De erfenis van Napoleon in Veendam

Vanmiddag opende in het Veenkoloniaal Museum in Veendam de tentoonstelling ‘De erfenis van Napoleon‘. Met onder andere:

– Een enorme vergroting van Hauck zijn schilderij over het planten van de Vrijheidsboom op de Grote Markt in Groningen (1795), waardoor je allerlei  details ziet die je anders ontgaan:

2
– Een als legertent aangeklede oorlogszaal, waar vanmiddag twee gevaarlijke kerels voor stonden:
2013-11-28 034
– Een zaal over de bestuurlijke en juridische omwenteling, waar onder meer een echte guillotine opgesteld staat:
2013-11-28 052
– En een zaal met allerlei zaken in de empire-stijl, zoals dit serviesgoed:
2013-11-28 074


Vroege berichten over de Leekstertak

2013-12-01 052

Leekstertak in het Groninger Schaatsmuseum, Sappemeer.

“De Leekster ijsvereeniging, van wie men wel eens schertsend zegt, dat zij hardrijderrijen op touw zet, telkens wanneer het dooijen wil, heeft in de vorige week toch het geluk gehad, dat zij tweemaal eene onafzienbare schare naar de Leekster vlakte lokte. Dat de ijsclub echter de Friezen uitsloot,  was, ronduit gezegd, een beetje kinderachtig en niet bijzonder hoffelijk tegenover de vele Friezen, die in deze gemeente wonen. (…) Zou men het in de Leek vergeten zijn. dat het in vroegere jaren de Friezen waren, bij wie de beroemde Leekstertakken den meesten aftrek vonden? Helaas, ook de roem der Leekstertakken is onderworpen aan de wet der aardsche onbestendigheid. Voor ettelijke jaren, toen de Leek het doel was van honderden en duizenden schaatsenrijders, zag men geheele rijen van huiswaarts keerende Friezen, die zich met een fraaijen Leekster tak getooid hadden. En thans? Slechts zelden ziet men er nog een.”

Bron: Leeuwarder Courant 19 februari 1880 (bericht is ontleend aan de Groninger Courant en komt uit Leek zelf.)

Lieke-blommen

Vele schaatsenrijders uit de drie noordelijke provinciën stellen er prijs op, een bezoek op schaatsen te brengen aan het dorp De Leek, in het Westerkwartier aan het Leekstermeer gelegen en van daar een soort van kunstbloem van veeren, lint en klatergoud, Leekstertakje of struikje genoemd, mede te brengen. Aan dat overoude gebruik herinnert het schoone gedicht van wijlen dr. E. Halbertsma, de Lieke-blommen getiteld. (…) Wie op schaatsen naar De Leek was geweest en daar zulk eene bloem had gekocht, beschouwde zich als zijn proefstuk in de schaatsenrijderskunst afgelegd te hebben. Het spreekt van zelf, dat zulk eene bloem zorgvuldig wordt bewaard. Het kabinet is daarvoor de aangewezen plaats. Met oranjelinten aan een stapel linnen vastgehecht, valt de bloem den bezoeker bij het openen der deuren terstond in het oog. Kinderen en kleinkinderen beschouwen de trophee met ontzag en lang na bet verscheiden van vader en moeder blijft de bloem in eere, als een aandenken van geliefde betrekkingen, als eene herinnering aan de schoone dagen van weleer.”

Bron: Leeuwarder Courant 18 januari 1887.””

“In het noorden des lands biedt thans het Leekstermeer een der eigenaardigste uitstapjes aan. Dankzjj de daarheen leidende kanalen, en in de eerste plaats het Hoendiep, dat nu bij uitzondering eens heel mooi is, krijgt het druk bezoek en ondervindt de van ouds bekende Leekstertak eene onverminderde belangstelling. Geen vreemdeling keert huiswaarts zonder dit sieraad – eene kunstbloem van metaaldraad – aan hoed of muts of op de borst mee te brengen, als bewijs, dat men „achter de Leek” geweest is. In geheel het oostelijk deel van Friesland zijn maar weinige ridders van de schaats, die nog niet reeds zoo’n „Liekeblom” gehaald hebben. “

Bron: Het Nieuws van den Dag 22 december 1890.

“Van ouds is het dorpje Leek of De Leek, in het Westerkwartier van Groningen, een aantrekkingspunt geweest voor schaatsrijders. Naast het bezoeken, op één enkelen dag, van de Friesche steden, geldt een reis op schaatsen naar dat deel van Groningerland als een soort van heldenfeït. Het is dan de gewoonte der „Leeksters” om hunne bezoekers een „Leekstertak” of „Leekebloem”, een kunstig knipsel van gekleurd papier, uit te reiken, dat dan als herinnering wordt medegevoerd, door den rijder in het knoopsgat, door de rijdster ta ’t jak ien of tusschen de taille.

Het is geen ongevaarlijke tocht doorgaans over het Leekstermeer, met wakken en gaten. Daarom geldt de „Leekstertak” nog steeds als’ een zegeteeken na betrekkelijke waaghalzerij…

(…)

Nog heden ten dage wordt de Leekstertak gehaald en in eere gehouden. De Leek zelf zet haar beste beentjes voor, om het den gasten zoo prettig mogelijk te maken en ook hier doet Koning Reclame het overige. „Prachtige banen over het Leekstermeer, zoo wordt er in de couranten geadverteerd, er van banen géén sprake kan zijn. Natuurlijk! De Leeksters weten het ook: „van wat, komt wat,” een druk bezoek heeft tengevolge, een drukke nering.”

Bronnen: Nieuwsblad van het Noorden 27 februari en het Nieuws van den Dag 3 maart  1895 (beide met een eigen bewerking van een Telegraaf-bericht).


De Lindbergh-pijp voor tevreden rokers

1928 Lindbergh pijp
Jammer genoeg raakte de tekstdichter in de laatste regel gedesoriënteerd. Daar verloor hij het Willy-Alfredo-achtige metrum uit het oog, dat hij in voorgaande regels nog strak hanteerde,

De advertentie stond in 1928 in de vaderlandse kranten. Uiteraard was de aangeprezen pijp genoemd naar de luchtheld Charles Lindbergh, die een jaar eerder als eerste vliegenier een non-stop vlucht maakte van de nieuwe naar de oude wereld. Toch was de naar hem genoemde pijp niet Amerikaans, maar Frans. Of hij voor het gebruik van zijn naam ooit een centime van de fabrikant zag, waag ik te betwijfelen.

De Lindbergh-pijp was een zogenaamde systeempijp, bedoeld tegen een teveel aan vocht in de steel tijdens het smoken. Dat vocht kwam er vooral in bij het roken van gesausde tabakken. Volgens Don Duco, de conservator van het Amsterdam Pipe Museum, waren er twee versies van de Lindbergh-pijp, de Metallique en de Spiralo: “Beide pijpen”, aldus Duco, “zijn op de Nederlandse markt van aanzienlijk belang geweest”.

Dat laatste kan kloppen, want mijn grootvader rookte bij gelegenheid ook een. Hoewel hij ernaast wel aan een kromme pijp lurkte. Hoe dan ook ging er alleen maar Friesche Heerenbaai in, van de Groningse fabrikant Niemeijer. Volgens mij niet de zwaar gesausde tabak die al dat vocht in de hand werkte.


Drie kraaien, een dooie ridder en een jonkvrouw

zzzraven invers

Oftewel The Three Ravens van Thomas Ravenscroft (ca. 1610) in versies van:


Nieuwsblad looft prijs uit voor doffer

img120

Op vrijdag 16 november 1956 organiseerde de Asser postduivenvereniging ‘De Luchtbode’ een grote tentoonstelling voor de Groningse en Drentse leden van de Algemene Bond van Postduivenhouders. Op deze expositie werden maar liefst 1020 van hun duiven gekeurd. De mooiste volwassen vogel volgens de jury was die van L. Vlieger (!) en J. Meijers uit Assen. Kregen de heren hiervoor een wisselbeker, wegens de mooiste jonge doffer ontvingen ze tevens de medaille, die de directie van het Nieuwsblad van het Noorden had uitgeloofd.

Het was ook de enige keer in ruim een eeuw dat Nieuwsblad-directie zich bemoeide met de ‘renpaarden van de arbeider’. Althans, in de gedigitaliseerde leggers van hun krant is alleen dan sprake van een dergelijke prijs. Ik moet dus aannemen dat de medaille die ik van de week van een vrouw uit Leek kocht, een volstrekt uniek exemplaar is. Als ik erop uitgekeken ben, gaat het stuk naar het Groninger Museum.


Rondje Eiteweert-Leegkerk

Zilverachtig oplichtend riet bij de Madijk:
2013-11-23 002
Grote Canadese ganzen bij de Bruilweering:
2013-11-23 004
Reiger met parmantig opwaaiend kuifje bij de Roderwolderdijk:
2013-11-23 009
Het schuurtje bij Leegkerk is bij de storm laatst grotendeels ingestort:
2013-11-23 016
2013-11-23 020
2013-11-23 026
Eerst dacht dat de boer het ding aan het herbouwen was, maar het lijkt er meer op dat hij schotten plaatst voor het resterende gedeelte:
2013-11-23 028
Blaarkopkalvertjes in de zon, daar vlakbij:
2013-11-23 041


“De schrik der smokkelaars” – mijn opa aan de grens in 14-18

Een register van de voormalige gemeente Finsterwolde laat zien dat mijn grootvader Harm Perton nog heeft moeten loten om per 3 september 1912 in militaire dienst te mogen bij het 1e regiment 3e compagnie 1e bataljon infanterie:
0 - 1912 loteling
Volgens zijn zakboekje kwam hij iets eerder, namelijk al op 22 mei 1912, op voor de eerste oefenperiode, die tot 21 september duurde. Van 2 december dat jaar tot 31 januari 1913 zal hij een periode van herhalingsoefeningen hebben  gehad. In totaal besloegen deze beide perioden iets meer dan zes maanden, wat nog viel te overzien:
0 - 1912-1917
Hij behoorde echter ook tot de lichtingen die op 1 augustus 1914, meteen bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, werden gemobiliseerd.  Pas met de vestiging van een militaire dictatuur bij de oosterburen, medio juni 1917, was hij weer vrij man. Tijdens de oorlog lag hij dus ruim 2,5 jaar onder de wapenen. Uit deze periode dateren enkele automaatfoto’s van hem:
0 - automaatfoto's
Zijn eerste standplaats was Apeldoorn, waar heel veel Groninger jongens lagen. Waarschijnlijk moesten ze daar als kanonnenvoer bij een eerste Duitse aanval de IJssel afdekken, zodat de Hollanders genoeg tijd hadden om hun waterlinie in te stellen. Ter bestrijding van de verveling werden er cursussen gegeven, o.a. in bijenteelt. Ik heb zo’n idee dat mijn opa die als fervent bijenliefhebber gevolgd heeft.

Een bericht van 29 maart 1915 naar het thuisfront laat zien dat de postbode in Finsterwolde ook zonder vermelding van een straatnaam wel het huis van zijn vader, de schoenmaker Geert Perton, wist te vinden:
KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

“Lieve ouders en z.

Door dezen kan ik u berichten dat ik goed ben overgekomen. Om kwart voor elf was ik thuis. Schrijf eens spoedig terug hoe of het met vader is.

Vele groeten van u liefhebb. zn. Harm”

Van bovenstaande prentbriefkaart, in het bezit van verre familie, heb ik de voorkant niet gefotografeerd. De volgende, met een plaatje van een straat aan de zuidkant van Zwolle, bezit ik zelf:
1915.5.27 Apeldoorn a
Deze is verstuurd vanuit Apeldoorn op 27 mei 1915. De adressant heet nu “mr. schoenmaker”, overigens de enige keer dat zijn zoon hem zo noemt:
1915.5.27 Apeldoorn b
Door het gebruikte kleurpotlood is de tekst nogal vervaagd. Deze luidt:

“Lieve ouders en zr. (= zusters meervoud)

Met dezen kan ik u berichten dat ik goed ben overgekomen. Verder alles wel.

Hartelijk gegroet van u liefhebb. zn. Harm”

Van Apeldoorn werd hij eind 1915 of begin 1916 overgeplaatst naar Losser aan de Twents-Duitse grens. Hoewel nooit een man van veel woorden, is hij daar in augustus 1916 wat spraakzamer dan anders:
KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

 “Lieve ouders en z.

Bij dezen kan ik u berichten dat ik nog goed gezond [ben], hopend van u allen hetzelfde. Zooals V. (= vader) schrijft vallen de bijen nogal wat mee. Ik heb verleden [week] een korf met bijen gekocht voor ons dienstgeleider Geertsema, waar F. (= Fennechien, mijn grootmoeder?) morgen logeert, gekocht voor een spotprijs van ƒ 2,-. Hij woog 14 pond. Ik kon nog wel meer dunkt me koopen, doch nu kon ik ze niet over krijgen.

Weer hartelijk gegroet van u liefhebb. zn. Harm”

een week of wat later poseert zijn onderdeel (25. BuK 25.) daar in Losser voor de fotograaf. Met een kepie op het hoofd en een kromme pijp in zijn mond zit hij uiterst rechts op zijn dienstfiets, de arm geslagen om de schouders van een ongeüniformeerde kameraad die een revolver schuin omhoog houdt. Saillant detail: op het tafeltje voor de groep mannen staat een bordje met de tekst ‘De schrik der smokkelaars’:
1916.10.10 Losser a
De foto ging twee maal, op 11 september en 10 oktober als ansichtkaart naar het thuisfront:

1916.10.10 Losser B
De eerste keer, gericht aan zijn zuster Marie die bij de tandarts Addinga in Winschoten in betrekking was, had hij geen nieuws te melden. De tekst achterop de tweede luidt:

“Lieve ouders en z.

Bij dezen deel ik u weer mede dat ik goed en wel ben overgekomen. ‘k Heb de overjas vergeten hè! Laat hem maar liggen tot de volgende keer.

Mijn hartelijke groet, u liefhebb. zn. Harm”

Het pièce de résistence uit mijn collectie verstuurde hij op 26 februari 1917 vanuit Losser:

1917.2.26 Losser a
Dit keer ging de kaart opnieuw naar zijn zuster Marie:
1917.2.26 Losser B

“Lieve Z.!

Bij dezen deel ik u mede dat ik nog goed gezond ben, hopende van u hetzelfde. Ge zult wel denken: H. schijft helemaal niet. Deze nacht sta of liever gezegt zit we in de voetzak ’s nachts over de grens te loeren. Wat leuk hè! Zaterdag kom ik met verlof, 3 mrt om half zeven in W[inschoten] ’s avonds. Ze zullen me wel een fiets sturen van huis denk ik.

Tot zaterdag.

Wees hartelijk gegroet van mij u liefhebb. br. Harm”

Tot slot weer een onbeschreven groepsfoto, gemaakt door fotograaf B. van der Zijl in de laatste week van mijn opa’s diensttijd, dus in juni 1917, achter de kazerne aan de Hereweg in Groningen. Hij zit aan de voeten van de wit uitgemonsterde kok en kijkt volgens mij niet al te vrolijk:
1917.6 Groningen laatste week


Een melancholieke Mercurius en andere veenkoloniale glaskunst

Was vanochtend even in het Veenkoloniaal Museum in Veendam. Fijne glaskunst hebben ze daar:

– Groot glas-in-loodraam:

2013-11-20 006

Elders gebrandschilderde ramen – detail met scheepvaart en industrie:

2013-11-20 077

Een enigszins melancholieke Mercurius, god van de handel:

2013-11-20 078

Landbouw en landbouwmechanisatie:

2013-11-20 080


Een filmavond in Hoogkerk met Tjerk Bekius

kruidenier Hoogkerk

Bij een besloten filmavond geweest van Tjerk Bekius voor een groep oudere Hoogkerkers, veelal zeventigers en tachtigers.

Het mooiste was toch als die beelden van een voor hun herkenbaar verleden voorgeschoteld kregen. Vooral bij de dorpsfilm, gemaakt door de kruidenier Mulder was dat het geval. Daarbij kwamen veel namen los van mensen die in de film geportretteerd waren. Tjerk had eigenlijk een microfoon moeten ophangen en een recorder mee  moeten laten draaien met de film. Dan kon een beschrijver gelijk al veel meer houvast krijgen. Als een dergelijke opzet te bedreigend werkt, dan is een soort van notulist wellicht een optie.

Bij de beelden uit de jaren dertig was de respons overigens opvallend veel minder groot, dan bij de beelden uit de jaren vijftig. Je zou verwachten dat mensen die in de jaren vijftig hun memory hub hebben liggen, op hun dorp ook wel wat van een ouwere generatie zouden kennen. Dat viel een beetje tegen. Het verschil in bekendheid met de geportretteerden van voor en van na de oorlog zou er ook wel eens op kunnen duiden dat de bevolking hier vlottender is geweest, dan je misschien geneigd bent te denken. Net als menige stadswijk was Hoogkerk mogelijk een doorgangshuis.


‘Tal van akelige vermoedens…’

akelige vermoedens

Bron


Spel & Kunst

boerderij spel Max Dohle

Ik kom een filosoof tegen en die zegt dat spel geen doel heeft en geen nut.

En daar geloof ik geen snars van. Spel is vaak een oefening voor een latere praktijk. Kijk maar naar dieren. Het stoeien van jonge katten preludeert op de gevechten later in hun leven, waarmee territoria en voortplanting worden bepaald. Uiteraard bedoelen de jonge katten dat niet, ze hebben geen notie van een toekomst. Toch is dat het doel, en heeft het dat nut. Zonder al dat spelenderwijs geoefen, zal een kat later sowieso het onderspit delven.

Diezelfde filosoof beweert ook dat spel en kunst gelijkwaardig zijn aan  elkaar en vele overeenkomsten kennen. Kunst is een spel volgens hem. Kunstenaars leren van spel, maken spel tot kunst.

Inderdaad zijn er spielerische kunstenaars. Maar vaak blijken die wat minder in tel. Men heeft in het algemeen veel liever bloedserieuze conceptualisten en zwetsers in het luchtledige dan een lichte toets en humor. Volgens mij althans.

Ik vind ook dat de filosoof de verschillen tussen kunst en spel veronachtzaamt. Dieren doen wel aan spel, maar niet aan kunst, tenzij ze daartoe aangezet zijn door kunstenaars als Wim T. Schippers (en dan nog stemt het resultaat ons lacherig, omdat het niet strookt met onze preconcepties over kunst). Dieren doen niet uit zichzelf aan kunst omdat ze niet kunnen plannen, geen dingen kunnen opzetten, bijvoorbeeld ook geen rollen kunnen instuderen, terwijl kunst daarentegen altijd iets cerebraals, iets vooropgezets en planmatigs houdt, zelfs als ze dat met opzet niet wil.

Inherent aan kunst is een beheersing van de tijd, die juist aan spel ontbreekt, hoe nuttig dat spel in de toekomst ook is.

Het plaatje heb ik ooit eens geleend van Max Dohle.


Le Hachek en zijn vrouw geportretteerd

Naar aanleiding van de logjes over de fakir Le Hachek en zijn vrouw Netty Streef, kreeg ik deze gesigneerde foto van iemand die ze heeft gekend:

1-fakir Le Hackek-001blog

Dezelfde foto blijkt ook tot ansichtkaart verwerkt voor reclame-doeleinden. Dit is de achterkant, waarbij hun huis ‘De kleine Wereld’ in Oosterwijtwerd nog een letter- en nummeradres heeft,:

img109blog

Optreden voor radio en televisie – hier met hoofdletters geschreven – is allang niet zo bijzonder meer als in de jaren zestig, toen we één, uiteindelijk twee TV-zenders hadden, Geen artiest zal het meer als aanbeveling gebruiken. Geen artiest verspreidt nog van dergelijke kaartjes.

Met dank aan H.B. en J.S.


Bossina en de typische kunstenaar

1923 Bossina blog

Bij mijn weten heeft deze artistieke, kennelijk grappig bedoelde, maar toch ook wel wat vooroordeelbevestigende  advertentie van de befaamde Groninger firma Bossina niet zo vaak in de krant gestaan. Toen ik ernaar ging zoeken kon ik het exemplaar waarin ze gestaan had, helaas niet terugvinden. Wel kwamen er allerlei conventionele advertenties van Bossina voorbij, waar kraak noch smaak aan is. Mogelijk kon de artistieke advertentie niet door de beugel van de snel verhitte cliëntèle, en is ze daarom niet zo vaak geplaatst.

Het plaatje dateert uit 1923, dat heb ik indertijd nog wel genoteerd. De letters, zowel de chinezerige boven als de bol welvarende beneden zijn handgetekend. Links de indertijd archetypische kunstenaar, met flaphoed, lang haar, een opgedraaide snor en een sik. Hij heeft een te wijd uitgevallen broek en puntschoenen aan. Zojuist heeft hij een portret op de signatuur na voltooid en hij toont het model zijn werk. Zij zwaait alvast met haar staart. Straks loeit zij goedkeurend.

Aan de couleur locale is ook gedacht. In de verte achter de schildersezel zien we de Martinitoren links en de toren van de A-kerk rechts. Hetgeen betekent dat we het tafereeltje van de schilder en zijn model ten westen van de stad moeten situeren. Omdat de zon laag staat en als het ware tussen beide oudste stadskerken door schijnt, is het nog vroeg in de ochtend. Deze schilder is bepaald geen nachtbraker en langslaper. Wat dat aangaat, heeft hij niets weg van een later stereotype.


Spaarpotterij

spaarpot Nutsspaarbank

Deze heb ik om het ontwerp gekocht, maar er kleeft ook een vage herinnering aan. Rond 1963, 1964 moet ik een soortgelijk spaarpotje hebben gehad, maar dan in het groen en met een ander plaatje erop. Hoog op de ronding rechts zit de gleuf waar de centen, stuivers, dubbeltjes en kwartjes in moesten. Op de ronding links zit een kijkgaatje waardoor je kon zien hoe hoog je pecunia zich al had opgestapeld.

Ook het nu verworven exemplaar stamt uit de jaren zestig. In de tweede helft van dat decennium fuseerde de Nutsspaarbank Zuidbroek met die van Noordbroek, terwijl deze fusiebank per 1 januari 1970 weer samenging met de Nutsspaarbank Groningen, welk consortium voortaan ging opereren onder de gezamenlijke naam Bondsspaarbank. Overigens bleef de oude naam in advertenties nog vrij lang klein en tussen haakjes onder de nieuwe naam staan, alsof men bang was dat klanten door de naamsverandering de weg naar de bank niet meer terug zouden vinden.

Om op mijn spaarpot terug te komen, volgens de verkoper zat er geen sleutel bij, want die had de bank. Hetgeen strookt met een uitlating van ene Hans Vervoort hier, dat de sleutel in beheer was bij de bank. Volgens oud-Nutsspaarbank-medewerker Jan Kneepkens, die  er eveneens reageert en dit onderstreept, waren er “tientallen verschillende sleuteltjes”. Ook afgezien daarvan was het systeem tamelijk bewerkelijk:

“…moet zeggen dat ik mij blauw heb geteld aan die spaarbusjes, alles werd op een plank gekieperd en geteld. En achteraf ik maar rolletjes draaien.”

Overigens zwerven er nog heel wat van zulke spaarpotten op ’t internet rond. Er blijken zelfs mensen te zijn die spaarpotten sparen en daarvan met foto’s getuigen. Zo trof ik de evenknie van mijn spaarpot uit Noordbroek aan, waarop niet alleen het bankgebouw de plek inneemt van het bij-met-honingraatlogo, maar ook een slagzin staat:

Gij mist niet hetgeen hier in gaat,
Doch staat verbaasd over wat eruit komt.

Dat laatste zal niet gebeuren bij mijn spaarpot. Er zit namelijk geen rooie cent in. Dat de sleutel zoek is, maakt dus niet uit.


Klaproosdag

11 november Dag van het Oorlogsgraf klaproosdag

Behalve Sint Maarten, is het vandaag ook Wapenstilstands– en Klaproosdag.

Waar ik vandaan kom, had de Klaproosdag de oudste rechten. Als kind heb ik nooit met een lantaarn gelopen, dat was in Zuidwest-Drenthe iets wat volgens mij pas vanaf de tweede helft jaren van de zeventig ingang vond, Daarentegen kwam er op 11 november altijd wel iemand aan de deur met een collectebus. Nadat mijn vader er wat in had gedaan kreeg hij een papieren klaproos met – meen ik – een speld, die nog dagenlang op een zichtbare plek ergens in huis lag.

De Klaproosdag is van Engelse origine. Vanaf ongeveer 1919, 1920 gingen vrouwen en meisjes op Wapenstilstandsdag (11/11) in de steden rond met klaprozen, om er geld mee op te halen voor het onderhoud van oorlogsgraven. De klaprozen herinnerden aan de slagvelden in Vlaanderen, waar ze volop tussen de kruisen groeiden.

Vanaf 1946 was Klaproosdag ook in Nederland in zwang. Eerst ging het geld naar bloemen op oorlogsgraven, later naar reizen voor nabestaanden die nog nooit het graf van hun familielid hadden kunnen bezoeken. In 1967 lijkt er sprake van een collectemoeheid en drie jaar later werd landelijk de laatste Klaproosdag gehouden. Alleen in steden met veel oorlogsgraven in de buurt zoals Nijmegen en Sittard bleef Klaproosdag tot op de dag van vandaag bestaan.