Waarom Geert Perton een dagje moest brommen
Geplaatst op: 14 december 2013 Hoort bij: Familie 4 reactiesOp latere leeftijd gold mijn overgrootvader Geert Perton (1864–1949) als een uiterst strenge man. Het was niet de bedoeling dat zijn kleinkinderen, zoals mijn vader, spraken tijdens het eten. Deden ze dat wel, dan gaf hij ze een “klabatse” met zijn pet.
Vandaag bleek me, dat hij zelf in zijn jeugd een strafblad opliep.
Op 9 juni 1877 was hij ’s morgens met zijn eveneens 12-jarige kameraad Frieso (ook wel Vrieze) Modderman op de Ekamp onder Finsterwolde betrapt op het afsnijden van gras van een wal. De eigenaar van die wal, ene Harm de Boer, had daar geen toestemming voor gegeven. Wegens hun “arglistige” diefstal maakte veldwachter Lier van Finsterwolde proces-verbaal op tegen beide jongens.
Een maand later moesten ze voorkomen in het kantongerecht van Winschoten. Ze bekenden het feit,
“wel wetende dit niet te mogen doen omdat ’t hun niet toekwam, doch dat zij wat gras voor hun lammeren wilden plukken”.
De officier van justitie eiste tegen elk 50 cent boete of een dag gevangenisstraf. De rechter, die de diefstal bewezen achtte, maakte hier in zijn vonnis een dag celstraf van, waarschijnlijk omdat de jongens die twee kwartjes niet konden betalen.
Het heeft er dus veel van weg, dat Geert Perton in zijn jonge jaren een dagje heeft moeten brommen. Als schoenmaker zong hij later wel spotliedjes op de boeren. Ik denk dat dit akkefietje daar niet vreemd aan was.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, toegang 154 (Kantongerecht Winschoten) inv.nr. 109 (vonnissen en processen-verbaal 1877) no. 111. Met dank aan Jan-Paul Wortelboer voor het attenderen op dit stuk!
Achter de schermen van het ANP
Geplaatst op: 11 december 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Media 7 reactiesBaonevegerslaid
Geplaatst op: 6 december 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Taal 1 reactie
Ik bin Aolderk Braik
Nooit genog, nooit zaik,
‘k Was vanmörgn al vroug an ’t vegen:
‘k Heb nog niks verdaind,
Wèl acht klokjes laind,
As ’t deuweer is, valt er regen!‘k Zwaitte d’ haile dag,
Moar gain mensch dei ’t zag; –
Doar heb ik zoo’n dörst van kregen.
Gao zoo nait veurbie.
Denk ook wat aan mie!
Hei meneer! I harrn d’r hoast legen!‘k Veeg al vairtig joar,
‘k Heb nou al gries haor
En ain blauwe neuze kregen.
Juffer, geef i nait?
Goud, dat ik dat wait,
‘k Zel joen buutse straks ais wegen!
Uit: E.G. Panman, Winter in ’t Oldambt. Schildering uit ons volksleven in den Oldambtster tongval (Drieborg 1894).
Woordenlijstje:
- klokjes = borrels
- deuweer = dooiweer
- buutse = zak in of onder de rok (met geld)
Winschoter Zwarte Pieten droegen ook mijters
Geplaatst op: 5 december 2013 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties

Bron: Winschoter Courant 6 december 1895.
Commentaar: De Winschoter Sinterklaasviering van 1895 voldeed in alles aan het script zoals we dat nu nog kennen. Met een belangrijke uitzondering: Sinterklaas en de beide Zwarte Pieten droegen alle drie een mijter met opschrift.
Iemand die verstokt aan het hedendaagse scenario hangt, zou de Winschoters nu kunnen gispen wegens hun afwijking van de rechte Sinterklaasleer. Maar daarmee zou deze persoon dan tevens zijn historische onbenul etaleren. Er bestond nog geen volledig gestandaardiseerde sinterklaasviering, eind negentiende eeuw.
Overigens zouden die gelijke kappen een heleboel problemen hebben kunnen voorkomen. Het naar Winschoter voorbeeld alom openstellen van de hoge hoofddeksels voor mijterreclame, zou op veel plaatsen bovendien een financieel aanmerkelijk betere basis hebben gelegd onder de Sinterklaasviering.
Heer gemolesteerd om zwarte knecht
Geplaatst op: 5 december 2013 Hoort bij: Stad toen 4 reacties“Op het gemoveerde ter vergadering dat den Heer Woordman onlangs uit West Indiën terug gekoomen, voor enige daagen met de koets door de Heerestraat passeerende door het gemeen seer soude sijn gemolesteert, veroorsaakt doordien er een swarte knegt agter op de koets hadde gestaan – waarop gedelibereert zijnde hebben de HHren Burgemren en Raad den Advocaat Fiscaal gelast zig hierop nader te informeeren op rapport.”
Een heer, pas terug uit West Indië, komt met zijn koets door de Herestraat en wordt daar lastig gevallen door het volk, omdat er een zwarte knecht achterop die koets van hem staat. Althans, zo luidde, begin 1779, het verhaal in het Groninger stadsbestuur. Burgemeesteren en Raad gaven daarom hun aanklager opdracht de zaak in onderzoek te nemen en daarvan in hun midden verslag te doen.
Helaas is dat verslag er niet. De aangehaalde acte (lastgeving) vormt de enige bron voor dit gevalletje. Dat er geen vervolg-acten, noch een aanklacht, verhoren en/of een vonnis te vinden zijn, zou kunnen betekenen dat het hele verhaal niet serieus te nemen viel. Ook is het mogelijk dat het slachtoffer geen van zijn belagers wist te identificeren, wat ook wel logisch zou zijn bij iemand die heel lang niet in de stad was geweest. Hoe dan ook achtte men het wèl plausibel, dat stad-Groningers van de kook konden raken door een Afrikaan. De implicatie is, dat mensen hier nog totaal niet aan een andere huidskleur gewend waren.
Met de Woortman, begrijp ik van expert Michel Doortmont, kan niet bedoeld zijn de Pieter Woortman (1700-1780), die van 1767 tot zijn dood namens de Westindische Compagnie (WIC) Directeur-Generaal van de Nederlandse Goudkust was. Deze uit Brandenburg afkomstige Duitser kwam daar in zijn jeugd als soldaat terecht, was na het uitdienen van zijn contract een tijdlang kruidenier in Groningen, keerde berooid terug naar West-Afrika en klom toen op tot steeds hogere functies. Hij verwekte zes kinderen bij een Afrikaanse vrouw, met wie hij een zeer lucratieve en grootschalige slavenhandel dreef. Daarin participeerde ook zijn oudste zoon uit een eerder Nederlands-Frans huwelijk. Misschien was het deze Johannes of Jan Woortman, die in de Herestraat belaagd werd om een zwarte palfrenier. Een andere mogelijkheid is Woortmans jongste Nederlandse zoon Jacob, die uitgerekend in 1779 een behangselfabriek in de stad Groningen begon.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Rechterlijke Archieven III (stad) tt (op microfiche), Actenboek stadsbestuur van Groningen d.d. 22 januari 1779.
Bastaards Willem II naar Frederiksoord?
Geplaatst op: 4 december 2013 Hoort bij: Drenthe vrogger 1 reactieEen mooie legende, opgedist door mijn ouwe kameraad Wil Schackmann:
Sappemeerster ornamentiek
Geplaatst op: 3 december 2013 Hoort bij: Ommelanden Een reactie plaatsenBalkonhekje uit pak ‘m beet 1870, 1880 aan de Borgercompagniesterstraat:

Scheepsjagers te kust en te keur bij de gedempte kanalen:

Het lokale equivalent van de Everly Brothers:

Een dichtgespijkerd bovenlicht bij de gerefomeerde gezindte:

Het allereerste ooievaarsstation
Geplaatst op: 3 december 2013 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenIn november 1769 liet Albert Coops (69) zich vinden in de gehoorzaal van het Groninger stadhuis. Hij vertelde de heren daar,
“…hoe uit eigen vermaak nu zedert 6 jaren twee ooijevaars heeft aangehouden, opgequeekt en tot dusverre nog in leven, waardoor ontdekt heeft in hoeverre de natuur zo door veranderinge van voetzel als climaat van lugt, dat die beesten zig hier zomer en winter kunnen ophouden…“
Daarom was hij van plan,
“de aanfokking dezer vogelen in deze stad te obtineren door in ’t toekomende nog een of twee ooijevaars zig magtig te maaken.”
Helaas had hij een “merkelijke verswakking weegens sijn kostwinning” ondervonden en was hij niet in staat nog langer het onderhoud van de vogels te betalen. Reden voor zijn verzoek aan het stadsbestuur
“dat aan hem een seker quantum van penningen jaarlijx moge werden geaccordeert, tot onderhout en oppassing van die vogelen”
Burgemeesteren en Raad echter, voelden hier niets voor. Zij wezen de gevraagde subsidie zonder meer van de hand.
—
Bron: Groningsche Volksalmanak 1898, de bladvulling op p. 106.
Sansculottendrama in Termunten
Geplaatst op: 3 december 2013 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Ontvangstpost van zondag 29 maart 1795 in het diaconieboek van Termunten, toen de Fransen nog maar pas hier waren. Bij de collector (belastingontvanger) lagen twee Franse soldaten, zogenaamde jagers, ingekwartierd. Hoewel de diaken ze “cammeraten” noemt, schoot de een de ander dood in zijn bed. Dit gebeurde om 9 uur ’s ochtends en twee uur later werd de dode al op het kerkhof begraven door de buren van de middelste kluft (= dorpswijk). “Eenige carmijolen” (naar de carmagnole genoemde revolutionaire Fransen) volgden de kist. De Termunter diaconie collecteerde bij deze snelle uitvaart met haar bekken (een soort van schaal op pootjes) en haalde zodoende 2 stuivers en 6 duiten voor de armen binnen, relatief een tamelijk geringe opbrengst voor zo’n bekkencollecte.
Kennelijk had het plaatselijke gerecht de bewijsvoering bij dit “droevig geval” vrij gauw rond, en was er ook snel een geneeskundige bij geweest om lijkschouwing te doen. De overlevende militair zal zijn berecht door een Frans militair tribunaal. Zo de stukken daarvan bewaard zijn gebleven, bevinden die zich in Parijs.
‘Ruk die slijm los’ en andere najaarsadvertenties
Geplaatst op: 2 december 2013 Hoort bij: Stad toen 2 reacties1901:

1933:

1935:

1936:

Schaatshistorie in Sappemeer
Geplaatst op: 1 december 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Ommelanden 2 reactiesIn het alleen op zondagmiddagen geopende Groninger Schaatsmuseum leidt de eigenaar je persoonlijk rond.
Dit zijn Groninger scheuvels, ook wel ‘schippers’ genoemd. Wat ze onderscheidt van Friese en Hollandse schaatsen is hun extra hoge voorkant, die wel wat lijkt op de boeg van een schip. Het hout ervan werd gebogen zoals scheepsbouwers de spanten van schepen bogen, met behulp van water en vuur. Je zag er vooral schippers op schaatsen:

Elders boog men de voorkant niet, maar zaagde die uit een blok hout. Tot voorbij de oorlog had je nog vele merken, die met name afkomstig waren uit Friesland:

Lokaal geproduceerde ‘krolnebde schuivels‘ uit de achttiende eeuw – de smid zorgde voor het ijzer, een stelmaker of timmerman maakte de voetstapel en een schoenmaker of een zadelmaker zorgde voor de riempjes:

Diverse palmares:

Swierstokken voor ’t gezamenlijk optrekken:

Affiches, zoals deze van Nooitgedagt:

Vanwege de tentoonstelling over de korte baankampioenschappen die vroeger gebruikelijk waren, kwam de weduwe van Evert Kramer langs met plakboeken en prijzen van haar man. In 1956 troefde hij in Joure de Friezen af:

De oudste metalen schaats in de collectie, een exemplaar van voor 1600, kwam of all places uit Maastricht:

Filmpje TV Noord over de jubileumtentoonstelling;
Filmpje TV Noord over het schaatsmuseum in het algemeen.
Vier opmerkelijke schaatsberichten uit Stad & Lande
Geplaatst op: 30 november 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 1 reactie“De winter heeft eene eigenaardige gedaante aan onze stad gegeven. Duizende stedelingen vermaken zich op het sterke ijs en bezoeken de omliggende dorpen. Duizende landlieden komen bij ons ten bezoeke , om het ijsvermaak te genieten en op de aangenaamste en snelste wijze hunne benoodigdheden van hier te erlangen. Vooral voorleden Vrijdag, bij gelegenheid van den marktdag, vertoonden de Brug-, Ebbinge- , Poel- en Oosterslraten een bijzonder tafereel, daar zij wemelden van met schaatsen behangene landbewoners, die Gruno’s wallen waren komen opzoeken, en veel vertier in dezelve bragten.”
Bron: Groninger Courant 16 januari 1838.
“(Ingezonden.)
Hoogezand den 8 Januarij. Als een’ kleinen tegenhanger van de drie heeren van Sneek (zie Gron. Cour. van den 7 Januarij 1845) kunnen wij mededeelen, dat drie heeren van het Hoogezand dezen winter op schaatsen zijn gereden van hier naar Amsterdam en terug; hebbende den afstand van Assen over Zwartsluis en Kampen, langs de zeekust tot Amsterdam, afgelegd in 12 uren.”
Bron: Groninger Courant 10 januari 1845.
“Men meldt ons uit Tolbert, van den 5den dezer: Heden namiddag te twee uren werd ons dorp niet weinig verrast, toen men onzen waardigen onderwijzer met een 60tal kinderen zag op schaatsen gaan rijden, hetwelk een uitstap is geweest naar Enumatil; te vier uren waren zij weder gezamenlijk terug. Dank zeggen de ouders aan onzen waardigen onderwijzer voor een winteruitstapje aan bun kroost geschonken.”
Bron: Groninger Courant 11 januari 1848.
“(Groningen 20 januari) Op den 18den dezer is door een detachement van het 8st[e] regiment infanterie, onder kommando van den eersten luitenant De Vree, gewapend eene militaire wandeling buiten de Apoort op schaatsen gedaan, waarbij eenige militaire manoeuves werden uitgevoerd, welk een en ander eene menigte toeschouwers uitlokte. De afstand vnn hier naar de Vier Verlaten is door hen in den tijd van 13 minuten bij den heen-, en 15 minuten bij den terugrid afgelegd.”
Bron: Groninger Courant 21 januari 1848.
De schoolmeesters en het schaatsen
Geplaatst op: 29 november 2013 Hoort bij: Geschiedenis 5 reacties
Bij de enquète die ons in 1828 de schoolmeestersrapporten opleverde, was ook een open vraag naar de volksvermaken Slechts 16 van de 130 schoolmeesters noemden daarbij het schaatsenrijden. Veel vaker noemden ze de kermissen en jaarmarkten, de boeldagen, de harddraverijen en de winteravondvisites. En toch was dat scheuvelen een algemeen vermaak, zoals ook wel blijkt uit het antwoord van de schoolmeesters te Engelbert en Niehove:
De eerste verklaarde:
“De eenige uitspanningen, die meest allen met graagte beoefenen is het schaatsen ryden.”
Terwijl de tweede schreef:
“Des winters vinden velen hier eene uitspanning op het ys, zoo wel de landman met zyne vrouw, als derzelver kinderen en bedienden.”
Het is moeilijk in te zien dat dit enkele kilometer verderop anders zou zijn. Dat het schaatsen dan zo weinig genoemd werd, kan wel eens aan de omstandigheden hebben gelegen. Mogelijk noemden de pedagogen het scheuvelen minder vaak, doordat de enquète in de zomer plaatsvond, of doordat er een paar zachte of voor schaatsen anderszins ongeschikte winters waren geweest.
Intussen blijken die 16 schoolmeesters – zie de blauwe stippen op de kaart – niet bepaald mooi verdeeld over de provincie. Zo schitteren het Hoogeland en Westerwolde door afwezigheid. Blijkbaar dachten de schoolmeesters daar qua vermaak minder gauw aan schaatsen, dat natuurlijk ook nog nut had als een relatief snelle verplaatsingsmogelijkheid in de winter.
Schoolmeesters die wel spontaan op met het schaatsen op de proppen kwamen, bleken nogal eens te wonen in de nabijheid van de grotere waterwegen, maar vooral ook aan de westkant van de stad. Met name het noordelijke stuk Westerkwartier en het zuidelijke deel van Hunsingo zijn sterk oververtegenwoordigd. Waar dat aan ligt? Misschien is het de nabijheid van schaatsgek Friesland, misschien speelt ook de aanwezigheid van oorspronkelijk Friese schoolmeesters hierin een rol.






Recente reacties