‘Onnozele’ vechtersbazen verzoenen zich voor strafkorting

“Hoogkerk den 2 November 1798.

Bij het Gerichte gelezen zijnde het Request van Klaas Jacobs Gerber en Pieter Vosdingh (houdende:)

hoe de Suppl[ian]ten zich bevinden in de ongelukkige omstandigheden, van bij het Gerichte te zijn aangeklaagd over eene tusschen Suppl[ian]ten plaats gehad hebbende questie op zondag den 7 October jongst ten Huize van Renger Rijkels te Hoogkerk, waarbij zij onderling handgemeen zouden zijn geweest. Dat Suppl[ian]ten met leedwezen bekennen, dat zij dat zij dadelijk in quaestie zijn geweest, dan het zij de Suppl[ian]ten vergund, aan het Gerichte dienaangaande ter hunner verschoning in te brengen, dat zij wel voor een ogenblik handgemeen zijn geweest, egter van geene van beide zijden met voornemen om elkanderen te kwetsen en zonder voornemens te zijn den Castelein ofte jemand anders daardoor te benadeelen en alzoo in hunne onnozelheid niet hebben voorzien het kwaad dat uit deze hunne handel heeft kunnen voortkomen. En het is in dat licht dat de Suppl[ian]ten verzoeken dat het Gerichte hun gedrag zal gelieven te beschouwen, en hun dus te beschouwen, als meer uit onnozelheid dan uit kwaad opzet in dit hun ongeval zijnde gekomen. Verzoekende de Suppl[inan]ten zeer ootmoedig aan het Gerichte, ten einde ter zaake voorschreeven in submissie te mogen worden geadmitteerd.

(Heeft het Gerichte daar op geapostilleerd:)

Het Gerichte het verzoek accordeerende, heeft de Remonstranten ieder in de breuke van een daler ten voordeele der armen te betalen gecondemneerd.”

Vertaling en interpretatie:

Klaas Gerber (19) een doopsgezinde boerenzoon die later op Kleiwerd zou boeren en Pieter Vosdingh (18), zoon van de herbergier bij de sluis van Vierverlaten – hij zou daar later zijn vader opvolgen – zaten op zondag 7 otober in de kroeg van Renger Rijkels in Hoogkerk, waar ze kortstondig met elkaar handgemeen raakten. Er kwam een zaak van, en om te voorkomen dat beide een hoge boete zouden moeten betalen, wendden ze zich gezamenlijk (!) tot het lokale gerecht, waar ze het feit ruiterlijk toegaven, maar de intentie erachter voorstelden als tamelijk onschuldig – ze hadden niet de bedoeling gehad om elkaar te verwonden of de kastelein of iemand anders te benadelen, het was maar een onnozel gedoe van hun geweest. Daarom vroegen ze ootmoedig om een lichtere straf, dan normaal in dit soort gevallen opgelegd werd. En dat gebeurde: ieder hoefde slechts een daalder aan de armen van Hoogkerk te betalen

Ik heb heel wat oud-rechterlijke prothocollen gezien, maar herinner me niet dat ik zoiets eerder tegenkwam.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (Gerechten Westerkwartier), inv.nr. 769:  rechtdagnotulen Hoogkerk 1789-1803, notitie d.d. 2 november 1798.


Terug naar de Schepper met het dubbel doorschoten hart

In mijn kwartierstaat, als ik die zou maken, nemen Oldambtsters ongeveer vijfachtste van de ruimte in. Een kwart is bestemd voor Friezen. En een achtste deel bestaat uit mensen uit het Westerkwartier, met name Marum, Nuis, Niebert en Tolbert, die omgeving.

Tot nu toe heb ik aan dat deel van mijn komaf nooit veel aandacht besteed. De schakel er naar toe is een kleine, frèle, dappere vrouw, Grietje van der Velde, de moeder van mijn grootvader Vondeling.

Haar moeder, Antje van der Velde, bleek maar liefst vijfvoudig  ongehuwd moeder. Met Antje zitten we onmiskenbaar in een landarbeidersmilieu. Toch heeft haar moeder Grietje als familienaam Vossema. Vossema, ook wel Fossema, is de oudere naam van de Coendersborch in Nuis. Omdat die naam getuige Alle Groningers pas omstreeks 1811 opduikt in deze familie, vermoed ik dat deze voorzaten van me onder Nuis land van de borgfamilie pachtten, iets wat nog wel eens valt na te gaan.

Terwijl ik mijn Oldambtster voorfamilie – landarbeiders en vissers – nog niet verder terug heb kunnen traceren dan tot ongeveer 1750, leidt het draadje dat ik met Grietje en Antje en Grietje lostrok, via een grillig pad naar de Late Middeleeuwen.

Althans als ik een bepaalde website wil geloven. Volgen we de daar gegeven lijnen even terug.

De vader van Grietje Vossema was de dagloner Jan Douwes Vossema (Nuis 1774  – Marum 1838). Van diens vader Douwe Freerks (Nuis 1739-1809) is het beroep onbekend, maar dat zal ook niet veel voorgesteld hebben. Als ze braaf en opppassend waren, is er nauwelijks een verhaal over deze landarbeiders te maken.

Nog weer een generatie terug, stuiten we echter op een schoolmeester: Frerik Douwes, geboren in 1715 te Tolbert. Over schoolmeesters is vaak juist wat meer te vertellen, zeker als ze over de schreef gingen, want dan werd de kerkelijke tucht actief. Frerik trad als dorpspedagoog en –schrijver in de voetsporen van zijn pa Douwe Hindriks , wiens levensjaren onbekend zijn. Maar dat zou geen probleem mogen vormen. In elk geval trouwde hij in 1699 in Tolbert met Auckjen Sunkema, geboren in 1673 te Groningen, en aangezien Douwes lijn doodloopt bij zijn vader, vervolgen we de reis naar de Late Middeleeuwen met de lijn van haar.

Haar vader was Sirk Harmens Sunkema, die voor april 1676 overleed. Hij was Hoofdmansdienaar van zijn beroep, zeg maar medewerker van het gerechtshof. Wat hij precies deed voor de kost, staat vast wel in de een of andere officiële instructie. Hij woonde in de stad Groningen, maar was in 1666 in Tolbert met een Eetien Iwema getrouwd. Via haar lijn dalen we nog verder af.

Over haar vader Driewes Iwema is buiten het overlijdenstijdstip (winter 1672/1673) nauwelijks iets bekend. Diens vader Date Iwema (1588-1651) was echter een van de grotere boeren van Niebert. Die trad ook wel op als kerkvoogd. Een belangrijk man ter plaatse, over wie meer te vinden moet zijn. Vermoedelijk woonde hij op de Iwemaheerd, een oud steenhuis in Niebert. In elk geval deed zijn vader Harcke Iwema dat al.

Helaas bestaat  er geen volle zekerheid over diens afstamming. Met een slag om de arm daarom de boeren Drieuwes Iwema (Niebert ca. 1532-1600) en Harcko Iwema (Niebert 1485-1544), waarvan de laatste tevens als Grietman te boek staat. Zo’n Grietman was een soort rechter, burgemeester en notaris in één. Opmerkelijk: elders krijgt Harcke de Grietman heel andere leefjaren mee. Daar heet zijn rechtsgebied  Westerdeel-Vredewold. Hij zou dit samen met de eigenerfde Hille Fossema hebben bediend. Tevens was hij ‘Schepper tot Niebert’, dus lokaal de hoogste baas in waterschapszaken.

Een Grietman en Schepper stelde echt wel wat voor. In elk geval hadden de Iwema’s een mooi familiewapen, met een dubbel doorwond hart als belangrijkste element:

img276blog

Zoiets zag je nergens anders dan in het Westerkwartier. Het tekeningetje is ontleend aan het boek van Leo Martinus over de Auwema’s van Tolbert, die hetzelfde teken droegen. Trouwens, ook de Fossema’s van Nuis deden dat. Volgens Leo, die ik eind vorig jaar interviewde voor Stad & Lande, vormden de Auwema’s en de Iwema’s  oorspronkelijk wellicht één familieclan: “Zo’n hart”, vertelde hij,

“stond symbool voor de maagd Maria en er zou een verband kunnen zijn met het Cusemer klooster, dat deze familie na een kruistocht uit dank land schonk, maar dat ligt dus in de nevelen der tijden.”

Natuurlijk weet ik dat dit speculatie is en dat je heus niet alles op internet voor zoete koek moet slikken. Zeker bij webgenealogieën zou je eigenlijk alles moeten checken en nog eens checken. En toch maakt het zover kunnen teruggaan in de tijd heel even een tikje euforisch.


Vijfvoudig ongehuwd moeder erkent alsnog kinderen

In mijn eigen kwartierstaat stuitte ik op een geval dat niet misstaan had in het Loket voor Lief en Leed.

Mijn betovergrootmoeder Antje van der Velde (1837-1909), die haar leven lang in Marum heeft gewoond, kreeg daar vijf kinderen:

Op zich was het krijgen van vijf kinderen bepaald geen wereldschokkend feit, maar deze Antje, een arbeidster, is nooit getrouwd geweest. Sowieso gold het destijds als een schandaal als een vrouw zonder gehuwd te zijn een enkel kind kreeg, maar Antje overkwam dit maar liefst vijf keer! Ik vraag me ook af hoe instanties daarop reageerden. Uit angst voor een te groot beroep op de armenzorg sloot men in de achttiende eeuw ‘recidiverende’ ongehuwde moeders nogal eens op in het tuchthuis. Maar of dat ook in de negentiende eeuw gebeurde?

Er lijkt nog meer aan de hand, hoewel ’t een spijker op laag water kan zijn. De eerste twee kinderen werden nog aangegeven door Antjes moeder Grietje Jans Vossema, een “inlandsche kramersche”, maar bij de jongste drie gebeurde dat door Antjes stiefvader Klaas Hofstee, een arbeider en timmerman. Bij haar moeder en stiefvader, die trouwden toen Antje 13 was, woonde Antje in de jaren 1870, ver na haar dertigste, nog steeds in huis. Haar moeder was liefst twintig jaar ouder dan haar stiefvader, terwijl die slechts tien jaar ouder was dan Antje. Je zou er dus haast wat van denken.

In 1887 trouwde Antjes oudste dochter Aaltje met de timmerman en latere betonfabrikant Anne Nanninga. Aaltje was toen 22 jaar oud en naar de maatstaven van destijds nog minderjarig. In elk geval was er tot het dertigste levensjaar voor een huwelijk toestemming van de wettige ouders vereist. De huwelijksakte echter, noemt Antje nog wel als Aaltjes moeder, maar verder schittert Antjes naam in dit stuk door afwezigheid. Het belangrijkst is dat de melding van haar toestemming ontbreekt – het waren een voogd en de toeziend voogd die permissie gaven voor Aaltjes huwelijk. Evenmin blijkt moeder Antje getuige bij Aaltjes huwelijk te zijn geweest. Daarom zien we ook niet haar handtekening onder de akte.

Je bent in eerste instantie misschien geneigd te denken dat er verwijdering was tussen moeder en dochter, maar het ging hoogstwaarschijnlijk om heel iets anders. Tot ongeveer 1950 moest een ongehuwde moeder haar buitenechtelijk geboren kinderen uitdrukkelijk bij de ambtenaar van de burgerlijke stand komen erkennen. Zag zij af van deze stap, dan had dat kind voor de wet onbekende ouders. Bij een huwelijk van dat kind was volgens artikel 98 Burgerlijk Wetboek dan geen toestemming vereist van de moeder, maar van een voogd en toeziend voogd. Dàt was er bij het huwelijk van Aaltje aan de hand. Formeel juridisch bestond er geen familierelatie tussen moeder en dochter. En dus werd de moeder niets gevraagd. Antje had bij dit huwelijk niets in te brengen dan lege briefjes en stond aan de zijlijn.

Dat stak en daarom liet ze op 13 december 1890 door de ambtenaar der burgerlijke stand in Marum een akte opmaken, waarin ze haar drie jongste kinderen Trientje, Grietje en Hendrik, dan respectievelijk 21, 18 en 12 jaar oud, alsnog officieel erkende, een erkenning die tevens in de marge werd genoteerd van alle drie hun geboorte-akten.

Bij het huwelijk van Grietje in 1895 en dat van Hendrik in 1906 wordt moeder Antje daarom wèl in de akten genoemd als degene die haar toestemming gaf.  Haar dochter en zoon heten dan respectievelijk “meerderjarige natuurlijke erkende dochter” en “natuurlijke erkende meerderjarige zoon”.

Met dank aan de oud-ambtenaar burgerlijke stand Ben Doedens voor zijn voorlichting over de juridische kant van dit verhaal en Gert Zuidema voor de verwijzing naar Doedens..


WesterwOldambtster geschiedenisdag

In Wedde vond vandaag de Dag der WesterwOldambtster Geschiedenis plaats. Ik kwam het kerkje binnen tijdens  de openingsceremonie – beneden was er geen plaats meer, op de orgelbeun nog één:
2014-11-22 001
De oeroude folkformatie Folkcorn speelde grouwzame misdaadballades:
2014-11-22 02 was 10
Ties Tepper vertelde over de totstandkoming van het nieuwste deel in de Oldambt Historische Reeks: Naar het gerecht. Criminele zaken in het Oldambt 1750-1800:
2014-11-22 003
En trof daarbij een aandachtig gehoor:
2014-11-22 007
Uitreiking eerste exemplaar:
2014-11-22 017
Nadat de kerk leegliep omdat iedereen naar de historische markt in het tegenovergelegen dorpshuis ging, was er mooi even gelegenheid om naar de grafzerken op het koor te kijken. Al het goeie gaat in drieën – hoewel?:
2014-11-22 025
Bak met losse letters voor het schuifbord waarop de te behandelen Bijbelteksten aangekondigd staan voor een dienst:
2014-11-22 030
Vogel op grafsteen in tegenlicht:
2014-11-22 032
In het dorpshuis blijkt het intussen nog steeds poepiedruk:
2014-11-22 048
Letterlap uit 1903 van het conventionele Groningse type:
2014-11-22 052
Postzak met hakenkruis:
2014-11-22 053 was 82
Een wat minder beschaamde Vrouwe Justitia:
2014-11-22 056
Discussie tussen heren:
2014-11-22 059
Terug in de kerk – dolfijn op de burggravenbank (die overigens prima zit):
2014-11-22 073

De oud-kantonrechter mr. Gerrit Cazemier bentwoordt vragen na zijn  lezing:

2014-11-22 075
Verschillende aanwezigen spreken hun verontrusting uit over de criminaliteit, terwijl die toch zo’n dankbaar onderwerp vormt:

2014-11-22 078

Op het moment zelf kwam ik er niet op, maar achteraf viel me de vraag in of de rechter misschien ooit bedreigd is. En jawel,  hij kreeg in 1982 eens een steen ter grootte van een kippenei tegen het voorhoofd gegooid, waardoor hij minutenlang buiten bewustzijn was. Daarna vervolgde hij de zitting gewoon. Bikkel!


Rattenkruid in het pannekoekenbeslag

Het boerderijtje heette de Oude Watermolen, omdat er eerder een grote watermolen op het heem had gestaan. Dit bevond zich aan de Katerhals, een watertje aan de zuidkant van het Hoendiep, maar nog wel onder het kerspel Noordhorn. Op de plaats woonden Albert Jacobs, zijn vrouw en de twee kinderen die zij uit haar vorige huwelijk had.

Dit hele gezin werd vergiftigd. Op zondagavond 26 juli 1778 aten man, vrouw en kinderen gezamenlijk pannekoeken, zoals ze dat ook op de vorige avond, op zaterdag 25 juli, hadden gedaan. Vrijwel direct na de maaltijd werden ze alle vier misselijk en voelden ze zich ellendig. ’s Nachts stierf eerst de dochter, en op maandagmiddag Albert Jacobs. Ook de hond ging dood – hij had eveneens een stuk pannekoek gegeten. Alberts vrouw en haar zoon waren toen nog voortdurend aan het overgeven en de buren die erbij geroepen waren lieten dokter Bolt van Grijpskerk komen. Hij constateerde dat het weer de goeie kant op ging met beide overlevende patiënten, maar ging ook op onderzoek uit.

In een restantje pannekoekenbeslag vond Bolt rattenkruid.  De vrouw des huizes verklaarde dat ze dat spul in geen drie jaar in huis had gehad. Zaterdagavond hadden zij, wijlen haar man, haar zoon en wijlen haar dochter nota bene van hetzelfde meel pannekoeken gegeten, en toen was er niemand ziek van geworden. Dat meel kwam van koopman Luitien van Weperen in Niezijl. Dokter Bolt liet navraag doen. Er bleken meer huishoudingen in de omgeving dat meel van Luitien te hebben gekocht, maar nergens werd er iemand ziek van.

In het huis van de slachtoffers waren tussen zaterdagavond en zondagavond alleen de broer van Albert Jacobs, Jan Jacobs, en diens tien- of elfjarige zoontje Jacob op bezoek geweest. Dat zoontje ging met het latere vrouwelijke slachtoffer erwten en peulen plukken in de hof – en zo was Jan Jacobs even alleen in huis geweest. Nadat grietman Fruytier op woensdag 29 juli de slachtoffers en enkele andere betrokkenen had gehoord en ook nog een lijkschouwing had laten verrichten door twee medici uit de stad, beschouwde hij deze Jan Jacobs als verdachte nummer één.

Maar Jan Jacobs woonde in Enumatil, onder het Vredewold, een andere jurisdictie.  En het was midden in de zomervakantie: de grietman  van Vredewold bleek noch in zijn rechtsgebied, noch in de stad te vinden. Daarom moest Fruytier noodgedwongen wachten met de arrestatie van Jan Jacobs tot 1 augustus, de dag dat diens broer begraven werd.

Bijna drie maanden later, op 29 oktober 1778, wees grietman Fruytier  vonnis tegen de gedetineerde Jan Jacobs, ca. 42 jaar oud, geboren te Midwolde (Wk.) en laatstelijk woonachtig te Enumatil.

Fruytier overwoog dat Jan Jacobs zich zeer verdacht had gemaakt. Het schoteltje rattengif dat dokter Bolt uit het pannekoekenbeslag had gehaald en bovenop een kast had gezet, verplaatste Jan Jacobs daar uit zicht achter een kerkbijbel. Hoewel dit door buren gezien was, ontkende Jan Jacobs dit gedaan te hebben. Eerst beweerde hij dat hij niet eens wist dat het schoteltje daar stond, vervolgens gaf hij die kennis toe maar niet het verplaatsen, en toen hij ook dat laatste in confrontatie met de buren moest bekennen, zei hij dat hij dat deed omdat het schoteltje anders maar voor het grijpen stond.

Bovendien had Jan Jacobs bij zijn arrestatie tegen de roderoede (veldwachter) Ype Boon en nog iemand gezegd, dat het gericht een broedermoord nooit zou kunnen bewijzen zonder zijn bekentenis. Ook dat gold als zeer verdacht.

Grietman Fruytier moest echter knarsetandend toegeven, dat er wel veel aanwijzingen voor de schuld van Jan Jacobs waren, maar dat die met elkaar nog geen doorslaggevend bewijs vormden. De verdenking bleef van dien aard dat Fruytier de verdachte niet als gezuiverd wilde ontslaan van rechtsvervolging. Daarom moest Jan Jacobs plechtig beloven zich ter beschikking te houden van het gericht.  Zodra hij een oproep kreeg om daar te verschijnen, moest hij komen. Zoniet dan zou dat als een bekentenis worden opgevat.

Op 5 november, na een toetsing van het vonnis door de Hoge Justitiekamer in de stad, kreeg Jan Jacobs het stuk voorgelezen in de gevangenis aldaar. Ik neem aan dat hij vervolgens onmiddellijk op vrije voeten is gesteld.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 6: notulen van rechtdagen in criminele zaken.


Uitbundig geel

001

004
(Peizerweg vaochtend.)


De belijdenis van mijn overgrootmoeder

2014-11-20 050 De inschrijving van mijn overgrootmoeder (56) in het lidmatenregister van de hervormde gemeente Zuidhorn, op 30 maart 1928. Dat was een week voor Pasen. Op vrijdag deed ze samen met anderen belijdenis in de pastorie van ds. Bange en op zondag werd ze als lidmaat bevestigd in de kerk. Daarbij werd ze eerst gedoopt, want dat was kennelijk nooit gebeurd. Vaag schemerde me iets bij over de kerkelijke meelevendheid van vooral de vrouwelijke Vondelingen, maar dat viel bij het checken van dit register een beetje tegen (of mee, hoe je het maar bekijkt). Naast moeder Grietje deed alleen de jongste dochter Annie belijdenis – die was dan ook lid van de NH meisjesvereniging. De andere twee dochters komen niet in het lidmatenregister voor en dat blijkt evenmin het geval met de zes zoons en de vader. De kerk, zo moet je concluderen, speelde geen grote rol in het leven van de Vondelings. Toch behoorden de Vondelings in het kerkelijk zeer gepolariseerde Zuidhorn onmiskenbaar tot de hervormde partij.  Ze hadden een hekel aan cocksianen. Gereformeerden kon je niet vertrouwen, vonden ze, die hadden het achter de ellebogen. Hier een plaatje van mijn overgrootmoeder, terwijl ze samen met haar man de aardappels schilt. Met negen kinderen ging er per warme maaltijd wel een emmertje piepers doorheen: KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Naschrift zondag 23 november 2014:

Volgens mijn moeder ging vooral zij regelmatig naar de kerk, al ging hij incidenteel wel eens mee.
v


Oogmeterij

Laatste fase van de oogmeterij – voor mij althans nieuw – waarbij bekeken wordt hoever de pupillen van elkaar af staan etc.:

2014-11-19 014

Bij mijn vorige bezoek aan de opticien, op een donderdagavond, zag die bij de oogmeting zwarte vlekjes of troebelingetjes en oneffenheden op mijn hoornvlies. Weshalve de oogmeting niet voltooid werd en ik het advies kreeg om naar de oogarts te gaan. Dat is inmiddels gebeurd. De oogarts dacht dat het aangeboren  vlekjes waren en er zat in elk geval geen progressie in de vlekkerigheid (over de oneffenheden zei hij niets).

Dus opnieuw naar de opticien met deze boodschap. Die keek een beetje ongelovig en deed opnieuw de proef met kleurstof in mijn oog. Inderdaad zag hij nu minder vlekjes en oneffenheidjes dan bij de vorige oogmeting. Het kan eraan gelegen hebben dat mijn ogen de vorige keer droog waren. In elk geval scoorden ze qua sterkte nu beter dan de vorige keer. Blijkbaar maakt het toch wel wat uit of je je ogen ’s middags of ’s avonds meten laat. ’s Avonds zijn je ogen allicht vermoeider.

Enfin, over een dag of tien heb ik een nieuwe bril en kan ik een heleboel lettertjes weer best lezen.


Schuddeldouk roept gemengde gevoelens op

De vaatdoek was weer in het nieuws. Gister begon minister Schippers van volksgezondheid een campagne om mensen te wijzen op alle keukenbacteriën. Volgens de minister moeten we elke dag ons vaatdoekje uitkoken.

Is onze hygiëne de laatste halve zo sterk achteruit gegaan? Dat dacht ik niet. Ruim vijftig jaar geleden promoveerde de arts-dichter Jan Boer op besmettingen met spoelworm in zijn Oost-Groninger dorpspraktijk. En hij wijdde een aparte passage aan de schuddeldouk, zoals de vaatdoek daar heette:

“Op de keukentafek in vrijwel ieder gezin in Tange-Alteveer bevindt zich een natte doek, de zogenaamde “schuddeldouk”, die voor zeer verschillende doeleinden gebruikt wordt.

Naar het woord al aangeeft, zal de primaire functie zijn het afwassen, en soms ook afdrogen van “schotels”, dat zijn etensborden.

Daarna wordt de doek op de keukentafek gedeponeerd en gebruikt om er de tafel nu en dan mee af te vegen en om de vuile handen van de kinderen provisorisch mee te reinigen.

Na het eten veegt ieder der gezinsleden zijn mond af aan deze doek als aan een gemeenschappelijk servet.

Vaak is door mij opgemerkt, dat de huismoeders deze schoteldoek ook gebruiken om de kleuters, die zich met faecaliën verontreinigen, snel even mee schoon te maken.

Deze reiniging vindt dan door de beperkte ruimte in de woonkeuken dikwijls plaats op de keukentafel. In vele gezinnen wordt de tafel niet gedekt en speciaal bij de broodmaaltijd wordt geen gebruik gemaakt van etensborden.

De boterham wordt van de houten tafel gegeten, waarop even tevoren de reinigiging van de kleuter plaats vond – uiteraard werd de tafel voor de maaltijd afgeveegd met de schoteldoek.”

Van 71 gezinnen, waarvan leden besmet bevonden waren met spoelworm, onderzocht Boer de vaatdoekjes. In 28 gezinnen bleken deze de eieren van spoelwormen te dragen. In grote gezinnen gebeurde dit wat meer dan in de kleine.

Overigens wekt de schuddeldouk ook warm-nostalgische gevoelens op. Uit Onstwedde stamt een Lofzang op de Schuddeldouk. Dokter Boer zou er zijn wijze hoofd over hebben geschud (als hij het lied niet schreef).

Bron: J.J. Boer, Ascaris Lumbricoides L. in een dorpspraktijk (Groningen 1963), pag. 81 e.v. Met dank aan Henk Scholte voor het lenen van dit proefschrift.

 


‘Aj mor niet an de schuppe rakt’

015 b

“Aj mor niet an de schuppe rakt”, was zo’n zegswijze van mijn moeder.

De schop stond voor keiharde landarbeid, met de pest in je ziel, het zweet op je voorhoofd en de blaren in je handen. (Zolang je handen nog niet genoeg vereelt waren, tenminste.)

Haar vader was nog een tijd boerenarbeider geweest. Hij wist nog precies zijn aanvangssalaris, hij verdiende er een rijksdaalder per week mee op zijn twaalfde, in 1917. Later werd hij electriciën en nog weer later aannemer van ondergrondse kabelwerken. Maar nadat hij zijn bedrijf verkocht had, nam hij vrolijk de schop weer ter hand: van zijn miniscule tuintje kwamen onvoorstelbare hoeveelheden groente.

Daar lag het niet aan, dat noodlottige odium van de schop. Dat kwam van verder weg in ruimte en tijd. Mijn opa’s voorouders waren boerenarbeiders in de omgeving van Delfzijl en Termunten geweest. Aan de schop raken betekende niet alleen een teruggang in tijd, maar ook een terugval naar de belabberde toestanden van weleer.

Volgens mijn moeder was haar enige broer een briljant wis- en natuurkunde-student. Maar toen hij begin 1954 een meisje bezwangerde, weigerde opa nog langer diens studie te betalen. Broer moest trouwen en eerst maar aan het wark als kabelgraver bij zijn pa in dienst. Hij raakte even an de schuppe, zogezegd.


Exponent van een tijdgeest: het rode boekje voor scholieren

1971 jan rode boekje

Leraar wil stukje voorlezen uit het rode boekje voor scholieren, maar merkt dan dat het een ander rood boekje is, dat van de Chinese dictator Mao. Beetje flauw mopje, dat komt uit het januari-nummer 1971 van de Kruisband, de schoolkrant van de Rijks HBS aan de Grote Kruisstraat in Groningen:

Dat rode boekje voor scholieren (inderdaad: zonder hoofdletters in de titel), verscheen vier maanden eerder naar Deens voorbeeld. Het was een exponent in optima forma van de tijdgeest en bepleitte onder meer democratisering van het onderwijs, gelijkheid tussen leraar en leerling en  openheid in het seksuele. Maandenlang was er zeer veel discussie over tussen kritische en behoudende krachten.

Mijn eigen exemplaar kocht ik voor de adviesprijs van een rijksdaalder bij boekhandel Appelo in Meppel. Stom genoeg  deed ik dat niet van mijn zakgeld, maar liet ik het op de rekening van mijn schoolbenodigdheden zetten. Die rekening ging naar mijn vader en hij bleek niet zeer ingenomen met deze ene post.

Dat exemplaar heb ik nog steeds. Het valt op drie plekken open: bij het hoofdstuk over leraren, bij het hoofdstuk over tabak, alcolhol en drugs en uiteraard bij het hoofdstuk over seks. Ik denk dat het geschriftje op die twee laatste punten het meest invloedrijk geweest is – die democratisering had veel minder de aandacht, leerlingenparlementen verliepen ook al gauw.

img271

Op speciaal verzoek nog even de – naar het zich laat aanzien – meest gelezen bladzijden:
s1

s2


Inkle en Yariko, of: liefde staat boven slavernij

1 - Inkle en Yariko Wolthers b1

In de portefeuille van de heer Wolthers zit ook deze Duitse prent naar een tekening van de Neurenberger edelsmid Johann Samuel Vigitill (1733-1789), die dat ontwerp op de drukplaat liet brengen door zijn stadgenoot Christoph Daniel Henning (1734-1795). De prent toont in silhouet vier dames in verschillende poses links en rechts van een schildersezel met daarop een voorstelling. “Wie verschieden ausert sich nicht der Eindruk den einerlei Gegenstand auf das menschliche Gefühl macht”, staat er ter toelichting in sierlijke krulletters onderaan de prent. Vertaald:  “Hoe verschillend uit zich niet de indruk die één en hetzelfde onderwerp  op het menselijke gemoed maakt”. Daar weer onder vinden we nog een Latijnse spreuk in blokletters: “Non omnes pariter tanta infortuna terrent”, wat zoveel betekent als: “Niet iedereen schrikt even erg van ongeluk”.

De prent intrigeert, omdat ze haar strekking ondanks de toelichting niet meteen prijsgeeft. Uiteraard zien we wel meteen, dat de vier dames op de voorgrond met verschillende gemoedsaandoeningen behept zijn, immers: de meest linkse wringt haar handen in wanhoop, de tweede heft haar vuisten in woedende onmacht, de derde en oudste bekijkt min of meer verbaasd nog eens het tafereel op de schildersezel door haar lorgnet en de vierde wendt zich in afschuw daarvan af, met haar zakdoek paraat voor de tranen die mogelijk komen.

Uiteraard worden de emoties opgewekt door de voorstelling op de schildersezel. Zoomen we daarop in:

2 - Inkle en Yariko Wolthers b2

dan zien we getuige het fort en de schepen een koloniaal tafereel, met twee heren, waarvan de linker geld geeft aan de middelste die tegelijk wijst naar een geknielde, smekende, donkergekleurde vrouw, terwijl achter haar een man met  handboeien klaar staat. Als niet ook onder deze voorstelling tekst had gestaan, zou de hele prent een raadsel gebleven zijn, maar dankzij de namen Ynkle und Yarcko (boven), en de verwijzing naar het eerste deel van Gellerts Fabeln und Erzaelungen, bladzij 29 (onder), komen we er uit.

In het Duits verscheen dat werk van Gellert, het eerste van een zeer populaire trilogie, voor het eerst in 1746. Een geïllustreerde Nederlandse vertaling volgde in 1772, en die versie staat op Google Books, met een plaatje dat sterk doet denken aan de geëzelde voorstelling op de Duitse prent:

3 - Inkle en Yariko Gellert Fabels

In Gellerts omlijstende verhaal reist de zeer op winst beluste Britse koopman Inkle, wiens voornaamste deugd zijn rekenkunde is, naar Amerika. Vlak voor de kust belandt zijn schip echter in een storm en het breekt op een strand. Inboorlingen vallen er op de overlevende bemanningsleden aan – Inkle is de enige die in het oerwoud weet te ontkomen. Na dagenlang rondzwerven vindt Yariko, een “jonge negerin” hem daar en prompt raken ze verliefd op elkaar. Yariko vangt Inkle op in een hutje, waar ze hem liefdevol in leven houdt. Van zijn kant belooft hij haar gouden bergen, als hij eens met haar naar Londen weet te ontkomen. Daarom kijkt zij voor hem uit naar schepen en inderdaad verschijnt er op een dag een aan de horizon. Hand in hand gaan ze aan boord, het schip zet koers op Barbados, maar eenmaal weer aan wal vergeet Inkle zijn plechtig beloofde eeuwige trouw. De oude winzucht komt weer in hem boven en hij verkoopt Yariko als slavin. Dat ze hem smekend voor de voeten valt en roept dat ze van hem zwanger is, kan hem niet vermurwen. Het haalt alleen maar uit dat hij een nog hogere prijs voor haar bedingt.

Deze hufterige rotstreek is het dus, die bij de dames op de Duitse prent de emoties wanhoop, woede, verbazing en afschuw oproept.

Gellert was destijds een veel gelezen auteur, maar van het verhaal over Inkle en Yariko bestond ook een Nederlands toneelstuk (1781) dat op zijn beurt weer aanleiding gaf tot het maken van prenten.  Volgens een bespreking in de Vaderlandsche Letteroefeningen van 1789 had Gellert het verhaal ook niet zelf verzonnen, maar ontleend aan een Engelse Spectator. Inderdaad staat het verhaal in de Spectator van Steele, jaargang 1711. Het werd vanaf 1787 tevens opgevoerd als opera in Londen. Naar het zich laat aanzien bleef dat stuk in Engeland nog lang populair, zo is er nog een affiche uit 1799 van een theater in Bristol. Overigens bleek Steele het verhaal evenmin van zichzelf te hebben, hij ontleende het weer aan een geschiedenis van Barbados uit 1657, waarin het wordt opgevoerd als waar gebeurd.

In elk geval vormden Inkle en Yariko voor geletterden uit het laatste kwart van de achttiende eeuw een uiterst bekend motief. Voor hen viel de prent meteen te begrijpen. Door de hevige emoties van de dames op zijn prent laat de Duitse maker zien dat voor menige vrouw de liefde van een hogere orde was dan de slavernij.

Maar of invloedrijke mannen er ook zo over dachten? “Toevallig” werd in 1789 in Engeland een eerste wetsontwerp ingediend tot afschaffing van de slavenhandel, dat het Lagerhuis nog met tweederde van de stemmen verwierp.  Eenzelfde ontwerp haalde drie jaar later wèl de meerderheid, maar werd tandeloos gemaakt door een amendement dat die afschaffing héél geleidelijk wilde laten plaatsvinden.

Intussen kwamen Inkle en Yariko ook voor op politieke prenten welke inspeelden op een happy eind aan het drama:

4 politieke prent

 


Welvaart bracht schik in het ornament

Vignetje boerengereiDit vignetje bevindt zich in een portefeuille met schetsen, tekeningen, aquarellen en gedrukte prenten van Wolter Wolthers (1814-1870), een jurist van zeer notabele komaf die het tot burgemeester van diverse Groninger gemeenten zou brengen. In het vignetje kruist boerengereedschap en visgerei achter een zonnehoed met een slinger van rozen. We zien een visnet, een zeis, een hengel met een vis, een schoffel, een ‘rieve’, een fluit, een dorsvlegel, een korenschoof en een  schop. Een soortgelijke voorstelling meen ik ook  eens gezien te hebben in op de voorgevel van een grote boerderij, ergens in Groningerland. Maar waar?

Mogelijk niet in het Oldambt, zoals ik eerst dacht. Hoewel je daar wel soortgelijke voorstellingen op de voorgevels van grote boerderijen ziet:

– Ceres met korenschoven, een bijenkorf en boerengereedschap te Finsterwolde:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA
– Een boerenwagen, een ploeg, een bijenkorf en gereedschap te Midwolda:
KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA
– Korenaren, en een zonnehoed met bloemen en gereedschap te Nieuw-Beerta:
Nieuw Beerta
– Vaas met overvloedig fruit aan de Scheemder kant van Midwolda:
Scheemder kant Midwolda
Wat de voorstellingen zeggen: hoe genoeglijk is het landmansleven. Het vignetje van Wolter Wolthers zou biedermeyer kunnen zijn (ca. 1840). Wat er op de gevels zit is mogelijk van iets later datum, uit het derde kwart van de negentiende eeuw, oftewel de Champagnejaren voor de Groninger graanboeren. Voorheen waren die landbouwers nogal sober geweest, maar met de welvaart kwam de schik in het ornament.

Naschrift 22 november 2014:

Ik denk dat ik het gevonden heb, in Blijham aan de Winschoterweg:

2014-11-22 088


Martinitoren voorbij de mistbank

2014-11-13 003

Vanochtend vroeg lag er een in oppervlakte beperkte, ongeveer twee meter hoge mistbank boven de weilanden aan de oostkant van de Johan van Zwedenlaan. Ook de toren van de Akerk stak er bovenuit:

2014-11-13 004 was 1


‘Vier het samen met je vrienden’, of: de pessimistische lotenkoper

prijs staatsloterij b

De Staatskloterij denkt dat je een dik feest kunt bouwen van 7,5 euro. Dat moeten ze me dan maar eens even komen voordoen. 🙂

Dit is mijn zoveelste prijs, moet ik zeggen. Heb  bij de Postcodeloterij een keer 2250 euro gewonnen, meermalen bedragen van 10 à 50 euro, en minstens drie keer de ijsprijs. Vandaar dat ik er maar mee gestopt ben. Zoveel geluk op één enkele postcode kon vast niet veel langer voortduren.

Daarom ging ik over naar de Staatsloterij, Maar daar heb ik nu ook verschillende kleine prijsjes gehad.  Denk dat ik daar nu ook maar mee ophou. Of mijn loten voortaan elders koop. Bij mijn wederverkoper in Hoogkerk heeft namelijk laatst iemand een miljoen of wat gewonnen, daar hoef je dus voorlopig ook niets meer te verwachten.