Avondrondje Roderwolde, Lagemeeden, Leegkerk

Het leek wel of alle insecten tegelijkertijd in de lucht waren gekomen.

Het blauwgras is niet zo mooi blauw als vorig jaar:
003
Bij ’t Waal, een stukje moerasbos bij Roderwolde:
013
Er was blijkbaar net een dorpsfeest geweest:
028
Pluizige oortjes:
046
Monument voor de Stobbenvenne:
048
De Poffert, bij de scheepswerf:
061
Nu met het licht in de rug:
064
De kerk van Leegkerk met roodbont vee:
080


‘Architect van kleine gebouwtjes’

Bij de Wolvedijk, het haakse aanhangsel van de Peizerweg, zit een bosje en daar heeft Alex den Braver zijn domein. Deze ‘architect van kleine gebouwtjes’ hield vanmiddag Open Huis.

Winkeltje:

015

Maquette van zomerhuis op palen:
019

Doorkijk in de tuin:
027

Moestuin:
029

Tuinhuisje:
031

Muur met watervat:
034

Houtopslag:
035

Eigengemaakte auto:
036


Ho Ho Pierlalo of Het Paterslied

“Men zingt hier, behalve eenige zoogenoemde straatdeuntjes, een zeer oud en bekend lied, onder de benaming van Ho, Ho, Pierlalo, hetwelk op bruiloften onder het dansen eener Ronde gezongen wordt, bestaande hetzelve uit tweeregelige verzen, met herhaling telkens van ho, ho, Pierlalo en ho zie zo.”

Aldus, in 1828,  de schoolmeester van Midwolde (Wk.). En zijn collega van het vijftien kilometer verderop gelegen Haren schrijft hetzelfde jaar, nadat hij de bij lokale huwelijksvieringen “aanhoudend” gevulde en “veeltyds” met smaak geleegde brandewijnskommen ter sprake heeft gebracht:

“Tegen den avond is men reeds uitermate vrolyk, wanneer de jongelingschap in de schuur, zich in eenen ronden kring schaart, en dan onder het zingen van een oud zeer gebrekkig en voor het gehoor vervelend lied (het Paterslied) begint in het ronde te springen enz.”

Dat het Paterslied uit Haren en het Ho, Ho, Pierlalo uit Midwolde op één en dezelfde dansdeun neerkomen, leert een sondering in de Liederenbank, die voor tekst en uitleg verwijst naar Zeden, gewoonten en gebruiken in de provincie Groningen, een werkje van Johannes Onnekes (1885) dat ook in de DBNL te vinden is als artikel. Volgens deze ongelukkige Ulrumer onderwijzerszoon werd “eertijds… op de volksvermakelijkheden” – dus niet alleen op bruiloften – “druk werk gemaakt van den bekenden rondedans ‘Daar ging een patertje langs den kant’”:

“Deze rondedans is zeer oud en was reeds bekend bij onze voorouders van de dertiende eeuw. Een enkelen keer komt hij in deze streken nog voor, gewoonlijk tegen het einde der pret, als de lui tamelijk vroolijk zijn geworden en ook de aanwezige gehuwden en meer bejaarden in den jonkmöln (jonkmolen) komen, d.i. zich als het ware weder jong beginnen te voelen en het gezelschap der vroolijke jongelui zoeken. De wijze, waarop hij wordt uitgevoerd, is ongeveer als volgt: de dansers formeeren een kring om een jonkman en dansen al zingende in het rond, nu eens met de zon om, dan tegen haar in. Men zingt:

1.
Daar ging een patertje langs den kant,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En nam een nonnetje bij de hand,
Ho ho, pierlalo en ho zie zoo!

Volgens Onnekes verving men de tweede regel ook wel door “het oudere ‘Hei, ’t was in de mei, mei, mei’. Mei, zo herinneren we ons, was (en is) traditioneel dé trouwmaand. Bij de derde regel trok de man in de kring een vrouw uit de hem omringende kring naar zich toe. In de oorspronkelijke opzet knielde hij eerst voor haar, spreidde een zakdoek uit, waarop zij dan tegenover hem moest knielen:

2.
Kom, pater, gij moet knielen gaan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En laat je non alleenig staan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

3.
De pater spreidt de non een kap,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
Alwaar de heilge non op stap,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

4.
Kom, pater, geeft uw non een zoen,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
Dat moog je nog wel driemaal doen,
Driemaal, driemaal, driemaal, doen,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

5.
Kom, pater, beur je non weêr op,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En dans nu met uw kermispop,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

Bij deze regel stonden man en vrouw op, zoenden elkaar nog eens en walsten naar den kring. Vervolgens nam de man weer zijn plek in de kring in en ging daarmee weer in de ronde dansen:

6.
Kom, pater, gij moet scheiden gaan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En ’t nonnetje moet blijven staan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

Het volgende couplet werd volgens Onnekes vaak weggelaten:

7.
Maar hij (of zij) kan zoo niet scheiden gaan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En zonder zoen hem (of haar) laten staan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

De vrouw, alleen overgebleven in het midden van de kring, moest nu een andere man uit de kring rondom haar kiezen.

8.
Nonnetje, gij moet kiezen gaan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En nemen een ander pater aan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

9.
Kom, geef je pater nu een zoen,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
Dat moog je nog wel driemaal doen,
Driemaal, driemaal, driemaal doen,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

Nadat ’t zoenen was afgewikkeld, schrijft Onnekes,

“vangen de rondedansers op nieuw aan te zingen, in den regel nu niet bij het eerste, maar bij het vierde couplet. Bij den voortgang van het dansspel is het beurtelings een pater of een non, die in den kring staat en hierna worden ook de betrekkelijke versregels veranderd. Is er een non in den kring, zoo zingt men b.v. couplet 5: Kom, beur je pater nu weèr op, e.z.v.”

Het komt wel een beetje raar voor dat in nagenoeg totaal gecalviniseerde streken nog medio negentiende eeuw op deze manier gezongen werd over paters en nonnen. Bovendien waren die in contreien waar ze nog wèl rondliepen, sinds het Concilie van Trente toch serieus aan geloften van kuisheid gebonden. Het danslied zal dan vast niet zo oud geweest zijn als Onnekes veronderstelde, maar het zou toch best om een antiklerikaal relict kunnen gaan uit de vijftiende of zestiende eeuw. Hoe dit ook zij, het met meer of minder enthousiasme zoenen gaf de omstanders natuurlijk een mooie indruk van de al dan niet bestaande sympathie bij vooral de uit de kring getrokken danspartner, en uit dat inzicht zal dan wel een flink deel van de lol hebben bestaan.

In elk geval luidde deze rondedans het einde van het feest in – vanuit de dans ging men huiswaarts. Thineus, de uit de stad Groningen afkomstige predikant Tonnis van Duinen, koppelt in zijn werkje Ons Dorp (1846) de dans eveneens aan het laatste stadium van de bruiloft, als de vele brandewijn met rozijnen haar uitwerking niet had gemist en de een na de ander huppelend naar de schuur vertrok:

“Ze hebben een speelman weten magtig te worden en de leemen vloer dreunt onder de zolen der dansenden. Dan weer vormen zij  een ronden kring en de speelman dreunt het oude: Ho, ho pierlalo! lustig op. ’t Is een mooi liedje, vooral om het:

                           De pater gaf de non een zoen,

dat er telkens in voorkomt, en tot eene heerlijke scène aanleiding geeft, die treffelijk wordt uitgevoerd…”

In Friesland was de dans evenmin onbekend. zoals blijkt uit het bekende werk van Waling Dijkstra (1892 e.v.j.). In 1913 noemde T. (de Ommelander Jacob Tilbusscher?) Ho Ho Pierlalo nog eens in het Nieuwsblad van het Noorden, en merkte op dat hij deze en andere deuntjes “niet veel meer” hoorde:

“Toch jammer, dat ze in ’t vergeetboek raken.”

Wel was de dans hier en daar nog in zwang, getuige de melding in 1967 door de dan 62–jarige Jan Nijenbanning uit Gees in Drenthe. Volgens deze boer werd hij daar in zijn jonge jaren, dus rond de Eerste Wereldoorlog, nog op allerlei feesten gedanst: “Als de jeugd echt uitgelaten was”, ging ze er spontaan toe over. Ook Oldenbanning releveert het partner kiezen en het zoenen, maar het refrein is bij hem ’t ‘Het was in de mei, het was in de mei’, dat door Onnekes nog voor de oudere versie werd gehouden.  Een “mooie kant” aan deze dans vond Oldenbanning het emancipatoire aspect, namelijk “dat een meisje stappen kon ondernemen naar de jongen die ze wou”, iets wat normaal niet ging.

Helaas noteerden de oudere auteurs geen melodie en lijkt die corrupt overgeleverd bij Oldenbanning. Maar in de onvolprezen Liederenbank vinden we ook plausibele versies, zoals in een opname van Maria van Douwen Kuipers-van Meekeren, die de dans kende uit haar jeugd in het Hindeloopen van vlak voor de Eerste Wereldoorlog.

Hield zij het voor een pinksterdans, voor de fabrieksarbeider Hermanus Oldenheuvel (geb. 1891) uit Losser, die het lied in 1959 voor de microfoon van Onder de Groene Linde inzong, was het weer typisch een bruiloftslied.

Tot slot nog een mooie gedragen versie, in 1953 opgenomen bij de toen 53-jarige Pietertje Langereis-Kistemaker uit het Westfriese Sijbekarspel.


Nieuwe uitzichten bij Aduard

Aduard heeft sinds kort een uitkijktoren. Het ding is een meter of tien hoog, en staat bij het Van Starkenborgkanaal, tussen Aduard en de Spanjaardsdijk.

2013-05-09 061

Naar het zuidoosten de grazige weiden van Aduard, rondom de Hamstertocht:
2013-05-09 069

In het westen het natuurterreintje ’t Stort, dat op een vooroorlogs slibdepot groeide:
2013-05-09 070

Een swingende vogelschrik:
2013-05-09 071

Bloesem langs het fietspad:
2013-05-09 074

’t Stort, ik denk dat hier ook wel reeën te zin zijn:
2013-05-09 075

Wat dichterbij:
2013-05-09 076

Volgens mij is het ook een goeie plek om ’s ochtendsvroeg van vogelzang te genieten.
2013-05-09 077

Wat mij betreft komt er aan de noordkant van het kanaal ook zo’n toren, en dan nog wat hoger.


Muizenstad (II)

2013-03-01 006

Van een muizenstad, die in 1960 de stad Groningen aandeed, is nog een dossiertje bewaard in het gemeentearchief. De attractie maakte toen nog geen deel uit van de kermis, maar toerde zelfstandig door het land. In Groningen stond de houten tent, qua oppervlak 14 bij 11 meter, die zomervakantie van 2 tot 10 juli op een deel van de pluimveemarkt aan het Damsterdiep. Men kon hier de Muizenstad ’s middags en ’s avonds komen bekijken. De entree bedroeg 35 cent voor kinderen tot 14 jaar en 50 cent voor mensen die ouder waren. Dat lijken me prijzen die wel wat hoger lagen dan op de kermis.

De eigenaar van deze onderneming was H. de Man, een 64-jarige oud-timmerman die op Scheveningen woonde, maar in Den Haag een postadres had (zie briefhoofd). Bij het schijven waarin hij de gemeente Groningen om de vergunning vroeg, zat een bijlage, waarin hij vertelde dat zijn “complete miniatuurstad” jaren eerder uit een hobby ontstond. Rond 1956 was de zaak in een stroomversnelling geraakt doordat geïllustreerde bladen en bioscoopjournaals in binnen- en buitenland er aandacht aan besteedden. Ook was “dit vooral voor kinderen zo boeiend kijkspel” twee maal op de toen nog prille buis geweest. Maar “de kroon op het werk” was een bezichtiging in Den Haag door koningin Juliana –

“vanaf die tijd werd de eigenaar niet meer met rust gelaten en van alle zijden werd op vertoning van dit unieke schouwspel aangedrongen”.

De Man beweerde niet dat hij de eerste met een soortgelijke attractie was – dat zou ook een leugen geweest zijn. Als zijn unique selling point noemde hij iets anders:

“De verzameling kleurmuisjes die tentoongesteld wordt, geheel in sprookjessfeer, werd nog door niemand eerder gebracht en er mag van gezegd worden dat het geheel interessant en voor jong en oud attractief en bezinswaardig is.”

Over die “kleurmuisjes” straks meer. Een advertentie voor zijn Muizenstad heb ik niet kunnen vinden, waarschijnlijk werkte De Man met affiches. Op 5 juli kort staat er wel een kort interview met hem in het Nieuwsblad van het Noorden.  Hij zegt dan “stapelgek” te zijn op zijn “schatjes”, waarvan hij de allereerste zo’n tien jaar eerder in huis kreeg, toen een fröbelschooljuffrouw hem vroeg om tijdens de vakantie op een stel witte van haar te passen:

“Kom”, dacht hij, “ik zal voor die juffrouw een paar aardige huisjes bouwen, waar die beessies leuk in kunnen spelen.”

Dit groeide dus uit tot een hele muizenstad en sinds 1957 trok hij met die show, en met vrouw, knecht en hond door het land.

De Mans Muizenstad doet getuige de foto bij het interview qua formaat en lay out sterk denken aan wat ik gister op de Ossenmarkt zag, met o.a. de molen, de uitkijktoren, het klapbruggetje en het reuzenrad. In totaal reisden er 1200 muizen mee, maar slechts 400 daarvan bevolkten op enig moment de muizenstad, zodat De Man er 800 in reserve moet hebben gehouden.

De gekleurde muizen waren niet opgeverfd, zoals je zou kunnen denken op basis van de brief aan de gemeente, maar hadden allerlei natuurlijke kleuren: wit, blauw, bruin en zo’n dertig variëteiten daartussen. Volgens De Man liep er nooit eentje weg: ”Daar heb ik ze voor opgeleid”.

Dat de gemeente Groningen een aardige grijpstuiver verdiende door de verhuur van de standplaats bij het Damsterdiep, blijkt uit het gemeentelijke dossier. Voordat de huur inging moest De Man al 325 gulden aftikken, te weten 225 gulden voor de negen dagen huur (ƒ 25,- per dag) en nog 100 gulden als waarborgsom. Om alleen al die lasten eruit te krijgen, moest zijn Muizenstad minstens duizend jeugdige bezoekers hebben. Bovendien betaalde hij  de gemeente 20 % vermakelijkheidsbelasting op alle ontvangen entree.


Muizenstad (I)

Een foto van Jan Glas attendeerde me erop, dat er een Muizenstad op de meikermis te zien was, meer precies op de nostaligische kermis op de Ossemarkt. Daar moest ik het mijne van weten. Het kon vandaag nog net.

Voor het eerst sinds tientallen jaren zou ik geld gaan uitgeven op de kermis, één euro maar liefst. De façade:

008

De attractie is internationaal georiënteerd, maar heeft blijkbaar meer Duitstalige dan Engelstalige klandizie:

010

Om de hoek is het eerste dat opvalt een Hollandse molen:

011

Weinig muizen te zien nog:

013

Die zitten in groten getale op hun eigen kermis:

016

En bij de klap:

019

Ik had het oppervlak wat groter verwacht:

028

Dan nog maar even terug naar de brug:

035


Tito is niet dood, hij leeft

Gezien aan het Zuiderdiep:

001

 


Swinder – Op fietse noar stad

Eevm kovvie pruivm:

Bron


Leegkerk

005

006

012

021


De eerste automatiek van de stad

Automatiek Herestraat 45 blog

Van het eten uit de muur weet je dat het een betrekkelijk recent verschijnsel moet zijn, maar wanneer diende zich dat dan aan? Daar kwam ik achter dankzij een foto die Harm Renkema onlangs op Flickr plaatste, en waarvan hierboven een bewerkte uitsnede staat. De foto maakte me nieuwsgierig, ik stelde een klein krantenonderzoekje in en het bleek te gaan om de allereerste automatiek van Groningen, in 1932 gevestigd op het adres Herestraat 45, tegenover het Hoogstraatje.

Het Nieuwsblad van 4 april dat jaar bericht over de ophanden zijnde verbouwing van dat pand tot een “automatisch restaurant” onder architectuur van T. Holthuis KHzn., die namens eigenaar M.E. Vorenkamp de verbouwing aanbesteedde. De bedoeling was er een zaak van te maken “waarin spijzen, gebak, bier, limonades, likeuren, sigaren, sigaretten enz. uit automaten zullen worden verkocht”.  Boven de pui zou een grote lichtreclame komen met de aanduiding „Automatiek”. Binnen kwam er een “zeer modern ingerichte ruimte”:

“De wanden zullen geheel bekleed worden met marmer, de vloer betegeld, om alles zoo rein mogelijk te kunnen houden.”

Leek dit wellicht wat steriel in die bruinminnende jaren dertig, er zou bovendien

 “een gezellig zitje worden gemaakt; waar het publiek op haar gemak (…) een en ander zal kunnen gebruiken.”

Aan de expertise van de uitbater hoefde niet te worden getwijfeld. Die had internationale ervaring opgedaan::

“De heer Vorenkamp is reeds eenige jaren in het buitenland op dit gebied werkzaam geweest en dus goed op de hoogte met dergelijke zaak, welke voor Groningen nieuw is.”

Zoals later bleek, dreef Vorenkamp de zaak met een familielid. De verbouwing moest in mei klaar zijn, aldus het Nieuwsblad, want

“het perceel zal nog voor de as. kermis worden geopend”.

Op 10 en 11 mei vestigden advertenties inderdaad de aandacht op de opening:

1932 adv opening

– die op donderdag 12 mei plaatsvond, terwijl de kermis in opbouw was. Het Nieuwsblad wijdde een redelijk lang stukje Zakennieuws aan het fenomeen:

“Groningen heeft eens iets nieuws gekregen, nl een automaten-restaurant, het eerste m het Noorden en het derde in Nederland. (…) Een mooie bronzen pui, vervaardigd door de machinefabriek „Helpman” van den heer H J. Naaijer, geeft een royalen entree. Bij het binnenkomen ziet men links de automaten met daartusschen het buffet, waar koffie en thee geschonken wordt, omdat dit beter is dan via een automaat. Maar ook hier betaalt men met munten, die men zich kan aanschaffen door kwartjes te werpen in de kleinen wisselautomaten.”

Er zijn twee groote Vendor-automaten, ieder met acht spijsjes, 5 Paternoster-automaten, elk met 1 spijsje en 5 drankautomaten waarvan de bierautomaat van een geheel nieuwe constructie is, die de kwaliteit van dit bruischende vocht niet aantast, zooals tot dusver het geval was.

Voor het buffet staan 10 stalen krukjes en achter in het restaurant zijn nog een paar zitjes met tafeltjes. Een groote tafel met marmeren blad in het midden dient om de gebruikte koppen, glazen, enz. neer te zetten.

De spijsjes worden in de modern ingerichte keuken op de eerste verdieping, waar een bekwame Duitsche kokin den scepter zwaait, gereed gemaakt en door een lift naar beneden gestuurd, waar een der buffetmeisjes ze achterlangs in de automaten brengt, zoodat alles zoo hygiënisch mogelijk gaat. Bij de geheele Inrichting met marmer en graniet is trouwens op de eischen van hygiëne gelet.

Achter het restaurant bevindt zich een keurige toiletgelegenheid.”

De krant vermeldde niet wat precies het assortiment was. Daar komen we pas achter door een advertentie uit 1933:

1933 assortiment

Kroketten waren er dus van meet af aan, maar tegen de visfilet, de broodjes lever en halfom,  de advocaat, de wijn en de punch kijken we vanuit ons perspectief wellicht wat vreemd aan.


Ooievaarsnest gekraakt

Een creatuur van Noord-Afrikaanse komaf heeft het ooievaarsnest bij de boerderij van Hoffmans buitenreclame aan de Van Zweedenlaan bezet:

001
“Ze passen brute kracht toe om het nest van een andere vogel in te pikken”, zegt de Wikipedia over nijlganzen.  Hier was dat waarschijnlijk niet nodig , want ik heb dat nest nog nooit bewoond gezien. Er zit te weinig ruimte omheen, de paal is te kort of staat te dicht op de bomen, wie weet wat de oorzaak is van de onbewoonde staat mag het zeggen. In elk geval haalden onze autochtone eibers er tot nu toe hun snavels voor op.

006b

Zoals op bovenstaande foto uit een iets andere hoek te zien is, groeide er zelfs al een mooie pol gras op het nest. Dus die gans kan lekker snacken zonder dat hij de deur uit hoeft.


Zomersproeten, wisselend gewaardeerd

Aan deze advertentie uit het Nieuwsblad van het Noorden, editie 11 mei 1915, valt bepaald niet af te lezen dat sproeten behoren tot de zeven schoonheden. Sproeten moesten kennelijk worden bestreden:

middel tegen sproeten NvhN 11 mei 1915

In de noordelijke kranten werd van 1913 tot 1958 voor dit middel geadverteerd, op het laatst in kleine rubrieksadvertenties. De hernieuwde waardering die toen blijkbaar op gang kwam voor sproeten, werd als het ware bezegeld door de hit van Rocco Granata uit 1972.

 

 


Vrouwe Fortuna op zijn Gronings

De Groninger Fortuna

Zo zag vrouwe Fortuna er uit als Gronings tabaksmerk.

Ik vond haar op de website van voorheen het Amsterdamse Pijpenkabinet, nu omgedoopt tot Amsterdam Pipe Museum, een mooie instelling die over ettelijke Groningana beschikt.

De pijpekoppen interesseren me wat minder, maar ik keek mijn ogen uit op hun collectie tabakszakken uit de periode 1750-1940. Die puutjes en kladden zijn namelijk bedrukt met  beeldmerken, waarvan de primitieve charme voor mij ruimschoots opweegt tegen heel wat officieel goedgekeurde kunst.

De voorstellingen vallen in drie groepen uiteen. Ten eerste heb je de beeldmerken die refereren aan de tabak zelf en de wereldwijde handel daarin, zoals  De Tabaksplant(er), De 3 Marylanders, De Rokende Moor, De Koophandel en het Tabaksvat. Dit zijn vrij algemene merken en er horen tamelijk obligate voorstellingen bij, waar geen greintje couleur locale aan te bekennen valt.

Die zit er wel aan de merken welke verwijzen naar bekende gebouwen van de stad Groningen, zoals de onvermijdelijke Martinitoren, de Korenbeurs, het Akademiegebouw, de Waag en de A-poort.

Maar het boeiendst vind ik toch de beeldmerken, die samenhangen met huisnamen. Vaak zal de voorstelling op de tabakspuut immers afgeleid zijn van die op het uithangbord aan het desbetreffende pand, waar dan – meestal als niche van een kruideniersbedrijf – tabak geschikt gemaakt werd voor consumptie. In deze categorie passen heraldische merken als: (Het Wapen van) Amerika, Bentheim, Dokkum, Drenthe, Stad & Lande, Hunsingo en het Oldambt, naast beestachtige namen met bijbehorende voorstellingen als De Haan, de Leeuw, de Os, de Vos en de Zwaan, terwijl de Rozijnekorf en De 3 Webben verwijzen naar niches van de tabakshandel zoals het kruideniersbedrijf en de linnenhandel.

Dankzij hun link met uithangborden en huisnamen, laten deze ‘huismerken’ iets zien van het symbolenrepertoire van de stad.


Goed voorbeeld Meppel doet goed volgen?

Bus en trein sloten niet goed op elkaar aan en zodoende had ik even de tijd om een klein rondje Meppel te doen. Heb even geweifeld over het Wilhelminapark, maar herinnerde me iets gehoord te hebben over gerestaureerde gevelreclames, dus het Zuideinde op richting Hoofdstraat, waar ze bij de brug te vinden zijn op de vroegere muziekhandel Spans:

2013-05-12 060

Een Schiedamse bank:

2013-05-12 065

Lokale middenstand:

2013-05-12 067

En een merk dat nog steeds bestaat:

2013-05-12 069

Ook wel iets voor Groningen, dacht ik zo. Gepensioneerde schilders genoeg die zo’n klus willen klaren, voor het materiaal willen sponsors vast wel zorgen. Als de gemeente nou zorgt voor de organisatie, dan is het verhaal rond.

De gevelreclames in Meppel bleken gemaakt te zijn door een joodse schilder, die in de oorlog met zijn gezin vermoord is. TV Drenthe liet de bedenker van het project aan het woord.


Vals licht boven Leegkerk

20013-05-12b 045

20013-05-12b 048

20013-05-12b 049

20013-05-12b 050