Van Veendam naar Nieuweschans over Pekela, Alteveer en Veelerveen

Curieus pandje, Ommelanderwijk:
001
Jugendstilachtig detail:
004
Veenkoloniaal clichébeeld, Ommelanderwijk:
018
Schuur zonder muur, Nieuwe Pekela:
027
Ik was de enige bezoeker van het Kapiteinshuis, vanmiddag. Secretaire met hoerenhondjes, die varensgasten uit het Balticum meenamen voor moeders de vrouw:
040
Japans aandoende prent (19e eeuw) van de baai van Napels met werkzame Vesuvius en  schepen van vele naties:
051
Alteveer – beschoeiing van voormalige sluis:
084
Waar ze aan de Ommelanderwijk getuige een veelheid van protestborden en -posters mordicus tegen windmolens zijn, kan een inwoner van Alteveer er geen genoeg van krijgen. Dit is diens Dalton-serie (de kleine heet Joe en de grootste Averell):
089
Ook in Westerwolde zitten boeren die meedoen aan Bloeiend Bedrijf:
092
Een van de weinige plekken waar al gedorst werd, was bij het Ruiten A-kanaal:
113
De befaamde driewegbrug van Veelerveen:
120
De kerk van Veelerveen staat te koop:
127
Dorpsgezicht Veelerveen:
131
Aardig optrekje te koop in Bellingwolde. Ook deze zit in het makelaarsportfolio van Redres, de Erfgoedexpert:
144
Topkunst, Bellingwolde:
151
Station Nieuweschans – de sporen lijken niet helemaal recht te liggen:
161


Langs Luddeweer, de Graauwedijk en Laskwerd

Voor dit windmeeritje moest ik eerst de stad door. Oponthoud bij de A-brug. Voor één enkel bootje met 2 opvarenden moeten zo’n 150 mensen wachten:
002
Bij Lageland linksaf. Het is levensgevaarlijk in Luddeweer:
004
Pallet-kerkhof, Luddeweer:
005
Luchtland:
007
Vervallen boerderij:
012
De oprijlaan naar Hoog Hammen is voor eigen risico:
015
Op deze boerderij woonde eeuwenlang een familie Broekema, die tussen 1895 en 1925 ook een burgemeester van Slochteren leverde. Deze Harm Broekema kocht het stadswapen dat tot ca. 1875 aan de binnenkant van de Herepoort in de stad had gehangen en liet het inmetselen in de achtermuur van Hoog Hammen, waar het zich nu nog steeds bevindt, al is de muur intussen vervangen:

016
Woltersum in de verte:
026
Ook bij Overschild bloeiende akkerranden, al is het bloemenbeschot hier wat dunner dan in Drenthe:
038
Boerderijtje aan de Oude Tolweg tussen Laskwerd en Appingedam. Aan de andere kant waren de slopers al bezig geweest:
044
Wisselend bewolkt:
047
Bij het station van Appingedam had een kalf een plastic zak in de bek en zat erop te kauwen. De moeder kwam eraan, hield haar bek boven en opzij van haar jong en het kalf liet de zak vallen. Hier kijken beide in educatieve contemplatie naar de zak:
052


Avondrondje Leegkerk

Aduarderdiepsterweg:
005
Aan de overkant zit visclub Dobbertje Duik:
011
Sugar Sugar I:
012
Sugar Sugar II:
019


Het juiste adres voor een caravanhandel?

d - NvhN 6.6.1959

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 6 juni 1959.


De democratisering van het orchestrion

Duits exemplaar

Sommige reaguurders hier meenden zich erg negatief te moeten uitlaten over het verschijnsel orchestrion. De een deed zijn beklag erover dat het apparaat live-muzikanten het brood uit de mond stootte. Een ander was alsnog verheugd dat dergelijke instrumenten in 1911 te Groningen het zwijgen werd opgelegd.

En dat terwijl het volk zo lang heeft moeten wachten op orchestrions binnen zijn dagelijkse bereik.

In 1790 speelde het eerste Orchestrion, dat van de Duitse musicus Vogler, al in Amsterdam. Dit “meesterstuk”, naar Voglers ontwerp gemaakt door de Rotterdamse uurwerkmaker Kunkel, werd gedefinieerd als een orgel van 16 voeten (bijna vijf meter) groot. Dit telde vier klavieren en heette orchestrion

“vermits daarin alle instrumenten vereenigd zijn en een volkomen orchest oplevert”.

Lange tijd zag men dergelijke, voortdurende verbeterde kunststukken alleen op kermissen, of men moest er speciaal voor naar een echt grote stad als Amsterdam. Pas in juni 1895 werden de eerste orchestrions in Groningen door een winkelier verkocht:

De heer A. J. Jonkhoff, Oude Boteringestraat, annonceert in dit blad een nieuw instrument, zijn piano-orchestrion. Er is in de laatste jaren op het gebied van automatische muziekinstrumenten heel wat geproduceerd, waaronder werkelijk goede instrumenten, maar het piano-orchestrion spant de kroon. Het is het volmaaktste wat er tot nog toe op dat gebied is geleverd, en men maakt zich, als men het instrument hoort spelen, ongerust over wat in de toekomst het lot der piano-onderwijsgevenden zal zijn, want het piano-orchestrion geeft zonder bespeler alles van de volledige opera-fantaisie tot „Trek maar an ’t touwtje” zoo goed — met alle fortissimo’s en piano’s en in de juiste maat— als de beste pianino mèt een bespeler, met een verdienstelijke zelfs.

Als instrument kan men zich werkelijk niets beters denken, en als meubel zal het in elk salon op zijn plaats zijn. Zoodat wij den heer Jonkhoff wel succes met dit instrument durven voorspellen.”

Jonkhoff 16.6.1895

Dat 1895 als het jaar mag worden gezien dat het orchestrion te onzent in veler bereik kwam, moge ook nog blijken uit een advertentie in de Winschoter Courant van de 16e oktober.  Hierin bood een Jacob Appeldoorn uit Paterswolde orchestrions te huur aan voor kasteleins:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Deze Appeldoorn, geboren in 1858 te Bolsward, was bij zijn huwelijk met een Paterswoldse arbeidersdochter in 1881 nog boendermakersknecht. In 1929 stierf hij echter als ober van het Familiehotel in Paterswolde. Volgens zijn patroons was hij daar “vele jaren  tot genoegen” in hun dienst geweest. Ik denk daarom dat Appeldoorn in 1895 niet voor eigen rekening handelde, maar als agent voor een fabrikant van elders. Het moet een bijbaantje voor hem zijn geweest. In het Familiehotel zal bij wijze van demonstratiemodel vast ook zo’n orchestrion hebben gestaan, de horden Groningers die er op hun traditionele zondagsuitje langskwamen, zullen ongetwijfeld voor mond-tot-mond-reclame hebben gezorgd.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Piano-orchestrion in museum Vosbergen, Eelde.


Mister Kunst in Kerkenpad

1 2 3 4

Een tijdje geleden bezocht ik de kerk van Noordwijk, achter Marum, èn om de kerk, èn om een expositie. Toen ik ook het kerkhof kort bezien had, en mijn fiets van dat alderakeligste trappetje afhanneste, stond daar een meneer met een camera mij te fotograferen. Ik sputterde wat tegen, hij lachte wat en ging naar de overkant van de weg om daar met een kennis te gaan smoezen (dacht ik). En nu sta ik dan op en in allerlei huis-aan-huiskrantjes van het ganse Westerkwartier en maak ik met mijn baardige ponem reclame voor ‘Kunst in Kerkenpad’. Uit het gehele land reizen de geïnteresseerden af. Jaja.

Heb zelf tegenwoordig een nee-nee-sticker op mijn brievenbus, om dergelijke krantjes te weren. Het is dat ik overal mijn informanten heb, waardoor zoiets me niet ontgaat.

Met dank aan Tjerk Bekius.

 


Relletjes in uitgaansbuurt na muziekverbod horeca

” ’t Gaf Zaterdag hier ter stede ’n heele consternatie onder de kastelein[s], die muziek laten maken in hun localiteiten. Namens den Commissaris van Politie werd hun ’s middags door politieagenten gewezen op het artikel, dat dien dag was afgekondigd en waarin staat, dat het verboden is om in de café’s, danshuizen etc. muziek te maken. En dat op Zaterdag, waarop de Zondag volgt: de twee drukste dagen der week. ’t Was voor velen ’n strop, doch men heeft zich maar aan de verordening te houden. Dat heeft men dan ook algemeen gedaan; er is geen muziek in de café’s gemaakt. Hetgeen echter niet wegneemt, dat er ontevredenheid heerscht onder die caféhouders. In een der bedoelde café’s werd ons verteld, dat het daar aanwezige orchestrion f 4000 had gekost. „En wat moeten we er nu mee?”, jammerde de kasteleinsvrouw. Een andere kastelein vertelde, dat zijn muziekinrichting f 2000 had gekost en dat die muziek zijn kostwinning was. Zoo zijn er meer…”

Aldus het Nieuwsblad van het Noorden van maandag 25 september 1911. De krant berichtte ook dat het muziekverbod een uitzondering kende  voor horeca-uitbaters die een vergunning van de burgemeester hadden. Die maandagochtend zaten er dus meteen al ettelijke kasteleins op het politiebureau, waar de aanvraagformulieren voor de vergunningen klaarlagen.

Een bericht meteen erna vertelt over de relletjes die “aan de orde van den dag” waren in de Nieuwstad en de Folkingestraat

 “De toestand is daar in den laatsten tijd onhoudbaar; fatsoenlijke menschen kunnen er niet meer wonen. Ook Zaterdagavond was het weer misère. Een troep van pl.m. 50 belhamels waren weer bezig den boel op de Nieuwstad op stelten te zetten.”

Het slachtoffer van deze relschoppers was een slager Van Gelder, wiens spiegelruiten sneuvelden. Ook de politie moest het ontgelden en werd met stenen en flessen bestookt. Twee agenten raakten licht gewond. De politie trok de sabel en schoot in de lucht, wat hielp. Vier “bandieten”, “allen bekenden van de politie” werden gearresteerd. Nog lang na de charges stonden groepjes bewoners van de Nieuwstad en Folkingestraat voor hun deuren na te praten.

Dat de opstootjes samenhingen met het muziekverbod, laat zich niet uit dit bericht aflezen, maar dat zo’n verband er wel degelijk was, blijkt uit de aflevering van de rubriek ´Los en Vast´ die op 30 september in de krant stond:

“De uitbarsting is zonder twijfel een gevolg van de nieuwe politieverordening, dat er in kroegen etcetera geen muziek mag worden gemaakt. Goed of verkeerd, het doet er niet toe. Het feit blijft hetzelfde, dat voor een deel van het publiek, al is het ook niemand sympathiek, toch, voor een deel daarvan de gelegenheid, waar het zich gewoon was te vermaken, is weggenomen, zonder… en dat is de kern van de zaak, zonder andere, betere gelegenheid. Geen weldenkende zal, evenmin als ik, het willen opnemen voor herriekroegen, ieder zal het met mij eens zijn dat betere uitspanning voor de bezoekers van zulke lokalen gewenscht is…”

Volgens de rubriekschrijver waren de relletjes mede te wijten aan het ontbreken van een politiepost in deze uitgaansbuurt. Hij voorzag nog enige spanning:

“Het is te hopen, dat het met deze paar dagen uit is geweest, doch dit zal eerst kunnen worden geconstateerd na hedenavond en nog eenige Zaterdagen. De politie zal er zich wel doorslaan. Dat spreekt. Daarvoor is ze politie, die in opdracht heeft de orde te bewaren. En, als men zoo onder de menschen hoort, dan merkt men, dat velen gelooven, dat de harde hand nog wel meer noodig zal zijn, voordat de lui, die bezoekers waren van dergelijke inrichtingen, elders weer een „vermaak” hebben gevonden, dat hun het oude doet vergeten.”


Rondje Norg

Door de wind in de war geraakte bloemrijke akkerrand aan de Drift bij de Lieverse zuides:
033
Oostervoortsche Diepje tussen Lieveren en Altena:
040
Wat nader beschouwd:
041
Bij een korenveld voor Altena:
049
Bloemrijke akkerrand aan de Norger kant van Altena:
055
Tussen Norg en Donderen werd een  aardappelveld beregend:
066
Koeien op stal (bij Bunne):
073
Zag vandaag toch aardig wat vlinders – zoals deze op de Onlanden:
096


Wat groeit en bloeit en altijd weer boeit op Westpoort

Na de bui was er nog een stukje middag over dat gevuld kon worden met fietserij. De keuze viel op een westelijke koers. Ik kwam terecht op het bedrijventerrein Westpoort tussen Hoogkerk en De Poffert, waar het niet zo hard gaat met de bedrijfsvestiging: er zitten nog maar drie ondernemingen.

Buiten gebruik gestelde weg parallel aan de A7. De zon scheen hier even en de boel warmde weer razendsnel op:
003
Riooloverstort met rietsigaren en kattestaarten:
010
Kattestaarten, rietsigaren, boerenwormkruid:
015
Design-vlieg op boerenwormkruid:
023
Wat was de naam hier ook alweer van? Voorlopige werknaam: Terneergeslagen Bruidsmeisjes:
024
Fuut:
028
Bij het Hoendiep:
032
Oude boomgaard van verdwenen boerderij. Ieder jaar zijn alle appels poter, vlak voordat ik er een maaltje wil halen:
033


Hoe Groningen zijn helden eert

c Rabenhaupt jenever

Was vergeten te noteren wanneer deze curieuze jeneverreclame in de krant stond en met zo’n belettering is de advertentie ook moeilijk terug te vinden. Maar het merk kwam in elk geval in het najaar van 1952 op de markt, getuige een  stukje in De Tijd-rubriek ’s Lands Kroniek:

“Het was Groningens historisch uur en Rabenhaupt werd de held. Nog altijd is de stad hem niet vergeten, zoals ons winkelend opviel. Er is een jenever gefabriceerd In Groningen, die Rabenhaupt als peet heeft gekregen, illustere inval om zijn gedachtenis te eren. De geest van Rabenhaupt, gevangen onder de kurk, zal nu geschonken worden aan burgers en buitenlui. Met bitterballen als Berends bommen voor garnituur. Dat had die oude Pandoer nog moeten beleven: stellig zou hij de eerste zijn geweest om dit, zijn monument, hem door een dankbaar nageslacht gewijd, plechtig te ontkuiken. . . “


Avondrondje Roderwolde

(Rondje van gisteravond.)

007

016

029

033


Hoe Hoogezand en Sappemeer fuseerden

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

“Na een interessant debatje, waarin mr. J. Algera (A.-R.) en aanvankelijk ook de heer Tj. Krol (C.-H.) zich tegenstanders en de heren J. Haken (C.P.N.) en J. Tuin (P.v.d.A.) zich voorstanders van de samenvoeging van de gemeenten Hoogezand en Sappemeer toonden, nam de Tweede Kamer Woensdagmiddag zonder hoofdelijke stemming (…) het wetsontwerp aan, waarbij deze samenvoeging geregeld wordt.

Wanneer het ontwerp wet geworden is, zal de nieuwe gemeente „Hoogezand- Sappemeer” heten, een naam, die de heer Algera ongemakkelijk lang vond. Als de minister kan besluiten tot verkorting van deze naam, dan zou hij „Hogemeer” prefereren boven „Sappezand”, zei hij gekscherend.

Hoogezand, een gemeente van 13.000 zielen, is voor de samenvoeging; ook het college van Gedeputeerde Staten van Groningen is er unaniem voor, evenals de Noordelijke Economisch-Technologische Organisatie. De raad van Sappemeer — deze gemeente telt 7000 inwoners — was er met 7 tegen 6 stemmen tegen en bij een enquête onder de bevolking van Sappemeer bleek 90 pct. tegenstander te zijn.

De voorstanders vestigden de aandacht op de geografische en economische eenheid van beide plaatsen, op het gemeenschappelijke verenigingsleven en op de moeilijkheden, die in het verleden tengevolge van de administratieve scheiding gerezen zijn bij de plannen tot aanleg van een gemeenschappelijk zwembad, bij de bouw van een ziekenhuis en bij de reiniging en het onderwijs. De minister van Binnenlandse Zaken, mr. J. H. van Maarseveen, legde er nog een schepje bovenop en sprak zelfs van de Siamese tweeling.

Toen was het pleit beslecht. Als de Eerste Kamer zich met het wetsontwerp verenigd heeft, zullen Hoogezand en Sappemeer één gemeente vormen.”

Bron: Leeuwarder Courant 2 december 1948.


Steur in de Hunze

Vlak voor de afsluiting van het Reitdiep of de Hunze (1876) werden er meermalen grote steuren gevangen. Een inventarisatie en analyse van zulke meldingen over de voorwereldlijke en legendarische vis. 1

‘Zaterdag ll. ontdekten eenige rijswerkers, werkzaam zijnde aan de beschoeiingen bij de Hunze onder Garnwerd, met bijna laag water een steur, wegende naar gissing tweehonderd à twee honderd vijftig halve ned. ponden. Dit zeemonster kwam zoo digt bij den wal, dat een hunner, H. de Vries van Garnwerd, bij gebrek aan andere wapens, met een zoogenaamde heksebijl hem vier slagen toebragt, welke laatste zoo goed werd aangebragt, dat de bijl bleef vastzitten, waarop De Vries door den steur in het water werd medegesleept. Hij moest echter tot zijn spijt het monster laten glippen, aangezien deze zich naar de diepte wendde en verdween.’

Aldus een bericht uit Garnwerd in de Provinciale Groninger Courant van 20 juli 1865. De krant achtte het niet onwaarschijnlijk dat de vis alsnog zou doodgaan en gaf voor dat geval alvast de wens van De Vries aan de eventuele vinder door, om het dier nog eens te mogen zien. Getuige de stedelijke Groninger Courant kon die wens een dag later al worden vervuld. De steur lag bij laag water stroomopwaarts in de buurt van het Blauwborgje, ‘reeds in staat van ontbinding verkeerende’. Bij meting bleek het dier  2,8 meter lang en 1,4 meter dik. Ook was het gewicht twee maal zo groot als eerst geschat, namelijk 240 kilo. 2

Dat lijkt groot, maar de praktisch uitgestorven Atlantische steur waarvan hier waarschijnlijk sprake was, kon nog veel groter en zwaarder worden, wel zo’n zes meter bij 400 kilo. In dat geval kon hij ook wel honderd jaar oud zijn. Spreken zulke cijfers tot de verbeelding, dat deed zijn voorwereldlijke uiterlijk evenzeer. Met zijn puntige snuit en zijn vier baarddraden snorde hij wormen, slakjes en kleine visjes op, die hij door een uitstulpbare, tandeloze zuigmond aan de onderkant van zijn kop naar binnen werkte. Over zijn hele lijf had hij, in plaats van schubben, een bepantsering van beenplaten. Zijn staart leek op die van een haai. Het was een trekvis, vanuit zee trok hij langzaam de rivier op om te paaien, om na gedane zaken weer naar zee terug te keren. 3

Uit G.A. Strating en G.A. Venema - De Dollard, 1855.

Uit: G.A. Strating en G.A. Venema, De Dollard (1855).

Iets komt in de krant omdat het afwijkt van het gangbare. Zo’n grote steur was inderdaad bijzonder. 4 En toch was het geen unicum, blijkt later. Want op 24 juni 1873 meldde de Groninger Courant dat zich in het Reitdiep bij Schilligeham, ten oosten van Aduarderzijl, sinds enige dagen ’al spelende’ een steur ophield, die minstens even zwaar was als die van 1865. De krant vroeg zich af of het dier niet met aas te vangen zou zijn, en zo ja, welk aas men dan moest gebruiken. Desondanks werd deze steur niet gepakt.

Dat gold wèl voor drie steuren die in 1874 in het stadsgedeelte van het Reitdiep zwommen. De eerste, met een gewicht van 15 kilo, was medio juni voor de  “visscherman” Jager. Hij ving deze steur met een totebel, dat is een op de bodem gelegd kruis­net dat je met een hefboom omhoog moest halen.

vd Venne 2 vissers in een bootje met totebel

De visser rechts in het bootje hanteert een totebel. Aquarel van Adriaen van der Venne, ca. 1620. British Museum.

Volgens de Provinciale Groninger Courant woog deze steur zelfs dubbel zoveel en mat hij ruim twee meter: ’De gelukkige vangers hebben er, naar wij vernemen, veel geld voor gemaakt’. De tweede, 18,5 à 30 kilo, vernielde in de nacht van 9 op 10 juli de totebel van de visser J. Poelman. Toen de ontsnapte vis even later opnieuw langskwam, sloeg Poelman toe met zijn harpoen. Door er een strop omheen te leggen lukte het hem de steur aan wal te krijgen. Dezelfde visser, wonend in de Sledemennerstraat, ving ook de derde steur, zwaar 18,5 kilo. 5

Waren deze stad-Groninger exemplaren wel wat minder spectaculair dan die van Garnwerd en Schilligeham, nog eenmaal zou zich een echt dikke steur aandienen. Dat was eind juli 1875.

‘Weder houdt zich op onze rivier de Hunze zware zeevisch op’, aldus de Garnwerder correspondent in de Groninger Courant: ’Loopt men van hier naar Groningen, dan treft men soms al spelende een paar dikke bruinvisschen aan. Wat dezen ver overtreft is een zware steur naar gissing pl.m. 100 tot 125 kilo zwaar. Deze is door onderscheidene personen gezien tusschen de Wierumer Schouw en Dorkwerd. Gewis zijn de netten der hier visschende visschers voor zoo veel zwaarte en kracht niet berekend, men vraagt daarom: zijn deze dieren zonder net te vangen, hoe en waarmede?6

Kortom,  in de periode voor de afsluiting van het Reitdiep (1876) waren er  meerdere berichten over steuren in de Groninger diepen. Wat aan die berichten opvalt, is dat ze allemaal in de zomer in de krant stonden. Dat heeft uiteraard een reden, deze steuren waren bezig met de paaitrek, die bij de IJssel en de Merwede ook altijd van begin mei tot eind juli plaatsvond, waarna ze weer naar zee terugkeerden. Getuige de genoteerde gewichten ging het ook steeds om volwassen exemplaren. Bij steuren zijn de mannelijke exemplaren vanaf hun zevende tot negende jaar geslachtsrijp, bij de vrouwelijke is dat een of twee jaar later later, en steuren zijn dan hooguit 150 centimeter lang en 15 kilo zwaar  7 Alle Hunze-exemplaren zaten (ruim) boven dat gewicht. Ze waren geslachtsrijp en wilden paaien. Of ze dat hier ook konden, is een vraag die zich hier niet laat beantwoorden.

Zelden op het menu

Wel zijn er bewijzen voor het al langer voorkomen van de steur in Hunze en Reitdiep. Hieronder behandel ik eerst de archeologische bewijzen, om die te vergelijken met dito gegevens uit oost en west. Hetzelfde doe ik daarna met schriftelijk overgeleverde bronnen. Door beide exercities laat zich het  het relatieve belang van de steurenpopulatie in de Hunze bepalen.

Stadsarcheoloog Gert Kortekaas is bij zijn vele opgravingen in de gemeente Groningen nooit resten van steur tegengekomen. In het wierdenland echter, waar de Hunze doorheen stroomt, zijn verschillende keren steurplaatjes gevonden. De bekendste zijn de drie welke Van Giffen aantrof in een wierde bij Oosterwijtwerd. Alle drie hoorden bij een en dezelfde steur, die ongeveer 2 à 2,5 meter lang moet zijn geweest. Daarnaast noemt de in vissen gespecialiseerde archeoloog Dick Brinkhuizen nog steurrestanten uit de wierden van Westeremden, Toornwerd en Wadwerd, helaas allemaal ongedateerd. Volgens Brinkhuizen waren de wierdebewoners zeker geen grote viseters, en afgaand op de weinige aangetroffen steurplaatjes stond steur uiterst zelden op hun menu. 8

Oosterwijtwerd, Westeremden en Toornwerd bevonden zich bij de Fivel en daarmee dichter bij de Eems dan bij de Hunze. Op basis daarvan zou je kunnen vermoeden dat er in het wierdengebied bij de Eems en noordelijker meer vis en steur werd gegeten. Maar dat is niet zo, aldus Brinkhuizen, het menu verschilde er niet principieel. Ook daar was visconsumptie tussen 600 voor en 700 na Christus van ondergeschikt belang. Wel valt op dat er uit de vroege vlaknederzetting Jemgum bij de Eems vele steurplaten tevoorschijn kwamen, terwijl in de laat-middeleeuwse wierde Elisenhof aan de Eider maar liefst een kwart van de 449 determineerbare visresten afkomstig was van steuren. Op deze plaatsen was de steur dan toch een van de belangrijkere vissen. 9

H.E Sauvage - La Grande P+¬che (Les Poissons)  1883.

H.E Sauvage – La Grande Pèche (Les Poissons) 1883.

Daarmee maken de steurvondsten bij de oosterburen wat meer indruk dan die uit ons Groninger wierdengebied. Nog indrukwekkender, zowel qua ouderdom als hoeveelheid, zijn echter die uit het mondingsgebied van de grootste rivieren in Nederland. Zo troffen archeologen in Voorschoten duizenden steurfragmenten aan op een lokatie, waar zich in de late steentijd een kreekoever bevond. Zeker dertig volwassen steuren waren hier geslacht. Er werden geen haken of harpoenen aangetroffen en waarschijnlijk viste men door bij eb een palenscherm  dwars door de kreek te zetten. Een dergelijke weervisserij bestond tweeduizend jaar later ook in het wierdengebied. Maar in het neolithische Voorschoten lagen de de steuren nog voor het oprapen, steur was daar nog een van de voornaamste voedselbronnen. 10

In en rond de oudste, uit de eerste eeuw van onze jaartelling daterende Romeinse haven van Velzen, zijn de resten van drie steuren gevonden, wat vergeleken bij de 647 baar­zen, 409 snoeken en 355 karpers erg laag is. 11 Mogelijk was er al een voortdurende afname van steuren, door de bijzonder gemakkelijke manier waarop je steuren kon vangen. Zo’n ontwikkeling zou er dan ook in het wierdengebied moeten zijn geweest, sinds de mens daar zijn intrede deed. Hoe het ook zij, naast zo’n afname tekent zich een geografisch verschil af. In de prehistorie waren steuren al het meest bij de grote rivieren te vinden. Hoe kleiner de rivier, hoe minder steur er in de buurt werd gegeten. De Hunze stelde in de prehistorie qua steur al weinig voor vergeleken bij rivieren in het oosten en – vooral – het westen.

Vollenhovenaren

Schriftelijke bronnen bevestigen dat beeld ook voor de historische tijd. Ik behandel eerst weer het gebied van Hunze, om vervolgens de blik op het oosten en westen te richten.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

RHC Groninger Archieven Toegang 1534 (Volle Gericht) inv. nr. 8 rechtdag 23 januari 1565.

Begin 1565 gunde het Groninger stadsbestuur aan twee mannen uit de steurvissersplaats Vollenhove – straks meer hierover –  ’alhijr binnen de stadt gerechticheiden den stoervangst’. Kennelijk bood die vangst perspectieven voor mensen die er wat van af konden weten. Onder de gerechtigheden moeten we waarschijnlijk ook de stadsjurisdicties Gorecht en Oldambt verstaan. Maar de Vollenhovenaren moesten de steur die ze vingen wel in de stad ter markt brengen.  Op de dag dat ze hun octrooi toegezegd kregen, vroegen ze of ze ook de zeehonden, bruinvissen en zalm mochten houden, ’so ongeveerlick in de steurnetten mochten lopen’. Zulke bijvangsten waren blijkbaar  interessant. De Vollenhovenaren kregen het privilege,  zonder dat er sprake was van een verplicht octrooigeld als tegenprestatie. Kennelijk was het verwachte rendement niet zo groot. 12

Gevelsteen Delfshaven - Uit M.J. van Lennep en J. ter Gouw, De Uithangteekens deel II  1868.

Gevelsteen Delfshaven – Uit M.J. van Lennep en J. ter Gouw, De Uithangteekens deel II 1868. Iets dergelijks hing in de stad Groningen op de hoek van het Damsterdiep zz. en de straat naar Kleinpoortje.

In augustus 1626 was er een conflict over een steur die naar de stad Groningen was gebracht. Het stadsbestuur verordonneerde dat de vis verkocht zou worden en nam de opbrengst in beslag,  tot er uitgemaakt zou zijn wie er recht op had. 13

Dat beide spilsluizen, aangelegd in 1674, in elk geval geen volledige belemmering voor steurpassage vormden, bleek in 1771, toen hoogleraar geneeskunde Van Doeveren stilstond bij de vis in de stadsdiepen. ’Steuren komen hier ook somtyds voor’ zei hij, ’en het is niet te verwonderen dat men er weleer een op ’t Zuidlaarder Meer gevangen heeft’. 14 Niet alleen weleer, want begin november 1777 werd er op Hunze bij Spijkerboor, zeven kilometer ten zuiden van het Zuidlaardermeer,  een steur gevangen van – omgerekend – bijna 2,5 meter lang en 124 kilo zwaar. 15

Een en ander sluit naadloos bij een bevinding die Van Lier even later neerlegde in de Tegenwoordigde Staat van Drenthe. ‘In de Riviertjes’, schreef deze beroepsbestuurder en amateurgeleerde, ’wordt somwijlen Zalm, ook wel eens Steur gevangen’. Van Lier woonde vanaf 1750 in Zuidlaren, vanaf 1751 in Anlo en van 1758 tot 1785 in Assen, bovendien participeerde hij in de Annerveense veencompagnie, zodat hij vooral de Hunze, maar toch ook de Drentse A op het oog moet hebben gehad. 16 Beide riviertjes komen uit in het Reitdiep. In een zijtak van de Drentse A, het Loonerdiepje, werd begin juni 1857 nog een steur van 1,65 meter en 40 kilo gevangen. Die had vanaf Zoutkamp een mooie reis achter de rug en leek nogal mager. 17

De conclusie mag zijn dat de steur in 1565 nog zoveel voorkwam in de Hunze en annexe wateren, dat een speciale bevissing lonend leek. Ruim twee eeuwen later kwam de steur er ’somtyds’ (Van Doeveren) of ’somwijlen’ (Van Lier) voor. Er lijkt dus sprake van een achteruitgang. .

Eems, Elbe, IJssel en Merwede

Voor het stroomgebied van de Hunze is ons geen steurlegende overgeleverd. Zo’n legende bestaat er wel voor de Eems en gaat over de heilige Liudger, van afkomst een Fries, die omstreeks 800 Friese en Saksische contreien tot het Christendom bekeerde. Hij trok hier op zijn paard al predikend rond, kwam in het najaar eens in Hleri (Leer) en vroeg de vissers die hem daar gewoonlijk van dienst waren, om een steur. Zij voelden zich bezwaard omdat het steurseizoen allang voorbij was, maar hij bleef aandringen en daarom gingen ze toch maar voor hem op pad. En juist toen ze hun netten in de rivier gooiden, viel er iets uit de lucht. Het bleek een grote steur, die ze Liudger bezorgden. De natuurlijke oorzaak van de wonderbaarlijke steurval zou een waterhoos geweest kunnen zijn. Mogelijk had Liudger als abt van Werden of bisschop van Münster recht op een steurmaal. In de middeleeuwen was steur typische herenkost. 18

In de dertiende eeuw betwistten kloosters elkaar het recht op steurvangst in de Eems. 19 Mogelijk  was er al niet genoeg meer voor iedereen. In 1735 bestond er nog een privilege op steurvissen in het Oost-Friese deel van deze rivier, met een alleenrecht loonde het dus nog wel. Medio negentiende eeuw werden op de Dollard ’nog al nu en dan’ zeer kleine steuren gevangen, en ’dikwijls’ grote van 100 à 250 kilo, die bij eb te lang in kreken bleven liggen Volgens Kirchhoff werden op het Duitse deel van de Eems rond 1850 nog 200 steuren per jaar gevangen, rond 1900 waren het er minder dan 100, in 1920 nog 4 en sinds 1935 geen enkele meer. Een laatste steurwaarneming werd in 1969 bij Leer gedaan. Vergeleken bij de Eems zaten er in de veel grotere rivier de Elbe, met haar zijrivier de Stör, veel meer steuren. Daar werden er in 1850 zo’n 7000 gevangen, tegen 1275 in 1900 en geen enkele meer na 1935. 20

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Termunterzijl, steur (1929) – collectie J.A. Bakker. Delfzijl.

Sowieso maken de hoeveelheden steuren bij de oosterburen meer indruk dan die in het stroomgebied van de Hunze. Dat doen ook de cijfers voor de mondingen van de grote Nederlandse rivieren IJssel en Merwede.

Net als bij de Eems is de steur legendarisch bij de IJssel. Er zijn meerdere legenden zelfs. Bekend is dat van de Kampenaren die een steur de bel aanbonden, zodat ze hem terug konden vinden (niet dus). In Zutphen zou een steur door een waterhoos op het dak van de Walburgkerk gedeponeerd zijn. Net als bij de Eems werden bij de IJsselmond al in de dertiende eeuw steurvisrechten vastgelegd. Aanvankelijk profiteerde Kampen, later kwam Vollenhove op en omstreeks 1460 spraken zij een verdeling af. Intussen ontstond de Hollandse kuilvisserij. Met hun vloot waterschepen vingen de Hollanders alle jonge steur weg, iets waartegen de Vollenhovenaren in 1571 protesteerden. Ze haalden jaarlijks nog maar 30 à 50 volwassen steuren binnen, zeiden ze, tegen voorheen 250. In elk geval was het omstreeks 1800 gedaan met de Vollenhover steurvisserij. Nadien kwam er nog slechts sporadisch een dikke steur in de IJssel voor.  21

z Acipenser sturio LINNAEUS, 1758  steur Universiteit van Navarra

Universiteitsmuseum Navarra.

Dordrecht en Geertruidenberg waren de met Kampen en Vollenhove vergelijkbare steursteden bij Merwede, Biesbosch en Steurgat. Over Geertruidenberg is er weer een legende. Op het eind van zestienzoveel zouden daar maar liefst 8999 steuren zijn binnengehaald. De  lokale garnizoenscommandant loofde een flinke geldsom uit voor de 9000-ste dat jaar, maar die kwam er niet, hoewel iedereen op Oudejaars­dag naar steuren zocht. Het cijfer lijkt ook visserslatijn. In 1619 kwamen er maar 200 steuren op de afslag van Geertruidenberg, medio achttiende eeuw waren dat er gemiddeld 470. De vangst nam hier dus toe. Ten noorden van de Biesbosch werden in 1610, op de vismarkt van Dordrecht, 81 steuren aangevoerd. In 1626 waren het er 214, wat de trend lijkt te bevestigen. Eind negentiende eeuw zette het verval definitief in. In de jaren 1890 kwamen eerst per jaar nog rond de 500 steuren op de Hardinxveldse visafslag, vlak voor de eerste wereldoorlog waren dat nog maar enkele tientallen en daarna geen handvol meer. De allerlaatste grote steurvangst was hier in 1952. 22

Conclusie

De aantallen steuren in de Hunze vielen in het niet bij die in de grotere rivieren Eems, Elbe, IJssel en Merwede. Typerend is dat bij elke grote rivier een steurlegende hoort, terwijl die bij de Hunze ontbreekt. Anders dan op die grotere rivieren was hier ook maar heel kort sprake van professionele steurvisserij. Het ging om een onderneming van Vollenhovenaren die waarschijnlijk vanwege de Hollandse concurrentie waren uitgeweken.

Bovendien zijn er met uitzondering van de Merwede voor elke rivier tekenen dat de steurstand er tussen 1250 en 1950 voortdurend afnam. De Hunze deelde na 1565 waarschijnlijk in deze trend. Als dat ook voordien zo was, dan moet de steur er in de prehistorische periode veel meer voorgekomen zijn, dan archeologische vondsten doen vermoeden.

Omstreeks 1770, 1780 kwam de steur nog soms in de Hunze voor. In de decennia voor de krantenberichten van 1865 – 1875 was dat niet meer het geval, want anders zijn die krantenberichten, die ook wel over vrij lichte volwassen steuren gingen, moeilijk te verklaren. Deze berichten duiden dan op een laatste opleving.

Harry Perton

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Advertentie uit de Groninger Courant van 6 januari 1869.

Noten

1  Met dank aan Gert Kortekaas, Otto Knottnerus, Dick Brinkhuizen, Wietske Prummel, Egge Knol, Harrie Huisman en Henrik de Nie voor adviezen. Dit artikel verscheen eerder in iets andere vorm in het cultuurhistiorisch tijdschrift Stad & Lande, 2010 nr. 2.

Groninger Courant en Provinciale Groninger Courant 20, 21, 22 en 25 juli 1865. Zie voor de laatste twee berichten ook Tako Brouwer e.a., Vissenatlas Groningen Drenthe (Bedum 2008) 20.

3  P.J.M. Martens, De zalmvissers van de Biesbosch; een onderzoek naar de visserij op het Bergse veld 1421 – 1869 (Tilburg 1992) 99 – 101; J.M. van der Esch, ‘Visserij op steur’ in: D.J. de Jong e.a., Hardinxveld en de rivier­visserij (Hardinxveld- Giessendam 1988) 101 – 111, vooral 101; Henrik W. de Nie, Atlas van de Nederlandse zoetwatervissen (Doetinchem 1996) 34 – 35.

4  Tako Brouwer e.a., Vissenatlas 20.

Groninger Courant 18 juni, 10 juli, 12 augustus en 20 september 1874; Provinciale Groninger Courant 18 juni en 10 juli 1874.

Groninger Courant 27 juli 1875.

7  C.L. Deelder en A.H. Huussen jr., ‘Opmerkingen betreffende de kuilvisserij op de voormalige Zuiderzee, voorna­melijk in de zestiende eeuw’, in: Holland, jrg. V nr. 5 (1973) 227 – 228; Martens 100 – 101; De Jong 207 – 209; Van der Esch 101, 105 – 106; D.C. Brinkhuizen, Ichthyo-archeologisch onderzoek: methoden en toepassing aan de hand van Romeins materiaal uit Velsen (Nederland) (Groningen 1988) 199 – 200; S.J. de Groot, ‘Herstel van riviertrekvissen in de Rijn een realiteit’ in: De Levende Natuur, tijdschrift voor natuurbehoud en natuurbeheer 93e jaargang nr. 1 (januari 1992) 14 – 18; De Nie,  Atlas 34 en 35; en verder op internet http://www.igb-berlin.de/institut/deutsch/2001/Research/restoration_sturgeon_%20acipenser-sturio..pdf figuur 3.8.4; en http://www.fischumwelt.de/html/puplikation2.html

8  Mail Gert Kortekaas aan auteur 3 mei 2010; A.E. van Giffen, Die Fauna der Wurten (Leiden 1913) 67 – 68; D.C.  Brinkhuizen, ‘Vis en visvangst bij de terpbewoners’ in: red. M. Bierma e.a. Terpen en wierden in het Fries-Groningse kustgebied (Groningen, 1988) 226 – 233.

9  Brinkhuizen, ‘Vis en visvangst’ 226 – 233.

10  Bernhard Leopold van Beek, Steentijd te Vlaardingen, Leidschendam en Voorschoten; de vondstversprei­ding in laat-neolitische nederzettingen in het Hollandse kustgebied (Amsterdam 1990) 99, 220, 228 – 229; T. de Ridder, Van donk tot stad (Vlaardingen 2001) 6, 12; M. Bierma e.a., Terpen en wierden 105.

11  D.C. Brinkhuizen Ichthyo-archeologisch onderzoek 159, 196, 252, 282.

12  W.J. Formsma en R. van Roijen, Het Diarium van Egbert Alting 1553 – 1594 (Den Haag 1964)

142, notitie van 23 januari 1565; de bron is RHC Groninger Archieven, Archief Volle Gerecht der Stad Groningen (Toegang 1534)  inv. nr. 8 (prothocol rechtdagen) op dezelfde datum.

13  Archief Volle Gerecht inv. nr. 93 (prothocol rechtdagen) 18 augustus 1626.

14  W. van Doeveren, Academische redevoering over de gunstige gesteldheid van Groningen voor de gezondheid, afteleiden uit de natuurlyke historie der stad (Groningen 1771) 38; red. J.N.H. Elerie en G. Overdiep, Tien eeuwen Hunze; renaissance van een oerstroomdal (Groningen, 1997) 84.

15  Groninger Courant 4 november 1777.

16  (Mr. J. van Lier c.s.) Tegenwoordige Staat van het Landschap Drenthe (z.p. 1792) 167; J. Ennik, ‘Johannes van Lier’ in Jan Bos en Willem Foorthuis, Drentse Biografieën deel III (Amsterdam / Meppel 1999) 110 – 115; red. Paul Brood, Huizen van Stand (Meppel 1989) 278 – 290; R.D. Mulder ‘Mr. Johannes van Lier (1726 – 1785)’ in: Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1942, 33 – 64; W. Foorthuis en J. Van Dijk, ‘De zaak van Lier 1785, een politiek succes voor de patriotten’ in: Nieuwe Drentse Volksalmanak 1987, 35 – 44.

17  Tako Brouwer e.a., Vissenatlas 21.

18  Klaes Sierksma, Liudger Thiadgrimszoon; leven en voortleven van een Christus-prediker (742 – 809) (Franeker 1995) 18 – 19; over een waterhoos die vissen optilt: Groninger Courant 21 juli 1874 (Kolderveen); Deelder en Huussen 227; De Navorscher 1885 pag. 197/198, 1897 pag. 17 en 1898 pag 723.

19  Mededeling Otto Knottnerus op basis van passages in Oostfriese en Osnabrückse oorkondenboeken.

20  Joost Kirchhoff, Fischfang auf dem Wattengrund (Weener 2000) 128 – 132, 214; G.A. Stratingh en G.A. Venema, De Dollard (Groningen 1855) 266.

21  De Navorscher 1859 pag. 128; Y.N. Ypma, Geschiedenis van de Zuiderzeevisserij (Amsterdam 1962), 31, 45 – 51,  71, 99 – 100, 146 – 147; Deelder en Huussen 221 – 242; Groninger Courant 1 juni 1873 (Zutphen).

22  Van der Esch 101 – 111; Martens 100, 114, 123 – 129, 142 – 145;  De Jong 343 – 360.


Zomeravondrondjesoogst

De Langmadijk bij Peizermade:
008
De daar haaks op staande Hamersweg:
009
Peizerdiep bij Eiteweerd:
014
Aduarderdiepsterweg:
027
De Jonge Held:
b 005
Aduarderdiepsterweg:
b 021
Zelfportret van een fietser in het voorbijgaan:
b 031
Suikerfabriek in het zomerreces:
b 034
Stadsmarkering A7 naar Friesland:
c 001
Boom met primadonna-neigingen, Stadspark:
c 004
De Regentes, Emmasingel, Groningen:
c 009
Transferium Hoogkerk:
c 010


Bakkerij ‘De Tijdgeest’ (II)

Het oudste levensteken van De Tijdgeest, inmiddels bekend van de plaatjes, is een advertentie van begin 1918, waarin G.J. Douwes en E. Boddé “hunne geachte clientèle” bekendmaken,

“dat hun dividend van het jaar 1917 in de maand Februari thuis wordt bezorgd en dus niet als gewoon van het kantoor kan worden afgehaald.”

Blijkbaar waren er klanten-geldschieters die recht op een deel van de winst hadden. In deze advertentie heet hun gezamenlijke onderneming nog een broodbakkerij.

Eind januari 1918 formaliseerden de bakkers Gerrit Jan Douwes en Edze Boddé, beide woonachtig in Groningen, hun kennelijk al wat langer durende samenwerking. Ze maakten bekend:

 “dat zij van hunne Brood- en. Beschuitbakkerijen eene vennootschap hebben gevormd, welke zal worden voortgezet onder den naam van “DE TIJDGEEST”, aan den A-weg no. 33 en 34. Door de levering van prima kwaliteit Brood en Beschuit hopen zij zich de gunst van hunne geachte clientèle waardig te maken.”

Bij notariële akte legden ze als doel van hun firma vast

“het uitoefenen van het bakkersbedrijf in den meest uitgebreiden zin des woords en zulks ter voortzetting van de bakkerszaken, door ieder der vennooten tot op 29 Januari 1918 voor afzonderlijke rekening gedreven. De vennootschap is aangegaan voor 27 jaren, ingaande 1 Febr. 1918 en wordt geacht na afloop van dat tijdvak stilzwijgend telkens voor één jaar te zijn verlengd, behoudens schriftelijke opzegging binnen 6 maanden voor den afloop.”

Pas van een jaar later, begin 1919, dateert de eerste commerciële advertentie van De Tijdgeest in het Nieuwsblad:

1919 NvhN 13 jan 1919 beschuitfabr Tijdgeest

Er was op dat moment dus sprake van een beschuitfabriek die grotere partijen leverde aan andere bakkers en winkeliers. Dat het Douwes & Boddé voor de wind ging, en dat ze ook eigen steunpunten verwierven, bleek halverwege dat jaar, toen een makelaarsadvertentie gewag maakte van de goed verlopen verkoop aan beide heren van een winkelbehuizing annex broodbakkerij op de hoek van de Meeuwerderweg en de Oliemulderstraat (waar nu nog steeds bakkerij De Terp zit). Even later stelden ze in de persoon van A. Juistema, Kleine Steentilstraat 43, een vertegenwoordiger aan, bij wie de afnemers uit de provincie Groningen voortaan hun bestellingen moesten opgeven:

1919 vertegenwoordiger

Tot dan toe was er steeds sprake van Douwes & Boddé. Maar in het handelsregisterdossier voor De Tijdgeest, aangelegd in 1920, wordt alleen Edze Boddé nog als eigenaar genoemd. Waarschijnlijk trok Douwes zich uit het bedrijf terug. In 1922 liet hij aan de Nieuwe Ebbingestraat ‘Scala’ bouwen, een horecagelegenheid met toneel- en concertzalen. Dat er ook een koekbakkerij bij zat, bleek tien jaar later, toen Douwes als exploitant en eigenaar failliet ging.

Boddé bleef dus over in De Tijdgeest, anno 1920. Hij werd in 1885 geboren in Uithuizen, waar zijn vader ook al bakker was, en trouwde in 1910 een blokmakersdochter uit de stad. Het echtpaar kreeg een zoon en een dochter en verhuisde in de jaren twintig nogal eens, tot het een definitieve woning vond aan de Steenhouwerskade, op 3a. Onder die woning zat een filiaal van De Tijdgeest, genaamd ‘Bakkerij voor Pain Couvert’, dat in 1934 werd opgeheven.

Juist in die tijd probeerde Boddé’s Tijdgeest voet aan de grond in het westen te krijgen. In 1935 ging er een filiaal met depot open in Rotterdam, dat binnen het jaar twee keer verhuisde en op 1 maart 1936 de deur sloot, waarna er op 30 november van dat jaar een nieuw depot kwam aan de Bellevooystraat. Dit zou het langer uithouden. Een filiaal en depot in Amsterdam kwam er in oktober 1938, en wel aan de Rozenstraat.  Beide filialen zouden in 1946 worden opgeheven. In 1954 kwam er nog opnieuw een filiaal in Amsterdam, nu aan de Overtoom en gedreven onder de naam “De Grönneger”, maar dat werd begin 1955 alweer verkocht.

Voor zover advertenties daar zicht op geven, boerde Boddé goed in het Interbellum. Hij had in elk geval in 1927 al een bestelauto, Ook valt op dat hij in de jaren dertig regelmatig inpaksters vroeg voor in zijn beschuitfabriek, meestal meisjes van een jaar of 14 à 16.

In een aanvullende opgave uit 1939 aan het Handelsregister heet het dat De Tijdgeest brood, koek, banket, en beschuit produceerde, en hier tevens in grossierde. Die grossierderij werd in 1940 uitgebreid tot chocolade, suikerwerken, koffie en thee en hun  surrogaten, peulvruchten, jams, stropen en andere zoetwaren, biscuits, grutterswaren, meelproducten, pudding etc. De verbreding van het assortiment moeten we zien tegen de achtergrond van de oorlog. Kennelijk bracht the core business niet meer voldoende op en wilde Boddé ook op andere wijze zijn klantenbestand gaan bedienen.

In 1953 schonken Boddé en het personeel van De Tijdgeest een vrij omvangrijke som  aan het fonds voor de slachtoffers van de Zeeuwse Watersnoodramp. Blijkbaar kon het er toen wel weer van af.

Intussen was Boddé’s vrouw in 1948 gestorven. Een foto die vermoedelijk iets later genomen is, met een stuk of wat wat andere in het bezit van de ‘aangetrouwde kleinzoon’ Wim Spaak,  toont hem en zijn huishoudster Fien Bartelds voor de gevel aan de A-weg, op een zonnige zondag:

1930 1950 bakkerij de Tijdgeest Aweg

In mei 1958 verkocht Boddé De Tijdgeest en anderhalf jaar later stierf hij na een kort ziekbed, bijna 74 jaar oud. Hij werd, en dat was toch wel tamelijk bijzonder nog, gecremeerd in Dieren. Onder de advertentie van de familie stond de naam van zijn enige zoon Henk Boddé, een cellist die zowel muziekles als recitals gaf, maar ook bij het Noordelijk Filarmonisch Orkest heeft gespeeld. Het personeel van DeTijdgeest plaatste eveneens een rouwannonce voor de oud-patroon. Enigszins aandoenlijk is de advertentie van huisgenote Fien Bartelds, die naar eigen zeggen 35 jaar had samengewerkt met haar “lieve mijnheer”.

In 1960 vroeg De Tijdgeest nog eens een nette inpakster en viel de naam van het bedrijf ook eens in de rubriek voor gevonden voorwerpen, in beide gevallen een teken dat de nieuwe eigenaar, D. Westerkamp & Zonen, de onderneming voortzette. Uit deze periode stamt een logo, dat waarschijnlijk ook al onder Boddé in het briefhoofd gebruikt werd:

1960

In 1961, ten slotte,  ging De Tijdgeest op in de 3B-Bakkerijen. Door de krapte op de arbeidsmarkt werd personeel steeds duurder, bovendien stond het bedrijf voor “enorme investeringen”, o.a. qua hygiëne. Produktie en personeel werden naar de 3B-bakkerijen overgebracht. De bakkerij aan de A-weg ging dicht en kwam leeg te staan. Niet lang erna trok Edu Wazkowsky erin, de beeldhouwer die hier het joodse monument aan de Hereweg maakte. Maar dat is dus een heel ander verhaal.

Bronnen, behalve de gelinkte:

  • RHC Groninger Archieven, toegang 1774 (documentatie bedrijven), inv. nr. 1296 (logo).
  • Idem, toegang 1972 (Handelsregisterdossiers), inv. nr. 2000855.