De Groninger kermis anno 1828
Geplaatst op: 3 oktober 2013 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Bij het doornemen van een pamflettencollectie kwam ik de zoveelste druk tegen van de Roare Raize. De eerste editie verscheen in 1828 – Siemon Reker nam die op als openingsstuk in deel I van zijn bloemlezing Goud Volk, het gaat dus om een van de oudste stukjes Groninger streektaalliteratuur.
In Roare Raize bezoekt de ik-figuur, een ietwat naïeve Hogelandster boer, de kermis in de stad en trakteert ons ons op een levendige beschrijving van zijn ervaringen daar. Zijn eerste gang is er naar de poppenkast, zijn tweede naar een tent met vreemde dieren. Dan stapt hij de zeer drukke Vismarkt op, waar horen en zien je vergaan door het kabaal van de kooplui. Hij wil tussen de kramen door lopen, maar komt er ondanks trekken en duwen helemaal vast te zitten en stelt zijn aankopen uit. Dan verlaat hij de jaarmarkt en komt via de stoep langs de huizen buiten adem op het A-kerkhof aan, waar hij bij een kraam vijf oliekoeken naar binnen werkt en er ook nog vijf voor zijn vrouw koopt. Uit een van de zijstraten, waarschijnlijk de wegens prostitutie beruchte Lamme Huiningestroat (wegens de slechte naam in 1874 herdoopt in Akerkstraat), hoort hij een viool klinken, en uitgerekend daar gaat hij zitten drinken in een tent met animeermeisjes. De ongelukkige afloop laat zich raden. Die blijft hier achterwege, omdat ze niets meer met de kermis te maken heeft.
‘k Gong dan eerst noa karmis stappen,
Om te kieken noar de grappen
Van Jan Kloas, dij roare vent.
Of rais in de baistetent.‘k Kwam op ‘t Vismark, wat ’n heeren,
Juffers, kooplu, dij der reerden.
Wat ’n jeuden, loos als rout,
Wat ’n kouke, wat ’n gout!Nou gong ‘k deur de rouf hen kaiern,
Moar mit knoflen en mit bairen
Kwam ik hail nait op de glee,
Moar bleef op de zulde stee.Dou gong ‘k op de riepe loopen.
“Loat dij lu moar eerst wat koopen”,
‘k Docht: “As ze noar hoes tou zin,
Dan za’k moaken da’k er bin”.’t Volk steut mie, ik ’t volk op ziede,
En ‘k kwam endliek, haile bliede,
An Droakerkhof, boeten oam,
Bie ’n euliekoukenkroam.‘k Har aptiet en koft er vieve
Veur vief cent, die sluig ‘k te lieve,
En ik koft er, veur mien vrouw,
Nog wat euliekouken tou.En mitain, zoo onder ’t proaten,
Doar in aine van de stroaten,
Vlak bie woar de kroamen stoan,
Heurde ik de vioule goan.“Kom”, zee ‘k, “k bin zoo muid van ’t loopen,
‘k Wil rais gauw ’n seupke koopen,
En rais heuren hou of ’t gait,
‘k Hol nog wel van vrolekhaid”‘k Goa der hen en heur der dansen.
‘k Mag dei kunsten van dei Fransen
Wel nait geern, moar ‘k gong d’r ien,
En vruig ’n half oort brandewien.
Stadsgezichten in ’t Scheepvaartmuseum
Geplaatst op: 3 oktober 2013 Hoort bij: Stad nu Een reactie plaatsen
Er zijn o.a. veel prenten uit de collectie van de Groninger Archieven te zien, o.a. die voor het Album Oud-Groningen van Schuitema Meyer gebruikt zijn.
‘Reise Pas voor een Dorstigen Broeder’
Geplaatst op: 2 oktober 2013 Hoort bij: Stad toen, UK + RUG Een reactie plaatsenEen pseudo-oorkonde of -bedelpas uit 1766, waarschijnlijk opgesteld door enkele alcoholminnende studenten.
Ik Jeremias Just van Noytnugteren, Generaal Gouverneur van zijne hoog vorstelijke Doorlugtigheid Bachi, Groot Canzelaer van ’t Bredspil, Vrijheer tot Bierau, Directeur van de lange pijpen en Virginij Taback, ter tijd bestelde Aerts Sluijkmeester in Wijnheim, Baron van Werp- en Kaertenbort, Erfheer in Brandewijnhuisen, Raddick Opper-Opsiender te Zoutenborgh &c. &c.
Bekenne en oirkonde hiermede tegens iedereen dat toonder dezes, de dappre Hans Altoosdorstig van geboorte uit Brandewijnhuisen bij Nooitnugteren onder mijne onderhebbende dorstige Broeder Broederschap, als een goede opregte suijpbroeder 15 jaeren in een winter, 20 maenden in een somer, 124 uiren in een dag en 160 minuten in een uur getrouw en vlijtig heeft uitgehouden en in die tijd bij alle swaere kroegen, volle glasen, en opgevulde kannen gedaene dienste seer wel versien., zoodat ik en mijne geheele Broederschap met hem seer wel tevreeden zijn geweest en hem wegens zijnen goeden gedaene diensten graag langer hebben willen houden, maer terwijl hij met een onheelsaeme siekte in de sack en daerbij bevindelijke teering en maagenkoors is overvallen geworden, ook weegens altevroegtijdig afstervende kragte van credit zijne dienste niet meer kan voorstaen, zoodat niets meer bij hem overblijft, en dieshalven al zijn geld en goed heeft verlooren, nademael zulke siekte bij hem tot hier toe niet heeft kunnen worden gecureert, als heeft hij uit dien hoofde zijne demissie om aen vreemde plaatsen een been aentebinden verzogt, ’t welk men hem niet afslaegen maer veel meer verleenen willen.
Zoo gaat an alle hoge en nedrige van wat staat en conditie zij zijn van mij en onsen dorstige Broederschap en consorten van de werelt genoemden Hans Altoosdorstig bij bier en brandewijn alle goede genegentheid te toonen en als hij mogte in de mist of geut zijn gevallen behulpsaeme hand te bieden, ook in alle herbergen en gasthoven, als ook bij goede maaltijden vrij en onverhindert pass- en repasseeren te laaten, ’t welk ik altoos en aen mijn plaats tegens eenen ieder dorstigen Broeder naer standsbehoor te verschulden gehouden ben.
Tot naerder verzeekeringe hebbe ik deesen eigenhandig ondergeschreven en mijn angebooren zeegul daer onder gedruckt. Geschied in onze residentie te Zwijn-Egelsborg den 9 Feb. 1766.
Pond Braedworst
Jeremias Just Nooitnugteren Gen. Gouverneur
Bartelt Suijpuit bestelde secret[aris]
—
Bron: Archief familie Meekhoff Doornbosch (het inv.nr. dat ik in de jaren ‘80 op mijn fotocopie van dit stuk noteerde, komt niet meer voor in de huidige toegang).
Jonkheer gaat met het circus mee
Geplaatst op: 1 oktober 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen Een reactie plaatsen
Het waren niet alleen volksjongens als Hachek die met het circus meegingen. Dat deed ook Reneke Meinaard Adriaan de Marees van Swinderen (1857–1889), de zoon van een gelijknamige stad-Groninger jonkheer en notaris, en daarmee de telg uit een eeuwenoud Groninger regentengeslacht, dat ’s zomers op de Allersmaborg in Ezinge resideerde.
Réné, zoals zijn roepnaam luidde, was dan wel keurig opgeleid als jurist en netjes getrouwd met een dame uit de betere standen, maar zijn hart ging uit naar paarden, en dan niet zozeer harddravers, als wel dressuurpaarden. In het opleiden en trainen van die paarden bereikte hij ook een bepaalde faam – hij werd “als schoolruiter met eere genoemd”. Hij stak zelfs zoveel geld in zijn sport, “dat hij geruïneerd werd”. Wat zijn vader niet op prijs stelde – met die leefde hij in onmin, die gaf hem geen cent meer…
Uit armoe besloot Réné om zich professioneel met de dressuur bezig te gaan houden:
“Zijn vrouw (…) offerde haar kostbaarheden en Réné kocht drie schoolpaarden van een stoeterij in Z.-Rusland. Het waren Koneylan, volbloed schimmelhengst, schoolpaard; Wladimir, isabel Orlofhengst met manen van ruim 1 M., school- en vrijheidspaard; en Arabi Pascha, een Arabische volbloed schimmelhengst, school- en springpaard, dat o.a. een hindernis van 1.50 M. zonder aanloop nam.”
Réné en zijn vrouw bereden samen de paarden “en voerden ook een correcte Troika uit”. Zelf volgden ze nog weer lessen. Daarna namen ze als Monsieur en Madame Réné een engagement aan bij het Italiaanse circus Mariani, waar ze met “groot succes” een half jaar lang werkten, tot René een longziekte kreeg.
Zijn vrouw ging alleen door met hun nummer en werkte ongeveer twee jaar bij de circussen Mariani, Bourbonnel en Pierantoni in Italië en Zuid-Frankrijk. In Alois kreeg Réné het zo zwaar te pakken, dat hij niet langer met zijn vrouw mee kon reizen.
“Mevrouw telegrafeerde haar schoonvader. Deze toog direct naar Alois, verzoende zich met z’n zoon en beloofde hem, voor mevr. Réné te zullen zorgen. De stervende schoolrijder liet zich daarna door z’n vrouw beloven, dat zij de drie paarden zou laten afmaken, daar hij ze niet aan een ander gunde. Réné overleed — 1889 — en mevrouw telegrafeerde direct naar Montpellier, waar het circus zich bevond, dat de dieren moesten worden afgemaakt. De directeur weigerde echter gevolg aan de opdracht van mevr. te geven. Mevrouw reisde nu zelf naar Montpellier. Hier was de zaak uitgelekt en in de couranten verschenen lange artikelen pro en contra mevr. Réné. De directeur van het circus bood 25000 francs voor de paarden. Tevergeefs. De veearts weigerde de paarden te dooden. Zekeren morgen liet mevr. Réné de drie paarden buiten de stad brengen, en schoot ze zelf dood.”
Als weduwe hertrouwde ze later met ene Otto, die hoofdredacteur was van het Duitse blad Der Artist.
Bron,
Knoalster Lorelei (Geert Teis)
Geplaatst op: 1 oktober 2013 Hoort bij: Muziek 1 reactieIk wait nait, wat zel ’t toch beduden,
Dat ik zo miesderig bin;
n Vertelster uut olle tieden,
Dat gaait mie moar nait uut de zin.
’t Is kôld over ’t daip en ’t wordt duuster,
’t Is ales in rust, groot en klaain,
De leunen van de badde is dudelk
In ’t heldere wotter te zain.Het oaregste schipperswichie
Van zo’n achttien of negentien joar,
Dat staait in heur onderliefie,
Zai kamt heur stroblonde hoar;
Zai kamt het in laange strengen,
En zingt zaacht een deuntje derbie,
Zai zingt van de laifde en van schaaiden…
De snikke vuier net heur veurbie.De snikjong achter aan ’t rouer,
Dij röpt ‘Goienoavendsoam!’
Hai zugt gain lien’ en gain badde,
Hai kikt moar noar ’t wicht op de proam.
Ze zeggen: hai is mit zien hazzens
Liek tegen de badde aan goan,
En dat haar mit heur zingen
Dat schipperswichie doan.
Uutvoerende artiesten: Henk Scholte, Bert Ridderbos en Linde Nijland.
‘Enumatil, daar kijken ze gril’
Geplaatst op: 30 september 2013 Hoort bij: Familie 1 reactieAls mijn grootvader Vondeing ons in de jaren zestig ’s zomers in zijn Ford naar Feerwerd bracht en we de brug van Enumatil passeerden, had hij altijd een rijmpje. Het was een spotversje op de bewoners van dat dorp en Briltil dacht ik en Lettelbert zat er volgens mij ook bij. Al vele malen heb ik mensen gevraagd of ze dat spotliedje kenden, maar tevergeefs. Ook krantenonderzoek leverde niets op. Maar van het volgende versje in de Volksverhalenbank, komt in elk geval de eerste regel in de buurt:
Enumatil, daar kijken ze gril
Daar is geen kerk of toren
Maar als de drie uur snik aankomt
Dan blaast de jong op ’t horen.
Met dat jong wordt uiteraard de snikkevaardersjongen bedoeld. Mocht iemand het versje van mijn opa geheel of gedeeltelijk kennen – ik hou me aanbevolen!
Aanvulling 14 december 2013:
Vredewoldius geeft in het Nieuwsblad van het Noorden d.d. 19 juni 1910 (niet gedigitaliseerd bij de KB) deze versie:
Enumatil dat heeft geen wil
Dat heeft geen kerk of toren
Als d’Enumatilster snik aankomt
Dan blaast de jong op ’t horen.
Ottenhoff & Bruins, in zoute drop, Oprechte Winsumer Zalf en Zogdrank voor biggen
Geplaatst op: 29 september 2013 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenOp de kop getikt – een etiket van Ottenhoff, Bruins & Co., vervaardigd door de steendrukkerij van Van de Ven & Huisinga aan het Damsterdiep in Groningen.

Ottenhoff & Bruins was een groothandel in drogisterij-artikelen, chemicaliën en verbandstoffen die van ongeveer 1914 tot 1957 bestond. Aanvankelijk zat het bedrijf aan de Muurstraat, op 7, vanaf ongeveer 1920 aan de Coehoornsingel, eerst op 44 en later op 75.
Het pand aan de Muurstraat droeg een naam: de Bijenkorf. Die naam zien we als beeldmerk op het etiket terug. Omdat zowel Ottenhof & Bruins, als Van de Ven & Huisinga nog tientallen jaren bleven bestaan, hebben we daaraan weinig houvast qua datering van het etiket. Maar het centrale deel daarvan wordt omlijst door een Jugendstil-achtig motief, zodat het uiterlijk begin jaren twintig zal zijn ontworpen.
Ottenhoff & Bruins adverteerde zelf nauwelijks, maar het bedrijf werd in advertenties voor allerlei middelen genoemd als grossier, ook als het notoire kwakzalverij betrof, zoals de spullen die juffrouw Wortelboer uit Oude Pekela aanbood (1920) en de Oprechte Winsumer Zalf (of Opwinza) van de slager en veehandelaar Jacob de Vries (1917):

Bij Ottenhoff & Bruins kon de wederverkoper tevens inslaan Van Schaik’s Hoestpoeder (1914), het aambeienpoeder Piline (1917), de maagtabletten van apotheker Grootendorst uit Utrecht (1919), allerlei tabletten van Freco zoals tegen de zenuwen (1922), Bayer Certan (1923), textielverf van het merk Vossenkop in Ster (1923), wormdroppels OBO – een eigen fabricaat dat eens tot een vergiftigingszaak leidde (1927) – Dermolin Wondzalf (1931) en Medina anti-roos uit Emmen (1932):

Naast medicijnen voor mensen deed Ottenhoff & Bruins in middelen voor dieren, zoals het wasmiddel tegen schapenmaden, gemaakt door K. Trip te Zuidhorn (1917), een uierzalf van Spaanstalige herkomst (z.j.) en een speciaal soort biggenvoer van vermoedelijk Duitse makelij (1930):

Ommetje Nieuw-Roden
Geplaatst op: 28 september 2013 Hoort bij: Drenthe, Ommelanden 7 reactiesEr zijn vandaag zeearenden gezien boven de Onlanden, en ik hoopte even dat ik er eentje voor de lens had, maar het bleek helaas maar een buizerd:

Niet dat die lelijk zijn, maar ze komen nogal wat meer voor.
Voorspeld was een fikse wind, kracht vijf of zo:

Maar dat viel erg mee, op een vlaagje vier na kwam de gevoelswindkracht nauwelijks boven de drie uit.
Hek bij het Lettelberterdiep achter Lettelbert met het laatste hooiland:

Eindje verder naar Leek toe:

Het Lettelberter kerkje in de verte:

De ‘geamoveerde’ beukenlaan van Midwolde richting Nienoord:

Bij het Vagevuur, in de buurt van de Hel (Terheijl):

Een vrij grote oppervlakte was daar ingezaaid met een wintergewas dat ik niet thuis kon brengen (het leken wel kleine struikjes, met eikeblad-achtige blaadjes):

Typografische misverstanden
Geplaatst op: 27 september 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten Een reactie plaatsen
De Groningse drukker Jacob Bolt gebruikt in 1751 twee lettertypes voor zijn lijstje met werk van zijn onverbiddelijke succesauteur, de theoloog Cornelius van Velzen. Diens latijnse titels, die voor de geleerde wereld bestemd waren, heeft Bolt in een antiqua romein gezet, de Nederlandse en populaire daarentegen in een gotisch type van Nederlandse snit.
We zijn zo gewend aan de romein, dat de keuze van gotische, voor ons veel moeilijker leesbare letters juist voor die volksuitgaven ons verbaast. Maar dan moeten we wel bedenken dat het ooit andersom was, en dat het volk toen veel gemakkelijker gotisch schrift las.
We zijn misschien ook geneigd dat gotische schrift voor het oudste te houden, maar ook dat is een misvatting. Enigszins snobistische humanisten grepen in het Italië van rond 1400 terug op een Karolingisch schrift, dat daar al twee, drie eeuwen niet meer gebruikt werd. Ze vonden dat oude schrift, de lettera antiqua veel mooier, dan het schrift waar iedereen zich van bediende. Ze gingen antiqua schrijven en lieten na 1450 hun in het latijn geschreven werken ook in die letter drukken.
De antiqua veroverde Europa niet bepaald stormenderhand. De mensen konden hem niet meteen lezen, er bestond veel weerstand tegen. In Groningen bijvoorbeeld, gingen klerken zich pas rond 1700 van de antiqua bedienen. Wat betreft drukwerk ontstond er een verschil tussen de geleerde wereld en die van het volk. Juist teksten met het grootste bereik, zoals bijbels en overheidsafkondigingen, bleven nog tot na 1800 met gotische letters gedrukt.
Het hardnekkigst bleek de gotische letter in Duitsland. Daardoor ontstond de idee dat het een typisch Duits schrift was. Niet alleen buiten Duitsland was dat zo, Duitsers namen die gedachte maar wat graag over. Toch schaften juist de nazi’s in 1941 het gotische schrift af, onder het mom dat het een joodse uitvinding was. Toegeven dat het een drempel opwierp voor het lezen van hun antisemitische teksten, deden ze liever niet.
Sindsdien leidt het gotische schrift een gemarginaliseerd bestaan in krantekoppen, pseudo-oorkonden, restaurants in het populaire marktsegment en heavy metalkrochten.
Uiteindelijk hebben de humanisten en geleerden dan toch gewonnen. Op dit ene punt.
—
Bron: P. Gumbert, ‘Tussen scriptorium en sneldrukpers: brug of breuk?’ in Madoc 1996.
Het kluchtig postuur van een gebochelde snijder
Geplaatst op: 24 september 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 3 reactiesEen paar van de allereerste circusgezelschappen deden ook Groningen aan. Ze brachten vooral paardennummers, serieuze, maar ook komische. De plek waar ze die vertoonden was het weiland achter herberg de Vonk aan het Winschoterdiep.
Anders dan vaak wordt gedacht is het circus zoals wij dat kennen nog helemaal niet zo oud. Het bestaat minder dan 250 jaar. De term circus zoals wij die hanteren werd voor het eerst gebruikt in 1782, toen iemand in Londen een permanent circustheater opende, dat hij The Royal Circus noemde. De man was een voormalige employee van Philip Astley, die vlakbij, maar al veel langer, een soortgelijk gebouw had. Alleen noemde Astley dat geen circus, maar amfitheater of rijschool.
Met deze Astley (1742-1814), wiens circustheater ook beschreven is in The Old Curiosity Shop van Charles Dickens, hebben we de ware grondlegger van het moderne circus te pakken. Tijdens zijn leven was hij al een legende om zijn paardendressuur en -acrobatiek. Feitelijk was hij de eerste die paarden op muziek liet bewegen.
Als jongen viel Astley al op door het gemak waarmee hij paarden wist te manipuleren. Dat talent kon hij helemaal gaan botvieren, toen hij zich tijdens de Zevenjarige Oorlog liet inlijven bij een Engels regiment dragonders, dat de Pruissische koning Frederik de Grote langs de Elbe hielp in zijn strijd tegen de Fransen. Daar in Duitsland onderscheidde Astley zich door zijn moed, en schopte hij het tot sergeant-majoor.

Eenmaal weer uit het leger zette hij zijn zinnen op een rijschool voor de betere kringen. Hij verdiende het daarvoor benodigde geld door het vertonen van allerlei kunsten met paarden. Bij het rijden van rondjes in zijn manege ontdekte hij, dat hij zich dankzij de centrifugale krachten op het paard in balans kon houden, en zo ontstond de allereerste ring. In 1768 verwezenlijkte hij zijn droom.
Paardennummers vormden dus de kern van het moderne circus. Maar Astley, die aanvankelijk alleen optrad, wilde meer variatie. Nou raakten juist in die tijd de traditionele Engelse jaarmarkten danig in verval. De daar nog apart opererende muzikanten, acrobaten, koorddansers, goochelaars en clowns verdienden steeds minder. Zij traden graag bij Astley in dienst en zo bracht Astley de mix van nummers tot stand, die nu nog steeds de circusvoorstelling vormt.
In 1772 liet Astley de ring in zijn amfitheater overkappen. Het gebouw, vlakbij de Westminster Bridge, trok van heinde en verre publiek. Maar Astley maakte met zijn mensen ook reizen naar Parijs, Brussel, Wenen en Belgrado, waar ze aan vorstenhoven furore maakten. Een artiest die hij in Frankrijk engageerde, Franconi, begon later voor zichzelf en werd stichter van de eerste met grote tenten rondreizende circusfamilie.

Ook in Groningen maakten mensen in die tijd de geboorte van het moderne circus mee, zij het dat het hier nog uitsluitend ging om zomers openluchtspektakel. Op 12 juni 1773 vroeg een oudere collega en inspirator van Astley, de eveneens te Londen woonachtige pikeur Jean Simson, aan Burgemeesteren en Raad van Groningen of hij hier zijn “wonderbare kunsstukken in het rijden op paarden” mocht vertonen. Dat was geen probleem. En dus zette Simson een advertentie in de krant, om het Groningse publiek op zijn voorstellingen te attenderen:
“Met permissie van de Ed. Mogende Heeren Borg. en Raad der Stad Groningen, zal de Heer SIMSON, welke de eere gehad heeft, van voor zijn Doorlugstigste Hoogheid den Heere Erfstadhouder in ’s Gravenhage, en nog aan verscheide Hoven van Europa, te vertonen meer dan twintig wonderbaare Kunststukken te Paarde; dezelve alhier mede te doen zien op Dinsdag den 15 Juni 1773, en eenige volgende dagen.”
De ruime “vertoonplaats” die Simson vond, was het land bij herberg de Vonk buiten het Kleinpoortje. Meer precies bevond die herberg zich aan het (oude) Winschoterdiep, op de plek waar nu de Albino-flat staat. Het bijbehorende weiland erachter strekte zich naar het noorden uit tot de Boermandeweg – toen nog de weg langs de stadsgracht, die later grotendeels vergraven werd voor de Oosterhaven.
Wat Simsons advertentie zo aardig maakt, is dat hij zijn belangrijkste nummers noemde. Zo sprong hij in volle vaart van zijn paard af en er overheen, bereed hij staande in een spagaat en met losse handen twee paarden tegelijk, en stond hij op zijn hoofd in het zadel:
“1. In den vollen loop regt en lings over het Paard te springen, en voort daar op weder op den Zadel te zitten.
2. Op beide Paarden te galoppeeren, hebbende het eene been hangende aan den hals, en de voet van het andere been in den mond.
3. Op beide Paarden staande, te galoppeeren zonder toom vast te houden, en drinkende teffens een glas Wijn.
4. De Piqueur, met één Paard, in een vollen galop, tot aan de Barière gekoomen zijnde, springt er lings af, en, terwijl het Paard over de Barière springt, springt hij alles teffens over het Paard en de Barière heen, zoo dat hij aan de regter zijde weder op den grond koomt.
5. Hij staat met zijn Hoofd op den zadel hebbende de voeten om hoog, en galoppeert in deze gedaante;
Te veel om ’t al te melden, en in de Biljetten nader gespecificeert.”
Jammer genoeg zijn die biljetten (zeg maar flyers) niet bewaard. Ook weten we niet of Simson veel publiek trok. Al ligt dat wel in de rede, omdat zo’n verzetje zich hier niet vaak voordeed. Net als Astley bleek overigens ook Simson een talentenjager:
“Zoo iemand geneegen is, de een of andere Kunst bij gem[elde] Heer te leeren, kan zig bij hem adresseeren buiten het kleine Poortje in de Vonk.”

Blijkbaar beviel het weiland achter de Vonk de Engelse kunstenmakers goed, want vier jaar later, in 1777, dienden zich daar twee collega’s van Simson aan, waaronder Price, opnieuw een ouwe kennis van Astley:
“Op HEDEN den 17 Juny en eenige volgende dagen tot Zaturdag voor de laatste maal, ’s avonds om 6 uur, zal de Heer PRICE en de Heer WATSON in de Vonk buiten het Klein Poortje, hunne groote en wonderbaare Exercitiën op één, twee, en drie Paarden op meer dan veertigderley onderscheiden manieren verrigten, waar van de meeste nooit door eenige andere in Europa zyn ondernoomen…”
Kennelijk werden er een eenvoudige tribune met meerdere rangen opgericht in dat weiland achter herberg de Vonk. “Daar is eene goede Zitplaats voor de Heeren en Dames”, verzekerden Price & Watson immers. De entree tot hun show was in elk geval niet goedkoop. Die bedroeg een gulden, ruim het dagloon van een vakbekwame, volwas timmerman.
Anders dan Simson, maar net als Astley, brachten Price & Watson variatie in hun voorstelling aan, door serieuze paardennummers af te wisselen met komische. Zo vertoonden ze “een Engelsche matroos in zyne grappige houding, rydende naar Portsmouth”. Maar ook imiteerde een van hen
“het klugtig Postuur van een gebochelde Snyder; verbeeldende te Paard rydende naar Brentford, om de Hr. John Wilkes te stemmen”.
Met dit laatste nummer toonden Price & Watson dat ze ware navolgers van Astley waren, want de aartsvader van het circus ontwikkelde ‘The tailor’s ride to Brentford’, zoals de act in het Engels heette, zo’n zeven jaar eerder in hoogst eigen persoon. Het was een hilarische farce, waarbij Astley aanvankelijk zelf als Billy Button (zeg maar Wimpie Knoop) in de ring verscheen. Deze kleermaker huurt een paard, maar het lukt hem almaar niet dat ros te bestijgen. En als hij uiteindelijk toch netjes in het zadel zit, weigert het edele dier eerst halsstarrig benen te maken. Plotsklaps echter, gaat het er als een speer vandoor, werpt de mislukte ruiter van zijn rug, achtervolgt hem door de arena. om hem uiteindelijk de ring uit te jagen.

‘The tailor’s ride to Brentford’ werd een klassieker in de circusgeschiedenis. In allerlei varianten voerden circusgezelschappen het nummer nog tientallen jaren op, door geheel Europa en in wat andere vorm wordt het nog steeds wel opgevoerd. Oorspronkelijk baseerde Astley het echter op een actuele, politieke cartoon, voluit ‘The tailor’s riding to Brentford or the unaccountable sagacity of a horse’ getiteld. Deze prent, die het paard dus ook al toonde als de meest wijze, dreef de spot met de Londense middenstanders die achter de (toen nog) radicale en democratische politicus John Wilkes aanliepen. Wilkes was bij een lokale verkiezing in 1768 gekozen als parlementslid van Brentford, even buiten het toenmalige Londen, doordat Londenaren massaal alle wegen naar die plaats afgrendelden voor Wilkes’ tegenstanders. De prent nu, hekelde het feit, dat een eenvoudige ambachtsman zich boven zijn stand wilde verheffen door zich als ruiter te manifesteren en zich met de politiek te bemoeien. Ongetwijfeld was de circusact aanvankelijk behept met dezelfde moraal van schoenmaker blijf bij je leest (of kleermaker laat je naald niet in de steek).

Price & Watson intussen, zetten op vrijdag 20 juni 1777 nog een advertentie in de Groningsche Courant, waarmee ze hun afsluitende optreden voor de volgende zaterdag aankondigden. In de gedeeltelijk nieuwe tekst maken ze ook gewag van kunsten met een touw, en een Juffrouw Bultley, waarschijnlijk dus een koorddanseres. Zelf hadden de heren overigens nog een sensationeel nummertje in petto: “Ook zullen zy een Kogel uit de Pistool schieten en op de punt van een Pennemes vangen”. Met zo’n lokkertje zullen de plaatsen op de tribune wel weer gauw uitverkocht zijn geraakt.

Na hun vertrek moest het Groninger publiek tot juli 1787 wachten, voor het nog eens naar een circus achter de Vonk kon gaan. Het was ook de allerlaatste keer, dat het weiland bij de herberg als circusterrein fungeerde:
“Met Permissie zullen de PAARDERYDERS van den Heer JONES, Directeur van de Groote Manedie te LONDEN, de eer hebben om op Donderdag den 26 July voor de eerste maal en geduurende eenige dagen, hunne extraordinaire Exercitiën en Manoeuvres op een byzondere Manier, dewelke hier nooit vertoond is te vertonen. Men zal met een, twee, drie en vier Paarden ryden, ook zal men te Paard de groote Sprongen doen, als over het Lint, en meer andere te veel om hier te melden.”
Dit keer vormde een variatie op ‘The tailor’s riding to Brentford’ het slotnummer:
“Men zal de Manoeuvres eindigen door Monsieur Dubois, dewelke de Party van de Comique Kleermaker zal vervullen, dezelve komt in de Manegie en vraagt een Paard om een Reis van Londen naar Parys te doen.”
Al droeg de kleermaker nu een Franse naam, hij bleef van het type domme August dat van misverstand naar misverstand strompelde. In een manege huurde men immers geen reispaard, laat staan voor een trip over zee.
Harry Perton
—
Eerder in iets andere vorm verschenen in wijkkrant De Oosterpoorter (ca. 2004).

Napoleon gefatsoeneerd in Veendam
Geplaatst op: 23 september 2013 Hoort bij: De actuele wereld 2 reactiesHet was duidelijk na de Volkerenslag bij Leipzig, dat dit beeld van Napoleon gewrocht werd. De Keizer kijkt in effigie immers nogal grammieterig:

Voordat Zijne Keizerlijke Majesteit op de foto kwam, moest eerst even die weerbarstige lok even worden gefatsoeneerd.
(Bij een bespreking over De erfenis van Napoleon, een tentoonstelling die eind november los gaat in het Veenkoloniaal Museum te Veendam. De pop van Napoleon, uiteraard een pièce de resistance, is een bruikleen van het Legermuseum, dat momenteel verhuist van Delft naar Soesterberg.)
De vriendelijke kant van de herfst
Geplaatst op: 22 september 2013 Hoort bij: Drenthe, Ommelanden 7 reactiesGister –
De akker is geploegd, de akkerrand nog in volle fleur, bij Thesinge:

Alom pompoenen in alle soorten en maten. Afvoer van de oogst bij Sint Annen:

Het drietorensilhouet van Bedum:

Veld met groene kolen bij Noordwolde:

Vandaag –
Grote groep fietsende pensionado’s doorkruist de Onlanden:

Nog redelijk wat vee in het land, zoals hier achter een boerderij bij Roderwolde:

Lijsterbessen (Roden):

Landgeitebok bij Donderen:

De schoorsteenvloot
Geplaatst op: 22 september 2013 Hoort bij: Stad nu 3 reactiesAlle scheepjes als windvanen op Groninger schoorstenen vormen samen een aardige vloot. Enkele voorbeelden:
Omgeving Esserweg:

Hereweg:

Wolddijk:

Spilsluizen:

‘Het verdronken land is vruchtbaar’
Geplaatst op: 20 september 2013 Hoort bij: Geschiedenis 6 reactiesVanmiddag opende Het verdronken land is vruchtbaar. een tentoonstelling in het Groninger Museum van archeologische vondsten uit Noord-Nederland en Ost-Friesland. Naast veel bekende zaken, die tijdenlang niet te zien waren, zag ik toch ook verscheidene ‘nieuwigheden’ onder de geëxposeerde oudheden. Zoals:
– Deze Juno (Romeins). Onder andere door de goede bewaarcondities in wierden of terpen zijn dergelijke beeldjes veel meer in het Noorden tevoorschijn gekomen, dan in het gebied ten zuiden van de grote rivieren, waar de Romeinen werkelijk aanwezig waren

Een verbrede boomstamkano gemaakt van een uitgeholde eik, die door verhitting in de breedte uitgerekt is, 600-640 na Christus. Gevonden ten zuiden van Jemgum, een eindje over de grens bij Nieuw Statenzijl:

Een berg sceatta’s uit de periode 720-740, aangetroffen bij het verdwenen klooster Barthe in de buurt van Leer. Deze Friese muntjes vormden destijds hèt handelsgeld langs de kusten van de Noordzee.

Benen fluitjes, meest met drie gaten:

Stijgbeugels, te onooglijk voor de overigens prachtige catalogus, vormden een middeleeuwse innovatie die volgens de historicus Lynn White jr. de loop van de geschiedenis veranderde:

Evenmin in de catalogus: deze kruik van wit steengoed, Siegburg dacht ik, 16e eeuw. Rond het hoofd staat: “Gedult mot”. De dame zou Bathseba kunnen zijn.

Ik hou van baardmankruiken en ben niet de eerste, want ze werden gemaakt van de 14e tot de 19e eeuw. Deze lijkt een traan onder zijn ene oog te hebben:

Geglazuurde schotel met vluchtend hert, 17e eeuw:

Scholtenmonument, Stadspark
Geplaatst op: 18 september 2013 Hoort bij: Kunsten, Stad toen 4 reacties“Men ziet den forschen kop, in brons gegoten, gemodelleerd door den fijnvoelenden kunstenaar Abraham Hesselink, die met groote liefde de hem bekende figuur schiep. Een tragische bijzonderheid aan dit werk van den meester verbonden is, dat hij plotseling stierf op den dag, waarop hij de laatste hand aan dit kunstwerk had gelegd.”

“Voor de modelleering van het geheele monument was Mulock Houwer met Hesselink in overleg getreden. Dankbaar zullen wij hem blijven gedenken voor zijn artistieke medewerking, die ook Mulock Houwer op zoo hoogen prijs heeft gesteld. Het monument is in hoofdzaak van Beiersch graniet opgebouwd.”

“De bronzen reliëfs en de verdere beeldhouwwerken zijn uitgevoerd door de kunstvaardige hand van den bekenden heer J. W. van Tetterode, medewerker van den heer Hesselink. Zij symboliseer en, naar ik meen op voortreffelijke wijze, de paardensport en de paardenfokkerij waarvoor het bestuur der harddraverij vereeniging den ontwerper welwillend terzijde stond om de paarden van zuivere kwaliteit te doen zijn.”

“Wij zien de jeugdsport, uitgedrukt door de kranige figuren van een jonge vrouw en een jongen man, gereed om op te trekken naar de sportspelen, die in dit park op zoon intensieve wijze worden beoefend, voor de jeugd een bron van gezondheid in de vrije buitenlucht.”


“De kleurige wapens van Stad en Ommelanden toonen aan dat de hulde wordt gebracht door stad en lande samen.”


“De waterspuwers geven, door de klaterende stralen, de levendige geest weer van den man, wien dit werk is gewijd.”
(Niet meer aan te treffen, het bassin onder de spuwers is volgezet met bloemen.)

Bron / meer lezen:
- Onthulling monument J.E. Scholten (Nieuwsblad van het Noorden 5 september 1931)
- Vervolg in tweede katern
- Staat in Groningen

Recente reacties