Het riddergraf onder de linde van Dijksterhuis
Geplaatst op: 22 april 2013 Hoort bij: Geschiedenis 5 reactiesOp 13 juni 1903 is de sloop van de borg Dijksterhuis in Pieterburen zo goed als voltooid en moeten alleen de fundamenten nog uit de grond worden gebroken, als het Nieuwsblad een opmerkelijke vondst meldt:
“Bijzonderheden zijn niet aan het licht gekomen; alleen aan den kant van het slotplein is bij het vellen van een ouden lindenboom, gedeeltelijk daaronder, een graf gevonden, bedekt met ongeveer een halve meter puin, waaronder een skelet en fragmenten van een zijwapen. Of het de overblijfselen zijn van den een of anderen roofridder, die hier werd weggestopt? De fantasie heeft hierbij vrij spel…”
Met een zijwapen wordt een zwaard of degen bedoeld. Jammer dat zo’n vondst niet wat beter gedocumenteerd is.
Noordenvelds rondje
Geplaatst op: 21 april 2013 Hoort bij: Drenthe Een reactie plaatsenReebok pal naast De Woeste Hoeve, Matsloot:

Gemaal, Matsloot:

Nieuw kunstwerk bij de Hooiweg ten noorden van Roderwolde:

Sommige bermen en slootwallen zijn bezaaid met bosanemonen, zoals hier aan de Scharenhulsedijk tussen Roden en Altena:

Het Oostervoortsche Diep tussen Norg en Donderen:

Proefveld, dacht ik, tussen Donderen en Bunne:

Terhansau vanaf de Drentsedijk

Grutto bij de Drentsedijk:

Impressies Archeologiedag
Geplaatst op: 21 april 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Het Noorden, Stad nu Een reactie plaatsenDe Dag van de Noordelijke Archeologie, waar Drenten, Friezen en Groningers het mirakels goed met elkaar konden vinden. Op de informatiemarkt allerlei kleine exposities, o.a. van pijpekoppen:

Byfrost, het enige re-enactment gezelschap op de informatiemarkt:

Toehoorders bij een lezing in de hal:

Ridderspoor:

Lezing over de Punt van Reide, in dit geval is conservator Egge Knol van het Groninger Museum aan het woord. Hij wijst het gewezen Nesserland aan:

Aandacht voor stenen artefacten:

In het panel van deskundigen dat ingebrachte bodemvondsten bekeek, zat Jan Zijlstra, specialist qua metaal uit de wierdentijd. Hij zocht even wat meer licht op voor een probleemgeval:

Dit probleemgeval wat beter in beeld:

Baksteen met boodschap
Geplaatst op: 20 april 2013 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieMaar welke?

Deze werd getoond aan het panel van deskundigen op de noordelijke archeologiedag. Achter de tafel werd er getwijfeld of er überhaupt wel een zinnige boodschap op stond. Het handschrift deed mij 18e-eeuws aan, maar ik denk nu ik het wat beter kan bekijken, dat het net zo goed uit de 20e eeuw kan zijn.
Bestratingsmachine
Geplaatst op: 19 april 2013 Hoort bij: Stad nu 6 reacties
Fietste for old times’ sake even door de Jozef Israëlsstraat, waar ik medio jaren zeventig een jaar of anderhalf à twee gewoond heb. Ze waren er bezig met een bestratingsmachine. Nooit eerder gezien. De klinkers worden er van boven ingelegd, en de machine legt deze neer in het gewenste patroon. Wat zand en een trilplaat erover, en klaar.
Romeins brons
Geplaatst op: 18 april 2013 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesTe zien op de gratis toegankelijke Dag van de Noordelijke Archeologie, aankomende zaterdag in het gebouw van de Groninger Archieven, Cascadeplein 4 – voor het programma ziehier.
Ketelschroot:

Hengsel met vrouwenkopje:

Ingelegd sierschildje:

Godsbeeldjes:

Het schroot komt uit het Noordelijke Archeologisch Depot in Nuis, en het overige spul uit het Gronings Museum. Maar uiteindelijk komt alles uit wierden.
Hoogkerkermarkt was doodgeboren kindje
Geplaatst op: 18 april 2013 Hoort bij: Hoogkerk 2 reactiesDe Hoogkerker hotemetoten hadden de koppen bij elkaar gestoken en besloten dat er ook hier kansen lagen voor een jaarmarkt. Op 23 oktober 1798 zetten ze hun initiatief in de krant:
“De carspellieden van Hoogkerk, adverteren door dezen aan een ieder, dat aldaar twee PAARDE en BEESTE MARKTEN staan gehouden te worden, de eerste op de laatste maandag in october 1798. en de twede de eerste woensdag in juny 1799. — en zo vervolgens alle jaaren.”
Ook de voorjaarseditie van 1799 adverteerden ze nog:
“’t Word door dezen aan alle belang hebbende bekend gemaakt, dat op aanstaande woensdag den 5 juny te HOOGKERK, PAARDE en BEESTE MARKT staat gehouden te worden, en verder al wat te voorschyn zal worden gebragt.”
Dat laatste duidt erop dat ook een annexe warenmarkt in de bedoeling lag. Maar de ambitie bleek wat te hoog gegrepen, want hierna horen we er niet meer wat van. Op de marktkalenders in de almanakken van de negentiende eeuw schittert Hoogkerk dan ook door afwezigheid.
De belangrijkste jaarmarkten, die van het najaar, vielen op:
- Norgermarkt – de eerste dinsdag van september;
- Roldermarkt – de tweede dinsdag van september;
- Rodermarkt – de laatste dinsdag van september;
- Slochtermarkt – de eerste woensdag van oktober;
- en Zuidlaardermarkt – de derde dinsdag van oktober.
Indien succesvol, zou Hoogkerk met zijn laatste maandag van oktober dit rijtje hebben gesloten. Maar na de Zuidlaardermarkt was er kennelijk geen ruimte voor nog een jaarmarkt op de kalender. Het vuur in de haard ging aan, de belanghebbende strekte liever zijn benen even in een behaaglijke ledigheid.
Restant Drachtster tramlijn opgeknapt
Geplaatst op: 17 april 2013 Hoort bij: Stad nu 8 reactiesHet stukje spoor dat langs de Peizerweg resteert van de Drachtster tramlijn, wordt opgeknapt:

Laatst liepen er al mannetjes met metertjes, deze week arriveerde het grote materieel:

Sommige bielzen worden vervangen, enkele exemplaren waren al compleet vermolmd:

Een probleem bij de overweg:

Heel af en toe staat er nog een museumstuk op het lijntje geparkeerd (de laatste jaren gebeurde dat één maal, voor zover ik weet). Maar ik heb me laten vertellen dat het lijntje belangrijker is dan dat, omdat het ook nog een cruciale rol speelt bij bepaalde rangeermanoeuvres. Dat stukje spoor zou dus belangrijker zijn, dan ik geneigd was te denken. Vandaar die investering.
Een sigarenzaak bij de Cubastraat
Geplaatst op: 16 april 2013 Hoort bij: Oosterpoort 6 reacties
Stadsgezicht op een enigszins diezige dag, eind jaren zestig. We kijken vanaf de Oosterweg naar het noorden, in de richting van de Oosterbrug en de dronkemanstoren. Achter de bomen speelt de Martinitoren verstoppertje en hij heeft daar niet zoveel talent voor.
Links rijdt een auto de Parklaan in. Verderop aan die kant het ziekenfondsgebouw en apotheek Tonella. Dan bij de stoplichten rechtsomkeert maken, de hekken van de oude veemarkt langs om dan rechts vooraan terecht te komen bij een rijtje winkels aan de Oosterweg ter hoogte van de Houtzagerstraat en de Cubastraat. Die panden zijn midden jaren zeventig allemaal gesloopt voor nieuwe woningbouw en we hebben nauwelijks foto’s van. Deze is gemaakt door Kees Smit, van wie ik hem kreeg. (Bedankt Kees.)
Aan een van de winkelpuien hangt een reclamebord voor Karel I (“Er is maar 1 Karel I”). Hier had Annie Boesjes tussen 1957 en 1970 haar sigarenzaak. Dinsdag, de dag van de veemarkt, was altijd haar drukste dag, vertelde ze me eens:
“Dan moest je de winkelvloer eens zien. Ik heb heel wat stront moeten reinigen.”
Ze wist precies de merken die bepaalde boeren en veekooplui rookten.:
“Het waren wel bijzondere klanten, vooral als ze dit ophadden (maakt een polsbeweging voor haar mond.”
Zolang de veemarkt bestond, bleef de Oosterweg een drukke winkelstraat. Maar de veemarkt ging weg. Over de hoogtijdagen van de Oosterweg vertelde Annie:
“Zo gezellg met al die lichtbakken en etalages. (…) Als het rustig was, stonden alle middenstanders bij drogist Wiering in de winkel te zwetsen. Daar kwamen de verhalen los. Mijn man heeft ook bij De Bedrukter Middenstand gevoetbald. Woensdagavonds gingen alle vrouwen mee naar de Flamingobar, te kegelen.”
Rondje Peize
Geplaatst op: 14 april 2013 Hoort bij: Drenthe 7 reactiesVers gekapt in Foxwolde. En het is niet de enige plek waar dat recent gebeurde. Ik vraag me wel eens af waarvoor al dat kappen nodig is. Het scheelt wel in zangvogels natuurlijk. De mensen die daar een hekel aan hebben zullen dus wel blij zijn.

Een curieus architectonisch ensemble tussen Roden en Altena:

Oostkant Peize – waar de paarden niet kwamen, bleef het gras staan:

Pril blad, heel pril blad:

Paardensiësta, liggend:

Paardensiësta, staand:

Fuut op het Oude Eelderdiep:

Heksenbezems bij het Hoornsemeer:

Leonidas, graaf van Sparta, een ‘Grieks fondsenwerver’ in de Nederlanden
Geplaatst op: 13 april 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 3 reacties
Hij noemde zich Joanni Nicolai Leonidas, graaf van Sparta en hij verscheen in het najaar van 1825 te Groningen. Naar eigen zeggen had hij als officier te Morea, dus op de Peloponnesos, gevochten voor de zaak van de Grieken, “zijne landgenoten”.
Op dat moment voerden de Grieken al vier jaar lang hun vrijheidsoorlog tegen de Turkse overheerser. Het zag er slecht voor ze uit en er gingen geruchten dat de Turken alle overlevende Grieken zouden deporteren naar Ethiopië, waarbij ze dan de Ethiopiërs in Griekenland zouden vestigen. Maar de kansen zouden keren. Europa koos massaal partij voor de Grieken, die opeens als christelijke broeders werden herkend, en begon ze geld, wapens en vrijwilligers toe te sturen.
Leonidas, graaf van Sparta, zei in Groningen geld in te zamelen voor Griekenland. Hij wilde naar de Peloponnesos terugkeren, was al naar een haven aan de Middellandse Zee geweest, maar kon daar de reis nog niet ondernemen. Inderdaad beschikte hij over een pas, in Neurenberg afgegeven voor een reis naar Marseille. Volgens die pas was hij geboren in Pera, bij de Bosporus. Naast dit reisdocument en andere “schijnbaar echte papieren” toonde hij “werkelijke aanbeveelingen van achtingswaardige mannen in Duitschland”.
Dat zit wel snor, dacht een “aanzienlijk getal van geleerde en achtingswaardige mannen te Groningen” en zij gaven Leonidas onbekrompen steun “voor de zaak der Grieken”. Toen Leonidas naar het zuiden wilde vertrekken, gaven de Groningers hem zelfs een certificaat mee, een door hen ondertekende “algemeene aanbeveling (…), dienende, om het medelijden der weldenkende Nederlanders op te wekken”.
Nauwelijks had Leonidas met dit stuk zijn hielen gelicht, “of men werd uit ingewonnene berigten gewaar, dat men om den tuin geleid was”. Op het logeeradres van de “avonturier” trof men een door hem achtergelaten briefje aan, waarin men “de bekentenis van zijn bedrog” las.
Een van de bedrogenen was het invloedrijke statenlid Jan Remees Modderman, die in 1813 als onderprefect van Oost-Groningen persoonlijk de Russsiche kozakken had binnengehaald, en die in 1823 de genius was achter een boerenpetitie tegen onbeperkte graaninvoer. Deze strijder voor de belangen van de boerenstand stuurde op 29 oktober een uitgebreide bekendmaking naar de Opregte Haarlemsche Courant, indertijd nog de grootste krant van Nederland, die Moddermans tekst op 3, 5 en 8 november plaatste.
Modderman wilde met zijn bekendmaking “het Nederlandsch publiek” waarschuwen tegen Leonidas, wiens signalement hij niet gaf, maar wiens papieren hij wèl beschreef:
“Deze waarschuwing moge dienen, om voortekomen, dat niet meerdere goedhartige menschen worden misleid, en, zoo mogelijk, het certificaat, beginnende met de woorden: alle weldenkende Nederlanders, in deze maand aan LEONIDAS afgegeven, en door den ondergeteekende eigenhandig geschreven, worden ingetrokken en aan den ondergeteekenden teruggezonden; waarmede men hem en zijne medeteekenaren ten hoogste zal verpligten.”
Gesteld dat Leonidas een oplichter was, zoals Modderman wilde, dan had diens fancy naam toch argwaan kunnen en mischien wel moeten opwekken. Leonidas noemde zich immers naar de koning van Sparta die de held van Thermopylae was, zo’n beetje hèt icoon van de strijdende Grieken. De schilder David had een beroemd schilderij van Leonidas bij Thermopylae gemaakt, bovendien figureerde de Griekse held in populair drama, en leende hij ook nogal eens zijn naam aan schepen. De naam lag dus nogal voor de hand. Dat de ‘Groningse’ Leonidas desondanks heren als Modderman, die niet helemaal achterlijk waren, wist te bedotten, pleit dan ook voor diens overtuigingskracht of toneeltalent.
Modderman besloot zijn advertentie met de mededeling dat Leonidas volgens berichten het laatst gezien was in Zwolle, op 27 oktober. Op de dag dat hij zijn waarschuwing schreef, 29 oktober, was Leonidas echter ’s nachts al gearresteerd, en wel in IJsselmuiden door de politiecommissaris van Kampen, dit op verdenking van daar “gepleegde opligtingen”. De procureur-generaal bij het Hooggerechtshof in Den Haag bepaalde dat Leonidas in Groningen terecht zou moeten staan, en naar die stad werd hij in december overgebracht.
Op 1 mei 1826 verklaarde de Groninger Rechtbank van Eerste Aanleg “Joanni Nicolai Leonidas, zich noemende Graaf van Sparta, en volgens zijn verklaring 28 jaren oud, geboren te Pera, laatst woonachtig in Horea, officier bij een Grieksch corps” schuldig aan:
“valschelijk te hebben vervaardigd en nagemaakt een acte op naam van een minister van het Grieksche Gouvernement, strekkende om de welwillendheid op te wekken, zoo voor hem als voor de Grieksche natie en dezelve onderstand te verschaffen, alsmede zich van die acte te hebben bediend…”
De rechtbank veroordeelde Leonidas tot een half jaar gevangenisstraf, plus 50 gulden boete en de proceskosten, begroot op 90 gulden. Helaas is hier geen procesdossier bewaard gebleven, maar het vonnis – en dat was voor deze tijd vrij uitzonderlijk – kwam ook terecht in de Groninger en Haagse couranten:
“De beruchte Joanni Nikolai Leonidas, zich noemende graaf van Sparta, en voorwendende afgezonden te zijn door den Griekschen senaat, om ten behoeve van de zaak des vaderlands in Europa inzameling van bijdragen te doen, is heden bij vonnis van de regtbank van eersten aanleg hier ter stede, in zake correctioneel, veroordeeld tot eene gevangenis van zes maanden en eene boete van vijftig gulden.”
Leonidas ging echter in hoger beroep, een appèl dat op 3 juli 1826 voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leeuwarden diende. De stukken daar heb ik nog niet kunnen bekijken, maar afgaande op een wat later tijdschriftartikel drongen zijn slachtoffers, “de persoonen zelve die hij bestolen had” er op zijn vrijlating aan,
“althans zij waren huiverachtig in het geven der vereischte verklaring. Zij wilden den bedrieger niet ongelukkiger maken dan hij reeds was, en veroorzaakten daardoor dat hij op vrije voeten kwam, en welligt tot inkeer geraakte.”
Door dat intrekken van de eerdere getuigenverklaringen, oordeelde de Leeuwarder rechtbank dat artikel 161 van het Wetboek van Strafrecht, de onderlegger van het Groninger vonnis, niet van toepassing was. Leonidas kon dus niet schuldig worden verklaard aan het daarin genoemde “wanbedrijf” van oplichting met vervalste overheidspapieren en moest dientengevolge worden losgelaten.
Dezelfde maand dook hij op in Rotterdam. Tenminste, dat laat zich afleiden uit de advertentie die hij de 18e in de Rotterdamsche Courant plaatste:
“De ondergetekende werd in het jaar 1823 van den Griekschen Senaat naar Europa gezonden, om er ondersteuning voor de ongelukkige natie intezamelen, doch werd in Kampen gearresteerd en na een onderzoek van negen maanden op den 3 Julij door de Regtbank van Leeuwarden in appel onschuldig verklaard en vrij gesproken.
JOANNI NiCOLAI LEONIDAS, Graaf van Sparta ”
De man ging dus door met zijn fondsenwerving. Intussen was er in Noord-Nederland echter een brede, officiële collecte voor de Grieken geweest, die in Groningerland via de predikanten verliep. Dat nam particulieren als Leonidas hier de wind uit de zeilen, en waarschijnlijk zocht hij daarom zijn toevlucht in het zuidelijke deel van het Koninkrijk, het huidige België. Dat zijn vrijspraak in Leeuwarden daar weer leidde tot geloofwaardigheid bij gulle gevers, kan je opmaken uit enkele nummers van De Argus, een soort van opinieblad dat in onze toenmalige hoofdstad Brussel verscheen. Het Argus-nummer van 4 oktober 1826 duidt Leonidas aan met een verfranste naam – Jean-Nicolas Léonidas – en verwijst denkelijk naar de Rotterdamse advertentie waar het schrijft:
“In een der dagbladen zijn er, betrekkelijk dezen gelukzoeker, eenige daadzaken opgegegeven, waaruit men scheen te moeten opmaken, dat hij een Griek van geboorte en van eerbaar gedrag was, willende al verder daarmede te kennen geven, dat deze Helleen, die men in Holland had gevangen gezet, een geheel ander onthaal zou verdiend hebben.“
De Argus had echter inlichtingen ingewonnen,
“waaruit het zeker blijkt, dat Jean-Nicolas Leonidas geen Griek, maar een Duitscher is. In 1824 moet hij zich te Harderwijk voor de militaire dienst in Indië hebben laten aannemen. Zijn gedrag was nogtans zoo schandelijk, dat men hem moest afzonderen en opsluiten, en wel zoo lang, tot dat men de gelegenheid vond om hem, wegens infirmiteiten, te doen ontslaan.”
Je zou toch zeggen dat zo’n ontslagen soldaat zich niet zo gauw toegang zou kunnen verschaffen tot de hogere kringen, maar het blijkt dat hij zelfs bijna nog de Koning te spreken kreeg:
“Hij heeft (…) de onbeschaamdheid gehad, op het Loo te komen en zich ter audiëntie aan te melden; dan hij werd door zijn gewezen overste toevallig herkend en drong er toen niet verder op aan den Koning te spreken. – Later leefde hij van afzetterij en bedrog…”
De Argus memoreert dan de arrestatie in Kampen, en meent abusievelijk dat Leonidas al voordat het tot een proces kwam nog in Kampen vrijgelaten werd, dankzij de “overmaat van goedheid” bij zijn meelijdige slachtoffers.
“Het blijkt alzoo dat hij geenszins op eene onredelijke gestrenge wijze, maar veeleer met alle mogelijke toegevendheid is behandeld geworden.”
In een vervolg-artikel in de editie die op 25 oktober 1826 uitkwam, zet ‘t blad de puntjes wat meer op de i en doet het alsnog de juridische procedure uit de doeken waaraan de “pseudo Griek” onderworpen was. Het commentaar:.
“Men was voorzeker te zeer overtuigd van den bedriegelijken handel des gewaanden graafs van Sparta, dan dat hij toegevendheid of bescherming verdiende. Wanneer men slechts een oog slaat op het aanzienlijk getal van geleerde en achtingswaardige mannen, te Groningen en elders die uit waren deelneming voor de zaak der Grieken, van zijnen aanslag de dupe werden, en wijders zijnen handel en wandel, die beneden den waarde van een fatsoenlijk man was, in acht neemt, dan is het te bejammeren dat men zoodanige overtreders straffeloos hunnen weg moet laten gaan.”
In Brussel bleef Leonidas ook niet lang meer. Het laatste bericht dat ik over hem vond, stond in de Overijsselsche Courant van 20 november 1827:
“Groningen, den 15 November. In het begin dezer maand is te Leipzig een bedrieger gearresteerd, die zich voor een graaf Leonidas, uit Griekenland, uitgaf en de inwoners geld aftroggelde. Denkelijk is deze dezelfde Leonidas, die alhier dergelijke rol gespeeld heeft.”
In dat jaar, 1827, wonnen de Grieken de facto hun vrijheidsstrijd, mede dankzij een zeeheld uit Zuidlaren, die ze liefkozend bébé (vader) noemden. Ze hadden de steun van de Europsese grootmachten Frankrijk, Engeland en Rusland. Voorlopig hoefden er geen collectes meer voor de Grieken gehouden te worden en daarom kon een charity wrecker maar beter een andere naam kiezen, dan een Griekse. Vandaar dus ook, dat Leonidas oploste in de nevelen van de tijd.
De prins op bezoek in Termunten (1773)
Geplaatst op: 12 april 2013 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
Als prins Willem V en zijn gemalin in augustus 1773 Stad en Lande bezoeken, waar de verjaardag van Wilhelmina wordt gevierd, maken ze ook een tweedaagse rondreis door het oosten van de provincie. Een eerste reisdoel is hier Zuidbroek, waar in de drostenborg “gedejeuneert” wordt bij Raadsheer Ficco Berghuis, de drost van het Oldambt. Dezelfde dag, 9 augustus, inspecteert de prins de vestingen aan de grens, zoals Bourtange. In Nieuweschans brengen hij en zijn vrouw de nacht door, waarna ze in de ochtend van 10 augustus Nieuwstatenzijl en de Dollardpolders bekijken. Opnieuw wordt er “gedejeuneert” bij een zetbaas van de stad, dit keer Hendrik Berghuis, de ambtman van het Klei Oldambt in Termunten. In deze plaats maakt de prins een wandelingetje over de Dollarddijk tot Termunterzijl. Omstreeks het middaguur komen hij en zijn vrouw te Delfzijl aan.
Van het voor hem zeer vererende bezoek schrijft ambtman Berghuis een kort verslagje in zijn civiele rechtdagenprothocol, onder de titel “Posteritati et in perpetuam rei memoriam” (voor het nageslacht en te eeuwiger nagedachtenisse):
“Dat het sijn Doorlugtigste Hoogheyd Prins Willem de Vde van Orange en Nassauw gunstiglijk behaagt heeft den tijnden Augusti 1700 drie en zeventig bij gemelten ambtman in ’t ambthuis te dejuneren, komende van de Nieuwe Schans. Sijne Hoogheyd trad bij de molen uit de koets, wandelde na ’t ambthuis, en [na] aldaar enige ververschingen te hebben genoten, ging de buitendijk langs na Termunterzyl, en na die bezigtigt te hebben, alsmeede daar zijnde gerecipieert door des ambtmans dogter Engelina bij de hand te vatten, reed verder met de koets na Delfzijl.”
Om de ambtman te ondersteunen in zijn doel, heb ik zijn notitie hier maar overgenomen.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, toegang 731 (rechterlijk archief Klei-Oldambt) inv. nr. 6343, notitie d.d. 10 augustus 1773; deze notitie is als bladvulling opgenomen in de Groningsche Volksalmanak van 1898, pag. 24. Met dank aan Jona van Keulen voor de tip.
Louis van de bijen
Geplaatst op: 11 april 2013 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
In de achttiende eeuw stonden er in de hoven buiten de Here- en de Oosterpoort van de stad Groningen honderden korven met imen. De bijen overwinterden hier en vlogen in de lente op fruitbloesems. Anno 1778 vertoefde in deze omgeving ook even een Engelsman die een bijenshow opvoerde en betaald voorlichting aan bijenhouders gaf.
Aan het begin van een nieuw bijenseizoen, op 17 maart 1778, maakte de Engelsman Charles Louis via de Groninger Courant bekend, dat hij in de stad gearriveerd was. Voor liefhebbers van stand had hij een ietwat griezelige voorstelling in petto:
“Aan alle Heeren en Dames word bekend gemaakt, dat alhier is aangekoomen C. LOUIS uit Engeland om zyne kunst te laten zien met 40.000 Tamme BYEN die hy zal vertoonen in een BYEN KORF. Hy zal ze in de tyd van twee Minuten uit de Korf doen komen, op een hoed, en van den hoed op zynen blooten Arm, ja laten ze op de Tafel marscheeren op zyn Commando en aan het Gezelschap de Koningin laten zien. (…)”
Opvallend aan Louis’ tekst is de accuratesse. Hij had één korf bij zich en een goed overwinterd bijenvolk telt inderdaad ongeveer 40.000 bijen. Bovendien spreekt hij van een koningin. En dat is opmerkelijk. Weliswaar ontdekte de Nederlandse entomoloog Swammerdam al in de zeventiende eeuw dat het om een koningin ging en niet om een koning, maar tot imkershandleidingen drong die bevinding maar langzaam door. Zo spreekt de Friese Onderwijzer der boeren of landlieden uit 1758 nog van een koning, evenals een Gelders bijenboek van 1786. Pas De Honingbyenteelt, een verlicht vademecum uit 1797, noemt het beestje koningin. Maar ook dan blijven bijenhouders nog lang van een koning spreken. Deze Louis was zijn tijd dus behoorlijk vooruit.
“Deze wondere kunst”, zo meldde hij wervend voor zijn show, “is te zien voor Heeren en Dames alle uur by dag en by nagt, by my of aan de Heeren en Dames Huizen.” Liefhebbers konden Louis derhalve laten ontbieden bij zijn logement, al was dat ook weer niet op elk gewenst ogenblik, want daar voerde hij inprincipe ’s middags om drie en zes uur zijn show op.
Naast die voorstelling deed hij in een recept voor een middeltje tegen schadelijke insecten:
“Ook is by dezelve een Remedie om alle Hoffsteeden te bevryden van alle ongedierte dat de Vrugten of Bomen schaade doet, als Rupsen, Wespen, Mieren en diergelyke, men kan het Recept bekoomen om het zelfs te maaken. (…)”
En last but not least had hij een imkershandleiding te koop, “een Boek om den regten voordeel van de Byen te hebben”. Van dat werkje somde hij alle vijftien “artikelen” of hoofdstukjes op. Veel systematiek zit er niet in, al is wel duidelijk dat er veel aandacht uitging naar de beheersing en manipulatie van zwermen:
“No. 1. Om de Byen alle Jaaren tweemaal te rooken
2. Om de Byen te onderhouden met eenen reuk, om alle ligte Korven door den Winter te brengen, en de zware Korven hunnen honing te bewaren.
3. Om de Byen te doen zwermen.
4. Om de Byen het zwermen te beletten, omdat ze niet Volk genoeg hebben.
5. Om de Korven die moederloos zyn aan haar werk te houden, en
daar een andere in te maken.
6. Om de zwermen te laten komen waar men ze heen wil hebben.
7. Om de Rovers te beletten, dat nooit vreemde Byen aan uwe Korven kunnen komen.
8. Om veel jonge Byen te hebben.
9. Om de Byen veel doen zwermen.
10. Om kleine zwermen groot te maken.
11. Om alle Roofbyen te laten komen, waarmen ze hebben wil.
12. Om dat U de Byen niet steeken zullen.
13. Om zieke Byen gezond te maken,
14. Om de zwermen vroeg te hebben.
15. Om een zalve die de Byen geerne rieken, en haar in de Korven doen wonen.”
Mogelijk bedoelde Louis met die zalf in de laatste paragraaf ‘propolis’, een plantaardig goedje waar bijen verzot op zijn. Voor de rest gaat het om imkersweetjes, die kennelijk nog niet al te wijdverbreid bekend waren. Pas helemaal aan het eind van zijn relaas gaf Louis aan waar hij logeerde: “in de Bolderary in de Ooster Straat”. En daarmee bedoelde hij de Bolderij, sinds 1775 gevestigd in het tweede pand links vanaf de Grote Markt. De herbergier, Jannis Jansen – ook wel Johannes Janzing geheten – bood logies aan wel meer vreemde “reizende lieden”, zoals de goed geproportioneerde dwergin Maria Theresia van Corsica, de oculist Roodermel (een oogarts die er ook zijn spreekuur hield), joodse tandmeesters en Duits-sprekende kooplieden in kanaries, borst- en maagkruiden, mineralen en gesteenten en Zwitserse kaas.
Om op Louis terug te komen, zijn eerste bekendmaking telde maar liefst zestien regels, wat echt heel veel is voor een advertentie in de toenmalige Groninger Courant. Blijkbaar wilde hij meteen opvallen, en moest de eerste klap een daalder waard zijn. Gedurende dat voorjaar en die zomer zou hij blijven adverteren, zij het steeds minder uitgebreid. Misschien werkte zijn marketing voldoende, misschien kon hij ook wel steeds minder spenderen, wie zal het zeggen?
Zijn tweede advertentie kwam tien dagen na de eerste, op 27 maart. Opnieuw bracht hij zijn “konststok” onder de aandacht. Over de tijd die het hem kostte om zijn bijen rustig te krijgen, voordat hij ze vanuit hun korf via een hoed en zijn ontblote arm over een tafel liet marcheren, was hij nu wat bescheidener: 10 in plaats van 2 minuten. Wat natuurlijk ook een gevolg kan zijn geweest van hogere buitentemperatuur.
In tegenstelling tot zijn eerste bekendmaking noemde hij nu wel de prijzen van zijn show aan huis en zijn boek, respectievelijk 3 en 7 gulden. Flessen met zijn ongediertebestrijdingsmiddel verkocht hij voor een daalder – “om de proef te maken”. Dat was allemaal behoorlijk duur. Een sjouwer verdiende hooguit tien stuivers daags en een geschoold werkman hooguit een gulden. In elk geval lagen voorstelling, boek en weermiddel buiten bereik van de toenmalige Jan Modaal.
Op 17 april gaf Louis te kennen dat hij nu in herberg De nieuwe David verblijf hield, aan de westkant van de Hereweg nabij de Davidsteeg. Zijn bijen hoefde hij blijkbaar niet meer bij te voeren met stamphoning, ze vlogen op de bloesems van de talrijke fruitbomen buiten de Here- en Oosterpoort en hij was met ze mee verhuisd. Nog steeds voerde hij zijn kunststukjes op en ook had hij nog dat bijenboek en dat weermiddel te koop. Maar vanaf 26 mei – volop zwermseizoen! – liet hij zijn show varen. Opeens maakte hij reclame voor een boek met middelen
“om voor alle Hoffsteden schoon te houden, van Wespen, Mieren, Rupzen, zwarte Vliegen en Slakken en diergelyken voor een civiele prys, welk pro batum is.”
Zijn bijenboeken, die hij niet vergat, waren, “gelyk bekend is”, bedoeld
“om voordeel voor het Land te doen, waar zig een ieder informeren kan, die de Boeken van my gekogt hebben en haaren Honig nog in het Vat staan, of ik geve twintig Ducaten aan de Armen.”
Tussen de regels door is te lezen dat niet iedereen zijn handleiding even hoog aansloeg. Louis daagde twijfelaars uit zich te informeren bij degenen die zijn methoden in praktijk hadden gebracht. Was hun honingopbrengst er minder op geworden? Twintig ducaten zou Louis de armen schenken, wat neerkwam op maar liefst 105 gulden! Een aanbod dat hij tot eind juni bleef herhalen, maar dat bij mijn weten nooit tot zo’n charitatieve gift heeft geleid.
Intussen noemde Louis in zijn bekendmakingen geen adres meer. Blijkbaar veronderstelde hij dat als bekend. Toch was hij weer verhuisd, zij het binnen het buurtje buiten de Herepoort. Op 11 juni onderzocht de advocaat-fiscaal van de stad daar namelijk de aframmeling die Louis kreeg van wat ruiters. Bij dat onderzoek ging de aanklager te rade bij Laurens Weeber, de herbergier van het Wapen van Stad en Lande, zoals de Oude David sinds 1773 tijdelijk heette. Deze Weeber bevestigde dat er die bewuste maandagavond twee soldaten en vier ruiters bij hem in de gelagkamer waren geweest, die om 10 uur – met de ruimstraatklok, poortsluiting of taptoe – niet wilden vertrekken en nog wel een half uur bleven plakken. Volgens Weeber gedroegen deze militairen zich echter netjes en hoorde hij ook naderhand niets in hun nadeel. “Dat zy die persoon welk met zyne byen niet verre van Deposant in de steeg woont geslaagen zouden hebben”, had de kastelein helemaal niet gezien. “Jaa verklaart deposant niet gehoort te hebben door wie zulx geschiet zoude zijn”.
Weebers naam was haas. Waarschijnlijk had Louis zelf de herbergier als getuige genoemd. Maar omdat deze er duidelijk niets mee te maken wilde hebben, schoot de fiscaal geen steek op. Een eveneens als getuige genoemde buurman van Weeber, Harm Harms Wrongel, zo genoemd naar het ‘wrongelhuis’ dat hij exploiteerde (wrongel was een soort van kwark, een lekkernij) werd niet eens meer gehoord. En zo bleef het zaakje onopgelost. Het enige wat wij ermee opschieten is het nieuwe adres van Louis, ‘de’ steeg bij de Oude David. Vanuit de Nieuwe David was Louis waarschijnlijk gaan wonen in de achterliggende Davidsteeg, of anders in de tegenoverliggende Brandenburgersteeg, in een huisje met een hof. Maar dat nieuwe adres stond nooit in de courant. Blijkbaar moesten mensen uit de omgeving, zoals kastelein Weeber, eventuele bezoekers die met de situatie onbekend waren doorverwijzen. Maar dat Weeber geen vriendschappelijke gevoelens wilde etaleren jegens de Engelsman, blijkt weer uit de termen “die persoon” in Weebers verklaring.
Op 4 augustus, toen Louis zijn bijen wel naar de heide zal hebben gebracht, zat hij weer in herberg de Bolderij aan de Oosterstraat, getuige een advertentie waarin hij didactisch vooruitliep op het einde van het bijenseizoen:
“CAREL LOUIS maakt bekend aan alle Liefhebbers van de opvoeding der BYEN, om nu te bekoomen, alle voordeel wat men immer van de Byen kan profiteren, als Mee maken, goed Was, goede Honig, om geene Byen dood te maaken, voor dat zy 7 Jaaren wel voor haar Meester gewerkt hebben, en alle ligte Korven door den Winter te brengen. Per Korf 10 Duiten het welk ik gedaan hebbe te Aduart by Hindrik Putter Timmerman aldaar, ook om ze tam te maaken. Men heeft Boeken by myn van 39 Artikels gedrukt, op dat een ieder het wel leezen kan. Zy worden uitgegeeven in de Ooster Straat in de Boldery voor 5 Gulden”.
Bij het het tam maken, de productverwerking en het winterklaar maken van lichte korven die anders opgedoekt, uitgerookt en uitgemoord werden, bood Louis dus zijn hulp aan tegen 1,25 stuiver de korf, een service waarover die timmerman in Aduard goed te spreken was. Ook blijkt uit deze bekendmaking dat Louis door zijn voorraad bijenboeken heen was, want in plaats van de oude, die 15 hoofdstukken telden, verkocht hij nieuwe, die 39 paragraafjes omvatten. Wellicht had hij er nieuwe (lees-)ervaringen in verwerkt.
Dit was Louis’ laatste advertentie in de Groninger Courant. Omstreeks het einde van het bijenseizoen, traditioneel op 10 september, moet hij met de noorderzon verdwenen zijn, want de weduwe Hoitsema, in wier courant hij zoveel adverteerde, zette eind december, toen hij niet terugkwam, zelf een bekendmaking in dat blad:
“CHARLES LOUIS word verzogt de boeken by de Wedw. S. Hoitsema gedrukt, binnen 3 Weeken te komen afhaalen, of anders zullen dezelve na dien tyd publyk worden verkocht.”
Met andere woorden: Louis had zijn nieuwe boeken niet betaald en er lag nog een flinke partij bij de courantière die ze drukte. Omdat Louis ook op haar herhaalde oproepen niets van zich liet horen, besloot zij eind januari 1779 de voorraad zelf te gaan verkopen:
“By de Wedw. S. HOITSEMA is gedrukt en te bekomen, Boeken, waarin het geheim beschreven word, om den regten voordeel van de BYEN te hebben, bestaande in 39 Artykels, als ook om goede Mee te maken.”
Tot eind augustus 1783 plaatste zij deze advertentie meer dan veertig maal in haar krant, zij het vaak als ‘stopper’ of bladvulling. Of ze daarna door de winkeldochters heen was, is onbekend.
De bijenshowman en -voorlichter Charles Louis bleef verder in nevelen gehuld. Zo is hij in geen enkele Nederlandse wetenschappelijke bibliotheek te vinden als auteur van een bijenboekje. Ook niet onder de meer Engelse spelling Lewis. Misschien compileerde hij andermans teksten, maar dan zouden die 15 en 39 artikelen uit de titels toch traceerbaar moeten zijn. Ik hou het er voorlopig maar op dat zijn werkjes compleet van de aardbodem verdwenen zijn, want ook de door mij geraadpleegde Nederlandse en Engelse deskundigen op het gebied van de bijenhoudershistorie wisten van zijn bestaan niet af.
Bij toeval kwam ik nog wel een boekbespreking tegen in de Boekzael der Geleerde wereld’, een domineestijdschrift. Die recensie verwees met een uitgebreid vertaald citaat naar de ‘Dictionaire des Merveilles de la Nature’ van de Franse plilosophe Sigand de la Fond, een werk dat in 1781 te Parijs verscheen:
“Zekere Engelsman, Wildam, bezat eene zondelinge bekwaamheid, om byen, wespen en andere soortgelijke dieren op te kweeken.Den vierden van zomermaand 1774 nam hij, in tegenwoordigheid van veele hooge personadiën, proeven ten aanzien der opvoeding en huishouding van de byen. Hij vertoonde eenen byenkorf waarin zich byen bevonden, die hy binnen twee minuten uit denzelven lokte en zich op den hoed eens aanschouwers liet zetten. Van daar verzamelde hy ze op zynen blooten arm, alwaar zy eene soort van mof uitmaakten. Hier op lokte hy ze op zyn hoofd en aangezigt, waar zy een masker vormden. Verder moesten zy op zyn bevel, heen en weer marcheeren.”
Tot zover lijken deze Wildam en Charles Louis bijzonder veel op elkaar, al is er bij Louis geen sprake van een bijenmasker om hoofd en gezicht. Maar misschien overdreef Sigand de la Fond ook wel een beetje over die Wildam:
“Nog zonderlinger is de omstandigheid by dit mensch, dat hy dezelfde proeven met ieder anderen byenzwerm, die men hem bragt, ja zelfs met wespen en andere vliegen doen kan, en dat hy zelfs de wildsten, zonder door dezelven gestoken te worden, binnen vyf minuten tam kon maken.”
Ofwel Wildam en Louis waren één en dezelfde figuur, ofwel Louis was een wat minder getalenteerde leerling of navolger van Wildam. In het eerste geval zwierf er een man door Europa, die zijn naam nogal eens veranderde, om reden van de schulden die hij achterliet.
Overigens was Wildam wèl traceerbaar als schrijver van een obscuur bijenboek. Van diens Trattato sopra la cura della api uit 1771 bezit de bibliotheek van het Museo di Apicultura ‘Guido Tregonese’ in Treviso, Italië, sinds ca. 1990 een fotocopie. Het origineel zal wel in bezit van een particuliere liefhebber zijn.
Harry Perton
Deze tekst is eerder in iets andere vorm verschenen in wijkkrant De Oosterpoorter en het blad Bijen.
Meester Guikema en de jeugd van tegenwoordig
Geplaatst op: 8 april 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 18 reactiesAnno 1835 kreeg de onderwijzer nog vaak de schuld van de “ruwheid, onbeleefdheid en baldagigheid” der kinderen, iets wat meester Guikema van Dorkwerd zeer verdroot. Daarom schreef hij namens een onderwijzersgezelschap een artikel, dat het niet alleen opnam voor de onderwijzers, maar ons ook het een en ander leert over de informele socialisatie van de Groninger plattelandsjeugd.
Guikema, als verlicht man een vooruitgangsoptimist, vond veel klachten over de jeugd onrechtvaardig. Van enkel een “achteruitgang van zedelijke beschaving, vooral bij het opkomend geslacht”, zoals de klagers die zagen, was volgens hem zeker geen sprake. Natuurlijk waren bepaalde deugden verdwenen, maar de jeugd bezat weer deugden, “die onze voorouders niet eens bij name kenden”.
Guikema wijst diverse typen klagers aan. Een deel bestond uit orthodoxe en bevindelijke calvinisten die een hekel aan alle spel hadden en die vonden dat een kind stil met een stichtelijk boekje in een hoekje moest zitten. Van dit slag mensen bestond ook een min of meer ontkerstende variant: de “zedekundige sophisten” die vonden dat iedereen aan hun maatstaven moest voldoen. Dan had je nog de liefhebbers van een overdreven etiquette, en niet te vergeten de ouden van dagen die graag rust aan hun hoofd wilden hebben – hier had Guikema nog wel mee te doen.
Volgens hem wees de hekel aan jeugd vaak op fysiek ongemak:
“Men vindt in de menschelijke zamenleving veel menschen, die door hunne zittende leefwijze, of uit andere oorzaken, aan zwartgaligheid en miltziekte laboreeren, of tenminste een ziekelijk ligchaam rondslepen. Deze zijn gewoonlijk ten uiterste zwaarmoedig, zittende altijd met een looden muts op, en omdat zij zelve gemelijk, onvergenoegd en ontevreden met hun lot zijn, meenen zij dat de geheele wereld niet deugt.”
Guikema geeft toe: natuurlijk zijn er “zedelooze kinderen”. Maar lang niet zoveel als de habituele klagers ons wijs proberen te maken. Helaas was de onderwijzer vanouds de ”wrijfpaal van het volk” en kreeg hij de schuld. Terwijl hij hooguit vier uur per dag, twintig uur per week en dus dertig etmalen per jaar met zijn leerlingen doorbracht,
“en dat nog meest uitsluitend in het leervertrek, waar weinigen ruwheid en onbeleefdheid, veel minder baldadigheid laten blijken”.
Buiten de school kwamen de kinderen met andere mensen in aanraking, en volgens Guikema moest je bij die mensen toch vooral de schuld zoeken, als het verkeerd ging met de jeugd. Hij spreekt van “bedorvene huisgezinnen” waar kinderen het tegenovergestelde leren, van wat de meester ze probeerde bij te brengen, maar wijdt hierbij wijselijk veel minder uit over de ouders, die hem schoolgeld verschuldigd waren, dan over het (inwonende) personeel.
Zo heeft hij het gemunt op de jongste vrouwelijke dienstboden, de kindermeisjes. Deze zorgden voor de jongste kinderen in huis, maar waren daarbij nogal eens “de voornaamste opvoeders” van de iets oudere kinderen, met wie ze veel tijd doorbrachten:
“Deze [kindermeisjes] zijn, tenminste verweg het grootste gedeelte, kinderen uit de geringste, onbeschaafdste en ruwste volksklasse, die veelal zonder onderwijs in de school te ontvangen (…) zijn opgegroeid als paddestoelen op den mesthoop. Haar eenigste weten bestaat gewoonlijk in het kennen van spookverhalen, in zoutelooze, of smaak- en zedebedervende liedjes, terwijl in alles wat zij doen of zeggen de grootste ruwheid, onbeleefdheid en zedeloosheid doorstraalt”
Ook van de oudere vrouwelijke en mannelijke dienstboden ging volgens Guikema een funeste invloed uit. Zo maakten die deel uit van een groep welke altijd in het dorp bijeenkwam, zeg maar de jeugd in bredere zin:
“In elk dorp van eenig aanbelang heeft men bijna alle avonden vele jongelingen, die na den volbragten arbeid tezamenscholen om wat nieuws te hooren, te vertellen, of zich door boert en scherts wat te vermaken. De in deze vergaderingen gehoord wordende gesprekken loopen gewoonlijk over niets anders dan over de voortplanting van het menschelijk geslacht, over slagerijen, kloppartijen over gepleegde baldadigheden aan huizen, hoven, tuinen en personen, over vrijerijen enz., doormengd met zoovele walgelijke vuiligheden, dat men zijne ooren ervoor stoppen zou (…). Ja hier is de grootste leerschool der zedeloosheid van allerlei aard, hier hoort men in overvloed vloeken, zweeren, schelden, pogchen, zwetsen , lasteren, zoutelooze scherts en zoutelooze boert.”
Volgens Guikema werden passanten vanuit zo’n groep nogal eens bespot, uitgescholden, gehoond en uitgelachen. Vooral meisjes en vrouwen kwamen er met moeite langs. De aanvoerders van de groep haalde je er zo uit:
“Die zich hier laag en zedeloos gedraagt, wordt door den grooten hoop het meest toegejuicht. Om deze gezelschappen nu, verzamelt zich eene menigte schoolkinderen, en deze hooren en zien alles wat er gezegd wordt en gebeurt met de grootste oplettendheid, belangstelling en inspanning aan. Wordt er gelagchen, zij lagchen mede. Verstaan zij nog niet alles, zij vragen zoo lang, totdat zij het gewaar worden, en hier behoeven zij slechts eenige lessen te ontvangen, of zij zijn reeds in staat eenigermate te kunnen mededoen, en waar zij zich ook bevinden, verbreiden zij het geleerde verder, ja waar zich daartoe maar eene gelegenheid aanbiedt, brengen zij alles in beoefening.”
As ouders toestonden dat hun kinderen zich bij zulke groepen voegden, moesten ze vooral niet klagen over de meester, aldus Guikema, die min of meer gelijksoortige bijeenkomsten bij mensen thuis zag plaatsvinden:
“Wanneer de heeren en dames op de dorpen eene avondvisite afleggen, dan vergadert eeene groote schaar dienstboden en groote kinderen van beiderlei sekste in dat huis waaruit mijnheer en mejufvrouw afwezig zijn. Hier worden dan straatliederen gezongen, hier wordt gedanst geschaterd, gevloekt enz. totdat men allerlei laffe spelen, welke enkel eene kortstondige vereeniging der beide seksen ten doel hebben, verzint, die tooneelen zoolang voortzettende totdat mijnheer en mejufvrouw tehuis komen. Dat het op deze vergaderingen ook niet zoo kiesch en zedig toegaat (…) laat zich gemakkelijk begrijpen. De kleine kinderen worden gewoonlijk te bed gebragt, dog de groote deelen in alles mede en zwelgen ook hier het gift der zedeloosheid met volle teugen in.”
En alsof dit nog niet erg genoeg was, namen veel ouders hun kinderen ook nog eens mee naar kermissen, boeldagen, harddraverijen en andere volksvermaken op het platteland:
“Niet zelden ziet men hier in de herbergen de zoontjes boven aanzitten als aanzienlijke heeren. Rooken, klinken, drinken, schreeuwen, tieren, springen, ja wat niet al meer, hoort en ziet men daar van kinderen, waarom de ouders veelal lagchen, ja, waarop zij wel eens grootsch zijn (…). Daar blijft men dan vaak laat in de nacht. Vader is er ook nog, zeggen de kinderen, wij gaan ook nog niet. Hier zien de kinderen nu niet slechts hunnen vader, maar een legio ruwe en onbeschaafde menschen die drinken, schreeuwen, zingen, vloeken, zwetsen, ja, niet zelden stevige kloppartijen enz. “
Van één zo’n feestavond ging volgens Guikema zoveel invloed uit, dat een onderwijzer het er in een jaar niet uit kreeg.
Als man die beschaafde muziek en zang een warm hart toedroeg, stoorde Guikema zich bijzonder aan de inofficiële muziekpraktijk bij zulke gelegenheden:
“de zoutelooze, smaak- en zedenbedervende straatliederen, die door hunne veelal bevallige zangwijzen het oor en hart van den jongen mensch streelen en daarom door hem het schielijkst van alles geleerd, het meest gebezigd en het langst onthouden worden. Deze mogen voorzeker beschouwd worden als de zoetst smakende, maar tevens als de krachtigst werkende vergiften voor de zedelijkheid”
Volgens Guikema gaven kinderen tussen de 14 en 20 jaar – dus pubers en adolescenten – de meeste problemen. Die gingen al helemaal niet meer naar school, de onderwijzer had er niets meer mee te maken en trof dus geen blaam. Temeer niet, daar hij zich helemaal niet met de openbare orde op straat bemoeien mocht, geen vertegenwoordigende politieke en kerkelijke functies mocht bekleden, en zelfs geen al te dure kleren mocht dragen.
Als een kind een grief had, dan ging het vaak net als bijna twee eeuwen later:
“…oogenblikkelijk zijn de meeste ouders gereed om in tegenwoordigheid dezes kinds hunnen vitlust tegen den onderwijzer bot te vieren”
Bron: Tijdschrift voor onderwijzers en ter bevordering der huiselijke opvoeding III (Groningen 1835) pag. 93-107.

Recente reacties