Kerk Leegkerk heropend als ‘bijzondere lokatie’

Vanmiddag werd de kerk van Leegkerk heropend als bijzondere locatie. Wat betekent dat er voortaan kleinschalige evenementen als huwelijken, recepties, en concerten kunnen plaatsvinden. Bovendien gaat de kek fungeren als een koffie & theehuis waar fietsers en wandelaars in de zomer even de benen kunnen strekken:

2013-04-06 001

Vanuit de stad trok een lange stoet belangstellenden per fiets achter een wielrijdend fanfarecorps aan:

2013-04-06 005

Sinds de Afscheiding en de Doleantie in deze overwegend gereformeerde omgeving, was deze hervormde kerk nooit meer zo vol geweest:

2013-04-06 023

Tegen de nieuwe gouden doos met keuken en toiletvoorzieningen hield Peter Breukink zijn speech. De twitterende directeur van de stichting Oude Groninger Kerken moest dit keer zoveel mensen bedanken dat hij het niet meer zonder papier afkon:

2013-04-06 025

Wijdingskruis, omstreeks 1970 bij een eerdere opknapbeurt teruggevonden en gerestaureerd:

2013-04-06 041

Gelukkig was er geen vloer over de eeuwenoude grafstenen gelegd en waren ook de graffiti van de jongeren die hier in de jaren 1840 op catechisatie zaten, nog goed zichtbaar:

2013-04-06 050

Omdat de ree van de achterliggende boerderij als fietsenstalling diende, kon je de kerk nu ook eens goed van de zonzijde zien:

2013-04-06 059

Op het kerkhof zat een dame in stille contemplatie naar de voormalige kosterij te staren:

2013-04-06 067

Ook morgen is de kerk nog open. Warm aanbevolen.


Hommelstommel en nachtmerrie

Anders dan ik meende, bleek de hommelstommel wel degelijk inheems in Groningerland. Ook de radicaal-verlichte Marten Douwes Teenstra schreef namelijk over dit paardmens als incarnatie van de duivel, al kwam die volgens hem qua uiterlijk niet met een omgekeerde, maar met een normale centaur overeen:

“Dit groote Phinxachtig gewrocht der verbeelding noemt men in het Oldambt, alwaar het ook spookt, hommelstommel en in het Westerkwartier hompelstompel. Men ziet dit wangewrogt hier en daar ook als een paard zonder kop, zoals er onder andere nog een bij Oldersum loopt, gaande steeds van het zuiden naar het noorden.”

Overigens jammer dat Teenstra zich in zijn boek niet beperkte tot Groningerland, de Marne, of nog beter: zijn woonplaats Ulrum. Hij heeft er van alles en nog wat uit de wijde wereld bijgesleept, en zo werd dat boek een omgevallen kaartenbak. Bovendien was Teenstra een ongedisciplineerd schrijver, die veel te veel zijpaden bewandelde. Zijn vooropgezette meningen over bijgeloof en cocksianen stonden een fundamenteler begrip in de weg.  Toch zitten er prachtige krenten in de pap, en de gedeelten over Ulrum e.o. zouden samen met allerlei bronnenmateriaal over de Afscheiding een mooie historisch-antropologische studie van dit stuk Groningerland in het decennium 1830-1840 op kunnen leveren.

Om terug te komen op de hommelstommel, een collega van dit plaagbeest was de nachtmerrie. Want onder nachtmerrie werd niet alleen de angstdroom verstaan, maar ook een paard-, aap-, of mensachtig wezen dat je op onheuse wijze in je slaap bezocht. Tegen de menselijke variant bestond echter een weermiddel, aldus Teenstra:

“Om te ontdekken of iemand al of geen Nachtmerrie was, namen de waarzeggers met zekere meelspijzen, vooral pannekoeken, de proef, welke proefneming alphimantie genoemd wordt. Een Jan in den zak (ketelkoek of meelpuil) konde in het bijzijn van een nachtmerrie van binnen niet gaar worden, dit was ook het geval met tulband en pofferd. En waar pan, trom, zak noch pot alsdan niet wilden laden – dat is dat het gebak niet in deszelfs geheel wilde loslaten – moest ongetwijfeld eene nachtmerrie in huis zijn.”

De opsomming van meelspijzen doet mij sterk denken aan de namen van de drie herbergen bij het Hoendiep op de grens van Hoogkerk en het Vredewold. Mogelijk speelde hier ook een nachtmerie parten, toen dominee Potter er iets kwam nuttigen.

Bron: Marten Douwes Teenstra, Volksverhalen en legenden van vroegere en latere dagen  (Groningen 1840) met name de pagina’s  26, 27 en 80-82.


Hoe de duivel aan Groningers verscheen

“Dat in de provincie Groningen de oude verscheen in de gedaante van eenen hond of van een kalf, wisten wij sedert langen tijd, maar thans ontdekken wij, dat dezelve zich in het Oldambt dikwijls aan het bijgelovige volk vertoont in eene andere gestalte, aan welke men den naam van hommelstommel geeft. Dit verschijnsel is van boven als een paard en van onderen als een mensch. Tevens bespeuren wij nu eerst, dat in het Gooregt en in Drenthe de heksen dikwijls en zeer algemeen in de gedaante van hazen verschijnen. De verhalen welke nopens deze omwandeling en veelvuldige verschijningen onder het volk in omloop zijn, zijn zo buitensporig en beuzelachtig, dat het waarlijk zeer gunstig op de lachspieren werkt, wanneer men dezelve hoort vertellen.”

Bron: W. in Antiquiteiten (1823) pag. 140, 141.

Commentaar: Behalve de hond, komen me al deze verschijningen onbekend voor. Wat mij betreft lijkt het er dan ook op, dat de schrijver (Nicolaas Westendorp) zijn eigen ‘buitensporige beuzelachtigheden’ projecteerde op het volk. Als ik het wel heb speelde zijn klassieke achtergrond hem hierbij parten – zo is de hommelstommel het omgekeerde van een centaur.

Het vervolg.


Naar Groningen ging je meest met Groningers

vd Venne - Dordtse beurtvaarder BrM

“Het veer op Groningen is omtrend het begin der voorige eeuw opgerecht, en meer dan honderd jaaren lang alleen door Groninger schippers bevaaren , die ruim veertig sterk waren, totdat de regeering van Amsteldam in ’t jaar 1716 besloot ook van haare zyde vier veerschippers aan te stellen, welken tegenwoordig tot op drie verminderd zyn. De Groninger beurtman vertrekt alle donderdagen en zondagen met het opengaan der boom.”

Aldus Amsteldam en zyne geschiedenissen, in’t kort dl. IV (Amsterdam 1790) pag, 135.

Commentaar: In de Gouden Eeuw lag het gepriviligeerde vaste lijndienstvervoer over water tussen Amsterdam en Groningers uitsluitend in handen van Groninger schippers. Hun collegae uit Amsterdam wisten blijkbaar wel winstgevender bestemmingen, die hoefden niet zo nodig vast en onder allerlei condities op Groningen te varen. Pas toen het een tijdlang economisch slechter ging met Amsterdam, maakten Amsterdammer schippers gading naar een deel van de Groninger koek, maar zelfs toen bestond er geen wederkerigheid. De Groninger beurtvaarders bleven dominant op deze route. Naar Groningen ging je meest met Groningers.

NB: Het plaatje is van een Dordtse beurtvaarder en komt uit het schetsboek van Adriaen van de Venne dat in het British Museum berust. Van Groninger beurtvaarders zijn er bij mijn weten geen plaatjes, maar hun schepen zullen er niet veel anders hebben uitgezien. (Ja, de vlag was natuurlijk anders.)


Klutenpaar

Foeragerend paartje kluten op de vloeivelden van de suikerfabriek ten zuiden van de A7, nabij Eiteweerd:

2013-04-01 007
2013-04-01 004


Hoe een tjalk uit Leek bij Vlieland aan de grond liep en de schippersvrouw gered werd

Op den 31sten October 1797 raakte het tjalkschip De vyf Gebroeders, gevoerd by schipper Jan Hendriks, woonachtig te Leeg (= Leek HP) by Groningen, door tegenwind, zwaare storm en zeer holle zee, tusschen, Vlieland en Ter Schelling aan den grond, bleef vastzitten, en wierd verbryseld. Aan boord bevonden zich behalven de stuurman, een matroos en twee passagiers, ook des schippers huisvrouw Santje (= Jantje? HP) Claassen en deszelfs zusters dochtertje. Het schip, dat ten drie uuren in den namiddag vast geraakte, was reeds ten vier uuren, door de hooge en zwaare branding en de eene storting op de andere die zy over hetzelve kreegen, tot aan het dek vol water. De schipper, zyne vrouw en het gemelde meisje trachtende te redden, haalde dezelven uit het vooronder, daar zy reeds half onder water zaten, en bragt ze beiden naar boven.

Om half vyf vermiste men het dochtertje, en een half uur later lagen de schipper en zyne vrouw beiden als levenloos op het dek. Zy wierden daar door den stuurman met een stuk zwaar zyl overdekt en vastgemaakt, ten einde door de hooge zee en geweldige stortingen niet over boord geslagen te worden. Het was niet mogelyk den boot uittezetten. De ziedende golven intusschen, het schip meer en meer bedekkende, jaagden het overige volk naar het wand der masten, alwaar zy tot ’s avonds ten tien uuren zaten, wanneer de ebbe ten einde liep, en wind en zee een weinig begonnen te bedaaren.

Zy zetten toen de boot uit, werkten het schynbaar zielloos ligchaam der vrouw er in, verlieten hunnen dooden schipper, schip en goed, en kwamen, niet zonder het grootst gevaar ’s nagts ten eif uuren aan Vlieland. Zy sleepten het nu voor dood gehouden ligchaam der vrouw op strand, en verre genoeg van zee, dat het door de opkomende vloed niet konde weggespoeld worden. Zy spoedden vervolgens naar het dorp, een half uur van daar, om hulp te zoeken en eenen wagen te bekomen. Ten een uuren ’s nagts eindelyk, kwamen zy weder terug, leiden het vermeend lyk op hunnen wagen en voerden het naar het dorp, in de herberg de Morgenwekker.

De chirurgyn Joh. Hend. Kupperts, alreede daar zynde, vond het ligchaam yskoud, doodverwig wit van aangezigt, blaauw van lippen, met beklemden onderkaak, verwyde oogappels, half geslooten oogen, slap hangende leedemaaten, en zonder de geringste tekens van leven. Hetzelve ontkleed en in eenen zekeren afstand van een matig vuur, op eene dubbele wolle deken gelegd hebbende, plaatste hy onder de oxels gewarmde doeken, deed de voetzooien schuijeren met een styven borstel, het ligchaam vryven met brandewyn en zout, den Sp. Sal. Amm. onder den neus houden, den buik zagt drukken en ginds en weder beweegen.

Hier meede omtrent drie uuren lang aangehouden hebbende, deed er zig eenige hoope op tot redding. Eene geringe beweeging der beenen en eene diepe inademing wierden na eenen geruimen tyd gevolgd door meer gunstige tekens. Men deed nu van tyd tot tyd wat Hoffmans droppen en andere geestryke vogten in zeer geringe hoeveelheid tusschen de tanden door in den mond loopen. Vervolgens gaf men haar een braakmiddel, en eindelyk hoorde men des uchtends ten half vyf uuren den drenkeling eenig zagt brommend geluid, en een half uur later eenige verstaanbare woorden voordbrengen.

Het opgewekt leven met den tyd werkzamer wordende, begon zy circa 6 uuren des morgens zeer te schreijen en te roepen “myn man! myn man!” terwyl zy met verwilderde oogen de omstanders aanzag. Haar redder deed haar kort daarna in een gewarmd bed leggen. Eene zagte sluimering beving haar, uit welke zy des morgens om negen uuren by haare volkomen kennisse ontwaakte, haare meede schepelingen kende, en met eene zwakke en droevige stemme naar haaren man vraagde. Van het geen zederd zes uuren des voorigen avonds gebeurd was, wist zy niets.

Van nu aan herstelde zy, dog zeer langsaam, en was niet dan met het einde van november in staat na haar verblyf te Leeg in Groningerland te vertrekken.

De chirurgyn Johan Hendrik Kuppersz, ontving voor deeze redding de goude medaille.

Bron: Historie en gedenkschriften van de Maatschappy tot redding van drenkelingen, XIIIe stukje (Amsterdam 1800) 214-218.


Paasbeste sigaar

Paasbeste sigaar Senator NvhN 19 april 1957

Intussen is die sigaar op een onmogelijke manier in die rokersmond gehangen, of niet?

Bron:  Nieuwsblad van het Noorden 19 april 1957


Een vruchtbaar stel bij Leegkerk

“In het Westerkwartier, digte by Leegkerk, is in augustus van ’t voorleden jaar een vrouw gestorven van 85 jaren oud, zynde genaamd Sieben Jans, en wed. van Reinder Dirks, welke lieden uit hunnen echt gehad hebben 15 kinderen, 65 kindskinderen en 23 agter-kindskinderen; dus te zamen een getal van 103 personen uitmakende.”

Bron: Nieuwe Nederlandsche jaarboeken, of Vervolg der merkwaardigste geschiedenissen die voorgevallen zyn in de Vereenigde Provinciën […], deel  XX-1 (Leiden/Amsterdam 1785), 16-17.


De hypocrisie van Twitter

Dat Twitter, dat is natuuurlijk één grote hypocriete bende hè. Mensen die honderden, of zelfs duizenden andere accounts volgen. Wat een godsonmogelijkheid is, als je ook nog gewoon wil leven en werken.  Ik bedoel: met de maximaal honderd accounts die ik volg ben ik per dag toch al gauw een half uur kwijt. Hoe moet dat dan als je honderden, duizenden accounts volgt? Tenzij het volstrekte bla is?

Volgen, vind ik, is  is ook echt volgen.  Geïnteresseerd zijn  in wat een ander wil delen, omdat je je daarvoor open hebt gesteld. Maar ik heb gemerkt dat dat voor veel anderen toch wat anders ligt. Laatst ben ik zelfs al een keer om mijn opvatting uitgelachen. Voor veel mensen betekent dat volgen helemaal niet volgen. Hun volgen is voornamelijk de ander in de waan laten dat er interesse in zijn of haar boodschappen bestaat. Het sociale van het sociale medium Twitter bestaat voor hun uit het ophouden van de schijn.

Ik merkte het laatst ook al door wat tweets over onderwerpen waarvan ik wel zeker weet dat sommige volgers van mij er normaliter in geïnteresseerd zijn. Nul reactie, geen retweet, niks. Eigenlijk zou je zulke mensen meteen moeten afhaken. Maar ja, een enkele keer brengen ze ook nog wel eens iets belangwekkends te berde. Dus dat doe je niet zo gauw.


‘De karnemelk doet hun veel nadeel’

2013-03-03 118

“Naar de mening van paardensporters heeft het Friese stamboekpaard te weinig uithoudingsvermogen”, zegt vandaag de dag een fokker van Arabo-Friezen.

In ruim twee eeuwen is er weinig veranderd. Zo kwalificeert een Verhandeling over inlandsche paarden uit 1795 de Friese paarden aldus:

“Friesland levert groote paarden, die week van aart zyn, hoewel op ’t oog vol vuur. De karnemelk, die men hun geeft by wyze van voedsel, doet hun veel nadeel. Het is waar: zy worden er dik van, maar wanneer zy naa andere landen gebragt worden, weigeren zy onderweg het beste voeder, en vermageren. Daarenboven hebben zy zeer veel tyd noodig, eer dat zy van dienst worden. De ondervinding heeft alle kenners, die by het.leger in de Vlaamsche en Brabandsche oorlogen geweest zyn, overtuigd, dat dit ras van paarden in ’t geheel niet sterk is. De Hollandsche ruitery die, tot haar ongeluk, zulke paarden had, heeft het klaarblykelyk ondervonden: zy zyn magteloos en vervallen door vermoeidheid, slegt weer en vermindering van voer. Als het leger optrok, had men niet van nooden te vraagen waarheen het verreisd was, men had slechts de nog leevende paarden, die niet meer voort konden, en de lyken van dat ras te volgen om te komen waar men wezen wilde. Niettemin vind men in Friesland schoone koetspaarden, maar zy hebben tyd noodig om zig van dat slappe vleesch, dat zy door de karnemelk bekomen, te ontdoen, en een vaster vleesch weer te krygen.”

Overigens hoeft Stad & Lande zich in hippisch opzicht nergens op voor te laten staan:

“Het Land van Groningen geeft vry mooye paarden, maar uit hunne luchtstreek gebragt zynde, word er ook tyd vereischt, om ze aan eene nieuwe te gewennen. De Friesen gaan er veulens koopen, die zy ook met karnemelk mesten en dat de gevolgen daarvan dezelfde zyn is zoo waar dat ik, in vroeger tyd, eene menigte paarden zoo uit Friesland als uit Groningen gezien heb, die de Heer Groeneveld in Frankryk geleverd had voor de ruitery en andere gebruiken, waarover men niet opgehouden heeft zig te beklaagen.”


‘Die eenvoudige smalle celluloidband met zijn onuitputtelijke mogelijkheden’

Propagandafilm van Polygoon Profilti, ca. 1950 gemaakt, waarin alle aspecten van dit filmbedrijf aan bod komen:


Sichterman in de bakkerstrog was mystificatie?

Ik hoop niet dat ik jullie teleurstel, maar dat verhaal van gister over Sichterman in de bakkerstrog zou best eens een verzinsel  kunnen zijn.

Ten eerste komt het motief van de verliefde rijkaard  die zich moet verstoppen voor de quasi boze echtgenoot me nogal bekend voor. Ik vermoed dat het zelfs al te vinden is in de Decamerone of anders The Canterbury Tales.

Ten tweede blijken die memoires van Ludeman, waaruit het verhaal afkomstig is, helemaal niet door Ludeman zelf geschreven, maar door de jurist, mystificateur en oplichter Franciscus Lievens Kersteman.

Volgens zijn eigen memoires (uit 1792) had Kersteman de Bengaalse Sichterman inderdaad ontmoet ten tijde van de Roeters-affaire (1759), toen er in Amsterdam wegens achterstallige lijfrenten beslag gelegd was op Groningse eigendommen. Kersteman noemt de oud-VOC-Directeur  “de alomberuchten vrouwenbeminnaar” en vertelt dat Sichterman indertijd verblijf hield in Wildervank:

“alwaar hij op zijn prachtig buitengoed een vorstlijke stoet onderhield, en dagelijks voor allerhande vreemdelingen, die hem aldaar kwamen bezoeken, behalven vrij logement, toegang tot zijn tafel gaf.”

Sichterman zou Kersteman hebben overgehaald om een paar dagen op dat buitengoed te komen logeren, zodat ze Sichtermans Amsterdamse zaken goed door konden spreken. Kersteman merkt op dat hij dat niet kon weigeren aan

“zulk een vette kalant, die mij binnen korten tijd meer dan een half duizend guldens salaris in den zak joeg“.

Dat van die vette klant legde Kersteman ook in de mond van Ludeman, waar die Sichterman typeerde. Naar eigen zeggen verbleef  Kersteman tien dagen “in dat aangenaam buitenleven” te Wildervank. Na afloop van deze fijne werkvakantie zou Sichterman hem persoonlijk naar Groningen hebben gebracht

“…bij welke gelegenheid hij de goedheid had mij zijn kostbaar en overheerelijk gebouw, dat na een klein Koninglijk paleis geleek, en op de ossenmarkt stond, van binnen te doen beschouwen.”

Of dit dan wel waar was? De geciteerde beschrijvingen zijn tamelijk algemeen en geven niets wat niet algemeen bekend was. Bovendien kwam Kersteman net uit de gevangenis in 1759. Voor een tijd dat alles van de recommandaties aan elkaar hing, is het moeilijk voorstelbaar dat iemand als Kersteman werkelijk toegang tot Sichterman had, laat staan dat hij diens financiële belangen kon behartigen.

Maar misschien vergist ik me, en is er contact geweest.


De Bengaalse Sichterman op liefdesavontuur

attr Jan Grasdorp Zwolle - liefdespaar met wijglas

Getuige een postuum verschenen werkje kreeg de indertijd wereldberoemde astroloog Johan Christophorus Ludeman (1683-1757) onder meer bezoek van een heer uit Groningen, wiens naam weliswaar niet genoemd wordt, maar in wie wij onmiddellijk Joan Albert Sichterman (1692-1764) herkennen. Deze heer, in de wandeling de Bengaalse Sichterman geheten, had als VOC-directeur in Bengalen dankzij smokkelhandel een enorm vermogen bijeengegaard, waarvan hij in Groningen het nog steeds bestaande stadspaleis aan de Ossemarkt liet bouwen. Sichterman wilde van de astroloog weten of hij kans maakte bij een Groninger bakkersvrouw op wie hij een oogje had. Het verhaal zoals  Ludeman het geeft:

“Een Opperbevelhebber van Bengalen met 88 tonnen gouds gerepatrieert, en in allerlei opzigte door het wisselvallig element van het water begunstigt zynde, begon onmiddelyk by zyn aankomst in zyn vaderland een groot figuur te slaan, prachtig te Ieven en onnoemelyke geldverspillingen voor gekamerde matressen te doen. Onder anderen beving hem eens de lust, om van Groningen, daar hy woonachtig was, na Amsteldam te komen om zyn horoscoop door my te laten trekken. Ik zou my vry liever hebben laten geezelen, dan zulk een vette vogel van de hand te wyzen, en ik bedroog my niet in de verwagting die ik van zyne Oostlndische mildadigheid had opgevat. Om kort te gaan, ik trok zyn horoscoop, en ik verklaarde hem onbewimpelt dat hy met een oud, lelyk, kwaataartig, en ryk wyf daar te lande getrouwd was die hy om haare schatten genomen had. Hy beleet my met een grimlach dat ik de waarheid sprak. Vervolgens openbaarde ik hem uit de constellatie van zyn planeet ontdekt te hebben, dat hy toenmaal verlieft was op een getrouwde vrouw die by haare ongemeene schoonheid veel deucht voegde. Dat is juist de zaak waar over ik u kom raadplegen, viel de Bengaalsche Cresus my in de reede. Maar zou de glans van het goud niet bekwaam zyn om zulk eene verstaalsche kuisheid te overwinnen?, vroeg hy weder.

“Ik geloof niet mynheer”, zeide ik, “dat de eerbaarheid van die vrouw door geld te belagen zal zyn, en dat gy u oogmerk bereiken zult, zelfs meen ik uit de gewaarwording van u nativitiedsstar te kunnen besluiten, dat gy er zonder schade en schande niet wel afkomen kan als gy goedvind uwe bedekte aanslag te volvoeren.” Hy begon hierop andermaal te meesmuilen, zeggende dat hy het evenwel beproeven wilde, en vertrok heel vergenoegt na my een gerold papiertje met 20 Ducaten behandigt te hebben.

Ik vernam inderdaad korte tyd daarna het gevolg van deeze grappige historie. Men wist my te zeggen dat het voorwerp van zyne onwettige minnevlagen een bakkersvrouw van Groningen was, die niet minder kuisch, dan schoon zynde, ondanks de bekrompentheid van haar staat, alle de voordelige aanbiedingen van den ryke minnaar om haar te verleiden edelmoedig van de hand wees. Dog de zaken van den bakker ten laasten aan lager wal gerakende op eene wyze dat deeze ongelukkige luiden op de sprong stonden van een gedwongen bankroet te moeten ondernemen, besloot de eerbare vrouw met overleg en toestemming van haren man om de Oostindische Crefus een trek te spelen die bekwaam zoude zyn om hunne verwarde zaken te herstellen, zonder dat haar eer gevaar liep van daardoor gekwest te zyn.

En ziehier de geestryke en niet onaartige uitvinding van welke de schrandere bakkersvrouw haar bediende. Zy veinsde op een tyd dat haare schatryke minnaar haar op allerley wyze poogde te bewegen om hem de laaste gunst toe te staan, en haar ten dien einde voor een enkelde nachtvisite vierhondert dukaten en een paar fyne orlietten van groote waarde tot een geschenk aanbood, [door] de grootheid zyner aanbiedingen overwonnen te zyn en de vlag te willen stryken. Hoor, zeide zy met een nagebooste verlieftheid en beschaamde houding die hem bedroog: Ik wil niet langer ontveinzen dat uwe liefdensverklaringen myn hart getrofven hebben, maar begrypt dat eene gehuuwde vrouw ter bedekking van haar eer altyd verplicht is van zekere omzigtigheden omtrent haar man gebruik te maken –. Kom morgenavond tegen tien uuren wanneer myn man op de burgerwacht moet zyn en tot in den morgenstond uitblyft. Ik zal my dan nader verklaren aangaande de gunst die gy bedoelt.

De Bengaalsche Cresus, verrukt over een verklaring die zyne oogmerken scheen te vlyen, beloofde aan zyn kant haar op de bepaalde tyd te zullen behandigen de geschenken die hy haar voorwaardig belooft had. Intuschen had de bakkersvrouw ingevolge de afspraak met haren man zodanige welbeleide maatregelen genomen, waardoor haar de kans onmogelyk ontglippen kon.

De galant, hiervan onkundig, kwam ter bestemder uur opdagen en in de verbeelding van een groot gedeelte van den nacht tot het plegen zyner geile lusten ongestoord by haar te zullen doorbrengen, overreikte haar aanstonds de vierhondert ducaten en de beloofde diamante orlietten. Onmiddelyk daarna, meende hy van enige vrypostigheden gebruik te maken, dog zoodrae zy bespeurde dat hy haar met geweld op het ledikant wilde werpen, verzogt zy hem zoo nadrukkelyk haar één half uur ter herstelling van haare verlegentheid te willen vergunnen, en onderwylen een glasje punsch te zamen te drinken, dat hy ondanks de hevigheid zyner driften, goedwillig in dat kort uitstel bewilligde.

Terwyl zy daarmeede bezig waren, wierd er tot driemaal hevig aan de voordeur gescheld. Men geleek aan weerskanten ongerust, het schrander vrouwtje vroeg uit voorzigtigheid alvorens de deur te ontsluiten, wie er was en kreeg tot bescheid dat het haar man was. Zy vloog daarop met eene gemaakte onsteltenis wederom na de kamer daar haar minnaar zig bevond en verzogt hem met een gelaat waarin overhaasting en schrik uitblonk, van zig schielyk te willen verbergen in de trog die in de bakkery stond.

Dit geschied zynde, ging de doortrapte vrouw de huisdeur openen om haar man te ontfangen, die wakker begon te grommen dat men hem zoo lang op de straad had laaten wagten, zeggende vervolgens overluid tegen zyn huisvrouw dat hy verpligt zynde voor een zyner kalanten wiens vrouw onverwagt bevallen was, dien nacht bollen te bakken, volgens het gebruik ‘t welk te Groningen in kraambevallingen plaats heeft, hy om die reede van de burgerwacht huiswaarts was gekeert.

Hy wilde zig daarop naar zyn bakkery begeven, maar zyn vrouw poogde hem welstaanshalve daar van aftewenden. De bakker geliet zie of hy boos wierd. Wat is hier tog gaande, dat gy zoo ongerust scheint?, vroeg hy aan zyn vrouw — Och niemendal kind!, gaf zy heel bedeest ten antwoord. Intusschen doorsnuffelde de looze bakker alle de hoeken van de bakkery en vond Oom Kool in de trog verscholen. Toen was het dat hy zig verwoed veinsde te zyn. Hy trok zyn sabel waarmeede hy van de burgerwacht gekomen was en bedreigde de heetbloede minnaar daarmede den kop door te doorkloven: — Scburk gy staat bekent voor een hoerejager, gy komt zekerlyk hier om myn vrouw te debaucheren!, riep hy in een blakende gramschap uit, schoon zyn nagebooste toorn een geheel ander doelwit ten voorwerp had.

De Bengaalsche Cresus die op de bedreiging van den bakker begon te beven viel door de mande, en verzogt pardon, het geen hy ten laasten na veele scherpe woordenwisseling verkreeg onder beding dat hy alvorens te vertrekken, ten behoeven van den bakker een schuldbekentenis van tweehondert goude ryders ondertekenen moest, waartoe den bedotte galant hem zeer volvaardig betoonde zonder van de 400 ducaten en de orlietten die hy aan zyn eerbare schoone gegeven had, één enkeld woord te durven reppen.

Opdat de zaak niet ruchtbaar zoude worden, voldeed hy inderdaad den aanvolgende dag aan zyne belofte en zond een paar hondert ryders onder intrekking van zyn handschrift aan den bakker, welke hier door zyne verlopen zaken gereddert en zyn deuchtzame vrouws eer gedekt zag.”

Bron: Johan Christophorus Ludeman, Triumph-zaal van astrologische voorzeggingen; of de nieuwe spiegel der waereld, deel I (1787) pag. 93-96.

Zie ook: Sichterman in de bakkerstrog was mystificatie?


Hoera, het is lente!

2013-03-21 002b

(Vanochtend na aankomst op mijn werk. Een deel van de sneeuw was er al afgevallen bij het op slot zetten van mijn fiets.)


Dozen, dozen, dozen

2013-03-19 003

(Groninger Adresboek 1930)