Middeleeuwse raaimethodiek

De westgrens van het Groninger stadsterritoir kende vroeger twee stukken die samen een rechte lijn vormden. Deze grensgedeelten liepen over de Wolvedijk (nu het haakse en doodlopende stuk Peizerweg bij het terrein van de voormalige Groninger suikerfabriek) en parallel aan de Campinglaan ‘achter’ het Stadspark.

Als je beide stukken doortrekt, kom je in het zuiden bij de kerk van Eelde uit en in het noorden bij de kerk van Dorkwerd. Deze hebben duidelijk een rol gespeeld als oriëntatiepunten, toen, uiterlijk in de 13e eeuw, een omvangrijke strook riet-, broek- en woldland verdeeld werd tussen enerzijds die van Groningen, en anderzijds die van Eelde en Hoogkerk. Dat de Drenten naderhand een rechthoekig stuk aan de zuidkant van de Drentse Laan afstonden aan die van Groningen, waardoor die lijn onderbroken raakte, doet hier niets aan af.

De kerken van Eelde en Dorkwerd liggen hemelsbreed zo’n dertien kilometer uit elkaar. Jan van den Broek, die het raaien op deze kerken ontdekte, veronderstelt in zijn dissertatie dat de primitieve landmeters die het land verdeelden, op een plaats in het midden van die afstand zijn gaan staan, namelijk op de knik in de Drentse Laan/Peizerweg en dat ze toen hebben gekeken naar beide kerken.

Destijds zal het gezichtsveld inderdaad veel  ruimer geweest zijn dan nu. Maar zo ruim dat je vanaf dat punt beide kerken kon zien liggen? Die kerken waren nog erg klein en hadden waarschijnlijk ook nog geen torens. Bovendien zullen er in deze vochtige streek toch ook wel vochtminnende bomen als elzen, wilgen en essen hebben gestaan. Misschien niet veel, maar dan toch genoeg om het zicht op kerkjes die er op 6 à 7 kilometer afstand stonden, danig te belemmeren, zoniet geheel te ontnemen.

Tijdens een cursus van Jan, waarbij het raaien in ontginningsgebied ter sprake kwam, opperde ik deze bedenking. Maar hij bleek niet voor één gat te vangen en kwam met de suggestie dat het raaien op oriëntatiepunten ook mogelijk was door op die lokaties vuren te ontsteken. Inderdaad kan het best eens zo gegaan zijn. Ik denk dat zulke vuren dan wel aan twee voorwaarden moesten voldoen. Ze moesten a) veel rook geven en konden b) het best ontstoken worden bij windstil weer, zodat die rook, voor een zo secuur mogelijk raairesultaat, recht omhoog ging.

Windstil weer heb je vooral in de zomer, tevens de tijd dat zo’n rietmoeras er relatief droog bij lag. Ik zie nu mensen namens de diverse partijen in de weer met het afzwetten van dat moeras. Heel in de verte stijgt bij Eelde een rookpluim de lucht in, en aan de andere kant heb je precies zo’n pluim bij Dorkwerd. Zo zou het inderdaad wel eens gegaan kunnen zijn. Ik vind het een bevredigend beeld, waar ik meer geloof aan hecht dan aan het raaien op die kerkjes alleen.

Bron: Jan van den Broek – Een stad apart (Groningen 2007) 233, 258, 269-270.


De Onner Vogelweide

Na de Münsterse inval van 1672 lagen de moestuinen van het Burgerweeshuis buiten de zuidwal van de stad Groningen zo’n twee jaar lang braak. “De voorgeschr[even] Tuinlanden door den Vijandt geruïneert zijnde, hebben in ’t jaar 1673 voor vogelweide gelegen, alsoo van niemandt gebruickt zijn…”, lees je dan in de rekening van het weeshuis.

Volgens het WNT (I, II) staat dat ‘vogelweide’ voor onbebouwd, braakliggend, verwaarloosd en verwilderd land vol onkruid. Ik krijg er persoonlijk warme associaties bij van welig tierende  fladderaars en fluiters, maar voor degenen die de term bezigden hield hij weinig positiefs in. Het land rendeerde immers niet.

Wat ik me afvroeg, is of de term ook nog tot toponiem promoveerde. Het antwoord is ja, want  voor de oorlog bestond er een Vogelweide in Onnen, zoals blijkt uit een stuk of wat advertenties in het Nieuwsblad van het Noorden:

  • Bij een verpachting in 1913 gaat het om weiland bij het Biksland, waar het mee verbonden kan zijn, terwijl het ook los verhuurd kan worden.
  • Bij een veiling 1927 betreft het groenland naast het Biksland, tussen (het meertje) De Biks en de Noorder Zanddijk, waarmee de Noorderhooidijk bedoeld zal zijn. Groot is het niet, slechts 15.70 are.
  • En bij verhuringen in 1929, 1930 en 1936 kwam steeds een mat (perceel) Nijstuk aan de Biks onder de hamer met daaraan verbonden Vogelweide. Samen ging het om 60 are.

De veldnaam Vogelweide werd dus gebezigd ter aanduiding van kleine percelen tussen de Biks en de Noorderhooidijk, die verbonden konden zijn aan andere percelen als een Nijstuk of het Biksland. Door dat verbonden zijn krijg je de indruk dat het gaat om recent op de Biks gewonnen land, waarschijnlijk voormalig rietland. Op de foto hierboven noteerde ik de namen.

Vogelweide kwam ik in Onnen niet eerder als toponiem tegen. Op de veldnamenkaart die G. Smit in 1973 voor Driemaandelijkse Bladen tekende, ontbreekt de naam. Ik vermoed dat die bij het toenmalige veldonderzoek niet naar voren kwam. Waarschijnlijk raakte ze tussen ca. 1940 en ca. 1970 in vergetelheid juist door de verbinding met de stukken land, die eerder op de Biks waren veroverd.

Naschrift 25 april 2012:

De veldnamenonderzoeker Wieringa liet in het Groninger gedeelte van zijn verzameling geen kaart na van dit gebied onder Onnen. Gezien het feit dat Driemaandelijkse Bladen een uitgave was van het Nedersaksisch Instituut, zal Smit in 1973 ook Wieringa geraadpleegd hebben. Wel zit er bij het nagelaten materiaal van Wieringa een alfabetische lijst, waarop Vogelweide als veldnaam staat, met een verwijzing naar Jan Naarding. Die schreef inderdaad een artikel over de veldnamen van Onnen (1953), maar daarin staat nou juist niet de naam Vogelweide. In het andere materiaal van Wieringa schittert de naam Vogelweide onder Onnen door afwezigheid. Kennelijk noteerde Wieringa de naam niet uit de mond van de door hem geraadpleegde lokale zegslui, en viel de naam hem ook niet op in contemporaine vastgoedadvertenties. Mijn conclusie blijft daarom, dat de naam in vegetelheid is geraakt door het in cultuur brengen van het land, waarbij dat werd samengevoegd met stukken die eerder ontgonnen werden.


Vier maal het laantje

(Langmadijk)


Verzamelbeurs Hoogkerk

Met een bon uit de Westerkrant kon je gratis naar de Verzamelbeurs in de sporthal van Hoogkerk. Die staat hier vlakbij, tussen de buien door daar dus even naar toe.

Ik denk dat het aantal aanbieders en het aantal belangstellenden elkaar vrijwel in evenwicht hield:

De ansichtkaart met de olijke matroos die vertelde dat hij niet eerlijk aan zijn dikke sigaar gekomen was, kostte maar liefst 6 euro:

Bak met munten. Ongeveer in het midden een van de DDR, een mooi verzameldomein vanwege de eindigheid en daarmee het compleet kunnen krijgen:

Bij de kramen vooral wat oudere mannen:

Bankbiljet met Tito:

Postzegelalbum:

Op zoek naar die ene munt die nog in de collectie ontbreekt:

Bij een kraam met suikerzakjes sprak ik met een man uit Nieuwe Pekela die er naar eigen zeggen 60.000 heeft. Hij woonde als jongen in de stad Groningen en vertelde dat ze daar bij de Fries-Groningse suikerfabriek een eigen drukkerij hadden, waar de suikerzakjes in lange stroken van een drukpers rolden.  De plaatjes werden verzorgd door tekenaars en grafisch ontwerpers uit de stad, de cliché’s ervan kwamen van de Noord-Nederlandse Clichéfabriek aan de Blekerstraat. Een horeca-bedrijf moest minimaal 1000 zakjes afnemen, speciale vertegenwoordigers gingen ermee de boer op. De Fries-Groningse had vooral klanten ten noorden van de IJssel, maar Van Oordt uit Rotterdam bewerkte het hele land:

Ben thuisgekomen met twee ansichtkaartjes van Havelte die ik nog niet had, waaronder een van voor de oorlog.


‘Moderne gas- en electrische ornamenten’

Enigszins opgekalefaterd Jugendstil briefhoofd uit 1909, bewaard gebleven in een collectie briefhoofden bij het RHC Groninger Archieven. Wat mensen als modern zien is erg tijdgebonden.


Beteuterde tudehoane

Bij de opgang naar de Laan 1940-1945, op de grens van het Stadspark en Laanhuizen, vind je deze graffiti. Er is nog zo’n haan een eindje verderop, bij de spoorwegovergang Peizerweg, maar die bij de snelweg is mooier. Aangezien beide lokaties zich vrij dicht bij elkaar bevinden en voorbeelden uit de rest van de stad ontbreken, zullen de makers vast uit de buurt komen, of er naar school gaan.


Rooie Harm

Van Klaas Haan uit Heiligerlee kreeg ik net een aardig overzichtje van heel verre (aangetrouwde) familieleden van me, voornamelijk woonachtig in ’t Kloosterholt. Er zitten bijzondere figuren bij:

“Jeltje Perton was getrouwd met “rooie” Harm Bloksma (zoon van de eerste uurwerkmaker bij Van Bergen in Heiligerlee). Hij was een beruchte staker op de steenfabriek en droeg altijd een “lange” geweer, waarmee hij tijdens stakingen op de marechaussee schoot (die beveiligden de stakingsbrekers).”

De huwelijksacte van dit echtpaar.


Kwartetten met CP

Drie maal is scheepsrecht, ik heb het nu ook: het C.P.-kwartetspel.

De eerste keer dat ik het aangeboden kreeg, was in 2008. Iemand uit Amsterdam vond een van mijn logjes over Ranja, en vroeg me of het spel misschien iets voor het Groninger stadsarchief  was. Ze had geen idee wat wat er voor kon vragen. Ooit had ze een oud reclamebordspel verkocht aan Unilever en kreeg daar toen 75 euro voor. Ik schreef terug dat ik niet zoveel betalen kon als Unilever, maar dat ik er wel 20 euro voor over had.  Ze bleek echter in onderhandeling met nog wat andere partijen en uiteindelijk bood het Joods Historisch Museum in Amsterdam 100 euro, wat ze niet kon weigeren, maar waar ik wel begrip voor kon opbrengen. Dat spel kwam goed terecht.

De tweede keer bood iemand uit Rotterdam het mij aan. Dat was vorig jaar augustus, en opnieuw gebeurde dat via Gelkinghe. In een reactie zei de aanbiedster dat ze het net op Marktplaats had gezet en ik bood er 5 euro voor. Tegelijkertijd mailde ik haar dat ik het graag wilde kopen voor de Groninger Archieven, waar het in de collectie ontbrak. Dat echter. maakte voor haar geen verschil, ze ging – “nu het best wel zeldzaam blijkt te zijn” – voor het hoogste bod en wilde dat ik gewoon meebood. Wat haar betreft moesten de Groninger Archieven dat ook maar doen. En aangezien ik slecht tegen schaamteloze inhaligheid kan, deed ik het tegenovergestelde: ik trok mijn bod in. Het kwartet heeft vervolgens nog een maand op Marktplaats gestaan zonder dat iemand iets bood, tot ik een collega inseinde die het alsnog à 5 euro voor de Groninger Archieven bemachtigde. Zo kreeg ik dan toch nog mijn zin.

Onlangs zag ik het kwartet opnieuw op Marktplaats staan. Dit keer bood ik voor mezelf. Mijn bod van 10 euro werd per omgaande geaccpteerd en zodoende komt het dat ik het kwartet nu ook zelf heb.

Het stamt uit de jaren vijftig en is waarschijnlijk ontworpen door Dirk Hart. Het laat niet alleen vanuit verschillende hoeken de fabrieksgebouwen van de fa. C. Polak en Zonen aan de Petrus Campersingel in de stad Groningen zien, maar bevat ook tekeningen van de verschillende afdelingen in de fabriek, de machines die er stonden, de diverse produkten waaronder natuurlijk in de eerste plaats Ranja,  en de plekken waar zulke produkten werden geconsumeerd. Hier een keuze van vier kaartjes uit het spel:



Erfenis AAgrunol eindelijk opgeruimd

Voor bijna alle ramen in de buurt hingen zulke strookjes. Deze ziet er zo verfomfaaid uit omdat ik hem om mijn arm droeg bij een bezetting-achtig protest in het stadhuis. Onze buurt was na een stuk of wat branden AAgrunol spuugzat, terwijl burgemeester Buiter deze giffabriek, geheel tegen de adviezen van de brandweer in, de hand boven het hoofd hield . Ook de CPN, met Fré Meis voorop, was tegen sluiting van AAgrunol. Werkgelegenheid ging ze boven alles. Links was op dit punt ernstig verdeeld in een primair economisch en een vooral ecologisch denkende vleugel.

Het affiche haalde ik uit mijn archief, omdat er momenteel bij de gemeente gewerkt wordt aan een krant over de AAgrunol-sanering. Daarvoor zijn illustraties nodig.

In de jaren tachtig heeft met name het Rijk die sanering aanzienlijk vertraagd. Uiteindelijk ging begin jaren negentig voor een beperkt gebied elf meter grond eruit, voor een wat ruimer gebied vijf meter, en voor de rest een a twee meter. Deze uitgestrekte ontgronding is vervolgens volgestort met schone aarde, en daar staat nu de Barkmolenstraat op.

De grondwatersanering heeft langer geduurd. Die is dit jaar pas afgerond. Tot dit jaar hebben er aan de andere kant van de Europaweg putten gestaan, die het grondwater uit de richting van de Barkmolenstraat aftapten. Pas dit jaar is dat water zo schoon, dat het aan de milieu-eisen voldoet. Daarom gaan de putten weg, wat de gemeentelijke milieudienst niet onopgemerkt voorbij wil laten gaan. De erfenis van AAgrunol is eindelijk opgeruimd.

Zie ook


Een vogeldicht omhulsel

Over de ingepakte bomen bij Het Aduarderdiep  geen nieuws van de bedrijven die ik aanschreef. Een ouwe baas die er een scheepje aan de wal heeft liggen, vertelde me echter dat het tegen vogels is. De Suikerunie, eigenaar van het terrein, wil van de bomen af,  maar als er vogels in gaan nestelen, kan het bedrijf de kapvergunning voorlopig wel vergeten.

Het draperen van dat gaas om de bomengroep heeft nogal wat moeite gekost. Eerst zijn vier man met twee hoogwerkers twee dagen lang daarmee doende geweest, vertelde de ouwe,  maar toen zat er nog een gat in het omhulsel, waar een duif doorheen kwam. Deze duif ging weer weg. Een week later is er nog eens een kraan van de Hoogkerker bergingsfirma Poort bij geweest, en sindsdien is het omhulsel waarlijk vogeldicht.


Retour Nuis

De Poffert – het zijkanaaltje van het Hoendiep is tevens de gemeentegrens Groningen-Leek:

Een zilver zwart geloverde wyandotte in de berm, Midwolde:

Nuis, tegenover museum ’t Rieuw of de Coendersborg – pink of jonge koe met neusring die moet voorkomen dat ze melk drinkt bij andere koeien:

Een klein eindje verdererop dit paard met de kolder in de kop. In de wei naast hem liep een merrie. Je zou zeggen dat hij wel zin in haar had, ware het niet dat hij een ruin was:

Het Iwema-steenhuis in Niebert. Net als ’t Rieuw was het museum hier dicht op deze open museumdag:

Pinksterbloem met bij:

Uitstalling bij boerderij aan het Hoendiep zuidzijde:

Een van de futen op het Hoendiep tussen Enumatil en Westpoort:


Busboekjes en vormgeving

Begin jaren vijftig twistten Drentse en Groninger busmaatschappijen om de verbinding Assen-Groningen en zo komt het dat dit antieke busboekje van de Drentse Auto-Bus Onderneming (DABO) bewaard is gebleven in een collectie documentatie bedrijven en instellingen bij de Groninger Archieven.

Het aardige van zulke dienstregelingen is de zeer tijdgevoelige vormgeving, niet alleen van de boekjes zelf, maar ook van het afgebeelde materieel. Vergelijk je deze omslag met die van een BraBeNa-dienstregeling uit hetzelfde jaar, dan vallen bijvoorbeeld de afgeronde vormen van de bussen op. Vijf jaar eerder waren de voorruitjes nog rechthoekig en liepen ze niet in elkaar over.

In 1963 fuseerden de DABO en de EDS tot DVM, en het mooie is dat de vormgever dat ook in beeld bracht op de DVM-dienstregeling van dat jaar. De oude naam DABO stierf overigens maar zo niet uit, zoals blijkt uit een bericht over de busstaking van zes maanden later.  Ook van de DVM-busboekje uit 1982 is er nog een plaatje.

De gelinkte covers zitten in een serie dienstregelingen van Arthur-A op Flickr. Hier heb je deze collectie als slideshow.  Van de verzameling maken tevens busboekjes van de Groninger Autobus-Dienst Onderneming (GADO) deel uit, zoals die van 1965 en 1981, de eerste met een modern-gestyleerd stadswapen, de tweede met een nostalgisch beeld van de Grote Markt noordzijde in Groningen.


De eerste tractor in het dorp

“MIDWOLDA, 20 Juli. Hedenmorgen woonden we de groote ploegdemonstratie, op de landerijen van den heer A. Botjes, met de Mc. Cormick Deering Land-bouw-tractors (25 p.k.) bij. Zeker door de drukte op de boerderijen was de belangstelling vanmorgen niet groot, van namiddag was die heel wat beter.

Aan de machine is een tweescharige ploeg verbonden, die door het overhalen van hendels in en uit het werk kunnen worden geschakeld; de behandeling van deze tractor is zeer eenvoudig en gemakkelijk door één persoon te volvoeren. Bij de tweede omrit behandelde de heer Botjes reeds zelf de machine.

’t Geleverde werk was uitstekend, de voren werden flink gesneden, en de grond goed omgewoeld; volgens ooggetuigen zouden minstens 6 paarden dit werk niet kunnen doen. En vlug dat het ging! In flinken pas kon men de machine maar even bijhouden.

Ongetwijfeld zullen deze tractors een heele ommekeer in het landbouwbedrijf teweeg brengen, maar als altijd zal men zich aan den nieuwen toestand weten aan te passen, zooals vele veranderingen ons in den loop der tijden wel hebben geleerd. Vermelden we nog, dat leverancier van deze tractor is de Auto Mij Bakker te Groningen en de gehouden demonstratie met medewerking vam ‘den heer T.J. Blaauw, alhier, plaats had.”

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 21 juli 1925.


Op weg naar de bevrijding van Groningen

De Canadese achterhoede op zaterdag 14 april 1945, als de bevrijding van Groningen haar tweede dag is ingegaan.  Te zien is de Paterswoldseweg naar het noorden. Links op de achtergrond de tabaksfabriek van Niemeijer, het brandende pand rechtsachter was de kruidenierswinkel van coöperatie De Toekomst op de hoek van de Stephensonstraat.

Ik vond de foto, gemaakt door de Canadese legerfotograaf Daniel Guravich, op Faces of War, een beeldbank over de Canadese troepen in de Tweede Wereldoorlog. Het trefwoord Groningen leverde bij deze database 22 hits op, waaronder een soldaat die boeren hielp bij de graanoogst, een Josephine de Vries die met een Canadese militair trouwde, een peloton infanteristen dat voor het eerst sinds 24 uur een maaltijd krijgt en de aankomst van een half miljoen gratis sigaretten.

Faces of War bevat tevens beelden van een vuurgevecht bij het Oranjekanaal in Drenthe, een presenteert geweer! bij Hotel De Twee Provinciën te Paterswolde en de grote overwinningsparade te Eelde (23 mei 1945, vier stuks).


Engelse kaper legt duimschroeven aan

Gister had de Dokkumer sneuper een stukje over Amelander schepen die in de jaren 1778 en 1795 door Engelsen werden gekaapt. Dankzij dat stukje herinnerde ik me uit de Groninger Courant een soortgelijk geval dat zich in 1779 voordeed. Ook daarbij ging het om een schipper De Boer, maar dan een Jan. Hij kwam wel vaker in de Groninger Courant voor, net als een Evert Jans de Boer (zijn vader of zijn zoon?), zodat ik aanneem dat het hier om schippers ging, wier thuishaven Groningen was.

Het bericht uit 1779 moeten we zien tegen de achtergrond van de Amerikaanse vrijheidsoorlog. In weerwil van een embargo, ingesteld door de Engelsen, brachten Nederlandse schepen allerlei goederen, ook wapens, naar de Amerikaansse rebellen. Daarom hielden de Engelsen regelmatig Nederlandse schepen aan op zee, en dat het daarbij niet al te zachtzinnig toeging, blijkt uit dit bericht:

“AMSTERDAM den 27 Juni. Kapitein Jan de Boer de Jonge welke van hier te Lisbon gearriveert is, en den 13 May 13 mylen N.O. van Heyzant door een Engelsche Kaper geattaquaerd wierd, meld dien aangaande het volgende: De gemelde Kaper dwong ons met de Papieren by hem aan boord te komen, en toen ik met 4 mannen aldaar kwam, ging eenige manschap (van de kaper, HP) met myn Jol weder naar boord, wel voorzien van Sabels en Pistoolen, maakte zig meester van de Kajuit, braken alles open en smeten de Kaas en verdere Eetwaaren tegen de grond, zy namen mede Vaatjes Boter, Koffy, Thee, Suyker, Wyn en al myn Klederen, alsmede van het Volk, sloegen ook de Kisten open en namen daar uit wat hun aanstond, zy namen ook mede al het Timmermans Gereedschap, benevens myn Horologie, Octanten, Graadstokken, al het Kajuitsgoed, Scheeps Touw en Yzerwerk en sloegen het volk (zijn bemanning HP)  op een onmenschelyke wys. De Timmerman kreeg een houw met da Sabel in bet hoofd, op den Bootsman sloegen zy een Sabel aan stukken, de Matrozen waren alle met de bebloedde koppen, de Stuurman zetten zy scbroeven op de handen en lieten hem dus eenige uuren zitten, om te bekennen dat hy naar de West Indiën moest, vervolgens boden zy hem 200 Guinees zoo hy zulks wilde onderteekenen (met een ondertekende verklaring bekennen, HP). Voorts dwongen zy den Stuurman en het Volk 0m de Luiken open en opruiming te makeu, de Zakken met Tarw op het Dek te halen om by de (kisten met) Stukgoederen te komen, sloegen dezelven open, hakten de Kaasstelling aan stukken en namen lossen Kaas mede, en zoo zyn zy verscheiden malen met het Vaartuig aan en van boord gegaan.
Ik heb twee dagen op het Kaperschip doorgebragt, zy lieten my een Eed zweren dat ik naar Lisbon moest, wilden my dronken maken en boden 500 P. St. zoo ik wilde tekenen dat naar de West Indiën moest. Dog zulks met goedheid niet kunnende verkrygen, zetten zy schroeven op myn beide duimen en schroefdense zoo zwaar toe dat zy plat waren en my een onverdraaglyke pyn veroorzaakte. Geduurende deeze tortuur, dat wel twee uuren duurde, stond de Kaper Kapitein met de blooten Sabel aan myn hals, en de verdere Officiers deden mede sterke bedreigingen van my om het leven te zullen brengen, wanneer ik niet bekennen wilde dat ik naar de West Indiën moest. In deeze smertelyke omstandigheid moest ik den geheelen nagt doorbrengen, egter lieten zy my ’s morgens los en op den middag naar myn Schip toe varen. Daar komende vond ik alles in een elendigen staat, en ik en myn volk waren zoo afgemat dat wy byna niet is staat waren onze reis te vervorderen. Eindelyk zyn wy den 26 May alhier (in Lissabon HP) aangekomen, en hebben voor den Hollandschen Consul een Verklaring van het voorgevallene afgelegd.”

De verklaring van de Nederlandse consul in Lissabon zal bewaard gebleven zijn en mogelijk ook de in beslag genomen brieven die kapitein De Boer aan boord had. Misschien komen die in Engeland nog eens boven water.

Overigens was kaapvaart een erkende vorm van oorlogsvoering; kapers hadden een soort vrijbrief of machtiging van hun overheden om schepen aan te houden en goederen in beslag te nemen. Het ging dus om een soort uitbesteding van de oorlogsvoering aan particuliere ondernemers. Vaak behandelden die hun slachtoffers wel wat hoffelijker, dan in dit geval. Een dergelijk bericht als dit zal de politieke stemming aan onze kant van de Noordzee er niet bepaald  anglofieler op hebben gemaakt. Eigenlijk is het te verwonderen, dat de Vierde Engelse Oorlog pas twee jaar later uitbrak.