Gepimpte portieken
Geplaatst op: 25 oktober 2013 Hoort bij: Kunsten 4 reactiesFilm van Herman Tulp toont de onthulling, de genese en vooral de symboliek van de nieuwe portiekomlijstingen in de Groninger Adriaan van Ostadestraat. Het werk van kunstenaar George Schriemer zou gebaseerd zijn op dat van de straatnaamgever, maar ik geloof niet dat die aan eenhoorns deed. Wat niet wegneemt dat de straat aan aantrekkelijkheid won:
Topstukken in Delfzijl
Geplaatst op: 24 oktober 2013 Hoort bij: Familie, Geschiedenis, Ommelanden 5 reactiesDelfzijl associeer ik niet onmiddellijk met oudheden, maar het ‘Muzeeaquarium‘ daar herbergt een alleszins aardige collectie archeologie en geschiedenis. De topstukken zijn wat mij betreft:
– Het hunebed dat in 1982 totaal onverwacht onder Heveskesklooster werd gevonden:

– Een doedelzak spelende baardman:

Heiligenkopje, aangetroffen binnen kerkfunderingen (ca. 1200):

Middeleeuwse tinnen klepkan met het wapen van de stad Groningen in het deksel:

Bord uit de achttiende eeuw met vrome wens:

Het paardje dat op de toren van het verdwenen dorp Oterdum stond:

De collectie maritiem neemt de meeste ruimte in. Model van de zelfrichtende reddingboot Insulinde, waarvan ik de legendarische kapitein ooit heb mogen ontmoeten:

Romantische voorstelling van de driemastbark Pieter A. Koerts, die tussen 1956 en 1964 fungeerde als jeugdherberg in Delfzijl:

Aan dit schip is nog een familieverhaal verbonden. Het geld voor het schip was de gemeente Delfzijl gelegateerd door de naamgever ervan, die in Amerika fortuin had gemaakt met een glashandel, maar graag herinnerd wilde worden in Delfzijl. Deze Pieter Albert Koerts was via zijn vrouw Trijntje Vondeling een oom van mijn grootvader Albert Vondeling, en heeft ook geprobeerd om die naar Amerika te krijgen. Dat ging echter niet door wegens de ziekte van mijn oma. Een broer van mijn grootvader ging wel, en begon na verloop van tijd een eigen succesvolle glashandel in Michigan. Over hem heb ik het nog wel eens een keer.
In de haven van Delfzijl
Geplaatst op: 24 oktober 2013 Hoort bij: Ommelanden 4 reactiesCompositie met havenkraan en architectuurpaviljoen in tegenlicht:

Op het platform van het paviljoen lag dit kruisje met rode kralen. Toevallig weet ik waar het vandaan komt, het is spul waarmee de organisatie van Moeder Theresa fondsen werft:

Overdadig symbolisch object van Marthe Röling op het hoofdkwartier van Groningen Seaports:

Weinig vertier in de haven:

Het visrestaurant was wegens herfstvakantie gesloten:

Gelukkig zat de volkskunst er nog wel op:

De inwerking van het zeewater geeft een olifantenhuid aan bitumen:

Overzicht van de haven:

Het paviljoen van de voorkant. Het staat er goed:

Plaatsmarkering:

Langs het spoorlijntje:

Op deze plek ging ik in 1962 al kopje onder en zou ik in 2006 helemaal verzopen zijn:

Dubbel verzwaarde grensbewaking
Geplaatst op: 23 oktober 2013 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesNaar aanleiding van het stukje over de hondenvordering in de Eerste Wereldoorlog stuurde een trouw lezer me deze prentbriefkaart toe. Ziehier hoe de trekhonden van de kleine middenstand hun dienstplicht vervulden:

Retour Stadskanaal
Geplaatst op: 23 oktober 2013 Hoort bij: De actuele wereld, Kunsten 1 reactieWas vanmiddag in Stadskanaal voor een interview. Kwam een halfuurtje te vroeg aan, een periode die ik overbrugde met een copieuze lunch in de Knoalster Lorelei (“Waar snacken eten wordt!”) en een wandelingetje langs het kanaal, waarbij me deze Jugendstil-ornamentiek opviel:

Om het hoekje:

Blij dat ik er niet op de fiets heenging, want op de terugweg kwamen er een paar beste buien langs, zoals bij Waterhuizen, een naam die mij tijdelijk als uiterst adequaat voorkwam:

Ter hoogte van de telefoontoren in de knik van de Peizerweg was dit het beeld. Er vielen enkel wat spetjes uit:

Naar Warffum met de wind in de rug
Geplaatst op: 22 oktober 2013 Hoort bij: Ommelanden 1 reactieKleiwerd (bij Slaperstil):

Dorkwerd:

De weg naar Adorp en Oostum:

Zicht vanaf de wierde van Oostum:

Bij de brug van Garnwerd:

Schaphalsterzijl:

Bij het Wildeveld een wit veld. Toen ik wat dichterbij ging kijken bleek het geen nieuw gewas, maar bekalkt gras:

Bemoste koe op dampaal, Wildeveld:

Bij Eenrum:

Bergen suikerbieten op een achtererf tussen Eenrum en Den Andel.

Tractor met meeuwen:

Deze boomsingel bij het kerkhof van Warffum is binnenkort niet meer zo te zien, want getuige de gele stippen op de stammen zullen ettelijke van deze kastanjes worden gekapt:

Vordering van honden voor de oorlog
Geplaatst op: 22 oktober 2013 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties
Dit drukproefje, waarschijnlijk voor een bericht in de Winschoter Courant, kwam ik tegen in hetzelfde dossier dat ook de verlofaanvraag van mijn grootvader bevatte. Ik had er nog nooit van gehoord, van die hondenvordering, maar vond het fenomeen toch ook weer niet zo vreemd. Een soortgelijk bericht, maar dan van een paar maanden eerder daterend, vond ik voor de gemeente Groningen.
Aan de vereiste schofthoogte van 65 centimeter is te zien, dat het om vrij forse honden ging. Ze waren dan bestemd om karren met mitrailleurs te trekken, de bekendste toepassing van de hond voor oorlogsdoeleinden. Voor de opsporing van mijnen zijn kleinere honden immers even geschikt. Mogelijk waren de grotere honden ook in het burgerlijk bestaan al trekhonden. In de gemeente Finsterwolde meldden zich 16 eigenaren aan, waaronder zich op het eerste gezicht meer namen van middenstanders dan van boeren bevinden.
Volgens stukken in de archieven van de gemeenten Leeuwarden en Utrecht (1942) en een affiche dat uit Rotterdam bewaard bleef (1944) hebben de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog honden gevorderd.
Van Tolbert naar stad
Geplaatst op: 21 oktober 2013 Hoort bij: Drenthe vrogger, Ommelanden, Onlanden 4 reactiesGeïsoleerde, maar zeer uitbundige manifestatie van de herfst bij de Cazemier- of Frewewalda-boerderij in Tolbert:

Even buiten Leek richting Roderwolde:

Groeizaam weer, nog vrij veel vee in de wei – zoals ook in de laagte bij Nietap:

Patroon in boomstronk:

De blik achterom naar het eerste stukje weg tussen Leek en Roderwolde:

Boerderij in Leutingewolde:

Hoewel er dus best wel sappige grassprietjes zijn. prefereren deze gedegenereerde koebeesten in de Onlanden bij Roderwolde droog hooi:

Een stelletje ganzen, daar vlakbij:

Mijn opa en het bijenjaar 1915
Geplaatst op: 19 oktober 2013 Hoort bij: Familie 5 reactiesIk was even benieuwd hoe mijn grootvader met zijn 40 bijenvolken in 1915 afstak tegen zijn omgeving, en zocht in de gemeenteverslagen van Finsterwolde, hoeveel volken er in totaal in die gemeente waren. Voor de periode 1894-1923 bleek dat vrij goed te doen:

Eerder is de serie gegevens te lacuneus, of bestaat er onduidelijkheid over de aard van het getal: gaat het om het totale aantal volken, of om het aantal geslachte (meestal de helft à tweederde van het totaal)? Vanaf 1894 geven de verslagen meestal beide cijfers, alleen wat betreft 1898 treedt weer die onzekerheid op, vandaar dat dat jaar in bovenstaand grafiekje maar buiten beschouwing is gelaten.
Het aantal volken, gemiddeld zo’n 260, 270 per jaar in deze periode te Finsterwolde, viel mij wat tegen. Ik had er vooraf beduidend meer verwacht, de arealen koolzaad in aanmerking genomen. Een rare piek is er in 1904-1905, het dal dat erop volgt zou bijvoorbeeld door ziekte kunnen komen, in elk geval is 1915 het jaar met veruit de meeste volken in deze periode, terwijl in de hele Eerste Wereldoorlog en nog wat jaren erna het aantal volken bovengemiddeld is.
Als alle Finsterwoldiger imkers in 1915 evenveel volken hadden als mijn opa, dan zouden dat er 14 zijn. Maar ik vermoed dat het er veel meer waren. In elk geval had mijn opa in dat topjaar zo’n 7 % van het aantal bijenvolken te Finsterwolde.
Het record-aantal Finsterwoldiger volken van 1915 hing ongetwijfeld samen met de oorlog. Meteen na de mobilisatie van augustus 1914, was suiker haast niet meer te krijgen. Later viel dat wel weer een beetje mee, maar begin 1915 heerste de verwachting dat alles duurder zou worden, en zeker ook de honing. Ongetwijfeld heeft dat stimulerend op de bijenteelt gewerkt.
Zeker waren er ook tegenvallers. Veel Oldambtster bijkers zetten hun volken begin juli altijd aan de voet van de Asseberg, op de grens van Westerwolde en Duitsland, waar de bijen dan eerst op het boekweit en later op de heide vlogen. In de Eerste Wereldoorlog lagen hier aan beide kanten van de grens soldaten, en het militaire opperbevel duldde hier geen imkers in het niemandsland. Die moesten dus omzien naar een alternatieve standplaats in het zuiden van Westerwolde. Uiteindelijk was het in augustus en september ook nog slecht weer voor bijen – een Oldambtster imker die 60 volken naar Westerwolde bracht, kwam zo slechts met 40 weer.
Toch viel de opbrengst voor het hele seizoen nog wel mee, als we afgaan op het gemiddelde aantal kilo’s honing per korf, zoals die genoteerd staan in een aantal gemeenteverslagen van Finsterwolde. Met zijn 15 kilo was 1915 daar een iets bovengemiddeld jaar:

Omdat honing in het bijenseizoen van 1915 nog een vrij product was, waren er ook opkopers actief, die het naar Duitsland uitvoerden. Dat dreef de prijs natuurlijk wel op. Bedroeg die in 1914 nog 33 cent per kilo, bij het sluiten van het bijenseizoen, medio september 1915, werd er al 45 cent geboden, terwijl eind september de prijs was gestegen tot 80 cent, dus 2,5 maal zoveel als het vorige jaar. Pas toen vond de regering het welletjes, en kondigde ze een uitvoerverbod voor honing af.
In het stukje over mijn opa’s verlofaanvraag heb ik zijn imkerij, afgaande op het aantal korven, semi-professioneel genoemd. Dat kan ik nu adstruereen. Als ik er van uitga dat hij het hele seizoen zijn 40 bijenvolken hield en die gemiddeld per volk – als in het gemeenteverslag – 15 kilo winbare honing produceerden, dan kom ik op een totale hoeveelheid honing van 600 kilo voor mijn opa. Reken ik daarvoor namens hem de zachte prijs van 50 cent per kilo, dan kom ik op een omzet van 300 gulden. Natuurlijk ging daar wel iets vanaf, maar dat neemt niet weg dat het om een considerabel bedrag ging. Een grootknecht op een boerderij bijvoorbeeld, verdiende boven kost en inwoning 260 gulden per jaar, terwijl een jachtopziener in Noord-Drenthe met zijn bijbaan 300 gulden per jaar beurde. Zo’n bedrag was dus zeker interessant…
Verhildersum, de boerderij
Geplaatst op: 19 oktober 2013 Hoort bij: Ommelanden 5 reactiesOp een berm tussen de borg en de boerderij staat een collectie oude landbouwmachines, onder andere deze trommelschudder:

Of deze rooimachine nog gesmeerd loopt?:

Duivenslagpoort, een prerogatief van heren – in 1748 haalde woedend volk er zoeentje neer bij de buitenplaats van burgemeester Geertsema – de belangrijkste stadsregent – op ’t Waar tussen Nieuwolda en Nieuw-Scheemda:

In de ene schuur opstellingen van ambachten – deze betreft de verwerking van vlas voor linnen:

Een molen voor ?:

Evocatie van een ouwe kapperszaak:

Met goede lectuur:

Het plateautje bij de spiegel:

In de schoenmakerswerkplaats geen pek in het pannetje, maar shag:

In de andere schuur allerlei landbouwersgerei – dit zeepaardje is het boegbeeld van een arreslee op de beun:

Wand met allemaal verschillende schipperszakken:

Net als in het Rieuw hangt er bij de collectie kleine gereedschappen een rijenschoffel:

Het bedrogen Sodom
Geplaatst op: 19 oktober 2013 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“Te Winschoten werd donderdagmiddag j.l. door den stadsomroeper bij bekkenslag bekend gemaakt dat ’s avonds in het lokaal van het Heilsleger de grootste oplichter en verleider van Winschoten zou ontmaskerd worden. Velen spoedden zich naar het lokaal, om er een plaatsje te veroveren. Ze werden echter leelijk teleurgesteld. Een der leiders deelde n.l. den aanwezigen mede, dat de grootste oplichter en verleider van Winschoten was … de Satan, die ook Eva in het paradijs verleid had. Hoewel er op deze mededeeling een hevig rumoer ontstond, liep alles nog in vrede af!”
—
Bron: Nieuwsblad van het Noorden 27 november 1894 (die weer de Telegraaf als bron aanvoerde, waar het bericht echter niet gevonden werd.)
Verhildersum, de borg
Geplaatst op: 18 oktober 2013 Hoort bij: Ommelanden 3 reactiesOprijlaan:

Flankerend park in Engelse landschapsstijl:

Bovenlicht met snijraam, bekroond door alliantiewapen:

Waar de kwartierstaat van Margaretha Bouwina Tjarda van Starkenborch op uitkomt:

De salon, met boeken, muziekinstrumenten en een imposant familiestuk:

De Ommelander adel nam het er goed van:

Bij- of spoelkeuken:

De kranen aldaar:

De keuken waar gekookt werd – die blauwe borden lijken me iets te luxe voor die plek:

Weckflessen in de kelder:

De slaapkamer. Het luikje boven her ledikant geeft zicht op een behangetje uit 1821, dat vrij recent bij een opknapbeurt tevoorschijn kwam

Dit zie je als je weer naar buiten stapt:

Meer info
Een optocht van geheelonthouders
Geplaatst op: 18 oktober 2013 Hoort bij: Familie, Geschiedenis 1 reactie
Nog een leuk episteltje uit dat Finsterwoldiger dossier betreft de vergunningsaanvraag voor een “optocht met ontplooid vaandel”, door de geheelonthoudersvereniging THOS op touw gezet voor Hemelvaartsdag 1915. Het briefje is ondertekend door Harm Harms Tuin (1866-1950), de anarchistische broer van mijn overgrootmoeder, die vlakbij haar aan de Klinkerweg in Finsterwolde woonde en bij wie Domela Nieuwenhuis wel eens gelogeerd heeft.
Omdat de Territoriaal Bevelhebber van het Noorden geen bezwaar aantekende, kon veldwachter Duut twee weken voor de optocht aan Tuin meedelen dat de optocht door kon gaan. In het gedigitaliseerde Nieuwsblad vind ik er niets over, maar ik zal eens gaan kijken in de papieren Winschoter Courant.
De naam THOS is hedentendage vooral bekend door de voetbalclub uit Beerta. Volgens de clubgeschiedenis is die vereniging in 1920 opgericht als Zwart/Wit, maar werd ze nog hetzelfde jaar herdoopt in THOS (Tot Heil Onzer Spieren). Dit voorkomen van twee verenigingen in de buurt van elkaar met een en dezelfde afkorting als naam, doet haast vermoeden dat er een personele band is geweest – tussen de wandelaars-geheelonthouders en de voetballers bestond aanvankelijk mogelijk een overlap.
Naschrift:
Als geheelonthoudersvereniging bestond THOS al op 13 juli 1913, want toen organiseerde ze een openluchtmeeting in Finsterwolde, waar zo’n 350 mensen op af kwamen. Vooraf vond een optocht plaats met de vaandels voorop van de diverse zusterverenigingen uit de omliggende dorpen. Harm Tuin was destijds, aldus de Winschoter Courant, voorzitter van de vereniging, die in 1919 nog eens van zich deed spreken, doordat ze de verkoop van sterke drank tijdens de jaarlijkse schoolfeesten wilde verbieden, iets waarin het gemeentebestuur van Finsterwolde echter niet meeging..
Mijn opa had ooit veertig volken
Geplaatst op: 17 oktober 2013 Hoort bij: Familie 2 reacties
De Eerste Wereldoorlog is nog geen jaar gaande, als de Vereeniging tot Bevordering der Bijenteelt in Nederland voor een van haar leden, die onder de wapenen geroepen is, een verlofaanvraag met bijlagen naar de gemeente Finsterwolde stuurt. Dat is de plaats waar de milicien-imker vandaan komt. De vereniging, die kennelijk verlofaanvragen voor haar leden regelt, verzoekt de stukken met een advies terug te sturen naar haar voorzitter, die de zaak dan wel met het leger zal opnemen. Via het post scriptum verzoekt de bijenteeltclub nog om een opgave van het aantal bijenvolken dat de adspirant verlofganger houd. Blijkbaar maakt dat uit.
Op dezelfde dag dat het briefje bij de gemeente Finsterwolde binnenkomt, stuurt burgemeester Bakker van die gemeente een antwoord, al noteert hij dat in de minuut nog met de verkeerde maand (hij moet even afgeleid zijn geweest). Dat kladje, door de burgemeester op de brief van de bijenvereniging genoteerd, geeft de naam van de verlof-aanvrager prijs. Het blijkt te gaan om H. Perton, mijn grootvader, die bijna de hele Eerste Wereldoorlog soldaat is. Hij wil in dit zwermseizoen graag verlof. Deze aanvraag noemt de burgemeenster “gegrond”. Voor het imkerswerk zijn veertien dagen nodig. Het aantal bijenvolken van H. Perton, ongeacht de zwermen, bedraagt maar liefst 40.
Natuurlijk wist ik wel dat mijn grootvader imkerde, maar dat hij in zijn jonge jaren – in juni 1915 was hij 23 jaar oud – zovéél bijenvolken hield? Dat aantal grenst aan het semi-professionele. Als gepensioneerde liefhebber had hij later hooguit tien, vijftien volken. Hier zie je hem bij zijn bijenstal op het terrein van de familie Kronenburg tussen Havelte en Uffelte, in de jaren zestig:

Het briefje van de landelijke bijenteeltclub trof ik vandaag aan in een dossier (sub inv.nr. 592) met vooral circulaires uit de Eerste Wereldoorlog in het archief van de voormalige gemeente Finsterwolde, zoals dat tegenwoordig berust in het kantoor van de gemeente Oldambt in Scheemda. Archieftechnisch had het briefje hier niet eens bewaard mogen zijn (wegens uitvoering ipv beleid), evenmin als die vaak landelijke circulaires (wegens het herkomstbeginsel). Toch ben ik blij dat zulke stukken er nog zijn… Het archief van de landelijke Bijenteeltvereniging uit deze jaren bleef immers niet bewaard, via die weg kan je zulke informatie helemaal niet vergaren.
Hoe Nederlandse schippers hun afkomst verloochenden
Geplaatst op: 16 oktober 2013 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Tegeltableau met een kofschip. Collectie Fries Scheepvaartmuseum, Sneek.
Vanavond bij de lezing van Jan Willem Veluwenkamp over o.a. de Oostzeevaart van Pekelder schippers, me weer verbaasd over de grafiekjes, die enorme stilstand van de vaart lieten zien tijdens de Vierde Engelse Oorlog (1790-1784) en de Bataafse Republiek (1795-1801). Je weet: Engeland heerste buitengaats en daar durfde zich geen schip met Nederlandse vlag meer te vertonen. Dankzij allerlei overheidsstatistieken uit de vergelijkbare oorlogsjaren 1806-1813 weet je ook, hoe slecht het met allerlei fabrieken en trafieken was gesteld, die voor aanvoer of afzet afhankelijk waren van de zeevaart. Maar een dergelijke volkomen stilstand, als Veluwenkamps grafieken voor die jaren tonen?
Natuurlijk was er een uitwijkmogelijkheid. Een schipper kon het probleem van de Engelse vijandschap op zee omzeilen door te gaan varen onder vreemde vlag, bijvoorbeeld de Pruisische. Maar dat gaf weer een ander probleem, dat anno 1814 aangestipt werd in de Zedelijke bedenkingen aan het volk van Nederland, een dichtwerkje van de orthodox-hervormde oud-schulte van Groningen H. Nix. In de enige noot op dat poeem memoreert Nix de valse eden uit het Bataafs-Franse tijdperk, dat dan net is afgesloten. Met die valse eden bedoelt hij juist niet zozeer die tegen het stadhouderschap, de aristocratie, het federalisme, de regeringloosheid en wat dies meer zij, nee, hij heeft het oog op schippers, toch vaak net zo orthodox en orangistisch als hij:
“Ik herinner mij bij dezen (en wie wordt niet met mij huiverig om hier van te gedenken?) alle die valsche eeden welke er gedaan zijn door onze Nederlandsche Schippers ten tijde des sluikhandels. Kwam men in Engeland, men moest zweren, 1) dat men geen Hollander was, 2) dat men niet uit Holland kwam, 3) dat de lading geen Hollandsch product was, 4) dat het schip niet in Holland gemaakt was. Kwam men in Holland, hetzelfde – Ik heb ook wel eens gedacht dat het sluiten der havens, en het stremmen der zeevaart, door Napoleon, niet als een bijzonder straf hierover konde worden aangemerkt. God beware ons, dat iets dergelijks niet weer moge gebeuren!”

Recente reacties