Tussen twee buien door

Een buitje in de verte bij Peizermade:
2013-11-03 001
Boven de Onlanden loste hij zijn vrachtje:
2013-11-03 004
De suikerfabriek vanaf Eiteweerd – noordwestenwind:
2013-11-03 009
Bij de Blinken, vanaf de fiets:
2013-11-03 010
De suikerfabriek vanaf de Roderwolderdijk:
2013-11-03 013
Bij Leegkerk:
2013-11-03 022
Deze jongens konden de storm aan:
2013-11-03 026
Bij de weg tussen Leegkerk en Hoogkerk:
2013-11-03 038


Zaterdags ommetje

KPN-borg met Emmaviaduct:
2013-11-09 002
Bij het museum werft een jongen met een Man bijt hond-voorschoot voor de NCRV:
2013-11-09 003
Affiche voor een party in Drachten met een dancehall artiest die bekend staat om zijn (vroegere) homohaat:
2013-11-09 004
Snapshot in het voorbijgaan van straatzanger Moti en zijn bewonderaars (hoek Vismarkt):
2013-11-09 005


TV Noord: Zwarte Piet was vroeger wit

Zie ook


Groeten uit Havelte

Ansichtkaart die ik ooit van een buurjongen kreeg:

img103blog

Gezien het dameshoedje dateert hij uit the roaring twenties, de tijd dat mijn grootouders in Uffelte kwamen wonen. Het reservewiel van de wagen vormt een klepje waaronder een opgevouwen strook met fotootjes van de omgeving zit. Die was toen aanzienlijk kaler dan ze nu is:

img104blog

v


De betrokken reportage van Frans Bromet


Maal Bé

Laatst twitterde ik dat ‘Mad John‘ van the Small Faces (1968) al heel lang een favoriet nummer van me is.

Daarna heb ik de wellicht wat hippie-achtige, misschien zelfs crypto-christelijke tekst in het Gronings vertaald. Met de laatste regel voor het Dai diedeledaidai ben ik nog steeds niet helemaal tevreden. Suggesties dienaangaande zal ik dan ook verwelkomen. Maar de rest kan ermee door, hoewel dat loofbos in de eerste regel ook zeker niet heilig is:

Der was ’n ol kerel dei leefde int loofbos
Gainaine dei kon hom of wos wat hai dee
Mor olders woarschaauwden heur kiender: Paas op veur Maal Bé

Bé, dei zong mit de veugels in mörn
Hai lachte mit wiend mit int kol end van nacht
Hai is nait goud wies, zeen lu achter gerdienen, wat zaacht

Bé, haart wel deur, hai leefde zien leven as sjamp
Ja zien ber lag in vocht en in damp moar de zun was zien vrund
Hai was vrij

Dus hier waar ’n wieze, dei hol van zien hoaters
Zo groot was zien laifde dat ze der bange van wörn
En bevend vanachter gerdienen kregen dizze gelaifden te heurn:

Dai diedeliedaidai diedeliedaidai diedeliedaiai
etc.

(Herhoalen eerste couplet.)


Ajax – Celtic 3 – 0

Op 2 februari 1971 schreef de hoofdredacteur van Goal, “het weekblad voor de voetbalsport”, mij een brief. Wegens de Kerstpuzzel had ik een kaartje gewonnen voor de Europacup I-wedstrijd Ajax-Celtic op 10 maart. Tevens kreeg ik een postchecque  van ƒ 10,- “voor een hartige hap voor of na de wedstrijd”.
1
Uiteraard ging de brief van meneer Evert Grifhorst gepaard met het kaartje:
2
De bewuste woensdagmiddag begaf ik mij per bus en trein naar Amsterdam in het gezelschap van notaris Broekema en diens zoon Frits (want alleen erheen, dat zagen mijn ouders niet zitten):
3
Mijn helden van destijds:
4
En hun generaal:
5
De meest geduchte tegenstander, bijgenaamd ‘de Vlo’:
6
In Amsterdam droegen die van Celtic een uittenu, dat ze ook vanavond weer dragen:
7
Het werd 3-0:
8

Van de wedstrijd op zich herinner ik me vrij weinig. Van de entourage, het stadion met al die mensen en al dat licht, was ik echter danig onder de indruk. Heb niet alleen maar op mijn stoeltje gezeten, maar ook nog een poos aan het hek gestaan. De doelpunten vielen allemaal aan de andere kant van het veld, daar heb ik nauwelijks iets van gezien.

Wat de meeste indruk maakte kwam na afloop. Ik had op een bepaald punt afgesproken met notaris Broekema, maar door alle drukte schoot ik niet op, en ik was bang dat we elkaar zouden missen. Feitelijk zag ik hem en zijn zoon al ruim voor dat afgesproken punt, midden in de menigte.

Bij de tramhalte stond al een drom mensen te wachten. Maar die werd toch vrij vlot afgevoerd. We stonden op een trambalcon met een heel stel Schotten en daarvoor waren we tevoren wel een beetje beducht geweest. Maar de mens leed weer eens het meest door zijn vrees. De Ajax-aanhang was blij om de overwinning, de fans van Celtic waren blij van zichzelf. Ze zongen uit volle borst hun liederen, alsof zij en niet wij er met de buit vandoor waren gegaan. Schotten: mooi volk is dat.


Leerzame en vermakelijke rariteiten

Miniatuur boekdrukpers

Miniatuur boekdrukpers

JOHANNA PIETERSEN, wonende by Der Akerk, Lett. B, no. 174, maakt by dezen bekend, dat zy opnieuw ontvangen heeft zeer LEERZAME en VERMAKELYKE RARITEITEN voor het aanstaande Sint Nikolaas Feest, als: onderscheidene Land- en Legkaarten, Druk- en Handpersen, Comedies, groote en kleine Kerken, Bruggen, Stallen, die alle ontleed kunnen worden, Belegerings-spellen, Schaak- en Lotto-spellen in soorten, Toren spellen, groote en kleine Toverlantaarns, allerhande NIEUWIGHEDEN in Dozen, groote Verschansingen, Opstel-Figuren in soorten,  Vischjes, Walvischjes, Schepen door Magneet getrokken, Vestings, Legers, Thee en Koffy Serviesjes, Stad en Jaarmarkten, Teeken-dozen, zeer onderscheiden, verder Winkels, Keukens, Leden en Leeven gekleedde en ongekleedde Poppen, zeer mooije Pleeten wagentjes, Kykkassen met enkelde en dubbelde Vertooningen en veel meer RARITEITEN, te veel om op te noemen. By dezelve zyn ook te bekomen: beste witte en gekleurde STOVEN, CHOCOLADE KETELS,  CITROEN-DRUKKERS en meer Artikels, die in een Houtwinkel behooren.”

Bron: Groninger Courant, 30 november 1819.


Blanke boeman was voorganger van Zwarte Piet

1536_4777blog1

Groninger Archieven 1536-4777: reclame J.H. van de Weijer.

In de geschiedenis van Zwarte Piet, voor zover nu bekend, zijn vier stadia te onderkennen:

  1. In de late Middeleeuwen werd de Sint Nicolaasviering een kinderfeest met cadeautjes en correcties, koek en gard.
  2. Eeuwenlang opereerde Sinterklaas in zijn eentje als kindervriend en boeman, maar in de achttiende eeuw kreeg hij gezelschap van een knecht. Hoe die helper eruit zag, is tot nog toe onbekend.
  3. Vanaf het tweede kwart van de negentiende eeuw werd de knecht zwart. Hij nam – tegelijkertijd of al eerder – de boemantaken van de Goedheiligman over.
  4. Na de nationalisering en commercialisering van het Sinterklaasfeest, zo tussen 1870 en 1920, raakte de figuur alom ingeburgerd ten koste van vroegere helpers van Sinterklaas, die nog zeer verschillende namen droegen.

Over de stadia 1, 3 en 4 heb ik weinig nieuws te melden.  Wat betreft het tweede stadium echter, waarin de knecht van Sinterklaas nogal slecht uit de verf kwam, vond ik jaren geleden een beschrijving  in het  allereerste nummer, uit 1797, van het Weekblad voor den zoo genaamden Gemeenen Man. Dit was een uitgave van het Nut in Groningen en volgens de later bijgevoegde inhoudsopgave in het deel dat de afleveringen samenbindt, werd het bewuste artikel geschreven door Mattheus van Heyningen Bosch, dan nog een zeer verlichte en patriotse student die zich ook wel Burgerhart noemde.  Later kreeg Van Heyningen Bosch nationale en zelfs internationale bekendheid als schrijver van kinderboeken, maar ook in zijn vroegste schrijfsels had hij al pedagogische aspiraties, wat ook blijkt uit zijn openingsstuk in het Weekblad voor den zoo genaamden Gemeenen Man.

In dat artikel verzet Van Heyningen Bosch zich tegen de zijns insziens “zeer wreedaartge” bangmakerij van kinderen door verklede en vemomde figuren,  vooral met Sinterklaas. Hij vertelt daarbij over een traumatische ervaring die hij zelf als kind had. Omdat hij in 1773 geboren was, en uit zijn tekst blijkt dat hij al wat Sinterklaasvieringen had meegemaakt, kunnen we die ervaring dateren op omstreeks 1780. Dit is zijn relaas:

“Eens bragt ik, met myne zuster, naar oudere gewoonte, op een Sint Niklaas avond een schotel by onze Grootmoeder. Wat gebeurt? Nauwelyks waren wy in den woonkelder, welke eenige trappen diep in den grond is, gezeeten, of daar wierd een geraas, als van iemand welke zeer zwaar stapt, boven in het voorhuis gehoord. – Dat geraas naderde meer en meer – Daar kwam iets klos, klos, klos met een verward gerinkel, als van yseren ketenen, en een angstig gebrom de trappen afstommelen. Nog heden ril ik er van. Eindelyk wy allen zagen verwonderd naar de deur en nu trad er iets in, dat meer de gedaante had van een monsterdier dan van een mensch. Het spook, beter weet ik het niet te noemen, had zoo veel wy zien konden eene koehuid omgeslagen, zoodat de hoornen vlak boven het gezicht kwamen, dat achter een yselyke scherbilskop of mombakkes verborgen was, en de staart kronkelde achter aan. ’t Geklos van de zwaare houten klompen, welke hetzelve  om de voeten droeg, gevoegd by het gerinkel der ketenen, om het midden geslagen en op den grond sleepende,  alles saam genomen gaf zulk een vreeslyk geraas en aanzien, als ik voor of na nimmer weer gezien heb. Hooren en zien verging ons allen. Het ondier ging langs den muur het vertrek rond, trad toen by de tafel in ’t licht, en vroeg met een holle stem: Zyn hier ook stoute kinderen? – Wy kleinen gaven een gil en vielen meer dood dan leevendig, mag ik wel zeggen, onze moeder en Grootmoeder op den schoot, die beiden, evenals wy, ook doodlyk ontsteld waren. Het monster vertrok gelyk het gekoomen was  en dit had, om kort te gaan, ten  gevolge, dat wy dien nacht geen ogenblik rust hadden. De eerstvolgenden waren niet veel beter en van toen af hebben wy, als kinderen, nimmer weer alleen durven slaapen. Veele jaren bleef ons, als wy aan dat geval dachten, een benaauwde beklemdheid by, en nu nog, zoo als ik reeds zeide, kan ik er koud van worden.”

Kortom, een zeer luidruchtige boeman met koeienhoorns, –huid en -staart, met een mombakkes op zijn gezicht, zware kettingen  om zijn lijf, en lopend op klompen, ging in Groningen (waar de auteur opgroeide) vooraf aan de verschijning van Zwarte Piet.  Deze boeman was niet zwart, anders zou Van Heyningen Bosch dat zeker gezegd hebben. Weliswaar noemt hij in zijn stuk ook “den zwarten man met den langen baard”, maar dat was een boeman die ouders uitdrukkelijk “by andere gelegenheden” van stal haalden om indruk te maken op hun ongehoorzame kroost.

Van het “monsterdier” of  het “spook”, zoals Van Heyningen Bosch de kinderschrik met Sinterklaas dus noemde, is helaas geen contemporaine afbeelding  bekend. Maar als er vanaf 1846 vignetjes bij de Sinterklaas-advertenties in de Groninger Courant verschijnen:

GrC 30.11.1849 a

Groninger Courant 30 november 1849

herkennen we hem nog aan zijn klompen:

GrC 30.11.1849 b

Als tekens van zijn waardigheid draagt hij een mand met presentjes (zoals een molentje) en een roe. Maar zijn mombakkes of gezicht – een verschil kan je hier niet zien – is overduidelijk wit.

Uit 1849 is toevallig ook een strooibiljet voor Sinterklaas-artikelen van een Groninger boekhandelaar bewaard gebleven:

1536_4777blognu echt

Groninger Archieven 1536-4777 reclame J.H. van de Weijer

(Zie tevens bovenaan dit stuk.) In dit geval heeft de figuur nog steeds klompen aan, maar lijkt zijn kleding meer op die van de latere Zwarte Piet. In plaats van de roe zien we een soort van staf. Maar het alleropmerkelijkst is toch zijn gezicht, dat sterk doet denken aan een mombakkes, en ontegenzeggelijk blank is.

Onze huidige Zwarte Piet verving dus een blanke boeman. Wat de reden was voor de substitutie weten we niet, maar het zou best eens zo kunnen zijn dat verlichte geesten, die hun kinderen pedagogisch verantwoord wilden opvoeden, de figuur een zachter aanzien wilden verschaffen, door hem de trekken te geven van de aloude moorse page die ze kenden van schilderijen.

De hele Zwarte Piet-historie toont weer eens aan, hoe sterk bepaalde tradities, die we bijna als een vast gegeven zijn gaan beschouwen, aan veranderingen onderhevig zijn geweest. De dynamiek hoort bij de traditie, en gezien dat feit mogen ook wij best wel veranderingen in de traditie doorvoeren.  Niet wij zijn onderworpen aan de traditie, maar de traditie is onderworpen aan ons.

NB: nog tot 6 december is in de hal van de Groninger Archieven, Cascadeplein 4, een presentatie te zien van historische prenten, foto’s, teksten en tekeningen die te maken hebben met de sinterklaasviering in Groningen.


Ha, Pierre Janssen

Over de collectie speelgoedrobots in zijn Gemeentemuseum Arnhem (1978):

Bio


‘Men juicht: er is een Mensch gebooren!’

Jaren geleden gelezen op de zaal Oude en Kostbare Werken van de UB, en nu zomaar op internet te vinden in de DBNL: het derde deel van de Natuurlyke Historie van Holland door Johannes le Francq van Berkhey, welk deel tussen 1772 en 1776 in afleveringen verscheen.

Na het zesde hoofstuk bevat het een fantastische antropologische beschrijving van de Hollanders. De auteur verwijlt bij hun voorkomen, kleding en karakter, hun zeden en gewoonten bij geboorte, huwelijk en dood, hun volksvermaken (schaatsen!), hun natje en droogje en hun ziekten.

Ik las het werk destijds om de passages over de vroedvrouw en de geboorte. Ook nu nog, spreken die me door hun aanschouwelijkheid zeer aan. Om de liefhebber een indruk te geven. zet ik hier wat citaten uit de pagina’s 1213-1233 op een rijtje:

“Onder de opgemelde schikkingen )…) nadert al vast de stond der smerte en der vreugde. De hoopende Moeder, de verlangende Vader, en de moedgeevende Ouderen reikhalzen na de uitkomst. Intusschen worden de bezoeken der Moeders en Vriendinnen verdubbeld; een ieder poogt de zwangere Vrouw met opbeurende troostredenen moed te geeven. Eerlang genaaken de voorbooden der weedommen. De Man, Knegt of Meiden loopen ten adem uit om de Vroedvrouw te haalen en te maaken dat de Baker by de hand is. De barenssmerten vermeerderen; ’t Huishouden geraakt in rep en roer; de Moeders, Meiden en Gebuuren draagen zorg, dat Vuurmand, Bed, Wieg, Luiers, en alles klaar is. De Vrouw begint, het spant ‘er, de verdubbelde wêen drukken ’t benaauwde zweet op het aanschyn, en men verwagt, naast den bystand van God en dien der natuurlyke kragten, uitkomst en hulp van de Vroedvrouw.

(…)

Als deeze Vroedevrouw gehaald is, onderzoekt dezelve den toestand der zwangere Vrouwe, en geeft hier van, naar omstandigheid van zaaken, berigt aan de Moeders, of Naastbestaanden. De gevoelens der Vrouwen zyn dan dikwils, naar ieders ondervinding, zeer verschillend; en ‘er gaan niet zelden veele belachelyke Wyvepraatjes om; vooral is ‘er by de Boerenvrouwen aan snappen en klappen geen gebrek; onder ’t welke de Vroedvrouw, als een Professor, het hooge woord voert. Intusschen word de Vrouw ter gemaklyker baaringe geschikt; het zy door haar op een Stoel, veeltyds een grooten Leuningstoel, te doen zitten; of haar op een Bedde of Matras, een Lang-Bed genoemd, ter neder te leggen. Hier toe is by de Landlieden, en ook hier en daar in de Steden, nog wel in gebruik, een zoogenoemd Kort-Bed. Het zelve bestaat uit één of twee Stoelen, die op de Bedstede, of des noods ook wel op den grond, in dien stand geleid worden, dat de Leuningen met het einde op den grond liggen, en de agtereinden om hoog schooren: hier tegen stuwt men dan Kussens of een Bed, waarop, of -tegen de Kraamvrouw zig in een gemaklyken stand bevind..

(…)

Zoo dra de Vrouw verlost zy, is het eerste werk, bekend te maaken wat ‘er jongs is; ’t welk het handige Wyf (de vroedvrouw HP) de geboorte afscheidende, dadelyk meld, door een geluk met een Zoon of Dogter; als eene tyding, naar welke het gantsche Huisgezin verlangt. Nu is ’t gevaar in zoo ver voorby; men juicht; ‘er is een Mensch gebooren! en ieder werkt mede, om het jonggebooren Hollandertje, en der Kraamvrouwe, het noodige te bezorgen. Op het ontvangen van de Vrugt langt men terstond warme Luiers; en brengt dezelve, lugtig ingewonden zynde, in den schoot der Grootmoeder, of der naaste in den bloede, of der Peetemoei, die zulks met een steekpenning beloont. Intusschen brengt men ook de afgematte Moeder, na de vereischte zuivering, en de behoorlyke sluiting der Lendenen, in een warm Bed.

 Terwyl dit geschied, worden de afgescheiden deelen der Geboorte, door de Grootmoeder, de Nabestaanden, en eene of andere Buurvrouw, naauwkeurig nagezien om op te merken, of er ook eenig gebrek in de behandeling zy; en nog wel byzonder, om dezelven ten vuure te bezorgen, ten einde alles door ’t vuur verteerd worde. Men houd, naamlyk, elkander, hoe ongerymd het ook zy, in den waan, dat het der Kraamvrouwe nadeelig zal zyn; wanneer dat alles, (…) niet geheel tot asch verbrande of verteere. Dan dit is ’t niet alleen; ‘er volgt nog eene tweede zwaarigheid; als men zegt dat het Kind met een Helm gebooren is. Hier omtrent zyn onze Hollanders veelal overbygeloovig; te weeten; men wil dat zulke Kinderen, indien dit niet verbrand worde, betoverd blyven; dat ze, geduurende hun leeven, zullen kunnen voorzeggen, in welk Huis eerlang een Lyk zal weezen. Zy zien, zegt men, de geheele Lykstatie van daar komen; kennen de persoonen, in den rang, in welken zy het Lyk volgen; en ’t is hun onmogelyk, dat Huis of de Lykstatie voorby te gaan; zy moeten, om zig van een doodlyken angst te bevryden, te rug keeren. Dit gevoelen, hoe zeer de reden daar tegen pleite, is hun, althans ten platten Lande, en onder ’t Gemeen, niet uit het hoofd te praaten; zelfs niet, schoon men ten duidelykste toone, dat die gewaande Toverhelm niets anders is, dan de verkeerde, of liever eene byzondere, plaatsing van het Vlies, op of om het hoofd van ’t Kind.

(…)

Zoo dra het jonggebooren Wicht (= kind, HP) dus (…) op de Vaderlandsche wyze gebakerd is, neemt de Vroedvrouw, die gewoonlyk de eerste Bakering verrigt, het Kind in den arm, om het den Vader aan te bieden; die het zelve, met de tederste kussen ontvangt, en aan de Vroedvrouw een steekpenning, welke op deezen tyd niet gering is, vrolyk toereikt. Deeze gewoonte, om het Kind den Vader te overhandigen, is zeer oud (…)

Terwyl Vader (…) het Kind dus wettigt, staan Grootmoeder, Moeien, Nigten, Vrienden en Buuren rondsom den Vader. Elk heeft het oog op het lieve Bekje; deeze, als zag het alrede, zegt: Wat kykt het my lief aan? Eene andere, als konde het al hooren, praat ‘er mede; en een derde schynt zich te verbeelden, dat het reeds lacht. De geestigsten der Vrouwtjes tuuren op de gelykenis naar Vader of Moeder. O! zeggen ze, wat lykt dat lachebekje naar Vader! Zie, ’t heeft oogjes als gittjes; wat ziet het snugger! Het mondje is Moeders proper mondje; het neusje is Vaders neusje; ja zelfs is ‘er Grootjes Voorhoofd in te kyken. De vreugd is dan zoo doordringend, en de sprookjes zyn zoo aartig, dat de Moeder agter ’t Gordyn, ondanks haare smerte, zelfs lache; en Vader, hoe verstandig anders ook, op dien tyd al zeer ligt gelooft, wat men hem zegt. Eindelyk treed de blyde Vader (…) met zyn lieve Telgje, naar het Kraambedde, en geeft het Moeder, met een hartlyken kus, over. Zy zegenen beiden hunne Vrugt met een stillen Ouderlyken Zegen, en looven God voor de verzagting der smerten, en de gelukkige uitkomst.”


De watermolen van de Bospolder

Molen Bospolder

Voor een habbekrats verworven: dit relatief zeldzame ansichtkaartje van de watermolen in de “Polder Gebr. Bos” te Vierverlaten, naar een foto die in oktober 1942 gemaakt werd door een W.O. Bakker.

De polder van de gebroeders Bos, ook wel de Bospolder geheten, was het meest westelijke stukje van de vroegere gemeente Hoogkerk (nu Groningen), waar inmiddels het westelijke en nog maagdelijke deel van het bedrijventerrein Westpoort ligt. Als zwetten zijn aangegeven:

–         noord: het Hoendiep;
–         oost: de tochtsloot van de Triplumpolder (die dichterbij Vierverlaten lag);
–         zuid: de vroegere Gronings-Drentse grens bij boerderij het Raadhuis;
–         west: de tochtsloot ten westen van het scheepswerfje bij de Poffert.

De polder is genoemd naar de familie Bos die hier enkele generaties lang boerde. Koene Harmannus Bos (1800-1871) zette op zijn ouwe dag, in 1862, de watermolen neer om zijn 31 hectare land droog te houden. In 1935 was zijn vastgoed het eigendom van een weduwe Pieter Bos en haar zoons en dochter. Die zoons bleven op het bedrijf, zodat dat ten tijde van de foto het eigendom van de gebroeders Bos heette. in juli 1963 werd hun watermolen zonder vergunning afgebroken en met een andere molen gebruikt voor herbouw tot woning te Vledder in Drenthe.

De Bospolder waterde niet naar het Hoendiep af, zoals je zou denken, maar naar het zuidelijker gelegen Drentse gebied van het waterschap Matsloot-Roderwolde. In 1981 kwam er een nieuw gemaaltje om de Bospolder en enkele belendende polders (zoals de Triplumpolder) tussen de A7 en het Hoendiep te bedienen.


Bron: Karel Engbers en Bertus Hempenius, Verzamelinventaris van de archieven van de bemalingswaterschappen c.q. -polders, zijnde molen- en pomppolders, die in het kerngebied van het waterschap Westerkwartier hebben bestaan (1790) 1824-1987 (Groningen 2010).


De Kikkercyclus van Jan Steen

Het Hoge der A, op de fiets kom ik er incidenteel nog wel eens langs.  Lopend haast nooit meer. Maar fietsend let je op andere dingen: tegenliggers, de mensen op het terras van De Sigaar. Pas nu ik er eens lopend langskom, valt me ineens die lage beeldengroep op. Terwijl die er toch al een paar jaar staat.

2013-10-29 009
Het eerste stadium – van water naar land:
2013-10-29 010
Het laatste stadium, waarin het amfibie bijna alligator-achtige trekken vertoont”:
2013-10-29 013
Verderop, aan de Pottebakkersrijge, een dashboard van een auto in een verder lege ruimte. Ook kunst. Althans, dat staat erbij op een bordje.
2013-10-29 017


Storm en storm is twee

Opvallend aan een berichtje over de doden bij de orkaan van 1972, is niet alleen de dubbeltelling van het enige Havelter slachtoffer – nee, het valt me op dat het meest mannen van in de vijftig zijn. Ze gingen toch op stap, alle waarschuwingen om binnen te blijven ten spijt.

Bij die orkaan van 13 november 1972 viel bij Havelte een heel bos omver. Zeer indrukwekkend was dat.  Het betrof een fors dennebos, gelegen in de zogenaamde Homanbossen langs de Van Helomaweg. Dat was op de hoofdroute naar school, zodat je nog jaren aan die storm herinnerd werd.

In mijn herinnering duurde die storm veel langer dan die van vandaag:


Bij de Hamersweg

2013-10-26 037

2013-10-26 2036