Pis Grijt en de pankouk bakkende heksen

In de Mengelingen tot nut en vermaak voor onderscheidene standen uit 1840 staat (pag. 78-90) een lijst met maar liefst 90 “bijgeloovigheden , droomverklaringen, voorspellingen enz., vroeger bij de Groningers in omloop”.

Daar moest ik meer van weten.

Ettelijke van die zaken blijken ook nu nog wel min of meer bekend:

  • zwaluwen, die in huis nestelen betekenen voorspoed of geluk voor de bewoners (nr. 31),
  • ganzen, in een V-formatie aanvliegend uit het oosten, voorspellen een strenge winter (nr. 74),
  • en als de zwaluwen dicht bij het water vliegen, betekent dat regen (nr. 78).

Maar er staan ook heel wat van dergelijke voorspellende zaken op die lijst, die ons nu tamelijk buitenissig voorkomen. Mijn persoonlijke top 10:

20
Wanneer een mol in een woonvertrek den vloer opwerpt, zoo voorspelt zulks binnenkort een sterfgeval.

35
Wanneer turf op den zolder onverhoeds dooréén rolt, dan krijgt men groote drukte of bezigheid.

45
Als eene tortelduif dikwijls achter elkander roept, beteekent dat het ophanden zijn van regen.

47
De tweede dag der hondsdagen, aan St. Margaretha gewijd, wordt bij de Groningers gewoonlijk Pis Grijt genoemd, en het bijgeloof stelt vast dat, wanneer het op dien dag regent, er gedurende zes achtereenvolgende weken dagelijks min of meer regen zal vallen.

48
Indien de katten zeer snel heen en weer door huis loopen, alsof ze gejaagd werden, de Groningers zeggen: deur hoes vleigen, is er wind ophanden.

53
Als men eene vischvrouw voor haren visch minder biedt dan zij vraagt, en zij denzelven voor dien prijs niet kan geven, voorspelt dat voor haar eenen ongunstigen dag, dat is te zeggen, dat zij alsdan niets verkoopt, en gemeenlijk wordt dan door haar gezegd: Nou kan ik de heile dag sjokken (dat wil zeggen: loopen) en neit verkoopen.
54
Wanneer zulk eene vischvrouw echter dat sjokken verveelt, dewijl zij niets verkoopt, dan verkoopt zij, om het even wat haar geboden wordt, den eersten visch den beste, en zulks uit bijgeloof, dat het dan wel zal geluk ken; terwijl zij bij het overhandigen van dien visch bij zich zelve zegt: Goddank, dat ik de jeude (den jood) van de körf heb.

61
In Groningen heeft men tot gewoonte te zeggen: Geen zaturdag zoo nat, of de zon schijnt wat; willende daarmede te kennen geven, dat, ofschoon het op zaturdag den geheelen dag regent, de zon toch zeker wel, al is het slechts voor een oogenblik, zal doorbreken.

62
Onder minkundigen heerscht nog, in weerwil van alle verlichting, het geloof aan heksen, en men vertelt, dat die gewaande heksen Pankoek bakken, als het regent en tegelijk de zon schijnt.

63
Algemeen heerscht nog in Groningen het bijgeloof aan voorloopen, dat zijn aanduidingen of voorteeekens uit het schimmenrijk, die binnen korten tijd werkelijk zullen vervuld worden.

Overigens gold de prognosticerende waarde van een verschijnsel in het gros van de gevallen ongeluk: sterfbedden, trammelant, regenweer. Het onderkennen van iets negatiefs voor de toekomst, en het daarop eventueel kunnen inspelen, had (en heeft) nu eenmaal meer urgentie dan het vroegtijdig zien aankomen van voorspoed en geluk.


Groninger naturaliënverzamelaars (1825)

“Bijzondere verzamelingen van naturaliën vindt men hier vooreerst bij de volgende hoogleeraren:

  • Bij prof. P. Driessen eene van mineralen en hieronder bijzonder van Groninger steenen, versteeningen en kapellen.
  • Bij prof. G. Bakker eene van voorwerpen der ontleedkunde en vergelijkende ontleedkunde.
  • Bij prof. P. Hendriksz vooral van monsters en zieke beenderen.
  • De heer R.K. Driessen heeft eene verzameling van Groninger versteeningen en insecten.
  • De predikant J. Martinet Kuipers eene van naturaliën uit alle drie rijken der natuur en daarenboven vele zeldzaamheden, oorspronkelijk verzameld door deszelfs oom J.F. Martinet, te Zutphen overleden.
  • De heer J. H. Geertsema eene van inlandsche kapellen.
  • De heer S.P van Idsinga eene van opgezette vogels en conchijliën.
  • De heer A. van Berchuijs eene van opgezette zoogdieren, vogels en conchyliën.
  • De heer S.T. Emmen eene van inlandsche kapellen.
  • De heer Criens, bij den papiermolen, eene van opgezette zoogdieren, vogelen en visschen.

Behalve eenige andere verzamelingen, van eerstbeginnende jonge lieden, welke thans nog van minder belang zijn.”

Aldus de Korte handleiding voor vreemdelingen die het merkwaardigste in de stad Groningen willen zien, een toeristisch gidsje dat Theodorus van Swinderen eind augustus 1825 voor eigen rekening liet drukken.

Van de tien aanbevolen verzamelingen waren er drie van hoogleraren geneeskunde: Petrus Driessen, Gerbrand Bakker en Petrus Hendriksz. Verder zien we op de lijst een jurist, een predikant met een ooit beroemde oom, en vier personen uit notabele Groninger geslachten. Tot slot iemand die in het lompensorteerdersbuurtje bij de papiermolen woonde en die dus juist niet van gegoede komaf was.

Zoals ook wel uit reisbeschrijvingen blijkt, konden fatsoenlijke dames en heren zich bij zo’n verzamelaar aandienen voor een bezichtiging van diens kabinet. Wat er verzameld werd, spreekt meestal vanzelf, alleen gebruiken we termen als conchyliën en kapellen niet meer. Met het eerste werden vooral schelpen bedoeld en met het tweede vlinders.


Hoe Dijksterhuis verdween

2012-08-18 047

In de vestibule van de oude borg Dijksterhuis te Pieterburen stond een Latijnse spreuk, die vertaald hierop neerkwam:

„Moge dit huis blijven staan, totdat de mier de wateren der zee zal hebben opgedronken en de schildpad de gehele aarde zal zijn doorgewandeld.”

De mier heeft nog oceanen te gaan en de schildpad is ook nog lang niet aan het eind van zijn missie. Dijksterhuis daarentegen, is van de kaart geveegd. De wens kwam niet uit.

In het voorjaar van 1902 werd de borg al niet meer bewoond en was hij danig in verval. De vrijgezelle eigenaar, jonker Gerhard Alberda van Menkema en Dijksterhuis, die op de Menkemaborg in Uithuizen woonde, maakte onderdelen van zijn vervallen goed te gelde. Zo liet hij een groot deel van de bomen kappen.

In maart was de hele oostersingel al weg. Daarmee verdween een kenmerkend onderdeel van het landgoed, dat het Algemeen Handelsblad juist in die dagen aldus omschreef:

“Op een afstand gezien vertoont zich over de vlakke landen van Hunsingo het bosch te Pieterburen en daarin staat het slot of de burcht van den heer, die niet alleen dit bosch bezat, maar vele daaromheen liggende landerijen. De woning is hooger dan de omringende boomen, zoodat er een vrij uitzicht is op de omgeving en naar het noorden ziende, vertoonen zich de Wadden.”

020 uitsnede

Alberda deed de siervazen op de brug cadeau aan zijn familie op Nijenhuis in Heino. Van de inboedel op Dijksterhuis was op dat moment nog maar weinig meer over. Begin april verkocht Alberda de collatie (het benoemingsrecht van predikanten etc.) van de hervormde gemeente Westernieland aan die gemeente. Hij beurde er toch nog een duizend gulden voor.

Op 22 april overleed hij. Dat gaf nadien nog enige consternatie, want van twee archiefkasten bleken de sleutels zoek, “en niemand van het thans levende geslacht schijnt iets van den inhoud te weten”. De kranten speculeerden over “veel gedrukte en geschreven stukken, die nog door geen deskundige zijn nagezien”. De borgbewoners hadden eeuwenlang een grote rol gespeeld in de streekhistorie en daar moesten die ongeziene papieren over gaan.

Medio mei leek het probleem opgelost. Toen ging immers het restant van de inboedel per schip naar Uithuizen. Daar zou een grote veiling plaatsvinden, waar dan tevens spullen uit de Menkemaborg onder de hamer kwamen.

Na de zomer maakten de erven Alberda bekend, dat ze Dijksterhuis wilden laten slopen. In oktober flakkerde er nog een sprankje hoop op, er was althans sprake van dat “eenige vermogende heeren” gezamenlijk de borg wilden kopen, om deze te redden. Maar dit ging niet door en vanaf midden november stonden er aankondigingen in de krant dat Dijksterhuis, of Het Huis ten Dijke, zoals het ook wel heette, “op afbraak” werd verkocht.

Intussen liet het Rijk foto’s van zowel het exterieur als het interieur van de borg nemen. Ook mat een heer Schepers uit Den Haag de hele zaak precies op, en legde zijn metingen neer in bouwkundige tekeningen. Mogelijk bevindt deze documentatie zich in een of ander archief, de foto’s lijken (deels) in de Beeldbank Groningen aanwezig.

Het Algemeen Handelsblad trakteerde zijn lezers nog op een liefdevolle en uitvoerige beschrijving van de borg:

“Dat oude Dijksterhuis kan op schoonheid niet bogen, maar de forsche lijnen, de na eeuwen nog loodrecht uit het water oprijzende muren, ze dwingen tot eerbied.
In zijn stoeren en strengen eenvoud trotsch, ten volle het karakter dragend van de plaats waar het staat aan het strand van de Noordzee, van zijn grijze tinne een blik op die zee gevend, maakt het op den bezoeker een machtigen indruk, verplaatst het hem in vroeger eeuwen. Hij denkt zich de vroegere Heeren, hun bezittingen van die tinne overziende.
Immers de overlevering zegt dat de Noordzee vroeger den voet van dit slot bespoelde, en dat het huis als ’t ware in een bak van zwaar hout – die bij laag water nog moet te zien zijn – uit of op het wad werd opgetrokken…”

Ook herinnerde de krant aan het verblijf van de watergeus Sonoy op de borg, en haalde ze het bekende verhaal van de moor aan, die het dienstmeisje vermoordde, wat een onuitwisbare bloedvlek op de vloer gaf (ondanks het weghalen van de vlek of zelfs de hele plank, kwam deze telkens weer tevoorschijn).

Het stuk besloot met een lyrisch vaarwel:

“Een warme groet — een laatste groet helaas zij U gebracht van deze kille stranden, U, stoere, sombere, stille en toch zoo sprekende reus.”

Dijksterhuis, posthuum

Op de zes kijkdagen voor de veiling was de entree een kwartje, welk bedrag ten goede kwam aan de plaatselijke diaconie. Ruim 400 mensen hadden dit ervoor over, zodat de hervormde armen er 100 gulden mee opschoten.

De veiling vond plaats op 17 december in een plaatselijk café. De koper van de borg op afbraak bleek ene Van Seumeren uit Tilburg, die 2575 gulden bood. Met de boerderij en het daaronder beklemde land en diverse losse percelen bracht het hele landgoed in totaal bijna 135.000 gulden op.

De verkopers lieten nog wel een bijzondere bepaling in de contracten opnemen:

“Van eventueel te vinden schatten, die wel zouden kunnen voorkomen, daar het slot bijna 1000 jaar heeft gestaan, behouden de verkoopers zich 90 pct voor, terwijl de vinder 10 pct krijgt “

In februari 1903 begon het rooien van de overgebleven bomen:

“Het uitroeien van het bosch rondom het slot „Dijksterhuis” te Pieterburen (Gr.) is thans in vollen gang. Niet alleen zijn daarmede vele arbeiders uit de genoemde en de omliggende plaatsen bezig, maar ook is in het begin dezer week op het terrein van het slot een groote woonwagen met werkvolk uit Sappemeer aangekomen.
Alle boomen moeten vóór 1 Mei a.s. verwijderd zijn. Het hout, dat alsdan nog aanwezig is, wordt krachtens de voorwaarden van verkoop het eigendom van den kooper der boerderij.
Menige photograaf verbeidt niet ongeduld de verwijdering van de boomen in de nabijheid van den merkwaardigen achtergevel van. het slot. Vruchteloos is reeds meermalen getracht dien gevel in beeld te brengen; de zware, wijdvertakte boomen werkten dit tegen.”

Buiten de veiling was het collatierecht van Pieterburen gebleven. De lokale hervormde gemeente kocht dit in maart voor 2000 gulden van de erven Alberda, die als voorwaarde stelden dat de herenbank en de rouwborden van de familie op hun plek in de kerk zouden moeten blijven, “welke voorwaarde door de koopers zeer gaarne is aangenomen”.

Het puin van Dijksterhuis ging via het haventje van Wierhuizen naar de dijk van de Lauwerspolder. Maar er was ook veel nog bruikbare afbraak – o.a. drie antieke marmeren schoorsteenmantels, 150.000 harde metselstenen in vijf soorten, 500 blauwe marmeren vloertegels en 7000 dakpannen, naast balken en kleiner hout – die sloper Van Seumeren via de krant te koop aanbood.

Pas in april 1903, toen de kaalslag al zover gevorderd was dat men de consequenties duidelijk overzag, manifesteerde zich enige onvrede :

“Met leede oogen zien velen en niet het minst de inwoners van het dorp Pieterburen, de verwoesting aan van het aloude slot Dijksterhuis aldaar en van zijn prachtige omgeving. Op het ruime slotplein, aan welks ingang zich nog statig de hooge poort verheft, liggen thans opgestapeld honderdduizend steenen, grootendeels kloostersteenen van groote afmetingen, alsmede allerlei gedeelten van het inwendige van (het) gebouw (…). Reeds zijn de sloopers tot het hooge voorgebouw tot de benedenste verdieping gevorderd. Van den achtzijdigen toren, die een vrij uitzicht over de Wadden gaf, staat nog slechts een stuk van eenige meters hoog.”

Medio juni meldde het Nieuwsblad van het Noorden dat de sloop op een haar na voltooid was;

“…de laatste steenen nog uit de fundamenten gebroken en het bestaan behoort tot de geschiedenis. Het staan van het gebouw in een looden of koperen bak, zooals door velen werd vermoed, is onwaar gebleken.”

De enige bijzonderheid kwam aan het licht bij het vellen van een oude linde naast het voorplein. Onder de wortels en een halve meter puin vond men een mannenskelet met fragmenten van een gebroken zwaard. Sporen van de terechtstelling en ontering van een verslagen vijand? Helaas zijn deze archeologica niet bewaard, zo leerde navraag bij het Groninger Museum. Er kan dus geen onderzoek naar de ouderdom worden gedaan.

Dijkterhuis wikipedia


‘Koffie thee chocolade limonade!’

Hoe een extended family te Driebergen een hele trein in vlucht en een zucht van koffie voorzag en hoe een gepensioneerd spoorwegbeambte vervolgens de rotzooi opruimde (1959):


Ooievaars bij de vleet in de Onlanden en op de Peizermade

In de Onlanden, aan de Roderwolderdijk tussen de Onlandsedijk en het Waal in totaal negen ooievaars, waarvan dit de kerngroep was:
010
Ze stonden er maar wat voor zich uit te staren en verschikten af en toe wat tussen de veren. Verderop fourageerden er twee in een stuk groenland:
012
Aan de andere kant van de sloot nog een paar, met vier reigers op de slootkant:
021
Het doel van mijn fietstochtje was de reconstructie van het Huis te Peize, wegens Open Monumentendag opgetrokken met steigers en steigergaas:
042
Eigenlijk moet je de boerderij op de voorgrond wegdenken – die werd in of vlak na 1795 gebouwd van het sloopmateriaal van het steenhuis:
049
Rooie blaarkoppen bij het Achterstewold:
053
Waren de negen ooievaars op de heenweg al een record voor mij, het aantal van dertien stuks op de terugweg, in de hoek tussen de Zanddijk en de Woudrustlaan, verpulverde dit record nog eens. Deze tien vormden hier de kerngroep:
069
Op zich zouden het grotendeels dezelfde ooievaars kunnen zijn, hemelsbreed ligt deze plek een paar kilometer zuidelijker dan de eerste. Ook hier fourageerden de meeste beesten niet, maar stonden ze maar wat voor zich uit te kijken:
082


Grondmist bij de Hoge Vier

Vanochtend te zien vanaf de Johan van Zwedenlaan:

2013-09-12 014


De Weddermarkt, tot vreugd’ en ergernis van dominees

Ostade - dansende boeren 2

Volgens het loflied op de Wedder kermis kwamen er duizenden mensen op die jaarmarkt af. Ze kwamen van alle kanten en heinde en verre: Westerwolde, de schansen, Bellingwolde, Westfalen en Drenthe. Ze kwamen er voor huishoudelijke benodigdheden als wastobben, melkvaten, spinnewielen en luiwagens, voor artikelen met een persoonlijk verzorgingdoel als brillen, kammen en kousen, en voor levende have als paarden, zwijnen, gevogelte, hond en kat. En als dan het benodigde ingeslagen was, dan stopte men de knorrende maag met kermiskoek, noten en/of bier, terwijl er tot ver na middernacht voor de viool werd gedanst.

Ik dacht er gisteravond niet aan, maar Geert Luth heeft in zijn boek (On)gepast gedrag (Heiloo 2006) ook aandacht besteed aan de kermis van Wedde (pag. 340-345). Op basis van het prothocol van de classis Oldambt en Westerwolde constateert hij, dat de kermis een belangrijk evenement was. Zo gold deze jaarmarkt als een tijdsaanduiding in de streek en zou Wedde dankzij de markt meer dan andere plaatsen bedeeld zijn met tapperijen.

Maar feitelijk ging het niet om één, maar om twee jaarmarkten, die, zoals het lied ook al aangaf, redelijk vlak na elkaar kwamen – er zat bepaald geen halfjaar tussen, maar twee, drie maanden. Het betrof een Pinkstermarkt en een zogenaamde linnenmarkt.

Volgens Luth was de Pinkstermarkt altijd op de tweede dinsdag na Pinksteren. Zelf kwam ik voor het jaar 1797 juist de woensdag voor Pinksteren als vaste tijd tegen. Blijkbaar varieerde het later. Volgens Luth was deze markt een paarden- en veemarkt. Ook dat lijkt in tegenspraak met de advertentie uit 1797:

Op het WEDDER Maymarkt, ’t welk altoos invalt des Woensdags voor Pinxter, zal nu en voortaan HANDEL worden gedaan in allerhande VEE; als Paarden, Koejen, oude en jonge Zwynen, wordende de Ingezetenen van deze Heerlykheid en omleggende Dorpen verzogt, om hun Vee, zo gedenken te Verkopen, als dan ter Markt te brengen.”

De advertentie en vooral ook dat “voortaan” doet vermoeden dat het om een nieuw ingestelde veemarkt gïng, terwijl dat dus helemaal niet zo was. Wellicht werd de markt een paar jaar om politieke redenen niet gehouden (uit angst voor orangistische gisting) en blies men de traditie in 1797 nieuw leven in.

Uit de gegevens die Luth bij elkaar bracht, valt op te maken dat de linnenmarkt medio achttiende eeuw vooral ook een paardenmarkt was. Voor 1700 was de traditionele datum van die jaarmarkt 25 augustus, waarbij je je dan afvraagt of daar misschien een heilige aan verbonden was, en zo ja, welke dat dan zou zijn. Als die 25e op een zondag viel, dan werd de markt een dag of wat verschoven. Na 1700. toen men de Juliaanse kalender verving door de Gregoriaanse, ging de datum echter niet twaalf dagen vooruit, zoals in de rede lag, maar slechts vier. Omdat zich toen nog steeds wel eens het zondagsprobleem voordeed, schafte men de gefixeerde datum van 29 augustus in 1720 af en ruilde hem in voor de laatste woensdag van die maand.

Het was vooral de Weddermarkt van eind augustus die bekendheid genoot, ook buiten de eigen streek. Daarover zal dan ook het in Amsterdam gedrukte lied zijn gegaan. De oudst bekende vermelding van deze markt staat in een Deventer almanakje uit 1567, maar dat is natuurlijk toeval: deze markt zal veel ouder geweest zijn – wat bovenstaande vraag naar de heilige naamgever des te relevanter maakt.

Dat de Weddermarkt de plek was, waar zelfs predikanten uit de streek wel eens dronken werden aangetroffen, onderstreept het belang. Hun zwaardere vakbroeders maakten nogal bezwaar tegen het vertier, dat met de markt gepaard ging, en waarvoor koorddansers en muzikanten met (draai)lier en viool primair verantwoordelijk waren. Een actie van de lokale kerkeraad, vlak na de linnenmarkt van 1729, tegen kerklidmaten die zulke kunstenmakers (tegen betaling) een standplaats gunden op hun erf of in hun huis of schuur, had zoveel succes dat de artiesten op de Pinkstermarkt van 1730 geheel en al ontbraken, tot verwondering van iedereen. Luth veronderstelt dat er toen definitief een eind kwam aan muziek en vertoningen, maar hierin volg ik hem niet. Het verbod zal hooguit voor een periode iets uitgehaald hebben. Waarschijnlijk geven de rekestboeken van de Westerwoldse drost hierover uitsluitsel, want zulke attracties moesten eigenlijk toestemming van deze rechter hebben. In 1730 ontbrak die duidelijk, op instigatie van de kerkeraad, maar daarmee is zeker niet gezegd, dat permissie voor eens en altijd ontbrak.


‘Een aardig kermislied, tot lof van Wedde’

2013-09-10 007

In de pamflettenverzameling van voorheen het Rijksarchief Groningen, die nog geen digitale toegang heeft en daarom gemakkelijk over het hoofd te zien is, vond ik vandaag een loflied op de kermis van Wedde. De archiefmedewerker die het tamelijk onooglijke stuk indertijd beschreef (Lonsain?) dateerde het op ca. 1700. Het staat op de achterzijde van een liedvel, dat op de voorkant een loflied op “toebak” heeft. Beide zijden van het vel vermelden onderaan ene I. Hendriksz als drukker. Als “voys” of melodie gaf hij het lied van Maurits Langbeen aan.

Die I. Hendriksz zal, afgaande op de STCN, Jan Hendriksz zijn geweest, actief te Amsterdam van 1702 tot 1727. Hij gaf wel meer populair drukwerk uit, waaronder nog een ander kermislied. Volgens de Liederenbank echter, maakte het loflied op de kermis van Wedde ook deel uit van de bundel De vrolyke kramer, met Kleyn Jans playsierig en vermakelyk marsdragend hondje. Het oudste exemplaar van dit populaire liedboekje, uit 1721, bevindt zich in de British Library in Londen. De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag heeft een elfde druk uit ca. 1780, die zich ook in de DBNL bevindt. maar waarin helaas het loflied op de kermis van Wedde ontbreekt.

Een datering van dit lied op het eerste kwart van de 18e eeuw lijkt me echter wel veilig. In elk geval viel via de Liederenbank ook de melodie te achterhalen. De “voys” van Maurits Langbeen, meer bekend als Joris Langbeen, komt namelijk met zeven meldingen in de Liederenbank voor. Voor dit wijsje zie vooral hier.

Tot zover de toelichting, nu laat ik de integrale tekst van het loflied volgen, met eronder, in volgorde van de coupletten, een aantal woordverklaringen:

Goede morgen buer-meysje,
Wel waer soo vroeg na toe?
Al met u poesel vleysje
Wil je mee hoe vraegje so?
Hey sa dat gaet na Wedde Wedde Wed
t’Avond kom ik niet op bedde bedde bed
Fal la la, di da da, fal la la, di da da,
Falder la la la.

Men ziet nu kermis houwen
In ’t Westerwolse Land
Van kinders, man en vrouwen
’t is yeder wel bekent
Hy sa dat gaet na Wedde Wedde Wed
t’Avond kom ik niet op bedde bedde bed
Fal la la, di da da, fa Etc.

Ey ziet hoe dat se lopen
Na Wed met groot pleyzier
Om een kermis koek te kopen
Of een glaesje suyver bier
wilje mee na Wedde Wedde Wed
T avond kom ik niet op bedde bedde bed Etc.

By duysende van menschen
komen van alle kant
Die na de kermis wenschen
In ’t Westerwolse Land
En de markt komt tweemael in ’t jaer
Zy volgen soetjes na malkaer
Hier tot Wed, Wedde Wedde Wed
Hier tot Wed, Wedde Wedde Wed
’t Avond koom ik niet op bed.

Uyt Oud en Nieuwe Schansen
komt hier een groot gewoel
‘k Zag laest twee meysjes dansen
Te samen voor de fioel
En de een die viel de rok van ’t gat
Den ander was dronken en sat
Hier tot Wed, Wedde Wedde Wed
Hier tot Wed, Wedde Wedde Wed
’t Avond koom ik niet te bed.

Hoord wat ik sal verhalen
Al van twee meysjes jent
De eene waer uyt Westphalen
De aer uyt ’t Landschap Drent
En zy gingen na Wed en namen haer versoek
Lieten haer soenen voor een koek
Fal la la, di da da, sa Etc.

Veel luyden met behagen
Van Benningwolde hoord aen
Den eene op de Wagen
En de ander die komt gaen
Sy roepe dat gaet na Wedde Wedde Wed
Tavond kom ik niet te bedde bedde bed
Fal la la, di da da, Etc.

O Wed ik moet u prijsen
Gy zijt so wijd vermaert
En ook veel eer bewijsen
Hier is veel volk vergaert
Den eene koopt een karten of teen
den ander koopt een paert of een zwijn
Fal la la, di da da Etc.

Spinwielen en wastobben
Die zijn hier ook te koop
Luywagens om te schrobben
Sa jonge luyden loop
Een ander roept: koop noten of koek
Meysjes houd op u schorteldoek
Fal la la, di da da, Etc.

Hier lopen ook veel smousen
Met brillen, kam en lak
En velinks met de kousen
Om beenen, toon en hak,
Wie tast er om een oortje of duyt
Een hen of een haen of een gansje of een fluyt
Ja altijd heb je wat, ja altijt heb je wat
Voor een duyt een hond of een kat.

Een oud wijf zonder schromen
Van honderd sestien jaer
Is hier te markt gekomen
Al met een Drentse kaer
’t Was tussen Blehamster meulen en Winschoot
Daer vielse van boven in de sloot
Haer billen waren nat
Haer billen waeren nat
Als een versopen kat,

Men ziet de jongmans lopen,
Met meysjes aen haer zy
Om een kermis te koopen
Elk is van herten bly
En men danst en men springt tot Wedde Wedde Wed
T avond koom ik niet op bedde bedde bed
Fal la la, di da da, fal la la, di da da
Falder la la la.

Woordverklaringen:
poesel vleysje – zachte meisjeshuid
Benningwolde – Bellingwolde
jent – vgl. jenteg – slank, los, vlug en handig
komt gaen – komt aanlopen
karten – kaart?
teen – tyn of tiene, een vat voor melk of karnemelk
smousen – Duitse joden
lak – zegellak
velinks – Westfalers (met de indertijd bekende Westfaalse hosen)
oortje en duyt – kleingeld
Om een kermis te koopen – bedoeld zal zijn de kermiskoek (waar eerder al sprake van was).


Een naaktloper bij Slaperstil

“Reeds maandenlang werd de Friesche straatweg van de Dorkwerderschoo! af naar Slaperstil voor dames onveilig gemaakt door een exentriek jongmensch, die met slechte bedoelingen vrouwen en meisjes lastig viel. Lang was er op geloerd hem op heeterdaad te betrappen, reeds werd een verkeerde aangehouden. Bij onderzoek en confrontatie met een vrouw, die door den naaktlooper was lastig gevallen en achtervolgd, bleek men een onschuldige te hebben vastgehouden.

Maandagavond 10 uur kreeg men echter den rechten schuldige in handen. De veldwachter J. v. d. Werf werd gehaald en deze ging met den verdachte W.S., een 19-jarlge schildersgezel uit Groningen, naar de vrouw van R. v. d. Vaart te Kostverloren, die hem herkende als haar belager. De jonge man legde een volledige bekentenis af en werd gevankelijk naar Groningen getransporteerd. Vijftien keer had hij de exentrieke handelingen uitgehaald. De rust onder de bewoners van Slaperstil is weergekeerd.”

Bron: de Telegraaf van 12.11.1908.

Commentaar:
In eerste instantie dacht ik dat een student de bosgod Pan uithing, daar bij Slaperstil, wat vooral ook kwam door het gebruik van het woordje exentriek, al in de eerste regel. Maar het vooroordeel zette weer eens op een verkeerd been. Het bleek een schildersgezel, waarbij je je dan afvraagt hoe je dat schilder moet duiden.

Hij moet het best koud hebben gehad in zijn blote tokus, op die vlakte in november.

De laatste regel van het bericht is mijns insziens onbetaalbaar, omdat de wederkerende toestand  buitengewoon voldoet aan de verwachting, gewekt door de plaatsnaam.


Hoe Broekema zich presenteerde (I) Jannes de Vries

Vandaag arriveerde vanuit Drachten dit boekje, dat ik via Marktplaats kocht:
a 1928 omslag boekje Bij de zwarte menschen in zonneland
Niet dat het in het boekje zelf staat, maar deze uitgave van de Groninger stoomkoffiebranderij en theehandel Fa. P. Broekema dateert van november 1928. En het aardige is, dat Ploeg-kunstenaar Jannes de Vries het omslagontwerp en de tekeningen maakte.

Van Jannes de Vries is bekend dat hij er grafisch reclamewerk naast deed. Zo zegt de Wikipedia momenteel over hem:

Zijn deeltijdbaan als tekenleraar verschafte hem onvoldoende financiële middelen en de opbrengsten van zijn schilderijen waren niet genoeg om het tekort aan te vullen. Zijn activiteiten op het vlak van illustratie- en reclamewerk waren zo succesvol dat hij zich liet bijstaan door freelance medewerkers. Het ‘Bureau J. de Vries Ontwerper’ werd bekend door de ontwerpen voor blikverpakkingen van Tjoklat, Red Band pastilles en F. Broekema (koffie en thee). Daarnaast werd hij in opdracht van verschillende uitgeverijen boekbandontwerper. De inkomsten uit deze activiteiten verschaften Jannes de Vries de middelen om in 1937 een zomerhuis in Hooghalen te laten bouwen. Het ontwerpbureau was tot in de jaren 60 van de vorige eeuw actief. Van het werk is overigens weinig bewaard gebleven.

Dat ontwerpbureau heb ik niet in het handelsregister terug kunnen vinden. Ook adverteerde het niet in de krant. Ik weet ook niet of dat noodzakelijk was voor iemand in deze branche. Hoe dan ook, aan de hand van dit ene ontwerp voor Broekema kunnen we andere reclame-uitingen van de koffieproducent screenen op overeenkomstige stijlkenmerken.

Van de stoere letters op het boekomslag valt dan op, dat ze niet altijd uniform zijn.  De a is nu rechts, dan links schuin afgesneden, de Z is nu afgesneden en dan weer niet. Ook de witdistributie is ongelijk: het gaat om handwerk. Heel kenmerkend zijn het driehoekje dat het verbindingsstreepje in de a vormt en de het drietal afgesneden horizontaaltjes van de e.

In een briefhoofd van Broekema uit 1932 vinden we deze stijl gemodificeerd terug: het driehoekje in de a is nu een neerwaarts neigend streepje met nauw zichtbaar haaltje, terwijl de leggertjes van de e niet meer uniform scheef afgesneden zijn. Het briefhoofd kent een letterlogo: P.B met een kop en schotel erboven. Ook hier lijkt het te gaan om handwerk, getuige bijvoorbeeld de beide m’s:
b 1932 briefhoofd
Oppervlakkig gezien lijkt het briefhoofd in zwartwit gecopieerd op een kwitantie, die bewaard bleef uit 1937. Maar de regelmaat is hier veel groter en frivoliteiten als bij de a hebben het veld geruimd, terwijl de kop en schotel zich loszongen van het letterlogo::
c 1937 kwitantie c
Het blijft natuurlijk de vraag of De Vries wel consequent in één stijl werkte.

Van het merk Café Noir, dat in 1927 voor het eerst gedeponeerd werd, was dit na de oorlog het etiket:
d 1945 gedeponeerd merk
Er worden verschillende lettertypes gebruikt, waarvan de onderste, met het driehoekje in de a van Broekema, weer duidelijk verwantschap vertoont met dat op het boekje uit 1928. Werk van Jannes de Vries, zou ik zeggen. Vermoedelijk is dit Café Noir-etiket ook eerder rond 1930 ontworpen, dan na de oorlog.

Over het welbekende koffieblik van Broekema twijfel ik:
e 1950 blik
Het modernisme dat spreekt uit het boekomslag en het Café Noir-etiket, is in de vorm van de forse schreefloze letters zeker nog aanwezig in een advertentie voor koffiesurrogaat uit augustus 1940:
f 1940 surrogaat NvhhN 8.8.1940 affiche
Deze advertentie citeert echter ook een veel ouder reclame-affiche, waarvan de belettering naar het zich laat aanzien, gemoderniseerd is:
g 1940 z het oude affiche NvhN 8.8.1940 b
Mocht iemand dit affiche overigens nog hebben, dan hou ik me aanbevolen voor een foto, want als het al bewaard bleef, is het uiterst zeldzaam.

Hoe meer de koffie verdrongen werd door surrogaat, hoe meer de nostalgie toesloeg. In deze advertentie uit 1941 is de a een ware retro-a, die met zijn slingertje verwijst naar een gangbare Jugendstil-a van voor 1920. En nog erger – de kraantjespot op de verpakking moet suggereren dat de smaak van de inhoud nog ouderwets is.
h 1941 adv surrogaat met kraantjespot 28.11 NvhN

Op dit spoor ging de weinig stijlvaste Broekema na de oorlog door. Wel gebruikte de koffiebrander nog een tijdlang het letterlogo met de kop en schotel erboven, maar ik denk niet dat De Vries er toen nog bemoeienis mee had, want de kraantjespot bleek een blijvertje en in de jaren zestig keerde zelfs de aloude Witte Beer als beeldmerk terug. Maar daarover graag een andere keer.–


De achterlijke visclub van Woudrichem

027

Dit uit Groningen afkomstige sluitzegeltje toont aan, hoe achterlijk de visclub uit Woudrichem is, die recht op al het viswater in de omgeving heeft, maar vrouwen uitsluit voor het lidmaatschap en er zelfs geen statuten aan wil uitdelen.

Het zegeltje dateert van ongeveer 1910, toen de Woudrichemse visvereniging haar misogyne statuten kreeg. Het maakt duidelijk dat vissen toen al heel normaal was voor vrouwen.

De Hoop, zoals die visclub ondanks haar hopeloosheid heet, voert geen enkel ander argument aan voor het weren van vrouwen, dan de traditie. Het lijkt me dat tradities die nergens anders op gebaseerd zijn dan op hun eigen voortbestaan, maar beter meteen afgeschaft kunnen worden.

 


Koekebakker trots op akkedemie

Oud kaartje op de kop getikt met een ingekleurde tekening van het Groninger academiegebouw:
img080
De tekening is niet helemaal geslaagd, het academiegebouw lijkt qua toren en rechtervleugel zo plat, dat hij uit een bouwplaat lijkt te komen. Daarentegen springt de linkervleugel juist te ver vooruit. Maar deze feilen neem ik voor lief dankzij de precisie in details en vooral ook de gebruikte kleuren.

Het prentje zat ooit ingevoegd bij een verpakking koek van koekebakker Klaassens, uit het Herestraatgedeelte ten zuiden van het Zuiderdiep:
img081

Dat viercijferige telefoonnummer werd in elk geval van 1906 tot 1941 gebruikt.  Door de gebruikte terminologie (honig i.p.v. honing), spelling (cartons, telephoon) en de vormgeving van het kader, denk ik eerder aan de eerste helft van die periode dan aan de tweede helft.

Voor de leek lijkt het Groninger academiegebouw wellicht oud, dankzij de neo-renaissance bouwstijl waarin het opgetrokken is, maar het dateert feitelijk van 1909. Toen koekebakker Klaassens het kaartje bij zijn koek voegde, was het academiegebouw dus nieuwbouw. Dit gevoegd bij de optimistische kleuren van het kaartje levert op, dat Klaassens – en waarschijnlijk vele Groningers met hem – maar wat trots was op de architectonische aanwinst, en de toekomst van de universiteit zonnig inzag.


Rondje Leek

Bij de Kerkweg vanaf de brug over het Hoendiep naar Oostwold – dit zou een voorjaarsplaatje kunnen zijn, ware het niet dat het september is. Die boom heeft zo weinig blad gedragen, dat ze haar langste tijd zal hebben gehad:
001
Een kluster kattestaarten in de sloot:
004
Ze zijn begonnen aan de kap van de beuken bij het volgende gedeelte Nienoordlaan. Blijkbaar blijven er bij Midwolde ook nog wat bomen staan, die beschermd moeten worden tegen het houthakkersverkeer:
009
Vanaf een zijweg over het landgoed kwam ik er niet bij. Die liep hierop dood:
019
Een zo te zien gezonde boom.

Daarom terug en even gekeken bij een oude grassilo:
022
Het beukenlaantje bij de camping:
030
Tussen Leek en Roderwolde: pootjebaaiende kievieten:
040
Een zilverreiger in de Onlanden:
056


Schedellichting voor een fietsmachine

NvhN 7.8.1896 fietsen als machines

Nieuwsblad van het Noorden 7 augustus 1896.


Gevleugelde auto

004

Blikken kinderspeelgoed, begin jaren vijftig. Volgens de eigenaar zat oorspronkelijk een propellor op de neus.  Hij wil graag weten naar welk merk deze wagen gemodelleerd is. Weet iemand dat toevallig? ‘Auto met vleugels’ levert heel andere, veel modernere zoekresultaten in Google op.

Vervolg:

Met dank aan Lucas de Vries en Canon Rick is razendsnel bekend waar dit speelgoed vandaan kwam.  Het betreft een Blomer & Schüler nr. 500 Aero-Car, die ca. 1950 gemaakt werd in de Amerikaanse bezettingszone van Duitsland. Als je het interne mechanisme met een sleuteltje opwond, kon de wagen twee dingen doen, al naar gelang het schakelaartje aan de onderkant aangaf: je kon hem als een normale auto vooruit laten rijden op de grond of je kon de vleugels tevoorschijn brengen en de propellor laten draaien.