Groningen lokt op station Assen
Geplaatst op: 9 december 2014 Hoort bij: De actuele wereld 1 reactie
Koud, guur, winderig, vochtig Noordzeeweer – het wacht onbehaaglijk op station Assen. Maar dan doemt bij het ijsberen deze reclame op. Waarvan het gloeiende, vagevuur-achtige, vermoedelijk zwaar gefotoshopte coloriet, zoniet het lijf dan althans de psyche enigszins verwarmt.
Hadewych de duivelbanster
Geplaatst op: 8 december 2014 Hoort bij: Oosterpoort, Stad toen 1 reactie
Een van de leden van de Groninger kerkeraad meldde op 30 augustus 1668:
“Een seker litmaet Hedwich genaemt wonende buiten het kleine poortjen wierde beschuldigt van duivelbannerye (…)”.
De naam van de beschuldigde, Hedwich, kwam niet veel voor in onze contreien. In de lidmatenregistratie die de Groninger gereformeerde gemeente bijhield, is deze naam zelfs niet eens te vinden.
Maar namen kwamen nogal eens verbasterd in stukken terecht. Werkelijk de enige persoon op wie de melding dan kan slaan is de “Hadewyk Nieuwhoff”, die zich in september 1655 liet inschrijven, nadat ze uit Beerta was verhuisd naar de stad. Ook heet zij wel Hadewych Cristoffers, naar haar vader of (wijlen) haar man, of Hadewych van Hamburg, omdat ze anno 1602 of 1603 in de buurt van die Duitse stad geboren was.
Hadewych was dus 66 jaar en naar de maatstaven van die tijd al behoorlijk oud. Via de verschillende klappers en toegangen in de Groninger Archieven probeerde ik haar wat scherper in beeld te krijgen, maar dat bleek vergeefse moeite. Ze had geen burgerrecht, was geen lid van een gilde, oefende geen andere kleine nering uit en bezat evenmin onroerend goed. Waarschijnlijk behoorde ze tot de dienstbare stand, die in veel bronnen niet of nauwelijks vertegenwoordigd is.
Het enige wat we weten over haar levensomstandigheden, is dat ze buiten Klein Poortje woonde. Dat was in deze tijd een aanduiding voor het streekje aan de oostzijde van het Winschoterdiep, tussen de huidige Brink- en de Griffebrug. Wellicht huurde ze hier een éénkamerwoninkje, maar misschien hield ze hier ook wel verblijf in een slaapstee of kosthuis. In elk geval reisde ze niet rond, zoals zoveel collega’s.
Het delict duivelbannerij
Waarom maakte de gereformeerde kerkeraad zich eigenlijk zo druk om de duivelbannerij waarvan onbekende kerkeraadsleden Hadewych betichtten? Het doen verdwijnen van den boze moest toch immers een haar welgevallig oogmerk zijn?
Laat me vooropstellen dat slechts een enkeling ’t waagde om het bestaan van de duivel, kwade geesten, tovenaars en heksen te betwijfelen. Men geloofde bijna algemeen nog in de aanwezigheid en de inmenging van de Satan en zijn trawanten in het dagelijks leven. Die vormde er zelfs een substantieel onderdeel van. Een veelgelezen en invloedrijke predikant als Willem Brakel zei eens: “Wie niet aan het bestaan van tooverij en toovenaars gelooft is zelf waarlijk betooverd van den duivel”. Ongeloof in de duivel hing samen met ongeloof in God, zo werd nog algemeen aangenomen. Balthasar Bekker, een Amsterdamse predikant die het geloof in boze geesten en toverkunsten bestreed, kreeg dan ook ontslag in 1692. En daarna moesten predikanten, onder andere in Groningerland, nog een eeuw lang een verklaring tegen diens leerstellingen ondertekenen, voordat ze überhaupt konden worden aangesteld.
Anders dan katholieken, die de hulp van een in exorcisme gespecialiseerde priester konden inroepen, mochten de gereformeerden voor het weerstaan van Lucifer’s reëel geachte listen en lagen slechts hun toevlucht zoeken tot vasten, bijbellezing en gebed. Andere middelen waren hen door God verboden. Die vormden een inbreuk op het eerste van de tien geboden: “Gij zult u geen andere goden voor mijn aangezicht hebben”. Ook verschillende passages in het bijbelboek Leviticus laten aan duidelijkheid niets te wensen over: “Gij zult u niet keren tot waarzeggers en tot de duivelskunstenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende: Ik ben de Here uw God”. Volgens de gereformeerde orthodoxie lokte het bestaan en het raadplegen van duivelbanners, wikkers, waarzeggers, belezers, bezweerders en wat dies meer zij de gerechtvaardigde toorn Gods op, die in de vorm van rampen als overstromingen, ziekten en oorlog onherroepelijk het land zouden treffen.
In de gereformeerde optiek kwam het inschakelen van een onttoveringsdeskundige of contramagisch specialist op hetzelfde neer als het gebruik maken van Beèlzebub’s sinistere krachten. Het was een gruwelijke zonde. Vandaar dat de Groninger kerkeraad zich druk maakte.
Verzwarende omstandigheid
Gaf het raadplegen van duivelbanners alleen al aanleiding tot het toepassen van kerkelijke tucht, in dit geval was de duivelbanster zèlf nota bene lidmate, iemand die belijdenis had gedaan van het ware geloof volgens de Heidelbergsche Catechismus en die gerechtigd was om samen met de andere leden als één lichaam het Avondmaal des Heren te genieten. Het was zaak om dat lichaam rein te houden. En vuile ledematen van het sacrament te weren.
Enerzijds kon de beschuldiging van Hadewych best wel een praatje zijn, anderzijds moest het consistorie waakzaam blijven. Hadewych kreeg daarom een oproep om voor de kerkeraad te verschijnen. Alleen kwam ze niet opdagen. Vandaar dat men haar tien dagen later weer op de agenda zette.
Maar op de bewuste 9 september 1668 verscheen Hadewych evenmin, “wegens eenige swackheit”, en ook op 4 oktober bleef ze weg “wegens hare sieckte”. Men stuurde vervolgens de predikant van de kluft op haar af om te onderzoeken of de beschuldiging juist was. Deze wijkdominee meldde op 8 november dat Hadewych tegen hem een bekentenis had afgelegd. Op verzoek van wat mensen was ze in een bepaald huis geweest, “alwaer een geest soude sweven”…
Bijzonder
Hier wil ik even bij stilstaan. In de woning waar Hadewych haar kunsten vertoonde, was het niet pluis geweest. Men geloofde dat er de geest van een overledene rondwaarde, waarschijnlijk van een overleden familielid, want dat kwam het vaakst voor. Diens geest kon pas rust vinden als men zijn of haar schulden of beloften had voldaan. Het familielid had bijvoorbeeld een som gelds aan de armen nagelaten, maar die zagen er na het sterfgeval nog geen rooie duit van. Daarom kwelde de geest de erfgenamen of huidige bewoners van het huis, bijvoorbeeld in de vorm van een geheimzinnige, niet te genezen kinder- of veeziekte. De duivelbanner of wikker moest dan de geest van de zwaar gefrustreerde erflater, die voor hem of haar zichtbaar was in de vorm van een witte gedaante, identificeren en de juiste remedie aandragen, vaak een charitatieve gift.
Dat is min of meer de klassieke casus van duivelbannerij, gereconstrueerd uit enige tientallen gevallen, voorkomend in de handelingen van de gereformeerde kerkeraad en in de oude rechterlijke archieven van de stad Groningen. Meestal ging het zowel bij de dienstverleners als bij hun klandizie om vrouwen. Algemeen werd aangenomen dat het talent om geesten te kunnen onderscheiden en manipuleren van geslacht op geslacht overerfde, meestal via de vrouwelijke lijn. Zoniet, dan was de magische dienstverlener geboren met de helm op. Met die helm bedoelde men een gedeelte van het vruchtvlies op het hoofd. Het was ook een gewild object bij vroedvrouwen en bakers, omdat het geluk zou brengen.
Duivelbanners, wikkers, belezers, geestkijkers etc. kregen ook vaak aanloop van mensen die geloofden het slachtoffer te zijn van brandstichting, diefstal of zwarte magie. Menigmaal identificeerden ze iemand in hun sessies nogal positief als brandstichter, dief, tovenaar of heks. De vermeende dader werd dan wel uitgescholden of mishandeld, waarna er processen konden volgen wegens eerroof, smaad of smart.
Volgens sententies gaven verreweg de meeste duivelbanners toe dat ze mensen oplichtten. Wat dat betreft vormde Hadewych geen uitzondering. Tegen de wijkpredikant vertelde ze dat ze haar klanten niet zozeer had geholpen omdat ze nou in geesten geloofde, maar eerder “quansuis, om de lieden van haer ydele phantasie te bevryden”. Waarmee ze haar bedrog dus voor klantgerichtheid liet doorgaan.
Haar werk was goed beloond geweest. Ze kreeg er maar liefst twee ducatons voor, tesamen zes gulden en zes stuivers, dat is het equivalent van zeker twaalf modale daglonen. Daarmee beurde ze een veelvoud van de beloning die bekend is van een paar andere Groninger gevallen uit die tijd, steeds een schelling of sestehalf (5,5 stuiver), en dat terwijl het bij een van deze gevallen om de beruchte Anna Doedens ging, die zeer veel aanloop had.
Kennelijk verliep de door Hadewych voltrokken duivelbanning naar wens in de ogen van haar cliënten. Of die daarmee ook definitief van hun hersenspinsels afgeholpen waren, valt natuurlijk te betwijfelen.
Tegen de wijkpredikant zei Hadewych dat ze verder geheel onschuldig was aan alle geestdrijverij. De kerkeraad besloot pas weer actie te ondernemen als ze gezond zou zijn. In de laatste maanden van 1668 was het nog niet zover, echt nieuws kwam er pas in het voorjaar van 1669, om precies te zijn in de kerkeraadsvergadering van 10 maart:
“Van Hedwich waarsechster is vernomen dat sy in hechtenis sit. En also twee ledematen wierden beruchtigt van collusie met dese wickster, sal D[ominee]. Keuchenius als Pastor in de kluft sich daar op naerder informeren en sullen sy mede in Ministerio voor ’t Avondtmael noch verstaen worden.”
Met andere woorden: Hadewych zat in de bajes en de predikanten stelden een onderzoek in naar twee lidmaten die haar hulp zouden hebben ingeroepen. Daarna werd op 5 april de zaak voor de kerk afgedaan:
“Van Hedwich (…) is verhaelt, datse overtuight synde van waerseggerye niet alleen opentlyck gegeeselt, maer oock uitgebannen is. Doch van de collusie van andere ledematen met haer is niets gebleken”.
Procesgang
Hadewych was gegeseld en verbannen – uiteraard gaf deze voor haar minder prettige levenswending aanleiding om eens wat verder te kijken in de archieven van de stad. Helaas zijn er geen proces-akten of verhoren uit deze periode bewaard gebleven, Maar daarom niet getreurd, er resten nog altijd de declaraties van de Stadsgeweldige (de cipier van de stadsgevangenis voor niet-burgers) en de sententies van Burgemeesteren en Raad , dat zijn de vonnisen, gewezen door het stadsbestuur.
In beide series bronnen komt de oude vrouw inderdaad voor. De cipier verantwoordde in zijn financiële memorie van eind 1669 dat Hadewych in de voormiddag van 28 februari bij hem binnengebracht was door het stedelijke politie-apparaat:
“heft d’ Stadts schulte met zyn dieners by my In apprehensy gebracht een vrouwe genaempt heidewigh van hamborgh woonende doemaels buiten dat keinne poortien, Ende den 30 marty an den scharprichter overgeleevert an den kaack met Rooën gestreecken, 30 daghen elck dach 7 st[uver], is 10-10-0”.
Anders gezegd: voordat ze haar publieke straf onderging was Hadewych dertig dagen gedetineerd geweest voor zeven stuivers per dag, zodat de totale rekening opliep tot tien gulden en tien stuivers.
Tot slot de sententie, die de heren op 29 maart 1669 tegen haar uit lieten spreken. Dat stuk meldt dat Hadewych ook zonder dat er martelwerktuigen aan te pas hoefden komen toegaf, dat ze “door verscheiden waerseggeriën en duivelse inventiën” gestolen en verloren goederen wist aan te wijzen, een dienst waarvoor ze van diverse personen geld beurde. Bij haar werk maakte ze misbruik van het Evangelie van Johannes, “met andere Godtlose dingen”, zoals een zeef en een sleutel. Tegen dat laatste voorwerp sprak ze gewoonlijk “enige ergerlicke en vervloeckte woorden”, te weten “loop in Godts name, loop nae de duivel”. Al met al een kwaad waardoor “veel conden worden mitsleidet”.
Methode
Hoe ze haar magische spullen precies gebruikte is niet duidelijk, maar Hadewych’s methodes zijn zeker verwant aan praktijken die ruimschoots in de literatuur zijn beschreven. Zo dichtten veel mensen aan het Evangelie van Johannes een beschermende kracht toe. Vandaar dat dit bijbelboek geheel of gedeeltelijk op kleine schijfjes of medaillons werd gedrukt, die als amulet om de hals werden gedragen en zo als weermiddel tegen tovenarij fungeerden.
De zeef, waarschijnlijk een haren teems voor het reinigen van melk, en de sleutel, in dit geval van een erfafscheiding, wijzen op de veel gebruikte techniek van het zeefdraaien. De duivelbanner of wikker bevestigde hierbij de sleutel aan de rand van de zeef, waarna hij of zij de zeef aan de sleutel omhooghield of omhoog liet houden, een bezweringsformule uitsprak en de opgetrommelde aanwezigen aansprak of de namen van verdachten liet noemen. Bij de juiste persoon ging de zeef dan bewegen of draaien.
Soortgelijke identificatie-methodes, die met enig psychologisch inzicht heel mischien zelfs iets op konden leveren, bestonden uit het combineren van een sleutel met een bijbel of bijbelboek (bijvoorbeeld weer dat Evangelie van Johannes), of een schaar met een zeef.
Hoe dan ook, de Groninger magistraat was van deze praktijken allerminst gediend. Hij noemde deze een zaak “van seer quaden gevolge, welcke wel rigereuselick andere ten exempel diende worden gestraft”. De heren wilden dus een voorbeeld stellen. Maar de zwaarste straf wilden ze niet opleggen en daarom veroordeelden ze Hadewych slechts tot kaak, geseling en verbanning uit Stad en Lande.
Nadat de schulte Hadewych bij De Punt over de grens zette, ging ze waarschijnlijk naar Roden, want daar dook anno 1669 een onbekende duivelbanster of geestkijkster op. Die melding is dan tevens de laatste die we over haar hebben.
De behandeling die Hadewych ondervond van het stadsbestuur, was nog in 1755 de gebruikelijke inzake duivelbanners en wikkers. Pas aan het eind van de achttiende eeuw verzachtte het strafrechtelijke klimaat voor deze beroepsgroep, waarvan de vertegenwoordigers hooguit nog een schrobbering of een paar dagen celstraf hoefden ondergaan. Die verzachting is ongetwifeld te danken aan de Verlichting. Verlichte geesten bestreden het bijgeloof ook wel, maar dat deden ze primair door polemiek, voorlichting, volksopvoeding en onderwijs, en niet meer zozeer door strafrechterlijke sancties.
—
Tot mijn verbazing stond dit stuk nog niet op mijn weblog. Ik schreef het ooit in een eerste versie voor De Oosterpoorter, plaatste het in 2004 op een nu verdwenen website en maakte er in 2006 een lezing van. Dit is dan de vierde versie van dit verhaal.
Enige nadere bijzonderheden omtrent het torentje van Spijk
Geplaatst op: 7 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Ommelanden Een reactie plaatsen
“In 1676 is te Spijk eene nieuwe kerk gebouwd; de oude was eenige jaren te voren, benevens verscheidene belendende huizen, door een ongelukkig toeval, afgebrand. In 1711 is deze kerk met een fraai torentje versierd.”
Bron: A. Smith (arts te Beerta), Geschiedenis der provincie Groningen van het begin onzer tijdrekening af tot aan den jare 1848 (Groningen 1849) pag. 282.
v
Vermaak in de regio, vlak voor de oorlog
Geplaatst op: 6 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie– 3 juni 1939: op reis met de Grootegaster Autobus Maatschappij:

– 15 juli 1939: Zelfs de kleinste dorpen hadden een kermis, al toonden de kermisexploitanten zich niet altijd even enthousiast om zich derwaarts te begeven:

– 7 oktober 1939 – Op cursus bij de dansleraar Heiman Israëls, die nog geen drie jaar later in Auschwitz om zou komen:

– 23 maart 1940: Peerdespul ien Roon:

Een polderjongen had ook zijn trots
Geplaatst op: 6 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Nog een hoogtepuntje uit de proto-Leekster Courant, jaargang 1939: het interview met de bijna honderdjarige Zevenhuister Girbe Buist, zoals dat in de editie van 4 november afgedrukt stond, en hier gereproduceerd is. Hij was in 1839 geboren, in 1864 getrouwd en stierf vlak na zijn honderdste verjaardag. Twee citaten:
“Ben je jong getrouwd , Buist?”
“Jao, dat gong nogaal. Maor cinten hadden we niet. Toen we trouwd wassen, kochten we ien ’t gemeentehuus elk twee borrels en toen hadden we nog 25 stuvers over. Een bed hadden we niet; wat stroo met een laoken er overhèn en ’n paor dekens, die warren ons geven. Maor wie hemm er altied lekker op slaopen en goed rust heur!”
Van zijn beroep was hij, zoals dat heette, “polderjongen” – een kanaal- en wijkgraver. Ook zo iemand kon met een zekere trots achterom kijken:
“Jao jong, alle zummers naar ’t kenaol hèn baggeln; die ’n rieksdaolder had, die had één. maor ’n ander leende één en daormet naor ’t kenaol. We kregen sums ien zeuven weken geen kleeren uut; maor het ging om ’t verdienst.
Dat waark heb ik twintig jaor daon; dat was mien vak: baggeln en wiekgraoven. “Joa jong, ’t was altmets zwaor waark. Mor wij hemm ons redt.”
Van bloemendal tot moddergat – Groninger plaatsversjes
Geplaatst op: 5 december 2014 Hoort bij: Het Noorden Een reactie plaatsen
Bladvulling uit het Algemeen Nieuws en advertentieblad voor Westerkwartier en Noordenveld van 5 augustus 1939. De verschillende versjes hebben hun weg wel naar het internet gevonden, merk ik al googelend, zo haalden die over de omgeving van bloemendal Zuidhorn en de Feerwerder katten Nederlandsche Volkskunde van Jos Schrijnen (1930, herdruk 1977).
Permanentje voor Sinterklaas
Geplaatst op: 5 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Algemeen Nieuws en advertentieblad voor Westerkwartier en Noordenveld (na de oorlog de Leekster Courant), 18 november 1939.
Roderoede krijgt ruim elf jaar geen salaris uitbetaald
Geplaatst op: 4 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenIn het najaar van 1760 klaagt Jan Holscher, de roderoede (= veldwachter) van Noordhorn, bij Grietman Fruytier dat de Noordhorner schatbeurder Teij Alberts wel roderoedensalaris voor hem beurde bij de boeren in het kerspel, en dat op basis van de grastallen (hun grondgebruik), maar dat de schatbeurder dit verzuimde te doen bij de dorpsbewoners, die voor hun huizen werden aangeslagen. Drie jaar eerder had de schatbeurder dit nog wel gedaan, samen met de wedman, en dat op last van de vorige richter, maar noch over het roderoedengeld van de boeren, noch over dat van de koop- en ambachtslui legde Alberts ooit rekening en verantwoording af. Om Holscher te citeren:
“sonder daarvan aan hem eenige rekeninge te doen, ofte ooit enig geld uytte keeren, maar waaren uyt syn winkel an betalinge gevende, sonder dat hij roderoede immer konde gewaar worden hoeveel te goede ofte te quade was.”
Zodoende kreeg Holscher bijna geen salaris in klinkende munt in handen, voor hem reden om de hulp van het Gericht in te roepen, “temeer daar in armoede leven moeste”.
Grietman Fruytier bood de roderoede inderdaad de helpende hand. Hij gelastte schatbeurder Teye Alberts om op de volgende rechtdag rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gebeurde roderoedengeld.
Door de leveranties in natura, waarvan het citaat getuigt, ben je bijna geneigd te denken aan gedwongen winkelnering, met de bijkomende malversaties en knevelarij, maar dat de zaak toch wat genuanceerder lag, bleek op 20 oktober, toen de Grietman, de schatbeurder en de roderoede om de tafel gingen zitten.
Schatbeurder Teye Alberts, dit keer ook koopman genoemd, voldeed aan het rechterlijke bevel en gaf inderdaad de van hem verlangde opening van zaken. Na een check van de registers met de grastallen en de huizen in het kerspel bleek, dat de schatbeurder ruim 827 gulden aan roderoedengeld ontvangen had.
Daarentegen was de roderoede de schatbeurder ruim 1072 gulden schuldig “soo wegens winkelwaren als anders”. De roderoede stond na aftrek van het gebeurde roderoedengeld dus nog voor bijna 245 gulden in het krijt bij de koopman-schatbeurder.
Maar bovenstaande ontvangst betrof louter het geld dat de schatbeurder wèrkelijk ontvangen had. Hij toonde de Grietman en de roderoede ook nog twee “restantensedels” met achterstallige bedragen.
Het eerste lijstje bevatte posten met een totaalbedrag van bijna 321 gulden. Deze achterstallige sommen had de roderoede zèlf al met debiteuren verrekend, waarmee hij eigenlijk de inningsprocedure verstoorde. Impliciet blijkt hier dat hij niet alleen van de schatbeurder voorschotten in natura kreeg, maar ook wel van andere dorpsgenoten. Dat maakte de zaak er voor de schatbeurder natuurlijk niet eenvoudiger op. Aan zuivere restanten, dus èchte betalingsachterstanden, waren de kerspelgenoten de roderoede nog ruim 167 gulden schuldig.
Deze zuivere restanten, nog door de schatbeurder te beuren, besloot men hangende de inning nog even te laten staan, evenals het geld dat de roderoede nog schuldig was aan de schatbeurder.
Heel interessant is de opmerking dat hiermee het roderoedensalaris van Allerheiligen 1748 tot mei 1760 was verrekend. In totaal ging het dus om 11,5 jaar salaris. Tellen we nu de daadwerkelijk ontvangen roderoedegelden, de verrekende restanten en de zuivere restanten bij elkaar op, dan komen we op een bedrag van ruim 1315 gulden oftewel ruim 114 gulden per jaar. De roderoede van Noordhorn verdiende daarmee minder dan zijn Oldambtster collega’s en zelfs minder dan het bestaansminimum. Dat maakte de noodzaak om bijverdiensten te genereren er in dit Ommelander dorp natuurlijk niet minder op. Het vrij forse verrekende bedrag doet ook vermoeden dat de roderoede bij vrij veel mensen over de vloer kwam. Hoe meer zo iemand ingebed was in de dorpssamenleving en het op allerlei akkoordjes moest gooien, hoe meer hij waarschijnlij ook door de vingers zag.
Overigens, door de zuivere restanten te delen op het geheel aan geïnde, verrekende en achterstallige roderoedegelden, blijkt dat 12,7 % van de som achterstallig bleef. Dat is toch vrij veel.. Niet iedereen zag de zin van het roderoedenwerk in.
Om te voorkomen dat er nog eens zo’n administratieve warboel zou ontstaan, bepaalde Grietman Fruytier dat de schatbeurder het roderoedengeld van de grastallen voortaan elk half jaar, en dat van de huizen voortaan elk kwartaal aan het Gericht moest afdragen. Het Gericht zou dan dus het salaris aan de roderoede betalen, en niet meer de schatbeurder. Een soortgelijke regeling bestond al veel langer in het Wold-Oldambt. Wie betaalt bepaalt is de zegswijze – de zeggenschap over de roderoede verschoof zo van het dorpsniveau naar het meer regionale niveau van de magistraat.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (archief rechtbanken Westerkwartier) inv. nr. 2: civiel prothocol van het Gericht of de Grietenij Oosterdeel-Langewold.
Een vroege manifestatie van Fries-Groningse animositeit
Geplaatst op: 3 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis 5 reactiesOp maandag 27 mei 1771 liet procureur-generaal Van Menninga zich vinden in het Noordhorner tolhuis bij de Trekweg langs het Hoendiep. Hij kwam er om te kijken naar “sekere inscriptie met een diamant of een andere scherpe steen gesneden” in een ruitje, dat zich in de rechter voorkamer bevond, vlakbij de gang. Op het ruitje bleek een vers te staan, dat de procureur-generaal liet copiëren:
“Geen gratie voor een Groninger
is in Friesland te vinden,
omdat de onschuld, door hun aangetast,
zelf rechtvaardigheid vind op de aarde.Dit tuig dit glas,
Of ’t hier niet was
dog sonder vreesen,
Mag elck dit leesenop dat geen laffer nageslagt,
door Groningers werd voortgebragt.
Dus wens ik ouderens schuld, met hunne dood begraven
En Groningen verlost van Eereroovend’ slaven.”
In de ruit ernaast, stond ook nog iets, “na alle gedagten op die selfde manier gesneden”:
“Ex tempore (= voor de vuist weg)
quod felix faustumque eveniat (= hetgeen gelukkig en gezegend moge aflopen)”
De kamer waar het om ging, kon worden afgehuurd door gezelschappen. Zo’n tolhuis was namelijk ook een kroeg, met naast de gemeenschappelijke jachtweide vaak een meer besloten, exclusieve ruimte. Over de inscriptie verklaarde kastelein Pieter Jans Boeikema dat op woensdagmiddag 22 mei zijn huis was bezocht door de heer Wydenbrug (ook wel Widenbrug) met diens vrouw, twee kinderen, “nog een die madamoiselle genoemd werd” en bovendien een manspersoon, mogelijk de klerk van die heer. Dit gezelschap vertrok dezelfde middag nog, en ‘s avonds en ’s nachts was er niemand op die kamer geweest. Pas toen die de volgende dag betrokken werd door een ander gezelschap, ontdekte de kastelein dat het vers in kwestie op het raam gesneden stond. Wie daarvoor verantwoordelijk was, kon hij niet met zekerheid zeggen, maar hij meende toch dat dat de de heer Wydenbrug moest zijn.
Waarschijnlijk ging het om Ernst Willem van Wydenbrug, de Grietman en Dijkgraaf van Hemelummer-Oldephaart en Noordwolde. Hij hield van poëzie en had een wapen met een latijns motto. Dat er geen gratie voor Groningers in Friesland zou zijn, zoals de eerste regels van het ingekerfde poeem wilden, zou dan kunnen getuigen van een onrecht, door deze Wydenbrug in Groningen ondervonden: de Groningers hadden de onschuld aangetast, ze zouden er in Friesland voor boeten. Eigenlijk vond de auteur Groningers maar lafaards en eerrovende slaven, getuige het slotcouplet, al hoopte hij op hun karakterverbetering in de toekomst.
Ik heb nog geprobeerd na te gaan of Wydenbrug zelf in Groningen in een proces was verwikkeld, maar dat lijkt er niet op. Op de civiele rol van het HJK komt zijn naam in deze tijd niet voor. Mogelijk was hij zijdelings betrokken bij andermans proces? Bijvoorbeeld bij dat van Van Rikkenga, een Ommelander volmacht die geprobeerd had een belasting-actie op gang te brengen en doorvoor al ruim twee jaar vastzat?
Hoe dan ook, op dinsdag 28 mei las de procureur-generaal het vers voor in de Hoge Justitiekamer, het provinciale gerechtshof aan de Boteringestraat. Van Menninga meende “dat de Hoge Overigheid en Heerlijkheid van Stad en Lande hier bij ten uitersten te zijn gepraejudiceert”. De heren Hoofdmannen wilden graag van hem weten wat er precies moest worden gedaan. Ook moest hij de kastelein berichten dat beide glazen absoluut niet mochten worden gebroken of weggehaald.
Op 29 mei vroeg en kreeg de procureur-generaal toestemming om “sigh so veel mogelijk omtrent den autheur van die inscriptie te informeren”. Aan Gedeputeerde Staten werd gevraagd of ze het raam met het vers wilden laten uitnemen, “om secuur als een corpus delicti te worden bewaart”. Omdat de procureur-generaal het vers voorstelde als “ten uitersten laesyff … voor de Hoge Overigheyd deze provincie”, willigden de heren dit verzoek graag in. Ze gaven hun commies Brugma opdracht om het glas uit te laten snijden, en ook te zorgen voor een nieuw glas ter vervanging van het verwijderde. Hiervoor schakelde Brugma op zijn beurt de timmermansbaas Brondsema in. Dezelfde avond om half tien ging het trio voor deze missie per gevorderde schuit naar Noordhorner Tolhek, en de volgende ochtend rapporteerde de procureur erover in de Hoge Justitiekamer, waar de Hoofdmannen besloten dat het glas “boven op de secrete secretarie sal worden gebragt en bewaart”.
Helaas horen we verder niets meer van de zaak, althans niet in 1771. Misschien is Grietman van Wydenbrug later eens op het vers aangesproken?
In elk geval is dat stukje spontane poëzie te beschouwen als een vroege manifestatie van Fries-Groningse animositeit.
—
Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 136 (archief Hoge Justitiekamer) inv.nrs. 690 en 1995.
De volslagen afgang van Lewe van Aduard
Geplaatst op: 2 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieHoewel het stadhouderschap in mei 1748 monarchale trekjes kreeg en er op fiscaal gebied veel naar wens verliep, waren de Ommelander orangisten er nog lang niet gerust op. Op andere terreinen kwam er weinig van de toegezegde hervormingen. De heren van de provincie leken de zaken nogal te traineren. Toen ze eindelijk de nieuwe bevoegdheden van de prins formuleerden, ging dat de Ommelanders lang niet ver genoeg.
Ze zonnen op actie. Net als in mei wilden ze de Staten van de provincie hun eisen voorleggen. Maar dan moesten die Staten wel eerst bijeenkomen. Daarom kozen de Ommelander dorpsvolmachten op maandag 26 augustus twee afgevaardigden, die naar Aduard moesten om daar de heer Lewe, de Ommelander president, te verzoeken om het bijeenroepen van de Ommelander Staten
Die afgevaardigden waren Egbert Luitkens van Visvliet en Jan Clasen Nieboer van de Zeerijp. Vooral de laatste was niet op zijn mond gevallen. Te paard vertrokken beide naar Aduard en in de borg daar werden ze bij Lewe aangediend door zijn knecht, die ze meldde dat zijn heer op bed lag en niet te spreken was. Op nadere instantie kregen Luitkens en Nieboer te horen “dat ze zich konden verpakken”. Datzelfde ogenblik kwam Lewes militie in de wapens – volgens Luitkens en Nieboer ging het om zo’n 70 man, “van allerhande natie”. Deze militie bleek deels voor de herberg geposteerd, waar beide afgevaardigden hun paarden hadden gestald. Een ander deel stond verdekt opgesteld, “in de bosschen”. Bij het vertrek van Luitkens en Nieboer schoten deze huurlingen allemaal in de lucht, zodat de volmachten wel af moesten stappen om hun paarden aan de teugel Aduard uit te leiden.
De volgende dag, dinsdag 27 augustus, kwamen beide terug in Aduard. Pas na veel aandrang verleende Lewe ze gehoor. De kamer waar dat gebeurde, bleek “wel voorzien van gewapende manschap” en ook buiten de borg stond er het een en ander. Toen beide afgevaardigden hadden verwoord waarvoor ze kwamen, brandde de Heer van Aduard op ze los:
“Dat ze door hem wierden aangemerkt als de grootste rebellen dezer provincie, en dat ze ten hoogste strafbaar waren, waarom hij haar dierhalven het placcaat van de Staten van Stad en Lande tegen de oproermakers in de maand maart gepubliceert, eens wilde voorlezen. En na zulks gedaan was, wierde hetzelve placcaat in zijn volle beslag op haar toegepast, met verzekering dat zyn Wel-Geb. als Richter haar in alles by vervolg van tyd zou recht doen (…)
Waarop door de volmacht Jan Clasen Nieboer wierde geantwoord dat haar eigenltlyke oogmerk waar om recht te doen en recht te erlangen, en dat dit ook de reden was waarom zy zyn Hoog Wel-Geb. kwamen verzoeken: als mede om zyn Hoogheid den Prins van Orange in der daad te verheffen, gelyk voor dezen (so het scheen) alleen in naam geschied was.
Waarop de Heer Lewe van Aduard antwoorde dat hy Jan Clasen Nieboer een fynen Sinjeur was en den allergrootsten rebelmaker die ooit meer gekend was.
Waarop Jan Clasen Nieboer andermaal antwoorde dat zyn Hoog-Wel Geb. konde verzekerd zyn dat alle ingezetenen van de drie Ommelander Quartieren de verheffinge van Zyn Hoogheid den Prins van Orange en het redres van hare rechten zouden ter uitvoer brengen, welken geweld zyn Hoog Wel-Geb. daartegens ook mochte gebruiken.
Hierop antwoorde zyn Hoog-Wel Geb.dat schoon hy een man was van by de tagtentig jaren, hy noch moed genoeg had, om zich aan het hoofd zyner bende te stellen en haar met kruit en loot terdegen t’onthalen en dat ’t hem noch aan volk, noch aan geweer ontbrak.
Des nietegenstaande dit (antwoorde Jan Clasen Nieboer) zullen wy en alle Ommelanders onze zaken uitvoeren.
En na enige woorden over en weer gesproken te hebben, zyn de volmagten vertrokken zonder haar oogmerk te bereiken.”
Op woensdag 28 augustus, vergaderden de Ommelander dorpsvolmachten in Middelstum. Het verslag van de bezending naar Lewe verwekte grote beroering. De vergadering besloot nu via de stad te gaan werken en stuurde er een gezantschap heen dat het op een accoordje gooide met de orangistische aanvoerders daar. Die vroegen aan het stadsbestuur om de provinciale Staten bijeen te roepen en kregen dat gedaan ook. En zo zag men dan op donderdag 29 augustus duizenden Ommelanders de stad binnen trekken, “hebbende knodzen in plaats van snaphanen op hare schouderen”. De dag zou werkelijk perfect geweest zijn, ware het niet dat een kleine onvolkomenheid de gemoederen prangde: de heer Lewe was niet van zins te komen. Hij stuurde een briefje dat bij zich voorbaat bij alle besluiten neerlegde en die zou tekenen ook.
Maar daar namen de Ommelander volmachten geen genoegen mee. Ze wilden perse dat de Lewe persoonlijk in de statenzaal zou compareren. In die zaal kwamen meerdere collega’s van Lewe alvast in onzachte aanraking met knuppels en ook namen de boerenregimenten twee zoons van Lewe, de heren van Kantens en Bierum, in gijzeling. Het eerste voorstel was om ze beide als levend schild naar Aduard te laten marcheren, voor een boerenleger aan. Dit ging niet door. Uiteindelijk mochten beide heren plaatsnemen in een wagen die een een escorte kreeg van 30 man uit het garderegiment. Zo ontstond er een gevarieerde optocht: “Deze zeldzame vertoninge lokte een menigte menschen naar Aduart”.
’s Avonds om zeven uur arriveerde de Heer van Aduard eindelijk hier ter stede in een koets, omringd door gardsesoldaten. Maar op de Grote Markt drong het volk zo op, dat de paarden niet verder konden. De spiegelglazen van de koets gingen aan diggelen, de deur werd uit de sponning gerukt en de Heer van Aduard aan zijn arm uit de koerts gesleurd. Lopend naar de statenzaal nog steeds omringd door de gardesoldaten, vingen die de vele knuppelslagen op, welke voor hem waren bestemd. De menigte riep: “Sla hem dood!, Sla hem dood!” en niemand gaf er nog een duit voor dat Lewe het er levend af zou brengen. Toch bereikte hij de statenzaal en trof daar bijna alle Ommelander heren aan . Een “menigte landvolk” drong echter scheldend en tierend achter hem aan de statenzaal binnen, en sloeg nu werkelijk op de onbeschermde Lewe in,
“zoodat dien Heer voor het geweld moeste bukken, vallende onder de schoorsteen ter aarden; zyn aangezicht zeer bebloed zynde, en zyn paruik en hoed was reeds verloren.”
Er kwam zelfs een praatje van dat hij werkelijk de geest had gegeven. Dat was niet zo, drie personen wisten hem uit de mêlee te trekken en hem ongezien in veiligheid te brengen, eerst in de herberg onder de Poelepoort, naderhand dwars door een tuin naar het huis van de gezworene Tiddens aan het Schuitendiep.
“Het gemeen onvergenoegt zynde” dat Lewe ontkomen was, begon diens huis op de Vismarkt te plunderen, wat gestuit werd door de stedeijke burgerwacht. Een onweer hield veel mensen verder van de straat, er viel die avond alleen nog een relletje onder de Poelepoort te melden.
Op vrijdagochtend de 30e augustus ontdekte men dan toch de plaats waar Lewe zich schuilhield. Hij had willen ontsnappen in een verdekte wagen, maar de voermansvrouw stak er een stokje voor dat haar man met hem vertrok. Er ontstond een oploop voor het huis van Tiddens. De eis was dat Lewe alsnog in de statenzaal verscheen om daar de ingewilligde petities van de vorige dag te tekenen. Maar liefst acht compagnieën van de burgerwacht brachten hem erheen. Ook dit keer was het spitsroeden lopen. Meteen nadat Lewe in de statenzaal zitting nam, diende een volmacht het voorstel in dat hij alle verteringen van de Ommelander knuppelregimenten van de vorige dag zou betalen. Dit zegde hij toe. Ook werd van hem geëist dat hij “zich mogte ontdoen van alle snaphanen, kruit en loot, zoo op het slot te Aduart ter defensie van zyn persoon en goederen hadde verzamelt”. Hij tekende grif een verklaring van die strekking en werd vervolgens door de acht compagniene burgerwacht naar zijn huis aan de Vismarkt geleid, “onder een confluentie van duizenden menschen”.
Op zaterdag 31 augustus zou Lewe nog één keer een Ommelander statenvergadering mogen voorzitten. Dit keer ging hij onder een escorte van beroepssoldaten naar de statenzaal. Daar liet Jan Clasen Nieboer, de volmacht van Zeerijp, zich aanstonds aandienen met het voorstel namens alle Ommelander volmachten, dat de heer Lewe niet alleen zou ontwapenen en de soldaten bij hem op de borg van Aduard zou afdanken, maar ook als “onweerdig” voor altijd uit al zijn ambten zou worden gezet. Een verzoek van die strekking ging inderdaad naar de Stadhouder, die zo geruisloos een van zijn belangrijkste Ommelander tegenstanders kon lozen.
Het twistgesprek op de borg van Aduard op 27 augustus 1748, leidde zo binnen vier dagen tot de volslagen afgang van de heer Lewe.
—
Voornaamste bron: Groningen ten tweede maal in onrust (pamflet, Groningen 1748)
Sportjournalistieke emotrutterij
Geplaatst op: 30 november 2014 Hoort bij: Media 8 reactiesDe Bredase voetbalclub NAC heeft net thuis met 1-5 verloren. Huilend loopt een speler het veld af. Die moeten we voor de camera hebben, dachten ze bij Studio Sport. Eerste vraag van de verslaggever tegen het hangende koppie met de nog half-betraande wangen: “Can you explain the feeling you have inside?”
Ten eerste is het Engels ontleend aan popliedjes uit Volendam.
Ten tweede betreft het een vraag naar de bekende weg, welke vraag tevens het narrativistische principe met voeten treedt dat je beter kunt laten zien dan vertellen.
Maar bovenal verraadt de vraag een gebrek aan invoelingsvermogen. Terwijl de verslaggever zich voorneemt om emoties bloot te leggen (alsof we die al niet hebben gezien) verraadt hij juist zijn eigen emotionele gemankeerdheid, zijn onderontwikkelde mededogen, zijn absolute gevoelsarmoe.
Hij is een emotrut. Hij wil uit de ander peuren wat hij zelf tekort komt.
Helaas is er veel emplooi voor emotrutten in de hedendaagse sportjournalistiek.
Het stikt ervan. En ze zijn niet te harden.
De paardenbeul van Kronenfels
Geplaatst op: 28 november 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Achter Oldekerk heb je de Zandumerweg en de Kroonsfelderweg. Fijne fietsroutes zijn dat, met boerderijen, houtwallen en restanten van het Kolonelsdiepje.
Die Kroonsfelderweg is genoemd naar Kroonsfeld, een verbastering van Kronenfels, een buitenhuis dat hier midden achttiende eeuw verrees en twee pagina’s kreeg in het Ommelander borgenboek van Formsma.
Erg leven gaat de omgeving niet van Formsma’s nogal beknopte relaas, maar ik vond onlangs een verhaal, dat ik me vast en zeker zal herinneren, als ik op mijn fiets weer die omgeving doorkruis.
Eind 1755 liet de Grietman van het Oosterdeel-Langewold namelijk de heer Smellentijn van Kronenfels voorkomen in zijn gericht, omdat Smellentijn een half jaar eerder had geschoten op twee paarden en een veulen van streekgenoot Pieter Mindels. Deze liepen op Smellentijns dijk, vandaar. Alle drie de paarden raakten gewond. Bovendien sloeg Smellentijn een stok of hark op een van de paarden stuk. Een merrie was de volgende dag aan haar verwondingen bezweken.
De heer Smellentijn liet zich werkelijk in persoon in het gericht vinden, bekende daar grif het hem ten laste gelegde feit en verklaarde het graag qua boete op een akkoordje te willen gooien met de Grietman, die hem veroordeelde tot een boete van 40 daalder met de kosten van het proces. Vrij uniek mag Smellentijns betalingsmoraal heten, want hij pakte “anstonts” zijn beurs en telde het geld voor de rechter uit.
De heer Smellentijn was nogal een rusteloos type: hij bleef nooit lang ergens wonen. Oorspronkelijk kwam hij uit Duitsland en van zijn beroep was hij eigenlijk medisch doctor. In 1745 vinden we hem ergens in Oost–Indië, waar hij tevens als administrateur van een apotheek fungeerde. In 1748 woonde hij even met zijn vrouw kind en vier bedienden bij Deventer. Drie jaar later benoemde de Keizer van Oostenrijk hem tot rijksridder. Was dat vanwege een succesvolle behandeling? Niet lang daarna woonde hij in Amsterdam als “Geheyme Commercie-Raad” in dienst van de Koning van Pruissen.
In 1752 betaalde hij er zijn schulden en verhuisde naar Groningen, waar hij een huis in de Oosterstraat betrok en een drukkerij van sitzen en katoenen begon. Begin 1753 kocht hij een heem met 103,5 gras land op ’t Oosterzand onder de klokslag van Oldekerk uit de failliete boedel van De Mepsche van Faan. Het land verhuurde hij, op ’t heem liet hij een buitenhuis met een “tweegoelde schuur” bouwen, dat hij naar zichzelf Kronenfels noemde. Later dat jaar kocht hij nog diverse heerlijke rechten uit de boedel De Mepsche – de bedoeling was duidelijk om zich ter plaatse een aanzienlijke positie te verschaffen.
Maar in de zomer van 1756 had Smellentijn er alweer genoeg van en verkocht hij al zijn goed hier op het Oosterzand aan een VOC-kapitein. Bij het huis Kronenfels zitten dan stallen, een schuur, een (water)molen, wei-, hooi- en veenlanden, alles tesamen 117, 5 gras (of bijna 60 hectare) groot, een klauw of ommegang in de Grietenij Oosterdeel-Langewold en diverse zijl-, boer- en visrechten.
Of het akkefietje met de paarden van invloed is geweest op de wens opnieuw te verhuizen, is onbekend. Maar de boeren en andere buurtbewoners zullen de handelswijze van deze heetgebakerde nieuwkomer niet erg op prijs hebben gesteld. Hij maakte zich hier aardig onmogelijk. Wellicht gold dat ook voor andere woonplaatsen.
Overspelige wedman
Geplaatst op: 27 november 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 6 reacties
Brief uit 1789 aan kastelein Sicco Gerber van de Slingerij die het epistel getuige het gevouwen en sterk vervuilde adresvak een poosje op zak hield, voordat het in een gerechtelijk dossier belandde. De brief kwam van Sicco’s vriend, de wedman van Hoogkerk die er vandoor was met andermans vrouw. Ben op het moment bezig zijn zaak uit te spitten. In een andere brief legt hij uit wat er aan zijn vlucht vooraf ging. Je waant je in een roman.
“Alles te waiten, moakt nait gelokkig”
Geplaatst op: 26 november 2014 Hoort bij: autobio, Oosterpoort 6 reacties
Tekening: Jaap Mollema.
Ik was er nog nooit geweest, want ik at destijds meestal in de mensa. Maar op een avond kreeg ik enthousiaste verhalen over het groentevrouwtje te horen en toen ik dan toch zelf eens een maaltje ging koken, besloot ik naar haar winkel te gaan. En dat beviel zo goed, dat ik er tien jaar klant gebleven ben.
Ze had tot 1988 een winkeltje in een voorkamertje van nauwelijks drie bij vier meter aan de Nieuwstraat. Buiten stonden kratten met de groente van het seizoen. Binnen lagen sinaasappels tegen de ramen opgetast. Daarboven hingen trossen bananen. En tegen de muren stonden, tot aan de nok van het winkeltje toe, stapels blikken op lichtelijk doorbuigende planken. Een ouwerwetse rode weegschaal in de hoek, met zo’n losse zinken bak, completeerde het geheel.
Als je wachten moest, stond je in het gangetje. Daar keek je naar het roodkoperen bord of het geborduurde kleed met het hertentafereel. Maar meestal was er wel iets te bespreken. Daar kon je nauwelijks onderuit bij het groentevrouwtje, die een bron voor kleine buurtgeschiedenissen vormde en daarbij altijd hartelijk en goedlachs was. Want ook al was ze over de zeventig, ze straalde nog altijd pure levenslust uit.
Van de klanten die ik er heb meegemaakt staat me vooral een Russische mevrouw bij die in een Duits werkkamp haar man had leren kennen en op zaterdagen altijd een tas vol spullen voor de borsjt kwam halen. Ook kwam er nog wel eens een jongen die ik kende van de studentenvakbond. Hij was ingetreden in een klooster te Bialystok en droeg het habijt van een Russisch-orthodoxe monnik.
Als je capucijners wilde hebben haalde het groentevrouwtje met dezelfde haakstok, waarmee ’s zomers de hoge tuimelramen geopend werden, een blik van de bovenste plank naar beneden. Je zou misschien verwachten dat de raasdonders hun naam eer aan zouden doen, maar ze ving ze altijd behendig op. Waarna ik gewoonlijk vroeg: “Goh geeft u vroeger op korfbal gezeten?” Ze lachtte op zulke momenten altijd haar hoge , hikkende lachje. Nee, ze had nooit aan sport gedaan. Vroeger deden de mensen dat niet. Ze had als wicht op de tricotagefabriek van Reinier Muller gewerkt – tuutje braaien ja” – en na haar trouwen kwamen man en kinderen natuurlijk op de eerste plaats. (Haar man sprak haar altijd aan met “moeders”).
Als het moment van afrekenen daar was, telde ze de bedragen altijd met statige cijfers op in een lang schrift met een spiralen rug. Sinds een nare ervaring had ze alleen wat kleingeld in kas. Vijfjes en tientjes bewaarde ze opgevouwen in een zakdoek, voor grotere flappen moest ze even naar achteren, naar de woonkeuken.
Mocht je krap zitten, dan kon je het ook laten opschrijven. Wat dat betreft was ze de laatste der Mohikanen onder de middenstanders. Maar haar man mocht het niet horen. Ze pakte je dan samenzweerderig bij de arm en fluisterde: “Alles te waiten moakt nait gelokkig”. Haar manier om een bepaalde zelfstandigheid ten opzichte van haar man te bewaren.
Met dat poffen kwam ze trouwens wel eens op de koffie. Zo was er eens een buurvrouw van me die naar Antwerpen verhuisde zonder de rekening te betalen. Nee, je moest er goed mee uitkijken, met dat poffen.
Ze vertelde me ook eens over het poffen vroeger. Even verderop woonde een vrouw, die vrat de hele winkel leeg: “Vier Nutsies, vief Maars’n, een stuk of wat potjes rolmops’n en och, dou ook moar wat deusies tompoez’n”. Aan het eind van de maand stond er dan zo’n drie- à vierhonderd gulden op de balk, maar al wie er in de winkel kwam, niet de bewuste vrouw. Dan moest het groentevrouwtje er zelf maar achterheen. Steevast gebeurde dat op zondagmorgen. De man van die vrouw, die iedere werkdag voor dag en dauw naar de scheepshelling ging – “een haile goie kerel, dei wos van waark’n” – betaalde dan de rekening, scheldend en tierend en met de vuisten in onmacht geheven. En het groentevrouwtje maar sussen.
Bij je vertrek uit de winkel kreeg je altijd een appel mee. Of een banaan. Of een “saggerijntje”. Soms ook wel eens twee. Want vrijgevig was ze. Daar kon zelfs die tandeloze, bijna negentig jaar oude schipper over meepraten. Op de bodem van het Oude Winschoterdiep troffen ze jaren later, toen de man allang uit de tijd was, bij een baggerbeurt nog een beste berg schroot van hem aan, want de man at zeven dagen in de week ananas uit blik. Tenminste, als het groentevrouwtje hem niet voor de warme prak uitnodigde. Wat heel regelmatig gebeurde.
—
Eerder in iets andere vorm verschenen in De Oosterpoorter van april 1992.
Naschrift 5 april 2015
Hier staat nog een foto met links zichtbaar de uitstalling voor het winkeltje.
De gewezen suikerfabriek
Geplaatst op: 25 november 2014 Hoort bij: Stad nu 3 reacties
(Zondagmiddag jl.)

Recente reacties