Toren Garnwerd stort in – drie klokluiders dood, drie andere wonderbaarlijk gered

Den 8 sept. 1738 is bij het verluiden van eenen Isaack Jans de toren van Garnwert nedergestort, zijnde ses mannen in deselve, waarvan drie onder de puijnhopen versmoort ende verplettert zijn geworden namelijk Barelt Jans, Wighger Jans en Popke Jacobs, en twee nogh levendigh van onder het hout en steen wegh gehaalt, te weten Peter Jacobs schoenmaker ende Jan Derks Cortisaan, zijnde van beijde hoop van herstellinge, ende eijndelijk Jacob Tijssens schoenmaker, welcke miraculeuselijk als bewaart is, zijnde over de puijnhoop selvs als uijt gegaan en onder seer weijnige quetsinge wederom tot de sijne gekomen.

Bron


Een historisch debat over de Nieuwbrug

Nieuwbrug e.o. , 1826. Plattegrond door Provinciale Waterstaat. Collectie RHC Groninger Archieven 817-2780.2.

Dit is inmiddels zeeker, dat dezelve brugge zig thans bevind in eene hoogst gevaarlijke situatie, en alleen door behulp van touwen belet wordt uit elkanderen te vallen, zijnde een enkel kwaadaardig persoon door een deezer touwen los te maaken of door te snijden in staat om de grootste ongelukken te veroorzaaken en een doorgaande passagie te belemmeren, zoodat het van kante der policie volstrekt wordt gevordert dat deezen aangaande ten eersten de vereischte order werde gesteld…

Aldus A.P. Driessen, drost van het Westerkwartier, in 1807 over de toestand van de Nieuwbrug over het Aduarderdiep bij Leegkerk. Deze brug was er in de late Middeleeuwen als til of boogbrug gekomen dankzij de Stad Groningen, die er een herberg naast bouwde. Destijds bestonden het Hoendiep en zijn aanliggende Trekweg nog niet als aanvaardbare verkeersader, en de Stad wilde een goede wagenweg naar en vanaf het centrale deel van het Westerkwartier en Friesland, vandaar de aanleg van de Nieuwbrug, die gezien werd als tegenhanger van de oude brug bij Steentil. Ook bleef de Stad eeuwenlang voor onderhoud zorgen. Tot ze daar rond 1800 geen heil meer in zag. Vandaar de houtje-touwtje constructie, door Driessen gesignaleerd in zijn brief aan de Landdrost van Groningerland.

Begin 1807 had het provinciebestuur van Stad en Lande het Groninger stadsbestuur nog aangeschreven met de boodschap dat de Stad de Nieuwbrug “in een bruikbaaren staat” moest houden. Ook wilde het provinciebestuur de precieze redenen weten, waarom de Stad daar geen trek meer in had.

Bij monde van L. Beckeringh antwoordde het stadsbestuur met een historisch betoog, dat het lot van de brug verbond met dat van het stedelijke stapelrecht. In 1595 was dat recht, zoals bekend, bevestigd door de Staten-Generaal. Een onderdeel ervan vormde het verbod op het brouwen van bier in de Ommelanden, anders dan voor consumptie in eigen huis. Er mocht daar alleen bier worden verhandeld, of in herbergen worden getapt, als dat kwam van een Groninger brouwer. Volgens het stadsbestuur ging de aanleg van de nieuwe brug gepaard met het recht om bij deze brug en bij die van Enumatil herbergen te bouwen, die ook alleen maar hun bier uit de stad mochten betrekken. Stedelijke brouwers konden het recht op leverantie hier kopen van de Stad, tenzij dat recht was afgekocht ten gunste van een andere Groninger brouwer. Door de Bataafse Revolutie echter, was de Stad haar stapelrecht kwijtgeraakt. Beckeringh:

Het stapelregt intusschen door de gebeurtenissen welke in den jare 1795 hebben plaats gehad, zijnde komen op te houden, gelijk ook het uitsluitend regt om bij de Nieuwebrug en Enumatil oost- en westzijde geen ander bier te mogen verkoopen als hetwelk in de Stad is gebrouwen – ofschoon dat regt aan de Stad wettig competeert – zoo vermeenen wij dat door die veranderingen de redenen en motiven die de Stad gehad heeft in vorige tijden om gemelde brug aldaar te laaten maken en onderhouden, tans ten eenemaal komen te cesseren en dat het tegen alle reden en billijkheid zou zijn dat de Stad met het onderhoud eener brug in de Ommelanden, waarbij zij tans geen het minst belang heeft, zou blijven bezwaard.

Van het provinciebestuur verwachte het stadsbestuur dat het “de billijkheid” van deze argumentatie zou inzien en een besluit zou nemen dat goed zou zijn voor de bewoners van het Westerkwartier.

De Landdrost zond het stedelijke stuk door naar A.P. Driessen, de hierboven al ter sprake gekomen drost van het Westerkwartier. Hij zette vraagtekens bij het door de stad veronderstelde verband met het stapelrecht en de exclusieve leverantie van Groninger bier als motieven om de Nieuwebrug te bouwen en onderhouden. Volgens de nuchtere Driessen vormde de herberg bij de Nieuwebrug veeleer een bewijs voor het drukke verkeer of

voor de aangelegene passagie, welke langs deezen weg plaatshad, dan dat hetzelve kan worden gehouden van dat belang om alleen daarom op stadskosten een geheel nieuwe brugge over het Aduarderdiep aan te leggen.

Verder trok de Stad volgens Driessen al heel lang geen “bijzondere voordeelen” meer uit de verkoop van stadsbieren op de Nieuwebrug en bij Enumatil. Inderdaad staat me van resoluties en stadsrekeningen bij dat de stedelijke band met de herberg bij Nieuwbrug ca. 1620 al verbroken werd. Toch was de Stad al die tijd met het brugonderhoud doorgegaan, ook toen naderhand de passage langs de Nieuwbrug “aanmerkelijk” verminderde dankzij de ”de considerabele verbetering van de Trekvaart en aanlage van een uitnemend Trekpad” (bedoeld zijn het Hoendiep en de rode puinweg erlangs, HP).

Het verlies van het stapelrecht in 1795 vormde dus nogal een gezocht argument om zich te onttrekken aan de eeuwenlange onderhoudsplicht. Maar Driessen wilde geen uitspraak doen of de stad zich terecht onttrok, “doordien dit object toevallig voor haar van minder waarde is geworden”. Fijntjes wees hij erop dat de aanwonenden van de weg die naar de Nieuwbrug voerde, altijd vrij waren geweest van wegonderhoud – hij vroeg zich af of die “naar regte nu nog met deeze last kunnen worden beswaard”.

Of dit jaar al het besluit viel om het onderhoud van de Nieuwbrug naar de provincie over te hevelen, weet ik niet. Feit is dat in elk geval vanaf 1826 tot 1940, toen de Nieuwbrug als draaibrug door ons leger werd opgeblazen, het onderhoud in handen lag van de provincie, die een pachter passagegeld bij de brug liet innen.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 3 (archieven Gewestelijke Besturen) inv.nr. 712: ingekomen missives van plaatselijke bestuurders etc., dossiertje met de brieven van het Stadsbestuur en Driessen d.d. 10 april en 26 juni 1807.


Dementerende Hoogkerker verzoekt zelf om curatele

In 1870 was de gemiddelde levensverwachting in Nederland en België ongeveer 40 jaar. Op dat moment werden er al ontsmettingsmiddelen (met name chloorkalk) toegepast en bestond er ook al tientallen jaren (een nagenoeg algemene) inenting tegen de kinderpokken. Ruim een halve eeuw eerder, in de periode 1800-1815, moet de levensverwachting dus nog een stuk lager hebben gelegen, zeg 30 jaar.

Een klein onderzoekje onder de 45 overledenen van Hoogkerk tussen september 1811 en eind 1813 laat zien dat die verwachting waarschijnlijk nog lager was. De gemiddelde leeftijd van overlijden bleek hier destijds 23,7 jaar.

Twee op de vijf Hoogkerkers stierven als klein kind, onder de vijf jaar. Nog eens één op de vijf deed dat tussen zijn vijfde en twintigste. De meeste mensen – drie op de vijf – werden dus niet eens volwassen. Als je twintig werd, had je de meeste van je leeftijdgenoten al overleefd.

Daarna braken er wat minder hachelijke levensjaren aan. Een relatief geringe sterfte bestond er namelijk bij mensen ‘in de kracht van hun leven’, zeg tussen hun twintigste en vijftigste. Maar – slechts een kwart van de Hoogkerker overledenen haalde de vijftig. Geen wonder dus dat Elke Karsten, een weduwe op de Holm onder Tolbert, met haar 67 jaar in 1807 een “hoog bejaarde vrouw” genoemd werd.

Hoewel mensen, als ze hun kinderjaren en jeugd overleefden, dus een tijdlang minder bevattelijk waren voor ziekte en dood, overleden er toch nog relatief veel meer ouders van kleine kinderen dan vandaag de dag. Vandaar de uitgebreide arrangementen om (half)wezen te beschermen als een overlevende ouder hertrouwde, of als beide ouders overleden waren. Ik schat dat ongeveer de helft van alle rekesten in het Groningerland van voor 1811 te maken heeft met de voogdij over zulke kinderen.

Een ander effect van het vroegtijdige doodgaan, bijvoorbeeld aan kinder- of infectieziekten, was dat bepaalde ziekten waar wij tegenwoordig veel mee te maken hebben, toen veel minder voorkwamen. Maar ook al waren deze ziekten relatief zeldzaam, ze waren vaak wel bekend.

Zo had de hoogbejaarde Hoogkerker Harm Hindriks in 1804 vast wel een idee wat hem te wachten stond. Aan de drost van het Westerkwartier vertelde hij, dat hij gemerkt had,

dat door ouderdom, als hebbende reeds 84 jaren bereikt, niet alleen zijne lichaams- maar ook zijne zielsvermogens zeer verswakken, zodanig dat remonstrant somtijds niet weet wat hij voor een paar uuren en veel min den vorigen dag gezegt of gedaan heeft, en daardoor in gevaar geraakt van in het bestuur zijner zaken verkeerde stappen te begaan…

Met andere woorden – Harm was aan het dementeren, maar was zich daar terdege van bewust. Daarom wilde hij, na overleg met zijn kinderen, dat er door het gerecht curatoren over hem zouden worden aangesteld, aan wie hij “de administratie zijner goederen” kon overlaten. Het verzoekschrift tekende hij met een kruisje in aanwezigheid van twee getuigen.

Binnen vier dagen was de zaak beklonken. In een hoorzitting bevestigden Harms zoon Hindrik Harms en drie schoonzonen dat

Het noodzakelijk en tevens aller kinderen begeerte was , dat de oude man, door lichaamszwakheden en hogen ouderdom niet meer in staat zijnde zijne zaken te beheren, onder curatele werde gesteld.

Wat Harm ten overvloede nog eens beaamde, terwijl hij eraan toevoegde

Dat hij nog onlangs op het punt geweest was, van een zeer nadelig contract over zijn plaats te perfecteren.

Overigens hadden de kinderen wel al hun moederlijjk erfdeel van hem uitgekeerd gekregen, zo zeiden ze desgevraagd (dus tegen die verkoop of verpachting van zijn plaats hadden ze althans formeel geen bezwaar kunnen maken).

De familie leverde zelf geen bewindvoerders – eendrachtig droeg ze Jannes Rotgers en Pieter Jans Leutscher, “zijnde beide naburen der remonstrant”, als curatoren voor. Deze buurmannen hadden een paar dagen eerder ook al Harms inleidende verzoekschrift getekend. Zij zouden zo spoedig mogelijk worden beëdigd.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 611: criminalia, 3 juni 1807 (Elske Karsten); inv.nr. 724: rekesten 27 en 31 mei 1804; inv.nr. 766: commissieboek, 30 mei 1804.


Rondje Matsloot – Lagemeeden – Den Horn

Microlandschap Matsloot (kussentjes mos op beton):

Onversaagd boerenwormkruid, Westpoort:

Zuidwendingermolen:

Aan de Nutweg in Lagemeeden was een plataan omgegaan:

Een poosje geleden is de weg tussen Lagemeeden en Den Horn vernieuwd. Het zand zat vol zaad dat aansloeg:

Groep grazende zwanen  in land bij Den Horn:


Een kat in de weem

Crimineel verhoor onder ede. Rechts de vooraf op papier gezette vraag, links het naderhand opgetekende antwoord.

De vraag:

Of er aan het huis van de dom[inee] ook huisdieren, hetzij katten of honden worden gehouden?

Die vraag was relevant vanuit de gedachte dat een kat of hond ook vuur kon overbrengen, zoals in dit geval in de pastorie van Leegkerk.

Het antwoord van de meid die van brandstichting verdacht werd:

Gedet[ineer]de zegt, zij hadden al een kat, dog geen hond.

Het is een volstrekt irrelevant detail, maar toch heel aardig om te weten dat er in 1809 een kat rondliep in de weem van Leegkerk.

Natuurlijk ligt dat zeer voor de hand in een boerderij-achtig onderkomen waar ook graan, in dit geval haver, werd opgeslagen, maar katten kom je hoogst zelden tegen in overheids- en rechterlijke archieven. Zo vind je ze praktisch nooit op boedelinventarissen. Waarschijnlijk is dat omdat ze geen economische waarde vertegenwoordigden. Schaarste aan katten was er niet of viel vrij eenvoudig op te lossen, en in tegenstelling tot landbouwhuisdieren konden ze maar zo uit eigen beweging weg zijn, waarbij nog komt dat de affectieve waarde niet te taxeren viel.

Vandaar mijn glimlach, bij deze passage. Ik zie er een predikant bij, die in zijn studeerkamer bezig is met het voorbereiden van een preek, terwijl er een kat opgerold op zijn schoot ligt te snorren.

Een tevreden man, die dominee. Tot er brand uitbreekt.



Knecht wil niet opblijven en neemt ontslag

Met iemand die zich Kits noemt zal alles wel snor zitten, denk je dan, maar dat was in dit geval toch niet zo. Deze Kornelis Pieters Kits had ruzie met zijn knecht.

Ze woonden in Niezijl, Kits als boer en naar ik meen ook als koopman, in elk geval als werkgever. De ruzie viel voor in 1808. Tegen zijn knecht, Egbert Hessels, had Kits nog zo gezegd dat hij moest opblijven, als Kits zelf ’s avonds van huis was. En wat gebeurt er?

dat voor enigen tijd op een avond ben te huis gekomen, dat gemelde mijn knegt (…) reeds te bed was…

Aldus Kits in zijn klacht bij de drost van het Westerkwartier. Uiteraard stelde Kits dat hevig teleur. Hij vertelde de drost dat

als toen mijn orders dienaangaande tegens hem heb herhaald, met te zeggen wanneer ik met peerd of wagen uit was, hij tot negen uur moest opblijven…

De knecht zei dat hij het verdomde en vroeg om het loon dat hij bij Kits verdiend had. Kits gaf hem dat geld, maar trok twaalf weken loon van de som af. Waarop de knecht zich tekort gedaan voelde en weigerde het geld aan te nemen.

Blijkbaar wilde Kits de knecht voor wezen. Hij verzocht om een overleg met de knecht in bijzijn van de drost, maar dat goede gesprek heeft niet plaatsgevonden. Mogelijk maakte de knecht de zaak civiel aanhangig, maar die stukken heb ik nog niet gezien.

Het gaat mij ook niet om de afloop. Het is die knecht. Natuurlijk maakte inwonend personeel lange dagen, en stond men veel vroeger op dan nu, vooral op het platteland. Maar een dienstbode die dermate gesteld was op zijn rust als Egbert Hessels, kwam toch heel weinig voor. Bij ontslagkwesties ging het veel vaker over knechten en meiden die te lang uitbleven naar de zin van hun patroons.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (jurisdictie Westerkwartier) inv.nr. 727: rekest 8 december 1808.


Familienaam Wasscher blijkt afgeleid van het Washuis

Het Washuis en zijn directe omgeving zoals geschetst door Theodorus Beckeringh, ca. 1760. Collectie Groninger Archieven 2849-11 (uitsnede).

Ben bezig met het ontcijferen van een procesdossier over een brandstichting bij de pastorie van Leegkerk, in 1809. Door de verklaringen heen krijg je een mooi beeld van de omgeving: de schildersbaas en zijn jonkje die in de kerk bezig zijn, de schoolmeester die op het land een wagen met zaad ophaalt, de meid van de weem die in de tuin pronkers plukt, terwijl de brand uitbreekt.

Een van de mannen die zich op het alarmluiden van de klok naar de pastorieschuur haasten om daar de brand in het hooi te blussen, is Aldert Jacobs. Bij zijn eerste getuigenverhoor, op 17 oktober, heet het nog van hem dat hij woont “bij zijn vader in het Waschhuis bij het Aduarderdiep onder Leegkerk”. Dit verhoor tekent hij nog als Aldert Jacobs. Bij de bevestiging onder ede van dit verhoor, ruim een week later, wordt dat echter Aldert Jacobs Wasscher, terwijl hij tekent als Aldert Jacobs Wasker. Zijn woonplaats blijft Leegkerk, maar zijn leeftijd en plaats van herkomst worden dan gespecificeerd als 25, geboren te Winsum.

Uit Alle Groningers blijkt dat de achternaam Wasscher/Wasker nog niet zo lang bestond en dat hij in het geval van Aldert Jacobs zelfs voor het eerst werd gebruikt (of opduikt) bij de registratie van een doop, huwelijk of sterfgeval in Groningerland. Dat was namelijk toen Aldert bijna anderhalf jaar eerder trouwde met een meisje uit Onderdendam. In het huwelijkscontract noemen hij en zijn vader Jacob Cornelis zich dan Wasscher, terwijl de bruidegom een dag later in het kerkboek Aldrik Jacobs Wasker wordt genoemd.

Dat Wasker vormde een eenmalige aanduiding – voortaan gebruikte men louter de spellingsvarianten Wasscher en Wascher. Mij gaat het er echter om, hoe de achternaam de wereld in kwam. Hoe dan ook is die ontstaan, terwijl Aldert en zijn vader het Waschhuis bewoonden. De familienaam was dus van de huisnaam afgeleid, waarbij je je afvraagt of dat Wasscher ook nog op een kostwinning duidde of een beroepsaanduiding vormde.

Hierbij is mogelijk relevant dat het huwelijk van Aldert plaatsvond in de katholieke kerk van Bedum. Was de familie katholiek? En sluit dat dan aan bij het feit dat het Waschhuis een oude uithof van het klooster Aduard was, waarvan een gangbare naamsverklaring zegt, dat de kloosterlingen er hun was lieten doen?

Overigens noemde Aldert Jacobs zich na 1811 Nieland. Hij en zijn gezin verhuisden naar Aduard, waar hij schipper werd.

De familienaam Was(s)cher bleef via een andere weg wel behouden en was in 1947 nog typisch Gronings, met driekwart van de naamdragers wonend in deze provincie..

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 136 (archief Hoge Justitiekamer) inv.nr. 2170, verhoren d.d. 17 en 25 wijnmaand 1809.


Een duivelbanner of wonderdokter van Surhuisterveen

Daniel Nikolaus Chodowiecki, Wonderdokter (1788), uitsnede. Collectie Rijksmuseum.

Op donderdag 20 oktober 1808 werd Pieter Jacobs, bijgenaamd Pieter Scharenslijper, overgebracht naar het rechthuis van Zuidhorn. Waarschijnlijk keken de gerichtsbedienden van het Westerkwartier al een poos naar hem uit, maar nu hadden ze hem dan te pakken, want hij was

bevonden met een pak medicijnen en op de Sevenhuyzen mede rondlopende, sonder enige acte of patent.

Het patent was de vergunning die een handelaar, winkelier of ambachtsman sinds een jaar of wat moest hebben om zijn beroep te kunnen uitoefenen – er ging een belasting mee gepaard. Het andere stuk, de akte, sloeg op de officiële erkenning waarover een medisch dienstverlener moest beschikken. Juist in deze tijd werd er een forse stap gezet in de professionalisering van de medische stand, door een inventarisatie van alle medische beroepsbeoefenaren, waarbij gekeken werd naar hun diploma’s, bekwaamheden en ervaring. Toegelaten personen kregen zo’n akte. Tegelijkertijd keerden Geneeskundige Commissies zich fel tegen mensen die medische diensten leverden zonder dat ze over zo’n akte beschikten. Daarmee kreeg ook de strijd tegen de kwakzalverij een flinke impuls, en dat terwijl veel gangbare medische praktijken toch ook niet bepaald ‘evidence based’ waren – men denke alleen al aan het veelvuldige aderlaten.

Hoe dan ook, Pieter Scharenslijper werd voorlopig vastgezet en de drost stuurde de fiscaal (aanklager) op onderzoek uit. Een week later deed deze verslag van zijn bevindingen. Het was hem gebleken dat Pieter Scharenslijper, woonachtig te Surhuisterveen,

al zedert onderscheidene jaren binnen deze jurisdictie, meestal nabij de grensen van Friesland, heeft rondgesworven, en onder het voorwendsel van medicijnen voor paarden en beesten te verkopen, ook ondernomen heeft medicijnen voor menschen te praepareren en te verkopen, en wel bijsonder voor de sodanige menschen, van welke de siekte daaraan wierd toegeschreven dat zij behekst of betovert souden sijn, hoedanige menschen er ongelukkig in deze meer afgelegene contrainen uit hoofde van een aldaar voortdurend bijgeloof en onkunde nog worden gevonden…

Niet alleen bestond er in de meer afgelegen delen van het Westerkwartier nog een redelijk groot publiek voor de onttoveringsmiddeltjes van Pieter Scharenslijper, ook verhief hij

bij onderscheidene zodane zieken (…) op eene buitensporige wijze de waarde en wonderdoende kragten van zijne medicamenten ter genezing en wegneming ener gewaande betoverij.

Zo bedong de Feanster wonderdokter van “minvermogende en hoogst verlegen mensen” veel meer geld voor zijn “niets beduidende medicamenten” dan ze hoe dan ook waard konden zijn. Kortom, als monopolist gedroeg Scharenslijper zich net zo als de huidige farmaceutische industrie. De fiscaal bracht drie concrete voorbeelden van zo’n exorbitante vraagprijs te berde. Het eerste betrof een Berent Koster “op de Zevenhuijzen”,

welke gezegd wierdt betovert te zijn en van binnen bij zig te hebben een aalreiger, of slange.

Scharenslijper leverde de man twee drankjes, in totaal voor 13 gulden. Bij het tweede geval ging het om een kind van de roderoede (veldwachter) Jan Bakker uit Marum, “hetwelk mede wierd gehouden betoverd te zijn”. Het drankje dat Scharenslijper “ter genezing” van deze patiënt leverde, kostte de vader 4 gulden, een bedrag dat voor hem minstens een weekloon vertegenwoordigde. Het derde voorbeeld gold het kind van Tjebbe Jans en vrouw in Tolbert, dat “nu onlangs” voor betoverd werd gehouden, waarbij Scharenslijper “de verlegene ouders” voor 6,5 gulden een drank verkocht “met nog enige nietswaardige droge kruiden”.

Dit alles werd ook niet ontkend door Scharenslijper, zodat de drost hem schuldig achtte aan

het misdrijf van op eene listige wijze misbruik te maken van de onkunde en verlegenheid, om dezelven langs dezen weg onbehoorlijk hun dikwijls zeer duur verdiende gerede penningen uit handen te brengen, sowel als aan het veroorsaken van onenigheid en wantrouwen in de huisgezinnen en buurten, ter oorsake van de ingewikkelde beschuldigingen en gissingen welke doorgaans met sodane gewaande betoveringen en onttoverringen zijn verbonden.

Als er min of meer iemand werd aangewezen die voor de betovering verantwoordelijk zou zijn, dan kon dat forse sociale gevolgen voor zo iemand hebben, zeker in een bijgelovige omgeving. Als hij of zij daar niet boven stond, dan kon hij of zij naar de rechter stappen met de eis, dat de beschuldiging openlijk zou worden herroepen door degene die haar in de wereld hielp. Mogelijk had de drost daar in zijn civiele rechtspraak ervaring mee. In elk geval vond hij het voeden en misbruik maken van zulk bijgeloof een misdaad van dien aard,

dat ofschoon deselve kan worden begrepen gene absolute materie op te leveren voor een regelmatig crimineel proces, egter ten hoogsten de attentie der goede policie moet na sig trekken, ten einde ook aan de maatschappij van die kante de benodigde veijligheid te doen erlangen, temeer daar deselve is gepleegd door een persoon, welke volgens zijne eygene confessie reeds twee malen in het departement Friesland in regtshanden is geweest.

Hoewel dat meermalen opgepakt zijn van Scharenslijper nog niet betekende dat hij ook veroordeeld was, laat staan voor eenzelfde vergrijp, suggereerde de drost hier dat hij een recidivist was. In de drost zijn ogen mochten de termen voor een regelrechte strafzaak dan ontbreken, maar hij maakte wel korte metten met de wonderdokter, door hem bij akte te veroordelen tot teruggave aan de kopers van het geld dat zij hem voor de drankjes hadden betaald. Bovendien werd Scharenslijper voor acht dagen op water en brood gezet in de toren van Midwolde, waarna gerichtsbedienden hem over de grens van de jurisdictie Westerkwartier zouden zetten met de aanbeveling

om sig in het toekomstige buiten deselve te houden, bij poena van nadere dispositie.

Of Scharenslijper, die toen al 56 was, zich inderdaad nooit meer in het Westerkwartier gewaagd heeft, is de vraag. In elk geval lijkt hij voorlopig zijn werkterrein naar Drenthe te hebben verplaatst, want daar veroordeelde de Etstoel (hoogste rechtbank) hem op 6 december 1808 tot een levenslange verbanning uit Drenthe en het daarmee gecombineerde Overijssel. Als hij zich aan beide ontzeggingen hield, en al  eerder ook in Friesland veroordeeld was wegens soortgelijke praktijken, dan zal dat alles zijn actieradius aanzienlijk hebben beperkt.

Bronnen:

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 611: criminalia 20 en 27 oktober 1808.
  • Klaas R, Henstra, Duivelbanners en wonderdokters in de Wouden (Leeuwarden 2007) 83-84. Bron van de laatste was uiteindelijk een verhaal dat in 1985 in de rubriek ‘Noorder Rondblik’ (NvhN) heeft gestaan, en waarin ten onrechte sprake is van een veroordeling in, en verbanning uit Groningen, waar slechts het stuk uit het Westerkwartier bedoeld kan zijn.

Rondje Marum

Mickey en Minnie Mouse aan ’t snoetjeknovveln bij Oostwold:

Gezicht vanaf het viaduct bij Lettelbert:

Carbidschieters met anarchistisch palet, hoek Halbe Wiersmaweg bij Niebert::

Horizontale eik bij ’t Pad in Nuis:

Watergang haaks op de Zuiderhoekseweg, Marum:

Het gehucht Willemstad bij Marum heeft fonkelnieuwe plaatnaambordjes. Er zit nog geen vogelpoepje op:

Bouwproject bij de Jonkersvaart:

Paardenhoofd bij ’t Pad, Nuis:


Illegale verlotingen

In de laatste week van februari 1804 werd “tot narigt van een ieder” een notificatie aangeslagen op alle gewezen rechthuizen van het Westerkwartier. Omdat het houden van verlotingen nogal eens uit de hand liep, kondigde de drost een reglementje af, dat een eind moest maken aan de “ongeregeltheeden”.

Het bestond uit vier artikelen. Samengevat kwamen die neer op het volgende. Voortaan werd er alleen nog maar toestemming voor een verloting gegeven, als die plaatsvond in een algemeen toegankelijke en bekende herberg. De uitbater daarvan mocht de verloting alleen laten plaatsvinden, als de organisator van de verloting een schriftelijke vergunning van het gerecht kon tonen. Naast het betalen van “consentgeld” aan het gerecht voor die vergunning, moest een organisator een vrij lot reserveren voor de plaatselijke diaconie. Dit mocht hij vervangen door iets anders, maar sowieso diende hij een bewijsstuk van de diaconale acceptatie te tonen bij zijn vergunningsaanvraag. Verder mocht een herberg bij een verloting niet langer open zijn dan normaal. De hoogste tijd van 10 uur bleef van kracht – dan ging de tap toe, en moest iedere gast wegwezen, op straffe van een boete van 3 gulden, die half voor de gerichtsbediende (wedman of roderoede) en half voor de plaatselijke diaconie was. De wedman of roderoede die het dichtste bij de herberg woonde, zag ook toe op het ordelijk verlopen van de verloting.

Het reglementje is bepaald geen dichtgetimmerd stuk, en roept verschillende vragen op. Eerder bestond blijkbaar de opvatting dat er niet om toestemming hoefde te worden gevraagd. Maar was die opvatting wel juist? In het oudere rekestboek van het Vredewold vond ik inderdaad geen verzoeken voor het toestaan van verlotingen, maar wat betekent dat dan: waren ze zonder meer vrij, of werden ze hier, anders dan in het Oldambt, helemaal niet toegestaan? Ook laat het reglementje ons in het ongewisse over de functionaris die de vergunning moest afgeven – was dat de drost in Zuidhorn, of de lokale wedman? Bovendien lijkt er wel een boete te staan op het na sluitingstijd aanwezig zijn in een herberg, maar niet op het houden van een illegale loterij. Kortom, juridisch viel er nogal wat af te dingen op het reglementje.

Mogelijk is het ook een paar maanden later geboekt, dan in de bedoeling lag. De vervolging van illegale verlotingen begint namelijk eind 1803 al. Dan geeft wedman Sytsma van Hoogkerk de drost kennis dat er op maandagavond 26 december, dus op Tweede Kerstdag, bij kastelein Christiaan Hubster door ene Derk Derks

loterij was gehouden, zonder dat daartoe enig consent van den Drost was gevraagd, veel weiniger verleend.

De vergunningverlener, zo blijkt uit deze aangifte, was dus duidelijk (nog) de drost. En die paste snelrecht toe. Zowel Hubster als Derks moest op woensdagochtend 4 januari in het rechthuis van Zuidhorn verschijnen,

teneinde aan de dezelve de welmening van dezen Gerichte te doen verstaan.

Beiden kregen bij die gelegenheid de overtreding van ’s lands wetten aangewreven – mogelijk bestond er dus ook nog nationale regelgeving. Beiden erkenden grif een loterij te hebben gehouden zonder dat ze daar toestemming voor hadden gevraagd, maar verzochten om clementie. Daartoe was de drost niet bereid. Kastelein Hubster kreeg een boete van 2 daalder en organisator Derks mocht volstaan met de helft, welke bedragen ze binnen binnen drie etmalen aan de diaconie van Hoogkerk moesten voldoen, anders dreigden forsere sancties. Binnen dezelfde tijd moesten ze de kwitanties van hun betalingen tonen aan de wedman van Hoogkerk.

Op dezelfde 26ste december 1803 waren er ook illegale verlotingen in Saaksum en in Marum. Die van Saaksum werd bij de drost aangebracht door wedman Abbring van Oldehove. Het betrof de tapper Meerten Sytses, die op 5 januari te Zuidhorn op het matje moest komen. Sytses bekende “zijne misdaad” en verzocht om “gratie en vergiffenis”, “uit hoofde dat uit onwetentheid gepecceert hadde en arm was”. Dat laatste wilde de drost wel geloven, want de boete bleek voor Sytses beduidend lager uit te vallen dan die voor zijn Hoogkerker collega. Hij moest binnen drie maal 24 uur 2 schellingen (12 stuivers) aan de diaconie van Saaksum voldoen en binnen hetzelfde tijdsbestek een kwitantie daarvan tonen aan de wedman die hem aanbracht. In Marum ging het om kastelein Hindrik Jans Bakker. Hij kreeg te maken met hetzelfde tarief als in Hoogkerk: een boete van 2 daalders, binnen 3 maal 24 uur te voldoen aan de diaconie van zijn kerspel, de kwitantie binnen diezelfde tijd te vertonen aan wedman Juursema van Leek, de kerel die hem waarschijnlijk ook had betrapt.

Twee daalder of drie gulden, dat kwam ongeveer neer op het weekloon van een arbeider. Zo’n bedrag hield men liever op zak. Toch kwamen er eind 1804 en eind 1805 nog steeds illegale verlotingen voor in het Westerkwartier en dan met name in het Vredewold, waar wedman Juursema in alle drie de gevallen weer de aanbrenger bleek. Blijkbaar was die wat fanatieker in de opsporing dan andere wedlieden. Eind 1804 ging het om Jacob Feringa en Martje Pieters Koster, die respectievelijk op 22 en 24 december loterijen zonder vergunning hielden in hun huizen te Tolbert. Elk kreeg weer een boete van 3 gulden voor de lokale armen. De betalingstermijn werd in hun geval verlengd tot acht dagen. Die termijn gold ook voor Alle Hindriks in Marum, die op 24 december 1805 te Marum betrapt werd. Hij erkende zijn fout, “dog dat niet hadde geweten hieraan quaad te doen”. Enige korting kreeg hij er niet om. De boete bleef 2 daalder, waarvan in dit geval de helft naar de diaconie ging en de andere helft naar de aanbrenger, dus wedman Juursema.

Wat in het oog loopt bij deze zaakjes, zijn ten eerste de data. De illegale verlotingen van 1803 vonden alle plaats op 26 december, dus Tweede Kerstdag. Bij die van 1804 en 1805 ging het in twee gevallen om 24 december en in één geval om 22 december. Dus steeds betrof het de donkere dagen rond kerstmis. In het Oldambt bleek de periode voor (legale) verlotingen wat meer uitgesmeerd. December spande hier ook wel de kroon, maar verder kwamen ze voor in het gehele winterhalfjaar. ’s Zomers waren er geen verlotingen, dan riep het werk.

Met uitzondering van de arme tapper uit Saaksum, moesten de op een illegale verloting betrapte herbergiers van het Westerkwartier 2 daalders of 3 gulden boete betalen. De bestemming van die boetes was steeds de plaatselijke diaconie. alleen in het laatste geval, dat van Marum, ging het geld half naar de diaconie en half naar de aanbrenger. Zo’n half-halfregeling bestond inderdaad allang voor de boetes wegens het na sluitingstijd nog in een herberg zitten, en zal voor de gerichtsbedienden een extra stimulans zijn geweest om af en toe poolshoogte te komen nemen in een herberg.

Wat er bij de verlotingen in het Westerkwartier te winnen viel, is helaas niet bekend – voor de drost deden de prijzen er immers niet toe, of het nu om een vette koe ging of om een luxe klok, een verloting zonder vergunning bleef even strafbaar. Alleen een briefje van het Plaatselijk Bestuur Aduard uit februari 1809 laat weten wat er toen bij kastelein Simon Joosten op het spel stond: enige doeken etc. Uit het briefje blijkt ook dat de drost qua loterijen op afstand was gezet – het is namelijk een kennisgeving. De drost mocht nog wel zorgen voor politioneel toezicht, maar de vergunning werd inmiddels verstrekt door het nieuwbakken gemeentebestuur.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (jurisdictie Westerkwartier), de inv.nrs.:

  • 729: notificatie van 22 febr. 1804;
  • 98: rekesten Vredewold;
  • 610: criminalia 29 december 1803; 4, 5, 11 en 26 januari 1804; 14 en 23 januari 1805 en 15 januari 1806;
  • 722: het briefje van het Plaatselijk Bestuur van Aduard d.d. 9 februari 1809.

Plakkaat tegen nachtbidders

NOTIFICATIE

De Ondergetekende, drost der Jurisdictie van het Westerquartier, brengt bij dezen ter kennis van de Ingezetenen, dat nu voortaan stiptelijk zal moeten worden voldaan aan de inhoud der Staatsresolutie van den 15 May 1716 en wel bepaaldelijk het verbod in dezelve Resolutie vervat –

“dat niemand eenige vreemde bedelaars in haare huisen of schuiren vermag te herbergen, of aldaar slaapplaats verlenen, bij breuke van twe dalers tot profijte van de roderoede, welke zodane bedelaars in de huizen of schuiren komen te vinden.”

Wordende mits dezen de gerichtsbedienden dezer Jurisdictie gelast hierop naukeurig acht te geven, en voorts speciaal de roderoeden, dat zij van nu voortaan dagelijks, ieder in zijn district, zullen hebben rond te gaan om alle vreemde bedelaars en stropers te verjagen buiten dit district, om voorts alle voorkomende ongeregeldheden te beletten en toe te zien dat alle bevelen, welke tot handhaving der goede order rechtswegen worden gegeven, behoorlijk werden agtervolgd. Ter uitvoering waarvan ieder roderoede zig zal hebben te voorsien van een manvaste hond, sabel, en zodane verder geweer als hiertoe word vereischt, zullende in cas van verzuim of nalatigheid tegens die geene, welke zig daaraan mogt schuldig maken, ten strengsten werden geprocedeert.
Afgegeven tot Zuidbroek d. 22 Juny 1803.

Was get[ekend[
A.P. Driessen
Drost

Het weer onder de aandacht brengen van een bijna honderd jaar oude rechtsregel geeft niet de indruk dat die regel nog sterk leefde. Uit vonnissen van enkele jaren later blijkt, dat de vernieuwing toen ook al niet meer erg nageleefd werd – soms ten koste van de onderdakverschaffers zelf. Het medelijden met nachtbidders (bedelaars die om nachtlogies vroegen) bleek vaak te sterk om er niet aan toe te geven.

Let overigens eens op de bijzondere rol van de roderoeden (of veldwachters): ze mochten blijkbaar huizen en schuren doorzoeken, en vingen 3 gulden van een eigenaar die betrapt was op het onderdak geven aan een bedelaar. Zo’n breuk of boete vormde een mooie aanvulling op het karige inkomen van de roderoeden, meestal mannen uit een arbeidersmilieu. Voor hun bewapening moesten deze echter zelf zorgen. Met name de “manvaste hond” zal indruk hebben gemaakt.

Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 735 (archief gerechten Westerkwartier) inv.nr. 729: publicaties, notificaties etc..


Vrouw belaagt lantaarnopsteker

Kennelijk kreeg Aduard eind 1810 zijn eerste straatverlichting. De koopman Hendrik Jans Kremer vertelde kort nadien immers dat hij belast was

met het ansteken der lantaarns, nu onlangs te Aduart gezet.

Het ging om een bijbaan – op dat moment zullen er op hooguit enkele strategische punten langs de hoofdstraat van het dorp olielantaarns hebben gestaan, die meestal vanzelf uitgingen. De lantaarnopsteker moest zorgen voor voldoende raapolie in de lantaarns en omtrent zonsondergang ook de pitten aansteken, waarvoor hij met een ladder rondsjouwde. Helemaal zonder gevaar was dat werk niet. Zo vertelde Kremer dat hij op 29 december

bezig zijnde om de lamp te vullen in het lantaarn, staande bij de behuyzinge van Jan Klasens te Aduart, was angevallen onder veel schelden en dreygementen door de vrouw van dezelve Jan Klasen, die hem, terwijl hij nog op de ladder stond, een slag met een stok had toegebragt, en dat hij, naer beneden gaande, nog een slag had gekregen.

Eenmaal beneden probeerde Kremer met zijn ladder de stokslagen van de woedende vrouw af te weren, maar dat had je reinste slapstick tot gevolg, want de vrouw begon te trekken aan het andere uiteind van de ladder en “om alle verdere dadelijkheden te vermijden” had Kremer zijn ladder aan haar moeten overlaten. Deze nam ze eerst mee naar haar huis. Blijkbaar vertelde iemand haar, dat dit niet kon en ook strafbaar was en dus bracht ze die ladder naderhand naar de lantaarnopsteker terug.

Intussen had Kremer de vrouw al aangeklaagd bij het gerecht van het Westerkwartier in het naburige Zuidhorn. Hij vroeg “reparatie tegens de laesie hem klager hierover aangedaan”, zulks ook

tot conservatie van de rust en algemene veyligheid.

De drost maakte er een snelrechtzaakje van, dat hij agendeerde voor de eerste week van het nieuwe jaar. In die zitting liet de vrouw van Jan Klasens geen verstek gaan. Zij ontkende het akkefietje niet en gaf ook redenen voor haar “rustverstorend gedrag”, maar in de ogen van drost waren die onvoldoende. Daarom hoopte zij van haar kant op diens clementie als ze wat “mogt hebben misdreven”.

De drost

inagtnemende dat diergelijke verregaande baldadigheden niet ongestraft kunnen worden toegelaten, sonder de algemene veyligheid en order in gevaar te brengen, bijsonder te Aduart, waar diergelijke rustverstorende daaden meer dan op andere plaatsen worden gepleegt,

veroordeelde haar tot het betalen van maar liefst 6 ducatons (bijna 20 gulden) aan de diaconie van Aduard en 6 daalders (9 gulden) aan de gebelgde lantaarnopsteker, waarmee dan de beledigingen aan diens adres zouden zijn goedgemaakt. Binnen acht dagen moest ze de kwitanties voor beide betalingen tonen aan de wedman van Aduard. Bleef ze in gebreke, dan werd ze gestraft met acht dagen op water en brood in de toren van Midwolde, de gebruikelijke opbergplaats voor vandalen, vechtersbazen, kruimeldieven en andere kleine criminelen in het Westerkwartier. Ook kwamen de kosten van ‘t geding voor haar rekening,

wordende eindelijk aan de klager en de beklaagde gerecommandeert, om in het toekomstige zich voor alle anleiding tot ongenoegen sig sorgvuldig te wagten, zullende alle verdere overtreding der order rigoureuslijk worden gestraft.

Deze waarschuwing gold dus uitdrukkelijk ook voor de lantaarnopsteker, die door de drost blijkbaar niet helemaal vrij werd geacht van het gebeurde.

Wat nu eigenlijk de aanleiding was voor het hevige ongenoegen van de vrouw, blijft bij dit alles in het ongewisse. Misschien stoorde het haar, dat Kremer vanaf zijn ladder haar huis in gluurde?

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (jurisdictie Westerkwartier) inv.nr. 611: criminalia, maandag 7 louwmaand (januari) 1811.


‘Gewone jodeneed’

Als de fiscaal (aanklager) van de jurisdictie Westerkwartier eind 1804 Simon Benjamins uit Ezinge oproept om een verklaring onder ede af te komen leggen, blijkt dat Simon niet de gebruikelijke landrechtelijke eed zweert, “maar den gewonen Jodeneed”. Deze eed was zo gewoon, dat ik hem nog nooit eerder in een rechterlijk archief ben tegengekomen – noch in dat van de stad, noch in die van het Oldambt, Delfzijl, Oosterdeel-Langewold en Drenthe. Hier volgt het curiosum:

Gij zweert bij den levendigen God, die den Hemel en de Aarde geschapen heeft, dat Gij de waarheid (zo veel Gij weet) in de zaak, waarnaar de Fiscaal dezer Jurisdictie r[atione] o[fficii] onderzoek doet, zeggen zult, en generlei valsch bedrog of onwaarheid daar in gebruiken ofte inmengen; en zo Gij onrecht zweert, dat Gij eeuwig vermaledijd en vervloekt zijt, en U zal verteren het vuur dat Sodoma en Gomorra overging, en alle vloek in de Thora en de Wet geschreven, U overkomen, ook U de Aarde insluiten gelijk Dathan en Abiram, ja dat ook Uwe vrouw en weduwe en Uwe kinderen wezen worden. – Alzo helpe des alles en jeder de ware God Adonai.

Amen.

Bron: RHC Groninger Archieven 735 (jurisdictie Westerkwartier) inv.nr. 610 (criminalia) woensdag 14 november 1804.


Baldadige jeugd eeuwig probleem

Woensdag den 21 wintermaand 1809
De anklagte van het Gemeente Bestuur van Ezinge, houdende kennisgeving van de verregaande baldadigheden door jongens aldaar bij de straat wordende gepleegt, en ’t aldaar plaats hebbend dobbelen en spelen, is gestelt in handen…” [van de fiscaal].

Of die fiscaal (aanklager) er veel mee heeft gedaan, is de vraag. Verder horen we niets meer over deze klacht..

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 611, criminalia.