Dansberen langs de Trekweg

Vroeger kwamen er ook in onze gewesten wel eens dansberen langs. Vooral ’s zomers zag men ze wel met hun bazen langs het oude Winschoterdiep naar Groningen kuieren.

Voor het eerst wordt van zo’n passage melding gemaakt door de Groninger Courant van dinsdag 24 juni 1868:

“Gisteren morgen kwamen hier van buiten het Kleine Poortje binnen 12 Zigeuners (zoogenoemde zwervende Heidenen) bestaande uit 5 mannen, 4 vrouwen en 3 nog jeugdige kinderen. Het voorkomen dezer lieden, die 4 beeren en 2 kleine paardjes met zich voerden, was zoo vreemd en tevens zoo deerniswaardig, dat men onwillekeurig tot medelijden werd gestemd. Van den fungerenden burgemeester de vergunning ontvangen hebbende aalmoezen bij de ingezetenen in te zamelen, hebben zij, na daarmede buitengewoon goede zaken gemaakt te hebben, den gepasseerden nacht buiten de Kranepoort onder den blooten hemel doorgebragt en heden morgen de reis naar Friesland voortgezet.”

De kennismaking met dit reisgezelschap gaf bij de stadjers gemengde gevoelens, want in dezelfde krant staat ook een boze ingezonden brief. De inzender, ene A-Z, vroeg zich af of de loco-burgemeester zomaar de gemeentelijke verordening tegen de bedelarij terzijde kon schuiven door een vergunning af te geven voor “openbare bedelarij”. Bovendien laakte hij het dat de “zich Zigeuners noemende” bedelaars dankzij de loco-burgemeester “hulp en bescherming der politie” genoten.

Dat liet de loco-burgemeester niet over zijn kant gaan. Al de volgende dag had de krant zijn reactie op het artikel en de ingezonden brief, waarvan de kern op de 26-ste in de vorm van een rectificatie werd afgedrukt:

“…dat aan de Zigeuners geene vergunning is gegeven tot bedelen, maar alleen om zich zelven en de beeren die zij met zich voerden, te vertoonen”.

Met andere woorden: de berenleiders mochten dan geld vragen, maar ze leverden daar wel degelijk een tegenprestatie voor.

Al zo’n anderhalve eeuw, sinds de moorddadige vervolgingen van begin achttiende eeuw, waren hier te lande geen groepen zigeuners meer geweest. Dat ze in juni 1868 in Limburg, Gelderland en Groningen weer opdoken, baarde dan ook veel opzien. De Groninger Courant kwam dadelijk aan de grote publieke belangstelling tegemoet met een historisch achtergrond-artikel over de “heidenen, Zigeuners, Bohemers en Egyptiërs, onder welke namen zij veelal voorkomen”. Voor het overige stelde ze zich pontificaal achter de gewraakte loco-burgemeester op:

“De gelegenheid dezer dagen hier gegeven dit zoo oude volk te zien en te leeren kennen heeft dan ook teregt aan velen een hoogst belangrijke vertooning verschaft. Wel verre van in te stemmen met hen die het berispen, dat die gelegenheid is verleend, (…) stellen wij het op veel prijs dat zoo eigenaardige volk van nabij te hebben kunnen zien en spreken.”

Elders was de houding minder positief, en vond het Groninger vergunningenbeleid geen navolging. Drie dagen na Groningen kwam de groep in Leeuwarden aan, waar de autoriteiten zich heel wat strenger toonden:

“De politie, van hunne aankomst verwittigd, ging hun tegemoet. Twee begaven zich naar het politie-bureau, maar konden geen verlof bekomen zich hier op te houden, waarna zij onder den toeloop van een groote menigte volks naar Harlingen optrokken, tot aan de grens van de naburige gemeente Menaldumadeel door de politie begeleid.”

De berenleiders en hun families waren van plan om met de stoomboot Harlingen-Amsterdam de Zuiderzee over te steken. In de dorpen tussen Leeuwarden en Harlingen deden ze wel weer goede zaken:

“Hier en daar op hun togt zamelden zij nog al eenig geld, ofschoon zij daaraan, naar verzekerd werd, alles behalve gebrek hadden”.

Waarschijnlijk heeft de groep ook in het westen van Nederland nog een poos rondgezworven. Uitgeleid en over de grens gezet werd zij echter niet, want dat gebeurde in 1868 nog met geen enkele berenleidersfamilie.

LIEFDEGAVEN

Wellicht omdat deze eerste groep vrij succesvol was, kwamen er een jaar later, in de zomer van 1869, meerdere groepen naar Groningen. De eerste diende zich aan op zondag 13 juni. Aan de berichtgeving is dan al enigszins te merken dat het routine begint te worden, en ook is er geen spoortje meer over van de officiële tolerantie van een jaar terug:

“Evenals ten vorigen jare een troep Zigeuners in onze stad door hunne vreemdsoortige vertooning veel opschudding veroorzaakten, zag men ook l.l. Zondag weder een dergelijken troep, schoon in kleiner aantal, deze stad naderen. Op last der stedelijke regering echter werd hun onmiddellijk door de politie geleide door en uit de stad gedaan, zoodat de kans om goede zaken te maken hun werd benomen.”

Net als de groep van het vorige jaar ging deze groep eerst naar Friesland. Versterkt met nog een ander gezin dat ook een beer meenam, arriveerde zij op 21 juni te Meppel, waar het fenomeen weer nieuw was, en de plaatselijke overheid coulant:

“Na vergunning gekregen te hebben, trokken zij de straten door om hunne beeren op de maat van de muziek te doen dansen en daarvoor liefdegaven in te zamelen. Eene groote menigte, zoo oud als jong volgde hen. Er was eene geheele oploop.”

Na Meppel deed de groep Steenwijk aan, en Gorredijk:

“Met vergunning van het Bestuur hebben zij daar de beeren doen dansen en daarmede eene nog al aanzienlijke som opgehaald.”

En via Olderberkoop en Smilde kwamen ze in Assen terecht, waar de kennismaking de Provinciale Drentsche en Asser Courant wat tegenviel:

“Kleeding en uitzigt leverden het bewijs, dat het eerste weinig kostbaar is en zij zigh om het tweede niet veel bekommeren. Het gebruik van zeep en water scheen hun zoo goed als onbekend te zijn. En toch hebben zij een zeker schoon, dat onwillekeurig aantrekt.”

Denkelijk dankzij die attractiviteit deed de Drentse krant verslag van hun algehele verblijf:

“Kinderen van de natuur, en dus met weinig tevreden, legerden zij zich daar onder den blooten hemel, vòòr eene houten loods, waarin ze hunne beeren op stal zetten. Zonder zich te bekommeren om de hen omringende menigte, die toestroomde om de ‘heidens’ te zien, legden zij zich met vrouw en kroost ter ruste, even kalm en bedaard als een eerzame burger zijne gemakkelijke sponde bestijgt. Zij bragten daar den nagt door onder de vaderlijke hoede der politie, door wier welwillende zorg zij hedenmorgen buiten de gemeente zijn geëxpedieerd, den kant naar Groningen op, in de hoop zeker, daar een beter veld voor hunne werkzaamheden te vinden.”

In Groningen kwam de groep gelijk aan met een vier beren bezittende groep die even eerder nog in Beerta te zien was geweest. Van de plaatselijke correspondent aldaar plaatste de Groninger Courant een wat uitgebreider verslag:

“In het dorp gekomen was de toeloop van nieuwsgierigen – daar ’t juist Zondag was – zoo groot, dat geen harddraverij of kermis daarbij halen kan. Zij hebben dan ook goede zaken gemaakt; overal was het medelijdend hart en de milde hand open, eerst voor de leiders en mededansers der beeren en toen voor de een weinig achterna komende vrouwen; in ’t bijzonder toen een van haar op een jong kind wees, dat in een massa pakken gewikkeld, schommelde op den rug van de moeder. Aan deze scheen dan ook voornamelijk de finantiële administratie te zijn opgedragen, althans zij hield niet op van allen eene fooi te vragen, en telkens weer. Weigerden dan sommigen voor de derde of vierde maal contributie te geven, dan werd hun een ‘val dood’ of een ander vrome Hollandsche wens naar de ooren geslingerd. Zoo togen ze door de gemeente tot ze juist bij de grenspaal een stuk weideland ontdekten. Zij ontdeden nu den beeren hun muilbanden en lieten deze grazen in de weide, want tot verwondering der menigte voedden de beesten zich met gras en distels.”

Omdat de veldwachter doorgaf dat ze Beerta uit moesten, trokken ze naar het buitengebied van Winschoten. Daar legden ze in een stuk land een kampvuur aan en overnachtten ze in de open lucht. Langs het Winschoterdiep ging deze groep vervolgens naar Groningen, waar de politie haar op last van het stadsbestuur doorgeleidde richting Zuidhorn. De andere groep, vanaf Assen gekomen, kreeg tegelijkertijd politiebegeleiding in de richting van Appingedam.

URSARI

Tot zover de eerste Groningse en Drentse persberichten over vreemde en haveloze groepen van berenleiders met hun gezinnen, die hier en daar, zoals aanvankelijk in de stad Groningen, vergunning kregen om zichzelf en hun dansende beren te vertonen voor geld. Voor deze attractie bestond er een dermate grote belangstelling, dat kermissen en de harddraverijen – normaliter de grootste publiekstrekkers in deze contreien – erbij verbleekten. Maar naast mededogen, vooral voor de kinderen, was er van meet af aan sprake van weerzin bij het publiek, ook omdat het wel eens brutaal werd bejegend. Weldra bleken de lokale overheden minder genegen tot het afgeven van vergunningen en kreeg de politie, zeker die in de grotere plaatsen, opdracht om de groepen te verwijderen. Vanaf 1869 werden ze ook wel uitgeleid en over de grens gezet.

Onder andere over deze berenleiderfamilies schreef Leo Lucassen in zijn proefschrift En men noemde hen zigeuners…; de geschiedenis van Kaldarasch, Ursari, Lowara en Sinti in Nederland (1750 – 1944). Volgens Lucassen heten de berenleiders en hun families Ursari, naar Urs, wat beer betekent. In Nederland doken ze gelijk op met Hongaarse ketellappers of Kaldarasch, die veel rijker waren en die in het algemeen, maar dus niet in het noorden, veel meer aandacht van overheden en media naar zich toe trokken. Net als de Kaldarasch werden de Ursari beschouwd als zigeuners, al spraken ze geen jota roma.

Eerder waren er wel Franse en Poolse berenleiders in Nederland geweest, en later kwamen er ook Italiaanse, maar die zwierven nooit met hun gezinnen rond en werden dus niet als zigeuners gezien. De Ursari waren doorgaans afkomstig uit Noord-West Bosnië, de streek rond Banjaluka. Omdat die regio nog tot 1878 deel uitmaakte van het Turkse rijk, heetten ze in de wandeling ook wel Turco’s of, zoals rond 1930 nog: Turken. Zelf noemden ze zich trouwens menigmaal Ottoman, terwijl in de uitleidingsregisters familienamen voorkomen als Lajarovic, Stancovic en Theodorovic.

Aanvankelijk droegen ze slechts lompen en liepen ze barrevoets. Later kwamen ze met meer conventionele kledij en schoeisel aan, al vertoonden sommige zich ook wel in een ietwat folkloristisch aandoende, Turkse outfit. Volwassenen liepen met dikke stokken van wel twee meter lang, en hadden een leren tas aan een riem om het lijf. Aanvankelijk hadden ze verder alleen bepakte paarden of ezels bij zich, en sliepen ze in de open lucht. Maar omstreeks 1880 maken de kranten melding van de eerste overdekte woonwagens, waarvoor dan wat hitten lopen. Een ander teken dat op toegenomen welvaart wijst, is dat ze de beren eerst alleen op de maat tamboerijnen lieten dansen, terwijl daarvoor later ook wel doedelzakken werden gebruikt. “Nog zij gezegd, dat (…) de Zigeunerinnen hare pijpjes opstaken en even als de mannen lustig dampten.” De zoontjes rookten zelfs bij elkaar geschooide sigaren. En jenever gebruikten ze allemaal “als de beste Nederlander”.

De beren kwamen uit de Karpaten of een hooggebergte van de Balkan. Ze waren als jong gevangen, nadat hun moeders met een dot honing van het hol waren weggelokt. Als jong raakten ze vaak hun hoektanden en ook wel hun klauwen kwijt, kregen ze een ring door de neus, en een dubbele ketting om de nek. Soms waren ze geblind. Gedresseerd werden ze met gloeiende poken, maar zeker ook met suiker. “Welke van de twee methoden het meest gangbaar was, kan uit de schaarse literatuur niet worden opgemaakt”, concludeert Lucassen:

“Er dient echter gewaakt te worden voor de anachronistische beschuldiging van dierenmishandeling. Dit niet alleen vanwege het bekende stereotype over de vermeende wreedheid van zigeuners, maar ook omdat uit andere bronnen blijkt dat de berenleiders verzot waren op hun dieren, deze goed verzorgden en veelal met koosnamen aanduidden.”

Martin, zo luidde vaak die koosnaam. En Martins act bestond uit dans – met name van de ursareasca of berendans – maar ook uit mime. Martin ging bijvoorbeeld liggen als een bruid voor haar bruidegom, op de rug en met gespreide benen. Of Martin zat met de arm gevleid tegen een nee-schuddend hoofd, wat de hoofdpijn van een pas getrouwde vrouw moest verbeelden. Niet iedereen stelde deze humor op prijs.

De mannen uit het publiek kregen nog de unieke kans om zich worstelend met Martin te meten. Had het gebruikelijke haantje de voorste verloren, dan collecteerde de beer of zijn bazin bij de dankbare omstanders een lieve cent, waarmee het hele spul naar een volgende pleisterplaats vertrok.

Wellicht vanwege de Balkan-oorlogen vertoonden de Ursari zich begin twintigste eeuw nog naar sporadisch in Nederland. Maar in de jaren 1920 was er weer een opleving. In Limburg gaven burgemeesters vrij gemakkelijk vergunningen af, daar traden Ursari zelfs voor lagere scholen op.

In 1930 beet een dansbeer te Franeker een tweejarig kind van een hotelhouder dood. Een paar jaar later kwamen de Ursari nazi-Duitsland niet meer door. Hitler was erg begaan met dieren en verbood het berendans-amusement. De Ursari stuurde hij in de oorlog naar concentratiekampen, net als andere zigeuners, al spraken de Ursari dan geen jota roma. En daar in die concentratiekampen, daar gingen ze meestal rechtstreeks de gaskamer in.

Harry Perton

Eerder verschenen in De Oosterpoorter van november 2002 en op een opgeheven website (2004).


De Zuidlaardermarkt anno 1797

Vanaf de dertiende eeuw wordt ze gehouden, op de derde dinsdag van okto­ber. Die derde dinsdag was altijd een traditionele tijd­smarkering: in de herinne­ring kon iets er zoveel dagen of weken voor of na ge­beurd zijn. Voor die dag moest een boer ook, wilde hij zich niet de meewa­rig­heid van zijn colle­gae op de hals halen, klaar zijn met ’t na­jaars­werk, zoals aard­ap­pel­rooien; na die dag mocht einde­lijk de kachel voor het eerst weer aan. “Bie ons is Zuudlo­ard’r maark as de zeeg’n op ’t waark” zei men dan ook wel.

In de tijd dat paardentractie nog de enige tractie was, op die van mensen na, was de Zuidlaardermarkt de grootste paar­den­markt van Europa. Was de derde dinsdag van oktober weer daar, dan zwermden uit alle windrichtin­gen de paardenkopers en -verko­pers rich­ting Zuid­laren, met in hun kielzog ‘wichter’ en ‘jongs’ op zoek naar verke­ring. De vrijlustigen onder het publiek gaven uiter­aard niet zoveel om de handjeklap-tafe­relen, al werd een ge­slaagde koop dan ook afge­sloten met “geluk”. Nee, zij zoch­ten elders hun vertier, in de herbergen, in de eendags­gelagen die in gewone huizen gehou­den werden en – niet te vergeten – in de dans­tenten.

Maar laat me de Groninger arts Jacob van Geuns aan het woord, zelf nog vrijgezel, als hij in het najaar van 1797 aan zijn in Utrecht wonende vader verslag doet van de Zuidlaardermarkt:

“Ik heb laatst eens de Zuidlarensche markt bezogt. Dewijl dit een der drukste boeremarkten is in onze ommestreken en ik nog nimmer op een boeremarkt geweest was, bekroop mij de lust om deeze te gaan zien. Ik had eene goede gelegenheid om met neef Van Bergen er nae toe te gaan, die in zijn wagen een plaats over had en ze mij aanbood.

’s Morgens 10 uur reden wij hier vandaan en waren om 12 uur daar. Verbazend en onbegrijplijk groot is de toevloed van menschen daar heenen; op de groote plaats of brink werd men gestadig bijna verdrongen door de boeren. Wij bezogten de eigenlijke marktplaatsen, alwaar sterk gehandelt werd in jonge veulens, magere koeien en ook melkkoi­en. Hier kon men rijke­lijk zien en horen het in de handen slaan en kloppen bij het handelen en dingen gebruikelijk. Trouwens, dat wilde ik ook liever doen als het gevoel hebben van die zware eeltige han­den!

De kramen van koopmanschappen zagen wij ook, als ook de dans- en speeltenten. Hier was het minder vol en druk – schoon de vermaaklijkheden van ’t dansen eerst met den avond regt begin­nen, zoo zag men toch hier en daar voor de viool dansen. Dewijl in dien dag alle de huizen in Zuidlaren herbergen zijn en ook bijna alle vol, namen wij ons quartier bij een bakker, alwaar wij van onze medegenomene provisie wat aten, met Drent­sche stoete en een glas wijn. Men kan enigsints over de con­sumptie in die dagen in dat dorp oordeelen, daar de bakker daar wij waaren reeds 300 stoeten verkogt had en er zijn nogal verscheiden andere bakkers in Zuidlaren.

Namiddags na alles rondgewandelt en bezien te hebben reeden wij weer nae de stad, doch nu was het onbegrij­pelijk drok met rijtuigen. De geheele weg van Zuidlaren nae Groningen was een bijnae aanhoudende passage van rijtuigen; bij Haren komende moesten wij wel bijnae 1/4 uur wagten eer wij door de aldaar samengepakte hoop van pleisterende chaisen en wagens konden komen.

’s Avonds thuis komende was ik wel blijde dit eens gezien te hebben, doch zoude geene sterke begeerte hebben nog dikwijls die reis te doen.”

Eerder verschenen in De Oosterpoorter (ca. 1995) en op een opgeheven website (2004).


Fietsenchaos bij het station, een vervolg

Coen Peppelenbos wees er eind september al eens op en sindsdien is het er niet beter op geworden: de laatste tijd heerst er ieder weekend weer een enorme fietsenchaos bij het Groninger Hoofdstation.

Deze wekt ook irritatie op – de fietsen staan voor haastige types in de snelste weg naar de trein:

2013-10-12 020
Hier mogen die brikkies dus eigenlijk ook helemaal niet staan:
2013-10-12 021
Van bovenaf ziet het er zo uit – in die rij links liggen vaak fietsen als dominostenen ondersteboven, omdat mensen die de trein moeten halen, niet bereid zijn om ervoor om te lopen:
2013-10-12 022
Langs het spoor staan ze van het station tot voorbij het Emmaviaduct. Rechts nemen ze de hele stoep in beslag, zodat voetgangers op het fietspad moeten lopen:
2013-10-12 023


De fakir en de kerkeraad

2013-10-10 006 Hachek fakir en kerkeraad b

Met dit simpele briefje maakte Anne Schaap, alias de fakir Hachek, op 13 oktober 1964 kenbaar dat hij lidmaat wilde worden van de hervormde gemeente Oosterwijtwerd en dus graag in een openbare dienst belijdenis wilde doen. Al in de aanhef is er sprake van een vergissing. De gecombineerde gemeente Oosterwijtwerd-Eenum had namelijk geen predikant op dat moment. Via de pastoraal werker, de kandidaat Jan ter Steege, bereikte het briefje de kerkeraad van Oosterwijtwerd en daarmee diens archief.

Een maand later kwam de aanmelding van Schaap ter sprake in de Oosterwijtwerder kerkeraad. Er werd “nogal een poosje” over gediscussieerd,

“de vergadering zag nl. graag wat meer kerkelijk meeleven van de heer Schaap en besloot dus om Schaap nog eens te bezoeken en hem aan de tand te voelen wat hem ertoe bracht om belijdenis te doen.”

Met deze weinig welwillende missie belastten zich Ter Steege en een ouderling. Terzijde zij opgemerkt dat Ter Steege later voorzitter was van de Confessionele Vereniging, een behoudende pressiegroep in de kerk die tegen de Gereformeerde Bond aanschurkte. Mogelijk zegt dit ook iets over de richting die in de kerkeraad van Oosterwijtwerd de dominante was.

Hoe dan ook, begin 1965 handhaafde de kerkeraad zijn bezwaar tegen de fakir, die in het dorp uiteraard als een vreemde vogel gold. Volgens de kerkeraad leefde hij te weinig mee met de kerk en moest hij eerst maar eens een jaartje wachten. Als hij dan wat meer medeleven met de kerk toonde, kon hij alsnog belijdenis doen.

In het vroege voorjaar vertrok de afgestudeerde Ter Steege als predikant naar Vrouwenparochie in Friesland. Het leek erop dat Anne Schaap in zijn voorlopige afwijzing berustte, want we horen er pas weer iets over in februari 1966. De provinciale kerkvisitatoren bezochten toen Oosterwijtwerd om de “kwestie” van de afwijzing, die intussen almaar voortwoekerde, “tot op de bodem” uit te zoeken. Schaap en zijn vrouw, de christelijke kinderboekenschrijfster Nettie Streef, nodigden ze met de gehele gemeente uit voor een gesprek, maar daarbij kwam er niemand opdagen. In het formele gedeelte van de visitatie – met de kerkeraad – kwamen de visitatoren (mede daarom) tot de conclusie dat de kerkeraad “volkomen correct” gehandeld had:

“Hier is geen sprake van baasspelerij, maar wij konden volkomen billijken dat men aan de heer Schaap de raad gaf nog een jaar te wachten, omdat deze slechts een zeer geringe mate van kerkelijk medeleven vertoonde.”

Volgens de visitatoren hadden Schaap en zijn vrouw teveel waarde toegekend aan de woorden van de pastoraal werker en een ouderling die Schaaps aanmelding hadden aangenomen. Alleen de voltallige kerkeraad was beslissingsbevoegd en niet slechts een commissie uit de kerkeraad. Als Schaap “inniger” met de kerk zou meeleven, had de kerkeraad geen bezwaar tegen diens toelating tot de belijdenis, aldus de visitatoren in hun brief aan mevrouw Schaap-Streef, die al wel belijdend lidmaat was en die haar man, zoals later zou blijken, “in zaken van bijbel en geloof” had “onderricht”. Een afschrift van hun brief stuurden de visitatoren aan de kerkeraad van Oosterwijtwerd, waarbij ze “vurig” hoopten dat een commissie uit de kerkeraad het echtpaar Schaap zou gaan bezoeken “om de bestaande wanverhoudingen te verbeteren”.

Dat bezoek bleef uit. Schaap legde zich niet bij de situatie neer, en deed zijn beklag bij de Provinciale Kerkvergadering, waarvan het breed moderamen (algemeen bestuur) in zijn vergadering van 13 juni 1966 de zaak behandelde. Begin die maand was een commissie uit het breed moderamen naar Oosterwijtwerd afgereisd, om in een “pastoraal gesprek” te onderzoeken of het probleem niet in der minne op te lossen viel. Dit maal echter, liet de kerkeraad nogal opzichtig verstek gaan. Zelfs toen de afgevaardigden van het moderamen bij enkele kerkeraadsleden aan de deur kwamen vragen om mee te gaan naar het huis van Schaap, bleken die daar niet toe bereid:

“…een houding die het breed moderamen ten zeerste moet afkeuren als zijnde onbroederlijk en getuigend van weinig bereidheid om gerezen geschillen in het gezin van de gemeente op een bijbels-evangelische wijze op te lossen.“

Het moderamen noemde de gang van zaken “de kerk onwaardig”. tegenover de commissie bleef Schaap bij zijn jaren eerder ingediende, en al enkele malen herhaalde verzoek. Ook waren er wat andere gemeenteleden in zijn huis, die een boekje open deden over het bestuur van hun gemeente:

“Zij beklaagden zich over liefdeloze dan wel beledigende bejegening van de kant van de kerkeraad of een lid van de kerkeraad.”

Met de wèl aanwezige consulent – een predikant die toezicht hield op de vacante gemeente – spraken de afgevaardigden van het moderamen af dat hij alles zou doen om de betrokkenen hun onderlinge grieven –“die de verhoudingen in de gemeente vertroebelen” te laten uitpraten, zodat het oud zeer zou kunnen verdwijnen. Het breed moderamen zelf wilde daar echter niet op wachten. Omdat Schaap zich “ten zeerste gegriefd en gedupeerd” voelde, zette het de zaak op scherp en vroeg de kerkeraad binnen een week te berichten of hij onvoorwaardelijk kon toestemmen in de openbare geloofsbelijdenis van Schaap.

Dat kon de kerkeraad niet en daarom kwam het moderamen in september 1966 tot de conclusie dat het “een niet meer op te lossen plaatselijk probleem” betrof. Het hakte de knoop door: Schaap kon op zondag 2 oktober 1966 belijdenis doen in de Oosterkerk te Groningen, in een dienst van de bepaald niet orthodox opererende ds. J. Matzer van Bloois, de schipperspredikant. Dat zou dan volledig onder verantwoordelijkheid gebeuren van het moderamen, dat van mening was dat de zaak ook geen verder uitstel gedoogde omdat Schaap in het ziekenhuis moest worden opgenomen.

Inderdaad deed Schaap die bewuste dag belijdenis in Groningen. Zoals gewoonlijk ging de gemeente na de schippersdienst even verderop koffie drinken in het Sophiahuis, een kerkelijk wijkgebouw aan de Sophiastraat, en daar vertoonde de fakir, die zijn spijkerbed en zijn aquarium met goudvissen mee had genomen, zijn kunsten aan het aanwezige kerkvolk. Daarbij wekte de act van het inslikken en weer uitspugen van de goudvissen nogal afgrijzen op – sommige mensen moesten er zelfs van kokhalzen en overgeven (dit vernam ik tenminste van iemand die erbij was).

Mochten de provinciale kerkbestuurders hopen dat de gekozen oplossing naar tevredenheid van de Oosterwijtwerder kerkeraad was, dan vergisten ze zich deerlijk. De kerkeraad klaagde dat hij voor een voldongen feit gesteld werd. Het had geen toestemming gegeven, integendeel, en vroeg zich af welke functie hij dan nog had.

Toen de hervormde gemeente Groningen Schaaps attestatie van lidmaatschap naar Oosterwijtwerd stuurde, zond de kerkeraad daar die verklaring dan ook meteen terug. Aan de Groninger kerkeraad schreef hij, dat Schaaps belijdenis in de gemeente Oosterwijtwerd had moeten plaatsvinden, maar dat de kerkeraad aldaar dit ontoelaatbaar achte vanwege “onkerkelijk medeleven” van Schaap “en ook zijn handel en wandel”. De kerkeraad was gepasseerd door het moderamen dat de verantwoordelijkheid op zich nam, kortom, de kerkeraad vond dat de attestatie bij hun aan het verkeerde adres gericht was en weigerde Schaap als lidmaat in Oosterwijtwerd in te schrijven.

Op de vraag wat dan nog zijn functie dan nog was, kreeg de Oosterwijtwerder kerkeraad nooit antwoord. Wel beantwoordde het moderamen deze vraag met een wedervraag: welke pastorale functie de kerkeraad bereid was te vervullen voor Schaap? Nogmaals zette de kerkeraad zijn positie uiteen, maar nu wat scherper: zowel qua kerkgang als financieel leefde de fakir niet mee met de kerk en dat deed hij evenmin in zijn “dagelijkse handel en wandel”. Zo zou hij een of meerdere kerkeraadsleden niet groeten,

“maar wel uitjouwen van leugenaar, zelfs Gods leugenaars en wel aan de openbare weg.”

Als Schaap geaccepteerd werd als lidmaat en er voor het avondmaal morele censuur over de lidmaten gehouden werd, dan kon dat “wel weer eens moeilijk worden”. In zijn brief aan het moderamen rakelde de kerkeraad de hele geschiedenis nog eens op – eigenlijk achtte hij de zaak al afdoende behandeld in de allereerste vergadering met de visitatoren, die hem immers nog gelijk gaven. Als Schaap in de Oosterwijtwerder kerk wilde kerken, dan was hij daar echter welkom:

“ja als daar nog een walmende vlaspit brand, willen wij het natuurlijk graag brande[nd] houden, zelfs tot een grote vlam, maar daar moet geloof voor zijn en als dat geloof er is komt het in orde.”

In maart 1967 stuurde de Groninger kerkeraad nogmaals de attestatie van lidmaatschap op naar die van Oosterwijtwerd. De Oosterwijtwerders bleven echter onvermurwbaar, noemden de lidmaatsaanneming van Schaap “onwettig” en stuurden de attestatie per omgaande retour.

Zo kwam weer de Provinciale Kerkvergadering in beeld, waarvan het breed moderamen in een briefwisseling van mei en juni dat jaar nog eens volmondig zijn verantwoordelijkheid erkende. Dat Schaap geen lidmaat in Oosterwijtwerd kon worden, had in die gemeente echter ook een praktische consequentie:

“Als u blijft volharden in uw weigering om de meermalen van u gevraagde pastorale zorg te geven aan genoemde persoon, dan is dat uw zaak, die geheel voor uw verantwoording komt”

Nogmaals deed het moderamen een beroep op de kerkeraad om pastorale zorg aan Schaap te verlenen. Ook vond het dat de kerkeraad verplicht was om Schaap als lidmaat in te schrijven en stuurde deze daarom nogmaals de attestatie toe. Wat het moderamen betreft mocht de kerkeraad erop aantekenen dat Schaaps belijdenis voor de verantwoordelijkheid van het moderamen was. Dit keer hield de kerkeraad het stuk, althans, het bevindt zich nog steeds in het Oosterwijtwerder kerkarchief, niet alleen met de toegestane toevoeging, maar tevens met de handgeschreven notities dat er, anders dan de attestatie beweerde, wel degelijk “gegronde bezwaren” tegen Schaaps kerklidmaatschap bestonden en dat Schaap “zonder goedkeuring van de kerkeraad” belijdenis had gedaan.

De kerkeraad van Oosterwijtwerd heeft nooit pastorale zorg aan Schaap willen geven. Tussen de partijen kwam het nooit meer goed. Bijna drie jaar na de belijdenis van de fakir, op 9 augustus 1969, schreven Schaap en vrouw aan de secretaris van het breed moderamen:

“Wij vinden ons tot onze grote spijt genoodzaakt, ons lidmaatschap van de Ned. Herv. Kerk op te zeggen.”

Een copie van hun briefje ging naar de kerkeraad van Oosterwijtwerd. Dit is ’t laatste stuk in het dossier, maar wordt in de kerkeraadshandelingen niet eens genoemd.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, archief NH Gemeente Oosterwijtwerd (toegang 282), de inv.nrs. 3 (handelingen kerkeraad) en 27 (dossier lidmaatschap A. Schaap).


Herfst bij de sluis

2013-10-12 003

2013-10-12 012

2013-10-12 015

2013-10-12 019


Russificatie van Groningen begonnen

Russificatie Groningen gaande 2013-10-12 024


Gamma baalt van onhandige klussers

Sommige fietsende klussers hebben wat moeite met het vervoeren van verf, zo blijkt steeds weer bij de Gamma aan de Peizerweg. Deze foto maakte ik er vorige maand:

2013-09-07 008

Vandaag sloeg echter alles. Er lag een ware verfplas, waar het verkeer omheen geleid moest worden.

2013-10-12 032

De werknemer verklaarde er schijtziek van te worden. Zijn ook niet zo vrolijk kijkende baas kwam meteen na het maken van deze foto met opruimspullen aangelopen.


Vuistbal, wat is dat nu weer?

Volgens een programma dat ik vandaag onder ogen kreeg, werd het eeuwfeest van de herwonnen onafhankelijkheid in 1913 te Finsterwolde uitgebreid gevierd. Een van de onderdelen vormde een turn- en atletiekwedstrijd voor clubs van heinde en verre, die elkaar onder meer bestreden op de discipline ‘vuistbal’.

Vuistbal? Wat is dat nu weer? De voorganger van volleybal misschien?

Dat ik er nooit van gehoord had strookt wel met wat de Nederlandse Wikipedia erover zegt: de sport wordt in Nederland nauwelijks beoefend. Een klein krantenonderzoekje leert bovendien, dat de sport hier rond 1910 een hoogtepuntje beleefde, al moeten we dat direct weer relativeren: ze werd dat jaar 42 maal genoemd in een Nederlandse krant (in de KB Krantenbank), terwijl de term korfbal 630 maal viel en de term voetbal 3380 maal.

Een enkel filmpje geeft een beter beeld, dan alle spelregels op alle Wikipedia’s bij elkaar. Hier de Europacup-finale van 2012:

Het betreft dus een soort van volleybal, waarbij je de bal mag laten stuiten. De bal lijkt ook op zijn stuiteigenschappen geselecteerd. De sport is wat trager dan volleybal en vereist door het grotere veld zogezegd een groter loopvermogen. Eigenlijk is het best wel een aardige sport, al ligt de associatie  met Monty Python-scènes vlakbij op de loer.

Sinds de jaren zestig zijn er 13 WK’s gehouden. Duitsland won 10 maal, Brazilië 2 maal en Oostenrijk 1 keer. Dezelfde landen verdeelden alle tweede en derde prijzen, aldus de Engelse Wikipedia.

Toevallig zijn komend weekend de WK’s voor mannen en vrouwen, respectievelijk in Windhoek (Namibië) en Curitiba (Brazilië). Ik denk niet dat daar iets van op de TV te zien zal zijn.


Muziekgerelateerd werk van Tuppus

In het kader van Striptober heeft het Groninger Poparchief in de hal van de Groninger Archieven (Cascadeplein 4) een kleine expositie ingericht met werk van de tekenaar en graficus Tup Wanders, bij menigeen beter bekend als Tuppus:

2013-10-08 004

2013-10-08 009

2013-10-08 013

2013-10-08 015


Boer uit Oostum schreef Paul Kruger

“Door liefde aan ons oud Nederlandsch volk gevoel ik mij gedwongen U Edele eenige letteren te schrijfen.”

Aldus Klaas de Boer uit Oostum, in een brief die hij op 30 mei 1881 schreef aan Paul Kruger, de president van de Zuid-Afrikaansche Republiek, oftewel Transvaal.

Voor de afgescheiden-gereformeerde, nationalistische boer vormde de ZAR een soort pendant van Nederland waarmee hij solidair wilde zijn:

“…vanwege het onregt door Engeland U aangedaan is ook onze liefde voor onze Broeders aangewakkert”

Hij dacht erover om naar Krugers land te emigreren, maar zat met een heleboel vragen, die hij op Kruger afvuurde.  Zo wilde hij weten of hij er welkom was als boer met maar liefst elf kinderen, of Nederlanders wel tegen het warme klimaat konden en of het in Transvaal veilig was qua wilde dieren etc.…

“…want om met vuurwapens om te gaan zijn wij hier niet veel bekend”

Zijn motivatie om eventueel naar Zuid-Afrika te verhuizen was tweeledig. Enerzijds voelde hij zich als cocksiaan gediscrimineerd. Hij sprak van:

“…het gruwelijk ongelijk en onregt dat ons door den staat wordt aangedaan. [De] staat spant alle kragten in, om de Christelijke Godsdienst uit te roeijen, nu weer met de Godonteerende schoolwet. De bijbel mag op school van de staat niet worden gelezen en over God of Godsdienst mag niet worden gesprooken.”

Anderzijds waren De Boers redenen economisch van aard: de hoge grondprijzen in zijn geboortestreek en de almaar hogere belastingen, al met al maakte dat het leven voor De Boer bijna ondragelijk.

Helaas is niet bekend of Paul Kruger hem ook terugschreef. Bij nazaten van de landbouwer uit Oostum bleek een dergelijke brief onbekend. Die nazaten leven nog in Nederland, omdat Klaas de Boer uiteindelijk nooit zou emigreren en al in 1884 overleed.

Zijn brief wordt aangehaald door Gerrit Schutte in een artikel over J.W. Fockens, een burgemeester van Leek, die wèl naar de Transvaal emigreerde. Het stuk van Schutte kan je vinden in het zaterdag jl. verschenen Historisch Jaarboek Groningen 2013.


Op en neer naar Lutjegast

Het boomgaardje op Westpoort is weer voor de helft ontdaan van appels en peren. Aan de andere bomen hangen ze nog:
2013-10-07 012
Paard en boom I, bij de Kerkwegsbrug:
2013-10-07 022
Grazend vee met op de achtergrond de Lettelberterpetten:
2013-10-07 028
Waar een vrij grote vlucht ganzen op gang kwam, toen een helicopter overvloog:
2013-10-07 036
Bij het Hoendiep: schuurtje dat weer wat verder verviel:
2013-10-07 040
Marsdijk – mestkar met een assortiment pompoenen:
2013-10-07 065
Bij de Zandumerweg achter Niekerk:
2013-10-07 071
Grazend vee bij Oosterzand:
2013-10-07 081
Paard met boom II, nu bij het brugje over de Grootegaster Tocht even voor Lutjegast:
2013-10-07 087
De Mieden achter Lutjegast:
2013-10-07 092
Mieden – geit rust op oud landbouwgerei:
2013-10-07 095
Mieden – dampaal met mozaïek van paard:
2013-10-07 097
Mieden – vervallen schuur:
2013-10-07 107
Bij De Weren tussen Lutjegast en Grootegast:
2013-10-07 113
Oprijlaan bij de Zandumerweg:
2013-10-07 122
Ook daar nog wel mais:
2013-10-07 124
Vlakbij Oldekerk: bekende Niekerker hobbyboer – met hond in de fietstas – telt zijn schapen. Na hertelling bleken alle 21 present:
2013-10-07 129
Dook over de Dijkstreek:
2013-10-07 141
Filosofisch, nieuwsgierig en onverschillig vee bij het Lettelberterdiepje, oostkant Enumatil:
2013-10-07 142
Het Hoendiep bij de Poffert:
2013-10-07 145


Aduarderzijl

2010-10-06 009

2010-10-06 011

2010-10-06 014

2010-10-06 017

2010-10-06 018

2010-10-06 019


Een prinsenliedje gereconstrueerd

Eind maart 1795, toen de patriotten dankzij de Fransen nog maar pas in het zadel zaten, vond er in Feerwerd een grote boeldag plaats.  Aan het eind van die boeldag begon het nog resterende volk Oranjeliedjes te zingen en wedman Derk Sissingh van Ezinge deed daar maar wat graag aan mee. Volgens de inlichtingen die het gerecht naderhand inwon, luidde het belangrijkste vers:

“Al is ons Prinsje nog zo klein,
evenwel zal hij stadhouder zijn”

Ook werd er ‘Oranje Boven’ geroepen en dwong men mensen tegen hun zin mee te dansen. Dit was een forse overtreding van het placcaat op het bewaren van orde en rust, waaraan juist de wedman als gezagsdrager de hand zou moeten houden. Voordat men hem kon arresteren, ontsnapte Sissingh echter met een bootje bij Aduarderzijl over het Reitdiep, om bij de Schaphalsterzijl uit zicht te verdwijnen.

Een paar maanden later, op 3 juni 1795, zingt ene Hindrik Hindriks van Bierum in  Appingedam oproerige liederen, “welke in den jare 1787 de hoogste toon uitmaakten”. Een deel van de tekst komt inmiddels bekend  voor:

“Al is ons prinsje nog zo klein,
al evenwel zal hij stadhouder zijn”

Maar Hindriks had hier nog een aanvulling op:

“Zo lang de zon en de maan zal staan
Zal nooit de Oranje stam vergaan”

Op 6 maart 1796, een paar dagen voor de verjaardag van prins Willem V, die inmiddels veilig in Engeland zat, kwamen de stuurman Fokke Pieters  en Hiltje Benes, de roggemulder van Farmsum, met hun scheuvels van het ijs in een herberg te Delfzijl. Het duurde maar even, of ze begonnen te zingen. Ook hier ging het om ‘Al is ons Prinsje nog zo klein’, maar nu met weer een ander couplet:

“Al buigt de stam, al kraakt het riet
Al evenwel treurt Orange niet.”

In Feerwerd, Appingedam en Delfzijl werd dus een en hetzelfde lied gezongen. Dat lied, zo leren we, bestond al in 1787, toen Pruissen een interventie in ons land pleegde en met 20.000 man troepen de prins in zijn oude macht herstelde. Maar feitelijk was het lied nog ouder. De Groninger schippers zongen het namelijk al in maart 1748, toen ze met een versierde boot door de straten van de stad trokken om de geboorte van Willem V te vieren. Die geboorte was het sein voor een groot oproer, omdat he stadsbestuur eigenlijk geen feest wilde. Dat oproer zorgde er vervolgens voor dat dat het stadhouderschap erfelijk werd verklaard in mannelijke en vrouwelijke lijn. Bovendien kreeg de stadhouder aanzienlijk meer macht. Met het liedje ‘Al is ons Prinsje nog zo klein’ liet de Oranje-aanhang dan merken dat tegenwerking niets uit zou halen en dat Oranje toch weer boven zou komen drijven. Het lied stond in de grootste helft van de 18e eeuw voor het ongebroken geloof in Oranje.

Het aardige is dat de melodie ook terug te vinden is, want omdat het liedje indertijd zo populair was, werden tal van andere liedjes getoonzet op zijn melodie. In totaal heeft de Nederlandse Liederenbank maar liefst 440 van zulke contrafacten, die deels uit Groningerland afkomstig zijn. Het vroeger zeer bekende verjaardagslied ‘Wie in januari geboren is, sta op’, werd bijvoorbeeld op de wijs gezongen. Zodoende weten we ook hoe het prinsenlied van Feerwerd, Appingedam en Delfzijl geklonken heeft. Met enig luisteren naar de voorbeelden op de Liederenbank, kunt u dus dat prinsenliedje uit Feerwerd, Appingedam en Delfzijl vast wel zingen::

Al is ons prinsje nog zo klein,  hoezee
Al is ons prinsje nog zo klein,  hoezee
Al is ons prinsje nog zo klein
Al evenwel zal hij stadhouder zijn
Hoezee hoezee hoezee,
hoezee hoezee hoezee!

Zo lang de zon en de maan zal staan, hoezee
Zo lang de zon en de maan zal staan, hoezee
Zo lang de zon en de maan zal staan
Zal nooit de Oranje stam vergaan
Hoezee hoezee hoezee,
hoezee hoezee hoezee!

Al buigt de stam, al kraakt het riet, hoezee
Al buigt de stam, al kraakt het riet, hoezee
Al buigt de stam, al kraakt het riet
Al evenwel treurt Oranje niet
Hoezee hoezee hoezee,
hoezee hoezee hoezee!


Gezien op de Dag van de Groninger Geschiedenis

Beide mijn praatjes lukten goed, ik kreeg de mensen aan het zingen en de tweede keer zelfs tweestemmig.  Ook erg leuke reacties gehad na afloop. Wat wil een mens nog meer.

Verder meegemaakt:

– Het stoomtreintje van Museum Nienoord bij het uitproberen, ’s ochtendsvroeg: Door de geur van die rook herinnerden ouderen zich de spoorwegen zoals ze tot in de jaren vijftig bestonden:
2013-10-05 014
Stand van Museum Nienoord, een schilderij (van een voor mij onbekende maker) dat Billekoek heet:
2013-10-05 018
Op de informatiemarkt dit keer ook Ostfriezen van een club die zich de Upstalboom Gesellschaft noemt:
2013-10-05 032
Vitrine in de hal – herdenkingsbord voor een eeuw koninkrijk, met voorstelling van dans om een Oranjeboom:
2013-10-05 036
In een vitrine op de eerste verdieping: zakdoek uit het kroningsjaar 1898, met beeltenis van de 18-jarige Wilhelmina (net als het bord hierboven uit de collectie van het Groninger Museum):
2013-10-05 037
De opening van de Dag werd verricht door Jean Pierre Rawie. Hij mocht daarna het eerste exemplaar ontvangen van het Historisch Jaarboek Groningen 2013:
2013-10-05 049
Het was misschien iets minder druk dan vorig jaar, en toch merkte je daar weinig van. De hal zat in elk geval behoorlijk vol:
2013-10-05 053
Bij de poffertjeskraam:
2013-10-05 058
Demonstratie middeleeuwse zwaardvechtsport:
2013-10-05 065
Een kraam die bij die vechterij hoorde?:
2013-10-05 067
Bij de Kiekjeskar, waar je je verkleed op de foto kon laten zetten:
2013-10-05 069
De trein van Nienoord kreeg panne:
2013-10-05 070
Zodat het personeel even kon lunchen:
2013-10-05 072
De sousafonist van Safari Joe:
2013-10-05 081
Informatiemarkt in de studiezaal – oranje memorabilia van de historische vereniging Loppersum:
2013-10-05 107
De prijswinnaar van de Groninger Geschiedenisquiz:
2013-10-05 130


Vorst en volk thema van de geschiedenisdag

keeshond en Spaniel - 2013-10-04 01

Voor het geval dat het aan uw aandacht ontsnapte – morgen is vanaf 11.00 uur de Dag van de Groninger Geschiedenis bij de Groninger Archieven. Ziehier het programma.

Thema is dit keer Vorst en Volk. Over dat onderwerp gaat ook de  flitslezing van scribent dezes. Wiens onderzoek naar oranjeliedjes in procesdossiers de afgelopen week resulteerde in de reconstructie van een eeuwenoud prinsenlied, dat nu weliswaar totaal vergeten is, maar waarvan er maar liefst 440 contrafacturen (teksten op de wijs van) op de Liederenbank bleken te staan (morgen dus meer hierover).

Er is echt heel veel leuks te zien en te horen op de DGG. Zo kijk ik uit naar Barok van Bolhuis. De mini-expositie Vorst, Volk en Voorwerp heb ik natuurlijk al bekeken, die is ook zeer de moeite waard. Er ligt onder meer de patriotse tabaksdoos uit het eind van de 18e eeuw (toen ons land op de rand van de burgeroorlog stond), waarvan je hierboven een plaatje ziet. De keeshond, politiek symbool van de patriotten, verjaagt de spaniel, die om zijn Engelse afkomst kennelijk vereenzelvigd werd met het stadhoudersbewind.