grondvergadering van Nuis en Niebert. Als je nagaat dat Nuis en Niebert in 1795 samen 433 inwoners telden, wat zal neerkomen op een honderdtal huishoudens, dan viel de hang naar politieke medezeggenschap hier nogal tegen. Waarschijnlijk domineerde het orangisme in deze omgeving enorm.
Overigens zaten Halbe Wisses en zijn zoon Wisse Halbes ook in de kerkeraad – als ouderling respectievelijk diaken tekenden ze immers bovenstaand epistel van ds. Pelinck aan het provinciebestuur.
—
Bronnen: RHC Groninger Archieven, (het briefje) Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 877; (en het register van stemgerechtigde burgers) Toegang 2 (archief Ommelander Staten) inv.nr. 1040.
De schelmstukken van Lewe
Geplaatst op: 10 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten 1 reactieDe woede tegen Lewe van Aduard kwam natuurlijk niet uit de lucht vallen. Zijn bejegening van de boerenvolmachten in Aduard gaf hoogstens een extra grief, bovenop allerlei andere.
Van die eerdere klachten zijn we goed op de hoogte dankzij een schimp- en hekelvers dat waarschijnlijk dateert uit de zomer van 1748: ‘Droom, wegens verscheide schelmstukken gepleegd by E. Lewe, Hr. van Aduwart’. Enkele jaren later verscheen dit poeem nog eens in het Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen, een bundeling van politieke poëzie uit de omwentelingsperiode. Vooral Amsterdam komt daarin aan bod, maar dus ook Groningen, en zelfs Steenwijk, waar nog een orangist is opgehangen, die later eerherstel en een herbegrafenis kreeg.
In zijn droom over Lewe ziet de auteur deze machtigste staatsgezinde jonker van de Ommelanden voor de hemelpoort staan:
“Doch de poort was just gesloten,
Dies zo gaf hy dien een kink
Met een van zyn Lewe pooten,
Dat ze schier sprong uit de klink.”
Sint Pieter (of Petrus), zoals bekend de hemelpoortbewaker, ontlokte dit een ruwe basterdvloek:
“…akkermast!
Is dat kloppen, vent, wat zoek je?
Zeg, wat ben je voor een gast!”
Lewe maakte zich bekend als de staatsgezinde heer, en Sinte Piet begon de jonker uit te maken voor alles wat maar lelijk was:
“…ik ken je,
O die plaag van wees en weeuw.(…) eer-belieger, wees uitsuiper,
Onrust rokker in den Staat
Boer bedrieger, ampt bekruiper,
Zo is uwen naam verhaat.Wie heeft by u trouw vernomen?
Niemand; want gy hebt er geen:
Dan die zeker nooit met vromen,
Maar met schurken waart gemeen.”
Sint Pieter neemt het de “vervloekte Fiel” kwalijk dat hij niets te maken wilde hebben met de vromen en zich religieus afzijdig hield. Dan roert hij een aantal gevallen aan waarbij Lewe volgens hem ver buiten zijn boekje ging:
- Lewe zou zerken van graven hebben gestolen, “een raboutstuk dat hу suste”, door nieuwe zerken te leveren,
- Lewe zou iemand (een slachter) ten onrechte hebben vervolgd voor malversaties met lams- en schapenvlees. Met de 1500 gulden boete was de jonker financieel weer boven Jan.
- Lewe zou voor de afbetaling van schulden in de stad 3000 gulden hebben geleend van een bejaarde “sul” en weigerde dat bedrag terug te betalen.
- Hij had zich door list en leugen verzekerd van een schepperij in Friesland.
- Ook zou hij zich op bedriegelijke wijze meester hebben gemaakt van de halve schepperij van Farmsum.
Wat er van deze beschuldigingen waar was, valt zonder nader onderzoek niet te zeggen. In elk geval is Lewe nooit in rechte vervolgd. Dat gebeurde wel met zijn tegenhanger in de stad, burgemeester Geertsema, al werd dat staatsgezinde kopstuk in 1753 op alle punten van de politiek gemotiveerde aanklacht vrijgesproken.
Voor zijn belangrijkste grief tegen Lewe geeft de droom-auteur Sint Pieter twee coupletten in de mond. Deze hebben te maken met het beruchte sodomietenproces van Faan (1731), dat op touw gezet was door Rudolf de Mepsche, anno 1748 een voornaam aanvoerder van de Ommelander orangisten. Lewe was ook tijdens het sodomietenproces al diens voornaamste tegenstander geweest – zo had Lewe iemand uit handen van De Mepsche gehouden, zeer tegen de zin van Sint Pieter:
“Maar, o gruwelsmet der smetten,
Gy beschermde een sodomyt,
En verbrak d’Omlander wetten
Dat gy hem van straf bevryd,
Gy zyt wel van Lewen groeizel,
Doch der Lewen naam niet waard,
Liever noem ik u ’t gebroeizel
Van een slang en addren aart.(…)
Verder gaan uw schelmsche stukken!
Gy zoekt aan den Heer van Faan,
Die ’t gespuis zoekt te onderdrukken
Uw heillosen klauw te slaan,
Doch Gods wraak zal u niet missen,
Maar haast werpen van uw warsch
In de naarste duisternissen,
Met onlydlyk tandgeknarsch.”
Het staaltje Tale Kanaäns uit de laatste regels wijst er wellicht op dat we de auteur van de droom in bevindelijk-gereformeerde hoek moeten zoeken. In elk geval kwam Lewe bij hem de hemelpoort niet binnen. Sint Pieter verzocht de jonker naar de duivel te lopen, die zou Lewe dan wel een mooi plaatsje naast zijn broer Machiavelli geven.
Maar dat lokte Lewe niet erg aan. Hij kwam in de droom tot inkeer en beleed zijn schuld aan alle genoemde schelmstukken. Deze eerste tekenen van berouw bespeurend, gaf Sint Pieter de weg naar beterschap aan:
“Eerst zult gy de schaê vergoeden
Die gy Faan veroorzaekt hebt,
Door die guiten te beschermen.
Geef dan God wat Godes is.
Doe mildadigheid den armen,
Breng des Keizers in zyn kis.Laat gemeentens niet lang dolen,
Geef de boeren ieder ’t zyn,
Van ’t geen gy hun hebt ontstolen,
Dat dan overblyft zy dyn.
Schend geen mensch met fonderschouwen
Handel op de monstring wel:
Zo gy dit oprecht zult houwen,
KOM DAN EENS WEEROM, EN BEL.”
—
Bron: Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen, deel II (Emden 1748 (1750)) pag. 35-40.

Recente reacties