Zo de wind waait, waait mijn lokje
Geplaatst op: 12 mei 2013 Hoort bij: Het Noorden 2 reactiesAls je haar maar goed zit, dan zing je jippiejajee:

Heb ik soms wat van je aan?

Voorjaarsrondje Reitdiepgebied
Geplaatst op: 9 mei 2013 Hoort bij: Hoogkerk, Ommelanden 7 reactiesLeegkerk:

Grazende zwaan bij Leegkerk:

De kerk van Leegkerk van de westkant (de fluitekruid komt op en de kikkers raken op dreef):

Kruidenrijk grasland bij Den Horn:

Zuidhorn in de verte:

Langs het Van Starkenborgkanaal bij Aduard (It’s a long way to Tipperary);

Vervallen boerderij bij Aduard:

Barnwerd:

Saaksum:

Bij Roodehaan:

Bij Warfhuizen:

Afgedankt materieel bij Warfhuizen:

Aardappelland bij Schouwerzijl:

Schaphalsterzijl:

Schimmel, Klein Garnwerd:

Oostum, laat in de middag:

Brand bij H. Perton te Veelerveen
Geplaatst op: 7 mei 2013 Hoort bij: Familie 1 reactie“VEELERVEEN 7 Mei. Gistermorgen brak er plotseling brand uit in de woning van den arbeider H. Perton. Alleen ’t bejaarde echtpaar Perton en de schoondochter waren thuis. Gelukkig werd de brand direct opgemerkt door een 2tal personen, die in de nabijheid veldarbeid verrichten. Het redden van de levende have, varkens en geiten, kostte groote moeite. Van den inboedel werd nog al iets gered; huis en inboedel waren verzekerd.”
Aldus het Nieuwsblad van het Noorden op 9 mei 1907. Nooit geweten dat er ook nog familie in Veelerveen heeft gewoond. Dacht dat ze nauwelijks ten zuiden van de lijn Scheemda-Bellingwolde kwamen en ook, dat Veelerveen veel zuidelijker lag. Maar Veelerveen blijkt zowel in Vlagtwedde als in Bellingwolde te hebben gelegen, gemeenten die nu zijn samengevoegd tot Bellingwedde. En waarschijnlijk betrof het hier een stuk Veelerveen vlakbij Viescheloo, dus onder de gemeente Bellingwolde.
Het ging in het bericht om Hindrik Perton, geboren in 1829 als zoon van een gelijknamige arbeider en Teelke Strobosch. Hij trouwde in 1860 met de daglonersdochter Anna Loohof, die in 1911 in Vriescheloo overleed. Daar zou Hindrik zelf in 1915 sterven, op 86-jarige leeftijd. Ten tijde van de brand was hij dus 78.
Hindrik heette arbeider , maar hij bezat wel vee, in elk geval geiten en varkens. In Drenthe zou men zo iemand een keuter noemen. Hij had vast een mooi weids uitzicht, daar in Veelerveen. Hij was er min of meer een pionier, want Veelerveen begon pas wat voor te stellen na 1911, toen er de kanalen kwamen.
Rachel Sermanni – Pirate Song
Geplaatst op: 7 mei 2013 Hoort bij: Muziek 1 reactieOpgenomen in de Groninger diepenring:
Retour Jonkersvaart
Geplaatst op: 5 mei 2013 Hoort bij: Ommelanden 3 reactiesHet blakende voorjaar maakt zelfs een karakterloze weg als de Roderwolderdijk langs de A-7 het aanzien waard;

In de verte, bij de Apenrots van de Gasunie, speelt het Bevrijdingsfestival zich af. Op de Onlanden hoorde je er niets van. De roerdomp had geen concurrentie:

Bij Roderwolde opeens de machtige geur van bloeiende meidoorn:

Slootje, eveneens te Roderwolde:

Hooimijt met relaxend vee, Oostindië:

Een proeve van middenstandpoëzie, Oostindië:

Jonkersvaart – de tuin is opgeruimd, nu het huis nog:

Aan de andere kant van hetzelfde pand – opslag van boompjes in de dakgoten:

Hoe de gezelligheid uit Groningen verdween (II)
Geplaatst op: 5 mei 2013 Hoort bij: Muziek, Stad toen 2 reacties
De “stoottroep” van de kersverse Groninger W.A.-afdeling had de stad-Groninger horeca nu geariseerd, maar er bleven nog doelen genoeg over om op los te gaan. Bijvoorbeeld de Harmonie, de grote stedelijke sociëteit aan de Oude Kijk in ’t Jatstraat die een heel concertgebouw en zalencentrum exploiteerde.
Op de avond van woensdag 26 maart 1941 vond hier in de grote zaal een “hyper-hot-jazz-avond” plaats met een optreden van, zoals De Zwarte Soldaat het formuleerde, “Joe Lewis met zijn negerband”. Er speelden ook joodse muzikanten mee, iets wat de W.A. al helemaal niet zinde. Daarentegen genoten ongeveer 600 aanwezigen van de swingende dansmuziek. Die vielen allemaal stil, toen de W.A,. binnenkwam. Volgens De Zwarte Soldaat werd er zelfs niet meer gekucht, wat de gewoonte was als men een fouterik in de buurt bespeurde:
“zoodat wij nu nog beter kunnen hooren van wat voor afgrijselijke klanken deze uitheemschen, gezeten op een podium, onze volksgenooten, onze jeugd laten ‘’genieten”. De stemming in de zaal schijnt al tamelijk “hot” te zijn, tenminste de negerhoofdman slingert zich als een wingerdplant in allerlei bochten om de microfoon onder het uitstooten van allerlei vreemde geluiden die dan blijkbaar bij de niet aan te hooren klanken hooren, die de rest van het stelletje aan hun instrumenten weten te ontlokken.”
Best een tof concert, dus. Maar de W.A. stelde zich op aan de zijkant van de zaal, Bresser stapte met zijn opperkompaan Kollé naar het podium en Kollé greep in opdracht van Bresser de microfoon:
“Volkschgenooten, Nederlandsche jeugd, moet gij nu nog langer dit gehuil aanhooren van een stel volksvreemden! Gaat naar huis en komt terug om te dansen als hier een arisch dansorkest behoorlijke melodieuze muziek zal spelen!”
De zaal liep onmiddellijk leeg. Onder druk van Bresser brak de impresario van het “neger-joden orkest” de tour af, zodat soortgelijke avonden in Winschoten en Hoogezand niet door konden gaan. Het orkest reisde af naar Lissabon. “Nog even verder, heeren”, riep De Zwarte Soldaat het gedupeerde gezelschap na, “dan bent u waar u thuis hoort!”
Hoe de gezelligheid uit Groningen verdween (I)
Geplaatst op: 4 mei 2013 Hoort bij: Stad toen 4 reactiesDe arisering van de Groninger horeca, die ons de beruchte bordjes ‘Joden niet gewenscht’ bracht, is niet van bovenaf doorgevoerd door de bezetter. Welnee, die werd maanden voordat er een officiële richtlijn kwam, al afgedwongen door Nederlanders.
Het betrof leden van de W.A.. De Weerafdeling, zoals die W.A. voluit heette, was de zwart-geüniformeerde militie van de NSB. Koste wat kost wilde ze de publieke ruimte veroveren, en ze ramde er voor dat doel graag op los.
Medio maart 1941 vestigde de ‘banleider’ van de noordelijke W.A., H. Bresser, zich vanuit Assen op het adres Paterswoldseweg 111 in de stad. Tegelijkertijd ging het Ban- of hoofdkwartier van de noordelijke W.A. op Emmasingel 14, nabij het Groninger Hoofdstation, de facto open. En dit vormde het sein voor de actie in de horeca, waarover het W.A.-orgaan De Zwarte Soldaat naderhand trots verslag deed onder de kop: ‘De W.A. bevrijdt Groningen van de joden’.
Dat was antisemitische grootspraak, maar de opzet van de op zaterdagavond 15 maart uitgerukte “stoottroep Groningen” van de W.A. was van meet af aan duidelijk:
“Het doel is om de joden uit het openbare leven te verwijderen.”
De groep ging naar De Faun,
“een van de bekendste groote café’s in de binnenstad dat bekend staat als een zaak waar joden en menschen, die aan hun leiband loopen (…) gewoon zijn bij elkaar te komen om de N.S.B. en de Duitschers eens lekker te kunnen bekladden en belasteren.”
In groepjes binnenkomend, brachten de W.A.mannen de fascistische groet, iets wat tot dan toe nauwelijks waargenomen was in de Groninger horeca. Ze begonnen luidkeels te zingen: “Wij melden U de nieuwe tijd”. Klanten pakten massaal hun biezen. Volgens het W.A-blad had de gerant er toen “absoluut geen bezwaar tegen” zijn zaak voortaan voor joden gesloten te verklaren:
“hij is er integendeel blij om op deze manier op kalme wijze daartoe gedwongen te worden, zeer begrijpelijk, lieden die een heele avond aan één consumptie zitten te lebberen, het hoogste woord voeren, de beste plaatsen bezetten en tot slot nog den kellner zijn fooi misgunnen, ziet men liever niet in zijn zaak. Nu hebben fatsoenlijke menschen ook weer eens een kans om rustig een kopje koffie te drinken zonder geërgerd te worden door brutale Oosterlingen.”
’s Zondags bedrukte een W.A.-er een flinke voorraad van de beruchte bordjes. ’s Maandags ging zijn banleider Bresser met wat kompanen naar De Faun, om daar zulke bordjes op te hangen. Ook werkten ze andere grote horecazaken af. Het ophangen van de bordjes lieten ze daar aan de uitbaters zelf over en deze bleken wat dat aangaat zeker niet nalatig:
“…als we weer opstappen verschijnt er kort daarna het bordje „Joden niet gewenscht”. Zonder eenig incident worden zoo op een enkele morgen de voornaamste zaken in de binnenstad geariseerd. Ook in Groningen is het nu niet meer mogelijk dat pseudo-Nederlanders de beste plaatsen in café’s bezetten. De lucht begint langzamerhand rein te worden.”
Natuurlijk sprak zich dit in de stad rond. Het zag er naar uit dat geariseerde horeca klanten zou gaan kwijtraken. Op dinsdagmorgen belegden de eigenaren van de voornaamste geariseerde zaken daarom een bijeenkomst met Bresser. Na uren heen en weer gepraat stelden ze een brief op, waarin ze op verzoek van Bresser aan hun nog niet geariseerde collega’s meedeelden, dat in maar liefst 36 zaken in de Groninger binnenstad joden niet meer welkom zouden zijn.
“Wij geven U in ernstige overweging de desbetreffende bordjes, die U zullen worden bezorgd, op een goed zichtbare plaats, bij den ingang, neer te hangen. Verwijdering van deze bordjes door onbevoegde handen zal streng worden gestraft.”
Op woensdagmorgen brachten de W.A.-mannen de bordjes rond in de stad. Volgens De Zwarte Soldaat werden ze overal “voorkomend” ontvangen;
“…toch waren er nog enkele jodenvrienden, die er niet op gesteld waren hun zaken jodenvrij te maken, maar er hielp geen lieve moederen aan: ze moesten eraan gelooven.”
De W.A. beloofde ook te controleren, of men zich wel aan het verbod hield. Als ze nog joden in een zaak aantroffen, zouden daartegen “de strengste maatregelen” worden genomen.
Op woensdagavond ging de “stoottroep” onder leiding van Bresser meteen al aan de slag. Wat bleek?:
“Op één enkel geval na hebben alle café’s de bordjes opgehangen.”
Die ene uitzondering was Bodega Dik aan de Guldenstraat, een bekende stamkroeg van artistieke types. De W.A. voorkwam hier dat de eigenaar de politie belde en bracht zelf de bordjes aan.
Volgens De Zwarte Soldaat was de hele actie verder “zonder eenig incident” verlopen. Het blad noemde deze een “opmerkelijk succes” voor de kersverse Groninger W.A.-afdeling. Een succes ook, dat een vrij gemakkelijk gevolg kreeg:
“In den loop van den Donderdag hebben zich reeds vele eigenaars van zaken aan den buitenrand van de stad uit eigen beweging op het Bankwartier gemeld om bordjes „Joden niet gewenscht” in ontvangst te nemen. Ook in Groningen is er voor de joden geen plaats meer.”
Bloemen voor gesneuvelde bevrijders
Geplaatst op: 4 mei 2013 Hoort bij: Stad toen 7 reacties
Geïmproviseerd militair kerkhofje van het Canadese leger tussen Groningen en Paterswolde, voorjaar 1945.
Ommetje Nuis
Geplaatst op: 1 mei 2013 Hoort bij: Ommelanden 2 reactiesOnlanden – sinds kort zwemt hier ergens een otter rond:

De Waalborg met pril groen:

Schilders waren bezig met de brug bij Nienoord. Het brugdek zal wel gezekerd zijn, maar voor mijn geestesoog voltrok zich een slapstickachtig tafereel toen ik die ene de ladder zag beklimmen:

De vorig jaar aangeplante beukjes bij de laan naar Midwolde leken niet aan te slaan, maar misschien komt dit nog wel goed:

De kerk van Nuis

Poel bij de oprijlaan naar Iwema steenhuis bij Niebert (gister en vandaag misschien drie kikkers gehoord):

Niebert: kaal veld, op uitbarsten staande bloesem:

Aalscholver op lantaarnpaal bij Westpoort:

Blij in de wei
Geplaatst op: 30 april 2013 Hoort bij: Ommelanden 3 reactiesGezien tussen Niezijl en Kommerzijl: een meute lammeren die het op de heupen kreeg.
Rennen:

Nog meer rennen:

Een kort moment van bezinning:

En terug naar het uitgangspunt voor de volgende ren:

Betovergrootvader kreeg trap van paard
Geplaatst op: 29 april 2013 Hoort bij: Familie Een reactie plaatsen
Door het restaureren van familielogjes herinnerde ik mij opeens, dat ik nog niet had gekeken of de naam Perton ook voorkwam in de oudste tranche Nieuwsblad-leggers die de KB laatst op het web heeft gezet. En jawel, er kwamen weer wat bijzonderheden tevoorschijn. Zoals dit berichtje van 8 oktober 1897:
“FINSTERWOLD, 6 Oct. Bij het vervoeren van gedorscht koren viel de arbeider E. Perton van een wagen, onmiddellijk achter de paarden, waarvan een achteruitsloeg en P. aan het bovenbeen raakte. Het been werd zoodanig gekneusd, dat heelkundige hulp moest worden ingeroepen. De man zal eenigen tijd zijne gewone werkzaamheden niet kunnen verrichten.”
Dat gedorste koren zal in zakken op een platte wagen hebben gelegen. Mijn achternaamgenoot zal dan waarschijnlijk niet bovenop de lading hebben gezeten, maar op de bok van de wagen. Op de een of andere manier moet hij daar het evenwicht kwijt zijn geraakt, wat bijna alleen maar kan als je erbij gaat staan of erg voorover bukt. Dat zijn been alleen maar gekneusd was, daar bofte hij nog mee, dunkt me – ‘t had ook gebroken kunnen zijn. In elk geval kon hij een poos niet aan het werk. Voor die periode had hij dus geen inkomsten, en de doktersrekening zal er ook wel in hebben gehakt.
Bij E. Perton, Finsterwolde, denk ik onmiddellijk aan mijn betovergrootvader Elzo Perton. Maar ik heb dit verhaal nooit over hem horen vertellen. De vraag drong zich dan ook op of hij dit wel was.
Er bleek inderdaad nog een E. Perton in Finsterwolde te zijn, een gelijknamige kleinzoon van Elzo, tevens de neef van mijn grootvader.
Mijn betovergrootvader was op het moment van het ongeluk 65, die kleinzoon 18. Mijn betovergrootvader is zijn leven lang landarbeider geweest. Die kleinzoon stond, toen hij in 1916 stierf, te boek als timmerman, wat zijn vader Aike ook al was. Ik denk dan toch dat het berichtje over mijn betovergrootvader gaat.
Wel een pechvogel, die Elzo Perton. In zijn jeugd werd hij een keer opgepakt voor smokkel. En vijf jaar voor het ongeluk met het paard brandde zijn huis af.
Terugkeer van Napoleon gaf repercussies in Kloosterburen
Geplaatst op: 27 april 2013 Hoort bij: Geschiedenis 9 reacties
“Parijs den 7 Maart. Gisteren in den morgen liepen er allerhande geruchten van een ongunstigen aard, die op de beurs weldra geconfirmeerd werden. Men vernam alstoen dat Napoleon Buonaparte met 1200 man en 4 stukken geschut bij Cannes, tusschen Fréjus en St. Tropez ontscheept was en zich van verscheide plaatsen in het département du Var had meester gemaakt. Deze tijding maakte dadelijk eene zeer groote sensatie en baarde veel ongerustheid, terwijl de renten terstond 3½ per cent vielen en de bank-actiën van I200 op 1165 kwamen.”
Aldus de Opregte Haarlemsche Courant van 14 maart 1815, twee weken na de landing van Napoleon, die met een soort van vreedelingenlegioen van zijn ballingsoord Elba ontsnapt was. Aanvankelijk werd het gevaar in de meest gelezen krant van Noord-Nederland gebagatelliseerd: het viel allemaal wel mee, er heerste geen grote ongerustheid. Op 18 maart echter, berichtte de Haarlemmer al dat Frankrijk in rep en roer was, met muitende garnizoenen en zich overgevende steden. In het machtscentrum Parijs heerste grote neerslachtigheid. Wie wat te verliezen had, begon er zijn boeltje te pakken.
Het bericht over Napoleons landing haalde op 17 maart de Groninger Courant, die sprak over een “heilloos plan van de wereldberoerder”. Op 21 maart meldde dezelfde krant, dat de vestingen in het zuiden van Nederland (het latere België) in paraatheid waren gebracht. Zo kwam het nieuws dichterbij, want ook Groningen was een garnizoensstad en vanouds gingen er tussen deze vesting en de zuidelijke nogal wat troepen heen en weer.
Op 20 maart zat Napoleon al in Parijs, nieuws dat de 28e in de Groninger Courant stond. Het gevaar nam nu werkelijk schrikbarende vormen aan. En dat lokale autoriteiten toch ook wel een tikje nerveus begonnen te raken, blijkt uit een brief die de schout (burgemeester) van het overwegend katholieke Kloosterburen een dag later, op 29 maart, stuurde aan de officier van justitie bij de Rechtbank van Eerste Aanleg in Appingedam. Bij de schout waren klachten ingekomen over “ruststoorend gedrag” in een plaatselijke herberg, en hij voelde zich verplicht die door te geven aan de officier,
“doordien de rust en veiligheid in deze tegenwoordigheid van zaken oplettend dient te worden gehandhaaft”.
De schout had alvast inlichtingen ingewonnen en daarbij bevonden dat ene Lucas Derks Kok “den ergsten in het geval is geweest”. Alles was gebeurd zonder medeweten van de kastelein, dus die moest er niet op aangekeken worden.
De inlichtingen van de schout waren vervat in een verklaring door de dagloner of boerenarbeider Kornelis Eppes Werkhof (21) uit Hornhuizen, Rentjen (ook wel Reint) Harms Vos (20), een boerenknecht uit Kloosterburen, de boerenzoon Pieter Sjabbes Damhof (19) uit Kloosterburen en de boerenzoon Jan Rijkes (of Riekes) Beukema (20) uit Hornhuizen. Op 21 maart, dus een week voordat de schout de klachten doorstuurde, was dit viertal jongens ’s om een uur of half tien bij kastelein Egbertus Zonder in Kloosterburen geweest, en daar hadden ze gehoord hoe “enige personen”, namelijk Lucas Derks Kok van de Grijssloot onder Leens, Harm Roberts Klaver uit Kloosterburen en Hindrik Harms Timmer uit Hornhuizen,
“zich ruststoorend hebben gedragen met te zingen van liederen ten gloria van Napoleon…”
Ook hadden Kok, Klaver en Timmer “Vivat de Empereur” geroepen en gedreigd:
“Napoleon koomt schielijk weder terug, en dan zullen wij die blixemse orangelieden opknopen en den prins die vagebond wel vinden.”
Op 9 april werd hoofdverdachte Lucas Derks Kok verhoord door de officier van justitie. Hij bleek boerenknecht in het kerspel Kloosterburen en niet in Leens, zoals zijn beschuldigers meenden. Hij woonde in bij Harm Weggens, een boerenarbeider, was 23 jaar oud en geboren op de Rodehaan onder Warfhuizen. Tegen de officier gaf Kok toe, dat hij de bewuste avond een uur had doorgebracht in de bewuste herberg. Hij kwam er met een andere boerenknecht en een kleermaker, maar hield niet hun gezelschap en zocht dat van zijn mede-verdachten Klaver en Timmer op, al was hij met deze evenmin “in één gelag” geweest. Inderdaad waren er die avond patriotse èn oranjeliedjes gezongen. Wie dat allemaal nog meer deden? Och,
“Er waren zoveel, dat ik ze niet kan opnoemen.”
Wie de patriotse liederen zong, wist Kok niet. Ook ontkende hij zich te hebben uitgelaten over de terugkerende Napoleon en het opknopen van oranjelui en de prins als vagebond. Wie deze uitlatingen dan wel deed? Dat wist hij niet, hij had ze niet eens gehoord.
Kok wist dus van de prins geen kwaad. Op 20 april nam de vrederechter van Winsum daarom nadere verklaringen op van Werkhof, Vos, Damhof en Beukema, waarin wat dieper werd ingegaan op het voorval in de kroeg te Kloosterburen. Intussen was er een maand voorbij gegaan, en de jongens waren niet helemaal eenstemmig meer qua chronologie en incriminerende feiten, maar wat ze bij de vrederechter vertelden kwam hierop neer:
Kleine jongens, die in het voetspoor van de oudere jongens naar de herberg van Egbertus Zonder kwamen, waren begonnen met het zingen van Franse liederen en het roepen van “Vivat Napoleon” en “Vivat l’Empereur”. De oudere jongens, met name Kok en zijn maten Timmer en Klaver, vielen hierbij in. Toen die even ophielden, raakten ze in een twistgesprek met Werkhof over de toestand in de wereld.
Timmer: “De Franschen zijn alweer een stuk weer hier”.
Klaver: ”Ik wilde dat zij hier maar weder waren”.
Werkhof: “Het is tog nog Oranje boven”.
Volgens Werkhof, blijkbaar een orangist, liep Kok vooruit op de komst van de Fransen. Kok zou hebben gezegd:
“Dan zullen wij de Oranjelui wel vinden en wel opknoopen en de Prins die vagebond wel vinden”.
Damhof viel Werkhof wat dit betreft bij, maar Vos herinnerde zich het anders. Volgens hem had Kok niet gedreigd maar voorspeld:
“Als de fransozen er weder waren zouden zij de Oranjelui noch opknoopen, en de Prins die vagebond wel vinden.”
In elk geval was alleen Kok verantwoordelijk voor een dergelijke uitlating, van diens maten hadden Werkhof c.s. zoiets niet gehoord, of konden ze dat niet met zekerheid verklaren. Toen Kok c.s. weer begonnen met het zingen van Franse liederen en het roepen van “Vivat de Keizer”, hadden Werkhof en zijn drie kameraden het raadzaam geacht om de herberg te verlaten,
“als vreezende [dat ze] gemaltraiteert zouden worden”.
Een week na het opnemen van deze nadere verklaringen, onderzocht de Winsumer vrederechter ook nog een rustverstoring op een boeldag in Leens, waarover hij bij geruchte had vernomen. De deurwaarder die de boeldag organiseerde, kon hem melden dat er wel enige “historieën en rusiën” voorvielen, maar wist niet wie daarvoor verantwoordelijk waren geweest. Of Kok erbij was, kon hij evenmin zeggen, omdat hij die niet kende.
Op 1 mei stuurde de officier alle verklaringen naar de Rechtbank van Eerste Aanleg, met het verzoek om een arrestatiebevel tegen Kok als ”voornaamste belhamel”,
“Daar nu zodanige faiten in een land van orde en goede justitie niet straffeloos kunnen worden geduld.”
Dat bevel kwam af op 18 mei. Vanaf die dag echter, bleef het proces vrij lang stilliggen. Intussen raakte ook Nederland in rep en roer, want – wat we ons vaak niet realiseren – Waterloo lag nog binnen onze grenzen. Pas nadat Napoleon hier zijn definitieve nederlaag leed (18 juni) en bekend werd dat men hem naar Sint Helena zou gaan verschepen (begin augustus), ging het proces tegen diens drie (vermeende) aanhangers te Kloosterburen verder.
Op 5 augustus werd Kok opnieuw verhoord. Hij wist niet waarom hij vastzat, noch dat hij überhaupt iets misdaan had. Dat er in de Kloosterbuurster herberg Franse liederen waren gezongen, wist hij niet. Hij ontkende andermaal de gewraakte uitlatingen te hebben gedaan, of zelfs maar te hebben gehoord.
Ook de getuigen of beschuldigers moesten nog eens komen opdraven. Zij verklaarden op 22 augustus alles nog eens conform hun eerdere deposities, maar dan onder ede. Alleen meldde Beukema dat zijn groep uitgedaagd was door Kok en diens metgezellen die zich volgens hem “onrustig” en “zeer slegt” gedroegen –
”als zeggende onder elkander dat zij wenschten dat wij maar eens buiten kwamen”.
Nieuw bij Damhof was, dat die nu een van de gewraakte liedjes noemde. Het ging om de Carmagnole, een Frans revolutionair spotlied uit 1792 dat drie jaar later, bij de Bataafse revolutie, in Nederland veel rond vrijheidsbomen gezongen werd. In 1799, toen Napoleon als eerste consul in Frankrijk de macht greep, was het door hem verboden. Een dergelijk lied getuigde vooral van een democratisch-patriotse gezindheid, die op gespannen voet lijkt te staan met een regelrechte Napoleon-verering.
Koks niet gedetineerde mede-verdachten Timmer en Klaver werden eind augustus pas voor het eerst verhoord. Beiden ontkenden het gezang, de leuzen en de uitlatingen en pleitten daarvan ook de andere twee vrij. Timmer, geconfronteerd met het feit dat er beëdigde verklaringen lagen:
“Indien er zulke getuigen zijn die dit zeggen dan verklaren zij onwaarheid.”
Klaver had wel horen zingen, maar het specifieke repertoire was hem ontgaan:
“Ik heb daarop geen aandacht gegeven omdat ik zelve niet zing.”
Ook ontkende hij het uitdagen –
“Echter moet hij bekennen dat dien avond is geroepen Oranje Boven door Kornelis Eppes Werkhof, met bijvoeging van God verdoeme mij en slaande op de tafel zoo dat er een half oorts glas van de tafel viel en de overige glasen stonden te rummelen, dat ik wel begrepen heb dat dit tot spijt van mij geschiedde aangezien ik, als behoorende tot de patriottische partij aldaar bekend sta, en ik wegens ligchaams gebrek niet onder de Landstorm ben en te meer nog dewijl ik tot de Roomsche Gezindheid behoor en Kornelis Eppes Werkhof van de Gereformeerde gezindheid is, zoo dat uit dien hoofde er oneenigheid tusschen ons bestaat.”
Het zingen van oranjeliedjes kon helemaal niet voor een bekentenis doorgaan, want die mochten vrij gezongen worden. Het citaat maakt echter duidelijk dat er ook, en wellicht zelfs eerst, oranjeliedjes waren gezongen en oranjeleuzen waren geroepen door de gereformeerde en orangistische aanwezigen, wat in het katholieke en patriotse Kloosterburen als een provocatie kon worden opgevat. Mogelijk was dat ook de reden dat andere aanwezigen op patriots repertoire overgingen, waarbij we de napoleontische leuzen wellicht aan hun oververhitting mogen toeschrijven.
Op 5 oktober zat Kok nog steeds vast. De offcier van justitie overwoog die dag, dat er weliswaar geen “oproer of seditieuse beweging” was veroorzaakt, maar dat er wel degelijk sprake was geweest van een “ongehoorde belediging jegens Neerlands beminde souverein”. Ook beschuldigde de officier Kok c.s. van het “aankweken van oude partijschappen”, en een poging om “oproer te verwekken en daardoor burgeroorlog te ontsteken”. Met die kanttekeningen gingen de stukken naar de procureur-generaal bij het Hooggerechtshof in Den Haag, dat over het vervolg van de procedure zou moeten beslissen.
Bij de stukken zat ook een signalement van Kok. Voor wat het waard is:
“Groot 5 voet en 9,5 duim. Langwerpig van aangezigt, bleke couleur, rond voorhoofd, donker bruin hair en wenkbraauwen, blauwe ogen, langen neus, kleinen mond en ronde kin.”
Op 30 oktober besloot het Hooggerechtshof Kok en zijn twee metgezellen in officiële staat van beschuldiging te stellen en hun zaak toe te wijzen aan Hof van Assisen in Groningen. Misschien komt het voor de lezer als een anticlimax, maar die rechtbank verklaarde op 20 november 1815 alle drie de verdachten voor “niet schuldig” en stelde Kok op vrije voeten.
Een motivatie van de rechters ontbreekt helaas bij het vonnis, maar dat de vier getuigen niet helemaal consonant waren, en regelrecht werden tegengesproken door de drie beschuldigden, zou een reden kunnen zijn. Ook moeten de rechters hebben beseft, dat hier sprake was van een uit de hand gelopen kroegruzie, waarbij niet alleen politieke, maar ook religieuze tegenstellingen meespeelden. Bovendien zou er wel eens sprake geweest kunnen zijn van een orangistische provocatie. Waar twee partijen elkaar ergerden, hadden twee partijen schuld. Een vrijspraak leek dan de verstandigste weg, gooide althans geen olie op het vuur. En zo eindigde dan dit zaakje, dat me verder ook niet bekend is uit historische literatuur.
—
Bronnen:
RHC Groninger Archieven, toegang 141, archief Hof van Assisen Groningen en Drenthe te Groningen, inv.nrs. 6.19 (procesbundel L.D.Kok) en 2.2 en 4.1 (minuut zitting en arrest met de vrijspraak van 20 november 1815).
Het inhuldigingsfeest te Leek (1898)
Geplaatst op: 25 april 2013 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“Te De Leek (Gr.) wordt den 5 September een groote gecostumeerde optocht
gehouden. Daarin zullen o.a. worden voorgesteld: Prins Willem I, Adolf, Lodewjjk
en Jan van Nassau, Egmond en Hoorn, Maurits en Oldenbarneveldt, Hugo de Groot,
Willem Lodewijk, Ernst Kasimir, Frederik Hendrik, Jan Pieterzoon Coen, Hendrik
Kasimir, Piet Hein, Maarten Harpenz. Tromp, Jacob Cats, Willem Frederik,
Stadhouder Willem II, De Ruyter, Chr. Huygens, Stadh. Willem III, Raadpens.
Slingeland, Hendrik Kasimir II, Willem IV, Willem V, schout-bij-nacht Zoutman, A.
E. Falck, Koning Willem I, G. K. van Hogendorp, Van der Duyn van Maasdam, Van
Limburg Stirum, Koning Willem II, Chassé, Van Speyk, F.A. van Hall, Koning
Willem III, Thorbecke, generaal Van der Heyden, Koninginnen Emma en Wilhelmina,
generaal Vetter.”
Bron: Het Nieuws van den Dag, 5 april 1898.
Aannemer heeft maling aan fietsers
Geplaatst op: 24 april 2013 Hoort bij: Hoogkerk 10 reacties
“Werk in uitvoering. (Brom)fietsers afstappen”, zegt dit bordje bij het fietspad aan de zuidkant van de Johan van Zwedenlaan bij Hoogkerk.
Dat bordje staat er als disclaimer. Als je lek rijdt op of valt over zo’n omhoogstaande rand van een daar neergelegde rijplaat, moet je niet bij meneer de aannemer gaan zeuren om geld. Want hij heeft je nog zo gewaarschuwd.
En je kan vrede met een dergelijke toestand hebben, zolang het werk duurt. Je remt af en rijdt voorzichtig over die plaatranden heen.
Maar nu ligt het werk daar al de hele week stil. En dan worden die rijplaten en die bordjes (aan de andere kant staat er nog zo een) een irritante vorm van overlast.
Dus, meneer de aannemer, haal uw rotzooi even van onze openbare rijweg af zolang u daar niets wezenlijks uitvoert.
Bedankt alvast.
Koningin bezoekt Oosterpoortwijk
Geplaatst op: 23 april 2013 Hoort bij: Stad toen 4 reacties
“De politieke beroering van 1918, met die revolutiepoging van Troelstra, was vooral in het noorden erg. Daarom werd koningin Wilhelmina op stap gestuurd met prins Hendrik. Ze gingen bij de volkswoningbouw langs en zijn ook nog in de Oosterpoort geweest. Bij een familie Kok, achter bij de Meeuwerderweg. Hele vrome mensen waren dat. Via via heb ik gehoord dat ze bij het binnentreden van Wilhelmina zongen: “Dat des Heren zegen op u daal”. En ze boden de koningin ook een bijbel aan, ter signering. Maar Wilhelmina wilde haar handtekening niet zetten en zei: “De bijbel is niet om in te schrijven, maar om in te lezen”.”
Aldus de stokoude Klaas Lanting, die ik medio jaren negentig in Enschede sprak en die zich dit bezoek nog uit zijn jeugd herinnerde.
Lantings anecdote over koningin Wilhelmina maakte me nieuwsgierig en dus zocht ik eens uit, wanneer haar vorstelijke bezoek aan de Oosterpoortwijk nou eigenlijk plaatsvond. De datum bleek maandag 29 september 1919 te zijn. Het bezoek maakte deel uit van een goodwill-toernee die definitief orde op zaken stelde, zelfs in het potentieel revolutionaire Groningerland.
Op 11 november 1918, krap een jaar voor Wilhelmina’s bezoek aan Groningen, had de socialistische voorman Troelstra de Nederlandse arbeidersklasse nog aangespoord om de macht over te nemen. Wat zeer tegen de zin van andere zwaargewichten van zijn partij was, zoals de uit de Oosterpoortwijk afkomstige Schaper. Binnen een week haalde Troelstra bakzeil. Hij had zich vergist, erkende hij.
Elders in Europa vielen vele vorsten van hun voetstuk. Volgens de aanhangers van Oranje bleef het revolutiegevaar daarom op de loer liggen. Zo laakte de Provinciale Groninger Courant, die van duidelijk protestants-christelijke signatuur was, op zaterdag 27 september 1919 nog eens in krasse termen een “booze actie” van de roden ter verhoging van de ambtenaren-salarissen:
“De sociaal-democraten, die hier de vernieling willen, omdat zij in schandelijke hoogmoed nog altijd meenen, dat wie sloopen kan ook vermag op te bouwen, zijn in deze dagen bezig om onder de ambtenaren hun slag te slaan”.
En in haar openingsartikel van maandag 29 september 1919, de dag van het koninklijke bezoek aan Groningen, noemde hetzelfde dagblad de koningin het
“…middel in Gods hand om ons te behoeden, dat de druk van den krijg ons niet trof en dat de gruwel der revolutie, waaronder andere volkeren zoo zeer zuchtten, ons werd gespaard”.
Tot zover de achtergronden, nu het verhaal van Wilhelmina in de Oosterpoortwijk. Die maandag draaiden om ongeveer kwart over drie, half vier de drie koninklijke voitures en de vier volgauto’s met lokale hotemetoten en persmensen vanaf het Verbindingskanaal de Parklaan op. De stoet reed eerst langs de Sophiastraat, de Oosterweg, de Frederikstraat, de Meeuwerderweg, de HL Wicherstraat en het Winschoterdiep. Volgens het Nieuwsblad van het Noorden stond er overal langs de route een “dichte menschenmassa”, vooral ten oosten van de Meeuwerderweg:
“In den Meeuwerderpolder vooral was de drukte zeer groot. De menschen hingen overal uit de ramen en wuifden het Koninklijk Echtpaar toe. De politie had hier en daar moeite de menschenmassa in bedwang te houden, vooral was dit het geval toen de Koninklijke auto stopte voor de woning van de heer Kok aan de Meeuwerderbaan.”
Deze Kok, volgens het adresboek een werkman, woonde met zijn familie op Meeuwerderbaan 25-a, aan het eind van de zuidelijke, omstreeks 1970 voor de ringweg gesloopte straatwand, nabij het Winschoterdiep. In 1916 bouwde de christelijke woningstichting Patrimonium hier haar allereerste huizen. Bestuurders van Patrimonium wachtten ter plekke de koningin op, werden aan haar en de prins voorgesteld, en gaven informatie over het complex. Van te voren was Koks woning uitgekozen “als model der thans gebouwd wordende werkliedenwoningen”.
Met de Koningin gingen prins Hendrik en de burgemeester naar binnen. “Toen H.M. binnentrad”, vertelt de Provinciale, “zongen de kinderen haar toe: “Dat ’s Heeren zegen op u daal”.” Hare Majesteit sprak tegen de kinderen, zei dat ze mooi gezongen hadden en vroeg of ze veel van zingen hielden. Daarna bezichtigde zij onder begeleiding van Kok diens voor die tijd ruime bovenwoning, te weten de voorkamer met slaapgelegenheid, de achterkamer, de keuken, de slaapkamer met het balkon, de andere slaapkamer daarboven, de zolder en de overloop. “Toen H.M. een oogenblik op het balkon vertoefde, werd Zij door de op straat samengestroomde menigte spontaan toegejuicht”, aldus het Nieuwsblad. Over de inrichting van Koks woning toonde het hoge bezoek zich volgens dezelfde krant “zeer tevreden”. De Provinciale maakte uiteraard het meest uitgebreid melding van het voorval met de familiebijbel:
“Toen het Koninklijk echtpaar gereed stond om te vertrekken, trad de heer Kok naar voren met het verzoek aan H.M. om haar naam in den huisbijbel te schrijven. Na gevraagd te hebben waarom hij juist den Bijbel noemde, en de heer Kok had geantwoord, dat het zijn dagboek was, zeide H.M. gaarne aan het verzoek te willen voldoen en na haar handteekening te hebben gezet, verzocht ze den Prins dat ook te doen, waaraan ook hij gevolg gaf.”
Mijn zegsman Klaas Lanting had het dus in grote lijnen goed gehoord en onthouden. Alleen ging koningin Wilhelmina overstag na een kleine discussie, en zette ze haar handtekening dus toch wèl in de familiebijbel.
Bij het verlaten van Koks woning bedankte de voorzitter van Patrimonium het koninklijke paar, en verzekerde dat Patrimonium op de ingeslagen weg door zou gaan. De koningin, de prins en het gevolg stapten weer in de gereedstaande limousines en verlieten de Oosterpoort via de Meeuwerderbaan, de Van Sijsenstraat, de Joachim Altingstraat, de Meeuwerderweg, de Veemarktstraat, het Verbindingskanaal en de Oosterbrug.
Uiteraard vormde het bezoek van Wilhelmina aan de Oosterpoortwijk slechts een van de programma-onderdelen van de tweedaagse koninklijke rondreis door stad en ommelanden. Voordat ze de Oosterpoortwijk en het huis van Kok aandeden, waren Wilhelmina en haar gevolg al door de Groninger binnenstad gegaan en in het Stadspark geweest.
Hoewel Hare Majesteit pas om half twee per trein arriveerde, liepen ’s ochtends om achten al venters met oranjeknoopjes en -strikjes rond in de overvloedig vlaggende stad. Op de rode loper in het versierde stationsgebouw kreeg Wilhelmina van de Groninger visvrouwen een vergulde vis cadeau en in het Stadspark sprak zij onder andere met de grondwerkers die er in de werkverschaffing zaten over hun loon, werktijden en “arbeidsvermogen”.
Bij een ontvangst in het Stadhuis, later die middag, bleven de socialistische en communististische raadsleden demonstratief weg. Toch klonken er op de Grote Markt een duizendkoppig gejuich en een spontaan volksliederengezang. Ook in de Indische buurt en op De Hoogte bekeek de koningin moderne arbeiderswoningen. Zo bezocht ze op het Deliplein het huis van een agent van politie K. Swaak, wiens gezinsleden haar een bouquet bloemen overhandigden, en kreeg ze in het huis van Klaas Lantings broer op De Hoogte een rondleiding, waarover Klaas ook weer een smakelijke anecdote had:
“Wilhelmina schoot meteen door en liep met haar schoonzuster de huiskamer in. Ook architect Kazemier liep dadelijk door naar die kamer. Maar daar liep het vierjarige zoontje voor zijn voeten te drentelen. Kazemier wilde de jongen kwijt en gaf hem een rijksdaalder. De jongen vloog de straat op en riep almaar: “Ik heb een groot dubbeltje gekregen! Ik heb een groot dubbeltje gekregen!” Daarom dachten de buren dat de koningin er een zak met geld gebracht had.
In die woning praatte de koningin met de vrouw des huizes over huishoudelijke dingen. Hendrik had het met de heer des huizes over de militaire dienst, want die man was soldaat geweest in 1914. Nou, zo ging dat tot Wilhelmina zei: “Kom Henk, we gaan weer verder”. Het volk was razend enthousiast toen het de koningin weer naar buiten zag komen.”
Harry Perton
—
Dit is een bewerkte en ingekorte versie van een verhaal dat verscheen in wijkkrant De Oosterpoorter, het nummer van september 1999.

Recente reacties