Hoogkerk en de oorlog van 1505-1506
Geplaatst op: 5 juli 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk, Stad toen 8 reacties
Sinds vandaag staat de 16e-eeuwse kroniek van Sicke Benninge online. Ik heb eens gekeken of Hoogkerk erin voorkwam, en jawel, het dorp speelde een rol in het beleg van 1505-1506, toen graaf Edzard van Oost-Friesland de stad Groningen probeerde te onderwerpen.
De Ommelanden kregen in de zomer van 1505 te maken met terreur van twee kanten. Zowel door de Groningers als door de troepen van graaf Edzard werd het platteland geplunderd en gebrandschat. Als je je have en goed niet goedschiks afgaf, dan raakte je het wel kwaadschiks kwijt.
Dat merkten Hoogkerk en Leegkerk. Beide dorpen weigerden brandschatting te betalen aan die van Graaf Edzard. En daarom gingen ze beide op een avond in vlammen op. Dat wil zeggen: de huizen die van hout, leem, stro en riet waren gemaakt, de boerderijen. De weinige stenen gebouwen – de kerk, de borg en de weem – bleven nog even staan.
Ongetwijfeld had de stad al de weilanden ten westen, ten noorden en ten oosten van de stad onder water gezet (ten zuiden, op de Hondsrug, was dat onmogelijk). De graaf maakte de toestand voor de boeren nog wat erger, door die zomer de dijken langs het Reitdiep en in de richting van Paterswolde door te laten steken, en diepen af te laten dammen bij de Aduarder Steentil en Enumatil, “soo dattet tusschen Groningen ende Hogerkercken blanck see was”. Verderop stond het halve Westerkwartier onder water.
Die van Groningen hadden nog wel hun schepen. Daarmee trokken ze begin juli naar Hoogkerk, om hun tocht daar over land naar Roden te vervolgen, waar ze de ovens van de bakkers en de ketels en kuipen van de brouwers vernielden. De taktiek van de verschroeide aarde was ook toen al bekend.
In het najaar bezetten zo’n zestig man troepen van de graaf de kerk van Hoogkerk, en versterkten deze met bolwerken voor deuren en vensters. Potters “kamnade” aan de zuidkant van het diep (de latere borg Elmersma) braken ze af. Het “weemhues” (de pastorie) staken ze in de fik en wierpen de muren ervan ook maar omver. Zo konden die van Groningen niet meer langs Hoogkerk varen met hun schepen, en Vredewold, Langewold en Humsterland niet langer bereiken.
Begin 1506 vroor al het water dicht. Wel vier of vijf dagen lang haalden stadjers over het ijs brandhout op uit de Hoornse landen en Eelderwolde. Hele gezinnen waren het soms, met mannen, vrouwen èn kinderen. Grafelijke soldaten, komend van Hoogkerk en De Punt, maakten een eind aan deze praktijk en verjoegen al het Groningse volk “dat daer int broeck was”. Vier “scamele lueden” sloegen ze dood en ze namen wel veertien wat meer vermogende burgers gevangen. Die mocht de familie dus vrij gaan kopen tegen flinke sommen geld.
In februari werd héél Hoogkerk versterkt, waarbij Ommelander boeren verplicht aan het werk werden gezet. De graaf gaf ze geen eten en drinken, ze moesten dat werk maar doen ‘op hun eigen kost’.
Nog steeds ging er wel eens een stadjer op hongertocht uit, maar als hij gepakt werd, raakte hij al het opgehaalde voedsel èn zijn hemd kwijt. En dat niet alleen, want de soldaten van de graaf sneden hem ook nog eens de oren af. Bij één man hingen ze die aan zijn hoed. Ze bonden hem de handen op de rug alsof hij een dief was, en hij kreeg ook nog twee haringen op zijn borst gehangen. Bovendien gaven ze hem een zakje met zout en een stukje brood mee. Dat moest hij maar naar de belangrijkste burgemeester gaan brengen. Van gesnapte vrouwen sneden de soldaten de rokken vanachteren af, die mochten in hun blote kont naar de stad terug. Een vrouw die het wat al te bont had gemaakt in de ogen van de grafelijke troepen, brandmerkten ze bovendien op beide haar wangen.
In het voorjaar van 1506 gaf de stad zich gewonnen. Toen liet de graaf een dwangburcht aan de zuidkant van de stad bouwen en werd zijn steunpunt Hoogkerk ontmanteld.
—
Sicke Benninge, Croniken der Vrescher Landen mijtten Zoeven Seelanden ende der stadt Groningen, pag. 168, 219-220, 251, 259, 265, 288, 297, 303, 318, 340.
Fredewalda gooide de deur even open
Geplaatst op: 4 juli 2012 Hoort bij: Ommelanden 3 reactiesTer gelegenheid van de Tolberter Jaarmarkt hield Fredewalda open huis in haar boerderij die dè oudheidkamer van ’t Vredewold gaat worden:

Het interieur van het voor- of binnenhuis, waar vroeger gewoond werd:

Tegeltableau met steigerend paard:

Het achterhuis met de koedeel. Een zee van ruimte, zou je zeggen, maar uit welingelichte kringen wordt vernomen, dat Fredewalda straks ruimte tekort komt:

Sttilleven met een afgedankt mestbassin, stapeltje dakpannen en betonijzer:

Een schuur achter de boerderij zal ook nog worden verbouwd:

Een laatste spoortje verval:

De gracht met doorkijkje naar de ezel van de buren:

Proces over het stoppen van een pijpje
Geplaatst op: 3 juli 2012 Hoort bij: Hoogkerk 6 reacties
Het Provinciale Hof van Justitie plaatste zelden bekendmakingen in de courant. Als het dat wel eens deed, was er iets bijzonders aan de hand. Dat bleek ook bij de notificatie van 15 maart 1796.
Landgebruikers ten noorden van het Hoendiep in ‘t stadsgebied en onder Hoogkerk, Leegkerk en Dorkwerd wilden voor gezamenlijke rekening twee watermolens bouwen en daarmee een eigen polder vormen. Naar hun mening had dit echter geen zin zonder “het stoppen van het pypje by Hoogkerk in het Trekpad leggende”. Daarom dienden hun vertegenwoordigers een verzoekschrift in bij het Provinciale Hof van Justitie, de hoogste instantie in waterschapszaken. Bij het Hof volgden er meerdere hoorzittingen, waarin landgebruikers van de andere kant van het Hoendiep, dus de zuidzijde, tegengestelde belangen inbrachten. Er dreigde een patstelling tussen noord en zuid en “om dit different op eene spoedige en min bezwarende wyze te eindigen” besloot het Hof
“alle die geene zo mogten vermenen bezwaard te zyn by het stoppen van het pypje by Hoogkerk in het Trekpad leggende, door dezen te gelasten, hunne bezwaren daar tegens schriftelyk en behoorlyk geadstrueert, met byvoeging van het benodigde bewys, het zy te zamen of afzonderlyk, tegens Vrydag den 8 April naastkomende ter Secretarie van den Hove, te Exhiberen…”
Na kennisneming van de over en weer ingebrachte argumenten en bewijsstukken zou het Hof dan een “finaal” besluit nemen –
“En op dat zulks tot narigt van de respective geïnteresseerdens kome, zal dezen aangeslagen worden daar zulks behoord, en voorts in de Groninger en Ommelander Couranten worden gezet.“
Een dergelijke publicatie dooor middel van placcaten bij openbare gebouwen en bekendmakingen in kranten vond het Hof kennelijk voldoende om alle belanghebbenden te bereiken. Mensen die hun bezwaren niet inbrachten, werden geacht “in het stoppen van het Pypje boven vermeld te hebben bewilligt”.
Anno 1796 vormden de noordzijde en de zuidzijde van het Hoendiep nog een gezamenlijke waterhuishouding binnen de Schepperij van Hoogkerk, waartoe Leegkerk en Dorkwerd niet behoorden. Sinds de late Middeleeuwen was dat al zo. Het Hoendiep had voor de bevaarbaarheid een eigen peil en de sloten ten zuiden van het Hoendiep waterden via een duiker of grondzijl – het kwestieuze pijpje – bij het Olde Gat onder het Hoendiep door af naar het Klijfdiep (nu Kliefdiep) dat ten noorden van het Hoendiep lag en dat op zijn beurt het water van Hoogkerk-Zuid èn Hoogkerk-Noord loosde op het Aduarderdiep. Aan die watergemeenschap wilden de noordelijke landgebruikers dus een eind maken. Zij vroegen om het stoppen van het pijpje, terwijl zuidelijke landgebruikers daartegen waren.
Het initiatief voor het zetten van de twee noordelijke watermolens dateerde al van oktober 1794. In december van dat jaar hadden de initiatiefnemers zich bij het Provinciale Hof vervoegd. Ze voerden er aan dat ze een “seer aansienlijk getal landgebruikeren” ten noorden van het Hoendiep achter zich hadden. Deze belanghebbenden uit het stadsgebied, Hoogkerk-Noord, Leegkerk en Dorkwerd hadden hun handtekening zelfs al gezet onder een molencontract. Sommige noordelijke landgebruikers gingen echter niet mee, of niet meteen mee. Gezamenlijk beschikten deze over bijna 703 grazen land, op een totaal van 2460 grazen die de voorgenomen polder zou omvatten. Volgens de initiatiefnemers waren de eigenaars van deze 703 grazen behept met een “seker scrupuleusheid”. Ze zouden vast wel instemmen met het voor hun landerijen zo zegenrijke plan, als het Hof ze in een procedure zou horen.
Het proces om tot een nieuwe polder ten noorden van het Hoendiep te komen, begon zodoende met een poging om een minderheid van landgebruikers binnen de nieuwe polder over de streep te trekken. De argumenten van deze afwijzers verschilden nogal, ze geven een genuanceerd beeld van de belangen die bij de vorming van een molenpolder konden spelen, en daarom wil ik er even bij stilstaan.
In totaal ging het om 36 landgebruikers. Tijdens het proces gaven 10 zich gewonnen. Zo zag Gerrit Klaassen weliswaar tegen de kosten op, “maar wil zijn land wel boven hebben”. Sommigen verbonden voorwaarden aan hun toestemming. Marten Rijkens wilde een vergoeding als er een dijk op zijn land kwam. En koopman Izaac van Delden vond dat er eerst een degelijke begroting voor de hele polder moest komen, terwijl hij een schaalmodel van de te bouwen molens verlangde.
Van de 26 opposanten die hun poot stijf hielden, zag de helft het nut van de nieuwe polder niet in, wat weliswaar korzelige onwil verried, maar nogal vaag bleef als er geen toelichting volgde. Een van degenen die zo’n toelichting wel wilde geven, was de veehouder Heike Heikens. Zijn vijf grazen land hadden wel wat voordeel bij het polderplan, “maar hij bouwde niet en liep het grasland al eens onder, het was voor hem van weinig belang”. Met ‘bouwen’ zal in dit verband akkerbouw zijn bedoeld, die vooral voordeel had bij het lagere waterpeil.. Een handvol afwijzers zag tegen de kosten van de polder op, een ander handvol had land dat van zichzelf al vrij hoog en droog lag. Tijmen Onnes’ land was zo hoog “dat des zomers niet onder kwam”, dat van Derk Harms liep “enkel met een opjagt wat onder”, en Lammert Jans had ’s zomers zelfs wel eens gebrek aan water op zijn percelen.
Roelf Jans daarentegen, had zulk laag land , dat de polder er niets aan kon verhelpen. Een collega van hem bezat al een eigen watermolen “en zoude dus dubbele kosten hebben”. Een ander vreesde de nieuwe dijk over zijn land en ook brachten sommige beklemde meiers in, dat hun eigenaren (mogelijk) tegen waren.
Een enkeling beweerde zelfs dat een watermolen schadelijk zou zijn. Dat was Jan Willems. Hij verklaarde, dat “wel hadde gehoord dat sommige landen door de waatermoolens verergert wierden”. Bovendien leerde de ervaring hem, “dat het land eenigen tijd onder waater zijnde meer voor als nadeelig was”, Deze boer was derhalve een warm aanhanger van het systeem van bemesting door bevloeiing, dat wat zuidelijker, op de hooilanden van de Eelder- en Peizermaden, nog tot in de twintigste eeuw heeft bestaan.
Het hele eerste halfjaar van 1795 ging met de hoorzittingen heen. Pas op 9 juli nam het Hof een besluit. Het verklaarde deze opposanten “in hunnen redenen van bezwaar ongegrond”. En daarmee was de weg vrij voor fase 2 van het proces, waarbij de bezwaren tegen het stoppen van het pijpje aan bod kwamen.
Deze fase van het proces begon in oktober 1795. In de akten wordt het pijpje ook wel “de klijve bij het Tolhek” genoemd, oftewel een klief, waaronder we, zoals gezegd, een stenen grondzijl of duiker moeten verstaan. De naam is verwarrend, omdat het Klijfdiep of Kliefdiep, waaraan het pijpje het zuidelijke water afleverde, op zijn beurt het water via een klijve liet uitstromen in het Aduarderdiep. Anders dan het pijpje, had deze eindklijve waarschijnlijk een schot dat met hoger binnenwater opende en met hoger buitenwater dichtging. Aan deze ‘echte’ klijve, dankte het Klijfdiep waarschijnlijk zijn naam.
Aan het begin van de nieuwe fase in het proces beweerden de noorderlingen dat “een groot gedeelte” van de zuiderlingen al met getekende verklaringen had beloofd, zich niet te zullen verzetten tegen het het stoppen van het pijpje. Dit lijkt nogal overdreven. Tegenover 8 zuidelijke landgebruikers die zich tegen het plan verzetten, waren er namelijk maar 5 die geen oppositie wilden voeren. De bezwaarden maakten derhalve een meerderheid uit.
Hun woordvoerder was de boekhandelaar, drukker en uitgever Jacob Bolt, die tevens als auctionaris van boekenveilingen aan de Groninger Academie fungeerde. In de omgeving van de Peizerweg beschikte hij over nogal wat grond, zoals diverse percelen Fraterland en landerijen bij Lingenhuizen. Het niet meer op het Klijfdiep kunnen lozen van het zuidelijke water, kwam volgens Bolt neer op onteigening. Hij verklaarde
“dat het Klijfdiep door hun voorzaaten was bekostigt en hun eigendom en afwateringe was. Waarom [hij] verzogt dat het Klijfdiep en pijpje in voorige stand mogte verblijven, leerende hun de ondervinding dat wanneer hoog water hebben, hetzelve dikwijls drie duim (7,4 centimeter HP) scheelde eer het verlaat oopen koomt, dat meest ten tijd bij hoog water het klijfje twee etmaalen vroeger oopen koomt als het verlaat.”
Uit deze verdediging van de bestaande toestand blijkt, dat de zuiderlingen nog een alternatieve afvoerroute voor hun water hadden, en wel via een verlaat (sluis). Op zich zou dat de sluis in het Hoendiep bij Vierverlaten kunnen zijn, al lijkt dat gezien het hogere waterpeil in het Hoendiep niet in de rede te liggen. Een andere mogelijkheid is dat Bolt met dat verlaat een zijltje bedoelde, dat bij het eind van de Peizerweg, ten westen van Lingenhuizen, tussen de zuidelijke sloten en de Woldsloot in lag. Uit een proces dat in de jaren 1784 speelde, weten we dat deze Woldsloot vanaf Neerwold tot Eiteweerd met hooipramen bevaren werd, misschien dat Bolt het zijltje daarom abusievelijk voor een verlaat hield.
Hoe het ook zij, de noordelingen vonden dat de zuiderlingen hun water voortaan ook wel via die alternatieve route kwijt konden. Blijkbaar had Bolt de noorderlingen voorgesteld, om het Klijfdiep maar te bedijken, in plaats van het pijpje te stoppen, maar dat vonden de noorderlingen bepaald geen goed idee. Het hogere peil in het Klijfdiep, zo betoogden ze, zou trouwens ook ten koste gaan van het zuiden zelf, want met de noordelijke winden zou er dan meer water door het pijpje aar het zuiden worden gedreven, zodat “de zuidelijke landen dan meer waater kreegen, als nu zouden hebben wanneer het pijpje gestopt en dus dit verhindert wierd.”
Bolt en de zijne lieten zich hierdoor niet overtuigen. Ze gaven toe, “dat wel eens bij sterke wind het waater door het pijpje hun wierd toegejaagd en het alzo bij hun verhoogde”, maar dan stroomde de Aduarderzijl ook niet, en maakte dat voor de waterstand maar weinig uit. Ze herhaalden hun standpunt, dat het Klijfdiep hun eigendom was. Volgens Bolt hadden die van het zuiden al “ meer dan honderd jaren” beschikt over deze uitwatering en al die tijd er mede de kosten van onderhoud voor opgebracht. Het pijpje, aldus Bolt, was voor de afwatering “van zeer groote noodzaakelijkheid”. Bovendien raakten de zuidelijken hun water veel vlugger langs twee wegen, dan via een enkele weg kwijt.
Hoewel de noorderlingen nog wel een route naar een compromis openden, en graag wilden horen onder welke voorwaarden die van de zuidzijde eventueel zouden willen participeren in de noordelijke polderplannen, gingen de zuidelijke daar niet op in. Maar omdat er ook eigenaars waren, die verstek lieten gaan, besloot het Hof medio maart 1796 die via placcaten en bekendmakingen in de couranten op te roepen, waarbij het de mensen die nu nog steeds niets van zich lieten horen, als voorstanders van het polderplan zou gaan beschouwen.
Na nog wat formele chicanes was het jaar bijna voorbij, toen het Hof aan het onderzoek van de uitgewisselde stukken begon. Op 7 februari 1797 kwam het eindelijk tot de uitspraak, dat de argumenten van de zuidelijken tegen het stoppen van de pijp van onvoldoende gewicht waren, om het noordelijke polderplan te dwarsbomen. Wel zouden de zuidelijken voortaan niet meer hoeven meebetalen aan het onderhoud van het Klijfdiep en de klijve bij het Aduarderdiep.
Weldra gingen de noordelingen over tot aanbesteding van het werk:
“De VOLMAGTEN van de Geïnteresseerde LANDGEBRUIKEREN onder de Stad , Stadstavel en Hamrik mitsgaders Hoogkerk, Leegkerk en Dorquert aan de Noordzyde van de Trekweg buiten der A. Poort, gedenken Uitebesteden op Zaturdag den 18 Maart, ten Huize van de Kastelein Sikko Gerbens in de Slingerie buiten A Poort, ’s Namiddags precies om twee uur, het Stoppen van het Pypje by Hoogkerk in het Trekpad liggende. Waar van de Bestekken ter p!aats van Uitbesteding , als mede.by de Wedw. J. van Bolhuis in de Unie te leezen zyn.”
De polder die ten noorden van het Hoendiep gerealiseerd werd, zou later de Held gaan heten, naar de noorderwatermolen die tussen het Klijfdiep en het Aduarderdiep in kwam te staan. De tweede watermolen, de Jonge Held, zou er pas in 1828 komen. Diens bouw betekende de splitsing van het waterschap in twee polders : de Jonge Held bediende voortaan de gronden onder Leegkerk en Dorkwerd, terwijl de Oude Held zich tot Hoogkerk benoorden het Hoendiep beperkte.
Voor de zuiderlingen bleek de alternatieve waterlossing die ze nog hadden inderdaad al gauw onvoldoende. In 1797 maakten zij een plan voor een eigen watermolen, die in 1800 nabij Eiteweerd gebouwd werd.
Harry Perton
Bronnen:
> Groninger Courant 15 maart 1796; 12 april 1796; en 14 maart 1797.
> RHC Groninger Archieven, toegang 136 (Hoge Justitie Kamer) de inv. nrs. :
– 748 (rekesten) 20 dec 1794;
– 749 (rekesten) 9 juli, 3 en 10 oktober 1795, 5 maart en 4 april 1796;
– 694 (resoluties) 5 november 1796
– 1088 (commissienotulen) 16, 23 en 30 januari, 13 februari, 13 en 20 maart, 9 en 16 oktober, 20 en 27 november 1795, 26 februari, 4 maart, 11 en 25 november, 16, 20 en 26 december 1796, 10 en 7 februari 1797 (fol. 334)
> RHC Groninger Archieven, toegang 705, inv. nr. 162 proces over het bevaarbaar houden van de Wildsloot, 1784.
> Archief Noorderzijlvest, Verzamelinventaris waterschappen Westerkwartier, p. 196.
De kerk teruggeven aan het dorp
Geplaatst op: 23 juni 2012 Hoort bij: Hoogkerk, Ommelanden 2 reactiesAls je in Huizinge de kerk van binnen wil zien, dan moet je naar een zijstraatje om bij een klein huisje aan te bellen. Degene die dan de deur voor je open doet, is Reint Wobbes, al sinds jaar en dag een van de drijvende krachten achter de stichting Oude Groninger Kerken. Van de week was hij even in het Journaal te zien, omdat hij uit handen van koningin Beatrix een zilveren anjer ontving. In dit filmpje legt hij uit, hoe dat met zijn passie zit:
Retour Zuurdijk
Geplaatst op: 19 juni 2012 Hoort bij: Ommelanden 8 reactiesGrazers in diverse formaten bij Leegkerk:

Nubische geit bij de Tichelwerkbrug (met dank aan Hendrika voor de soort):

Bij de Spanjaardsdijk in de buurt:

Balkhuisje op dijk achter gemaal Electra, Lammerburen:

Monument voor de naamloze armen zonder monument, noordkant kerk Zuurdijk:

Treurende engel, zuidkant kerk Zuurdijk:

Vervallen boerderij tussen Zuurdijk en Warfhuizen:

Werkzaamheden aan de torenspits van Feerwerd:

Koe in de sloot
Geplaatst op: 16 juni 2012 Hoort bij: Ommelanden 9 reactiesPaddepoelsterweg, vanmiddag om een uur of half vijf:

Er ligt een koe in de sloot en het beest heeft zich helemaal in de blauwe klei vastgewerkt. Daarom wordt er een tractor ingezet::

De eerste poging strandt. Eens proberen van de andere kant:

De koe staat nu de andere kant op, met zijn kont naar de duiker. Eerst maar weer eens op handkracht proberen:

Dan toch maar weer met de trekker:

En zo raakt de koe dan eindelijk op het droge:

“Heb ik wat van je aan?”

Die geeft de komende dagen wat minder melk:

Een zeerob te Hoogkerk
Geplaatst op: 14 juni 2012 Hoort bij: Hoogkerk Een reactie plaatsen“GRONINGEN den 12 November. In de gepasseerde Week is te Hoogkerk, een uur van deze Stad gelegen, een Zee ROBBE gevangen, welke dagelyks in ’t Tolhuys aldaar nog is te zien.”
Bron: Groninger Courant 30 november 1764.
Toelichting: Met een zeerob werd uiteraard geen zeeman, maar een zeehond bedoeld. Het beest moet via het Reitdiep, Aduarderzijl. het Aduarderdiep en het Kinderverlaat in Hoogkerk terechtgekomen zijn. Het bedoelde tolhuis stond in de bocht van het Hoendiep, tegenover de plek waar men tegenwoordig De Halm vindt.
Hendriktje – ’t Koolzoad Bluit
Geplaatst op: 13 juni 2012 Hoort bij: Muziek 4 reactiesGrunniger fado:
Waar komt de naam Schifpot vandaan?
Geplaatst op: 12 juni 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Ommelanden, Veldnamen 21 reacties
Zondag kwam ik weer eens langs Schifpot. Jaren geleden, in 2006, vroeg ik me al eens af wat die naam betekende, maar kwam er toen niet achter.
De eerste gissing was indertijd dat de naam van Schippot zou kunnen komen. Van mijn achterneef had ik eens gehoord dat hier, voordat de Torensmabrug er lag, een pontje over het Aduarderdiep heen en weer voer.
De oudste kaart waarop ik Schifpot vond was de chromotopografische, verkend in 1905 (een van de zogenaamde Bonnebladen). Onder het toponiem staat daarop de afkorting voetv. van voetveer. Door het ontbreken van oudere meldingen dacht ik dat het toponiem uit het eind van de 19e eeuw zou stammen en samenhing met een functiewijziging in het gebied.
Bij het eerste kadaster lag hier aan weerszijden van het Aduarderdiep nog louter weiland, in 1867 was er op de Feerwerder kant een steenfabriek gekomen en stonden er bovendien kalkovens Dan komen er wat woninkjes bij in de bocht van het kanaal en ik vermoedde er ook een café. Bovendien lag er een kade. Met de komst van zulk vastgoed hing de naam samen, dacht ik. In elk geval situeerde ik Schifpot op de Feerwerder kant.
Indertijd moest ik de vraag laten rusten, maar nu ik er weer langskwam, besefte ik dat er intussen heel wat jaargangen Groningse kranten op de KB-website zijn komen staan. Ik besloot daar eens in te gaan zoeken.
De (voorlopig) oudste krantenmelding van Schifpot is te vinden in een rubrieksadvertentie uit 1912. Dat spoort chronologisch wel ongeveer met de oudste melding op een kaart. Bij de tweede krantenmelding, uit 1917, gaat het om de veiling van een partij gebruikt scheepshout aan de Feerwerder kant. Wat overeenkomt met de gedachte lokatie.
Uit de jaren 1926–1935 zijn er echter wat advertenties waarin te huur wordt aangeboden een huis op de Garnwerder kant. Niet alleen zijn een tuin en drie percelen dijk bij de huur inbegrepen, dat geldt ook voor een “recht van overzetterij over het Aduarderdiep”, dus van bovengenoemd voetveer. Eind 1934 heet deze overzetterij ‘Schifpot’. Waarbij je je natuurlijk afvraagt of het gehucht naar de overzetterij heet, of andersom.
De overzetterij, ontdekte ik, dateerde van 1853. Op 4 augustus dat jaar verkreeg de wed. Bakker-Smit te Garnwerd bij Koninklijk Besluit vergunning tot aanleg van het voetveer en het heffen van een veerrecht. Deze vergunning gold voor vijftig jaar en moet rond 1903 dus nog eens verlengd zijn geweest. Het voetveer had toen zijn langste tijd al gehad, want er zou een brug komen. Deze werd in 1919 al gewenst, het besluit ertoe viel in 1936, de bouw vond plaats in 1938 (foto’s), terwijl de effectieve ingebruikneming in september 1939 was, vlak na de mobilisatie.
Juist in de tijd dat de brug er definitief zou komen, besteedde Jacob Tilbusscher in de bijlage Ter verpoozing van het Nieuwsblad van het Noorden aandacht aan het Aduarderdiep. Door zijn stukje (pag. 2) kreeg ik eindelijk antwoord op mijn vraag:
“Aan het noordeinde van het Aduarderdiep staat aan den oostelijken oever een klein typisch huisje, vroeger een druk bezochte herberg. Vooral des winters bij ijs was het daar bijzonder druk. ’t Huisje wordt steeds aangeduid door den eigenaardigen naam Schifpot. Een Schifpot is een primitieve kachel. Eigenlijk een cylindervormige pot, waarin schif — afval van vlas — smeulde…. Ook nam men wel zaagmeel. Oudtijds zal dan in ’t huisje menig gezelschap rondom den schifpot hebben gezeten, onder ’t genot van een glaasje “dikke stukken” vertellend. Ouden van dagen in de omgeving van ’t Aduarderdiep weten heel wat van ’t gezellig verkeer in den Schifpot te vertellen.”
Het huis op de Garnwerder kant waaraan de overzetterij was verbonden, fungeerde dus tevens als herberg. In de volksmond heette dit établissement Schifpot naar de eigenaardige verwarming, en de naam van dit huis ging later over op die van het gehucht.
Als ik achteraf nog even op Wikipedia kijk, zie ik dat deze verklaring sinds oktober vorig jaar daar ook min of meer in het lemma Schifpot opgenomen is:
“De betekenis van het woord ‘schifpot’ is volgens het WNT een ‘.. ijzeren pot, waarin schif wordt gebrand’ waarbij ‘schif’ staat voor ‘de houtachtige deeltjes die bij het zwingelen van vlas .. afvallen’.”
Voordat het lemma in deze zin gewijzigd werd, stond er maandenlang te lezen dat de naam ‘Schifpot’ mogelijk verwees “naar een pot waarin vleesafval (schif) werd gestookt”, wat dan wel aan een leesfout zal hebben gelegen. Wikipedia noemt ook dat het veerhuis de naam Schifpot droeg, maar positioneert dat per abuis aan de Feerwerder kant.
Terecht constateert de nieuwste Wikipedia-versie dat er vroeger aardig wat vlas in deze omgeving werd geteeld. Begin twintigste eeuw ging het volgens de jaarverslagen van de gemeente Ezinge om ruim 50 hectare.

Schifpot 1938. Collectie RHC Groninger Archieven 818-4054.
Rondje Aduard Adorp
Geplaatst op: 10 juni 2012 Hoort bij: Ommelanden 3 reactiesHet Kliefdiep, noordkant Hoogkerk, is een zeer oude regulering van het Eelderdiep:

Zwanenpaar, noordkant Gravenburg:

Detail van een uitwateringsschroef, liggend op de werf bij watermolen de Jonge Held:

De Jonge Held kreeg een jonkie. Het kleintje heet de Morgenster, maar is volgens zijn maker, watermulder Cusiël van de Jonge Held, gemodelleerd naar de Helper molen bij de Hoornsedijk:

Op de achtergrond de heemstede van het Oude Washuis, een verdwenen boerderij met recht van overzet over het Aduarderdiep, in de Middeleeuwen waarschijnlijk (hoofdstuk 2, pag. 261) ontstaan als voorwerk van de Aduarder abdij:

Dorpsgezicht Garnwerd:

Wegje bij Hekkum:

Rollebollend paard van Marjan Schaap in de kerk van Adorp:

Geertruida Franke een savante?
Geplaatst op: 9 juni 2012 Hoort bij: Hoogkerk 3 reactiesHaar vader had in 1753 voor een prikje de borg Elmersma in Hoogkerk gekocht, om een zeepziederij op het borgterrein te stichten. Daarmee boerde hij zo goed, dat hij de oude borg kon vervangen door een modern herenhuis. Bovendien belegde hij zijn winst in diverse stukken onroerend goed in en om Hoogkerk.
Toen de ongehuwde Geertruida Franke dit alles van hem erfde, verplaatste zij de zeepfabriek naar een pand aan de Brugstraat in Groningen. Toch hield ze een band met Hoogkerk. Zo kocht ze bij de veiling van Lewe van Aduard in 1815 een heel pakket heerlijke rechten van Hoogkerk, maar ook van Leegkerk en Dorkwerd. Vervolgens vroeg zij een wapen voor haar heerlijkheid aan. Bij Koninklijk Besluit werd haar toegestaan om hiervoor het wapen van de familie Franke te nemen, met een klokje als addendum. Dit wapen werd later het wapen van de gemeente Hoogkerk.
In haar proefschrift over Verlichting en Romantiek in Groningen noemt Lies Ast-Boiten de zeepfabrikante “fascinerend”. Voor het onderzoek naar boekenbezit en leescultuur, maakte Ast-Boiten gebruik van een inventaris van Geertruida’s bezittingen, opgemaakt in 1820, oftewel drie jaar na Geertruida’s dood. In Geertruida’s huis aan de Groninger Brugstraat bevond zich op zolder een bibliotheek, waarvan de boeken helaas niet apart werden opgenoemd, maar die in zijn geheel op 100 gulden werd getaxeerd. Volgens Ast-Boiten was deze boekerij daarmee een van de grootste bij de Groninger burgerij. Op de inventaris staat bovendien, dat Geertruida voor bijna 82 gulden in het krijt stond bij boekhandel Roemelingh. Wat ze daar kocht is helaas ook weer onbekend. Ast-Boiten erkent weliswaar in een noot dat het ook schrijfbehoeften, prenten en schilderijen geweest kunnen zijn, maar concludeert niettemin dat:
“Geertruida Franke lijkt te bevestigen dat niet alle berichten over lezen als levensbehoefte uit de lucht zijn gegrepen en tevens dat vrouwen het lezen van boeken uitdrukkelijk hebben omarmd.”
Wat mij betreft kende Ast Boiten hier iets te weinig gewicht toe aan het feit, dat Geertruida’s bibliotheek op zolder stond, een gewoonlijk duistere plek waarvoor je een ladder of trap op moest en dat met een brandende kaars of lantaarn. Die boeken lagen niet voor het grijpen, wil ik maar zeggen, en ze zouden ook wel van Geertruida’s vader geweest kunnen zijn. De schuld bij Roemelingh kan bovendien (deels) samenhangen met aankopen van papier, benodigd voor zeepwikkels. Om louter op basis van enkele geldbedragen te suggereren dat Geertruida Franke een soort van savante was, lijkt me dus wishful thinking.
—
Bron: Lies Ast-Boiten, Stad tussen Verlichting en Romantiek. Groningen 1780-1850 (Assen 2011), in het bijzonder de pagina’s 72-74 en noot 131 op oagina 362.
Zie ook: Lavater in Hoogkerk
Ooievaarsvaria
Geplaatst op: 8 juni 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Ommelanden 2 reactiesOp het ooievaarslogje kwamen per mail nog enkele reacties vanuit het Oldambt. Daniel Oudman wees me erop dat sinds maart in Oostwold op initiatief van de lokale vereniging voor dorpsbelangen weer een paal met een oud wagenwiel staat. Ooievaars hebben deze voorziening echter nog niet betrokken.
En Jan Pieter Koers stuurde me een vooroorlogse ansicht van Huize Vredenhoven in Scheemda.

Oude Scheemders halen graag herinneringen op aan het nest op de schoorsteen van Vredenhoven. Een enkele grijsaard weet zelfs nog welk drama zich hier in 1933 afspeelde:

Naar aanleiding van dit berichtje uit het Nieuwsblad ben ik eens gaan kijken of de oudere Groninger Courant ook ooievaarsnieuws bevatte. En dat deed hij. Heel vaak ging het om ooievaars die lang bleven in de herfst, en zo een zachte winter zouden voorspellen, of die zelfs gedurende de hele winter overbleven. Een extreem voorbeeld kwam uit Zuidhorn, midden december 1846:

Dat een juffrouw ooievaar eigenlijk een zij moest zijn, daar maalden correspondent en redactie niet om.
Het Westerkwartier als ooievaarsland
Geplaatst op: 4 juni 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 3 reacties
Prachtig stuk van Tonko Ufkes over de ooievaar in het Westerkwartier.
Als vertrekpunt kiest hij een familieverhaal over zijn opa, die op een boerderij bij Lutjegast leefde en daar in 1960 overleed. Als Tonko’s grootvader het gras ging maaien,
“kwamen de ooievaars aanvliegen en bleven dicht in zijn buurt om de tevoorschijn komende slakken, kevers, kikkers enz. uit het gras te pikken. Soms liepen wel vier grote vogels samen met Opa in het zelfde stuk weiland”.
Tonko schrijft dat een beetje toe aan de rustige kadans waarmee zijn opa de zeis door het gras liet gaan, maar ik heb eenzelfde tafereel in de buurt van Leek ook wel achter een maaiende tractor gezien, dus aan opa’s rustige maaien zal het niet hebben gelegen. Ooievaars kunnen wel tegen wat drukte.
In de jaren 1940, 1950 waren er in de onmiddellijke omgeving van Lutjegast zo’n 3 of 4 nesten. Uit een tijdschrift haalde Tonko een lijst van ooievaarsnesten die anno 1939 werden bewoond. In totaal ging het in de provincie Groningen om 39 stuks, waarvan er 15 in een straal van ongeveer 15 kilometer rond Lutjegast. “De andere Groninger ooievaars”, aldus Tonko,
“woonden rond de Stad of naar het oosten, langs de lijn Hoogezand – Scheemda – Oostwold of vanaf Scheemda richting Wedde. Dus niet op het Hogeland of in de Veenkoloniën.”
Het jaar 1939 bleek wel een topjaar. Nadien daalde het aantal bewoonde ooievaarsnesten snel.
Maar ruim een eeuw voor 1939, namelijk in 1828, waren er waarschijnlijk veel meer ooievaars dan in 1939, want de schoolmeester van Dorkwerd meldt dan “zeer vele ooijevaars”, terwijl zijn collega van Oostwold (Wk.) dan zegt dat ooievaars “meest op ieder dorp een of meer nesten hebben”.
Te Oostwold zat er een ooeivaarsnest bovenop een boerenschuur. Helaas vertelde de schoolmeester van Hoogkerk niet, dat zich daar een op de school bevond, Wel noemt Tonko het nest, volgens overlevering al sinds de 15e eeuw, op de kerk van Niehove, dat in 1882 echter voor het laatst bewoond werd.
Tonko publiceerde zijn ooievaarsverhaal in 2008 in een geannoteerde versie in Stad & Lande, iets wat helaas niet bij de webversie staat. Zijn constatering “dat de ooievaar in Groningen niet meer voorkomt”, is inmiddels behoorlijk achterhaald. Ooievaars zijn zelfs alweer tot vlakbij de stad opgerukt, want je kan ze bij tijd en wijle zien bij het transferium Hoogkerk, bij de Peizerweg en bij de Johan van Zweedenlaan, om me tot de zuidwestkant van de stad te beperken.
Bouseman, boesman, Buzeman
Geplaatst op: 3 juni 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Taal 12 reacties
Citaat uit De Pilaren ende Peerlen van Groningen, een werk van Bernhard Alting dat voor het eerst in 1648 verscheen. Alting, die het Groningse stapelrecht verdedigde, vertelt hier dat de angst voor de Olderman van het Stapelrecht – dat was de handhaver van dat stadsrecht – in de Ommelanden dermate afnam, dat men hem er hield voor een “bouseman of bulleback”, die meer blies dan beet.
Wat intrigeert is dat “bouseman”. Het WNT heeft het niet als apart lemma, in wat voor spelling dan ook, maar het vermeldt de term wel als boesman onder boezen voor kloppen of slaan, en verwijst verder naar boeman en een Overijssels equivalent, te weten boezekerel.
Bouseman, boes(e)man en boesekerel voor een kinderschrik die door volwassenen niet al te serieus wordt genomen, zijn volgens mij in het Groninges van de 19e en 20e eeuw niet (zo) bekend. In de noordelijke streektaal lijkt de functie vooral over te zijn gegaan op de term boesjeude die we op diverse woordenlijstjes (1, 2) en ook in volksverhalen (1, 2) terugvinden.
Voor 1700 had je heel weinig joden in Stad & Lande. Als het bang kunnen maken van kinderen met een jood een zekere mate van bekendheid met joden veronderstelt, dan zal dat bouseman van Alting in de loop van de 18e of zelfs de 19e eeuw verdrongen zijn door boesjeude.
In Groningerland heb je wel nog steeds de typisch Groninger families Buseman en Buzeman. Voor zover ik weet komt die naam oorspronkelijk uit Oost-Friesland, en drong ze na 1750 (definitief) door in het Wold-Oldambt (de regio Winschoten). Op Alle Groningers vond ik verder een eerste Bouseman anno 1723 te Oostwold en een eerste Boeseman in 1715 te Uithuizermeeden. Misschien hebben die namen met iets anders te maken, maar dan nog kan je het gegeven dat een familie zo’n naam aanhield, niet los zien van het feit dat de vreesaanjagende connotatie in vergetelheid raakte. Want wie wil er nou een bullebak of kinderschrik heten?
Ommetje Paterswolde
Geplaatst op: 2 juni 2012 Hoort bij: Drenthe, Ommelanden 3 reactiesBij het Transferium Hoogkerk kleuren een paar pas voltooide wallen geel van het raapzaad:

Bij Eelderwolde hebben ze de huizen gelijk maar in oranje opgetrokken:

Een acrobaat en een hooischudder – ouderwets hooigerei dat in een opmerkelijk goede staat verkeert:

Bij de Schelfhorst:

Bij het Omgelegde Eelderdiepje, in de verte is de Hoogkerker suikerfabriek nog net te zien:

Net nu het Meerschap eindelijk al dat overbodige autoverkeer aan de Hoornsedijk wil gaan aanpakken, heeft de benzineverslaafde medelander ontdekt dat hij ook wel per speedboat dit natuurgebied betreden kan:

Fuut met jongen, eveneens bij de Hoornsedijk:

Reiger, alert op jonge futen:


Recente reacties