Ommetje Ezinge
Geplaatst op: 26 maart 2017 Hoort bij: De actuele wereld, Hoogkerk, Westerkwartier 8 reactiesOp de buienradar in de satellietmodus viel een grote wolk te zien boven Groningen. Maar in het westen kwam de zon erdoor, zag ik. Dus daar maar heen. Alleen ging de wolk daar even snel heen en bleef het grijs, de hele rest van de middag.
Het baanwachtershuisje bij de spoorwegovergang tussen Den Horn en Aduard, dat voor de spoorverdubbeling zou moeten wijken en voor welks behoud de gemeente Zuidhorn zich nu inspant:

Hetzelfde huisje, nu van de andere kant. Het zou in elk geval niet meer bewoond mogen worden. Tja, ik zou daar zelf best willen wonen, aan dat regelmatige spoorlawaai wen je snel genoeg:

Twee tortelduiven op de tuinschutting van mijn achterneef in Ezinge, vlak na de daad, die in een mum van tijd voorbij was:

Op de terugweg – zwanenveld bij Garnwerd:

Nog een bekend huisje waarmee iets aan de hand is: de Dageraad tussen Steentil en Oostum. Het voorhuis, met het wapen van Veendam-Wildervank, staat er nog, maar achter lijkt er iets verdwenen:

Op de deur een omineus plakkaat van een Engelse firma:

Wat nu de achtermuur is, wordt gestut:

Aardbevingsschadë? Er lijkt te worden geklust, maar er staat geen bouwbord. Een tijd geleden stond het pand te koop. Iemand die weet wat er aan de hand is?
Bij het picknickplaatsje langs de Zijlvesterweg ruimde een vrouw rotzooi op. Dat deed ze op alle bermen tussen de Jumbo bij de Friesestraatweg, Slaperstil en Gravenburg, vertelde ze. Bij die Jumbo kopen scholieren uit Zuidhorn en omgeving ’s middags nogal eens snoep en blikjes fris, waarvan ze de emballage dan in de bermen mikken. De diftar in Zuidhorn zorgt bovendien voor dumping net over de grens van die gemeente, op stad-Groninger grondgebied. De vrouw en haar man hebben weilanden langs de route liggen, ze zijn bang dat de rotzooi dat land inwaait met gevolgen voor hun dieren. Daarom ruimt ze de boel preventief op:

“Ecoloog” vindt dat hij zijn hond best mag loslaten in de Onlanden
Geplaatst op: 25 maart 2017 Hoort bij: autobio, Onlanden 13 reacties
“Het weer wordt beter en dus neemt helaas ook in De Onlanden de verstoring door loslopende honden en foutografen weer toe”, aldus een tweet van Natuur in de Onlanden op 12 maart. En in een follow-up, dezelfde dag: “Ziet u verstoring van de Natuur in De Onlanden? Spreek de persoon aan of geef het door aan de beheerder. Tip: maak foto’s ter identificatie.”
Ik had al wat twijfels bij deze oproep, maar als je mensen maar beleefd aanspreekt, dacht ik, dan zijn ze vast wel vatbaar voor rede. Broedseizoen immers, een redelijk mens wil dan geen vogels verstoren. Trouwens ook geen andere dieren, zoals otters.
Inderdaad bleken twee van de drie loslopende hondenbezitters die ik vanmiddag in de Onlanden aansprak van goede wil. Ze riepen hun hond bij zich en lijnden deze aan. Wat mij dan tevreden gestemd verder doet fietsen, hoewel ik best weet dat de lijn soms weer losgaat zodra de bemoeial uit zicht is.
De derde hondenbezitter was van een ander gehalte. Ik kwam om een uur of zes over de Zanddijk uit de richting Peizerwold en was van plan de Weringsedijk richting Hoogkerk te nemen. Op de hoek zag ik een soort van lichtbruine wetterhoun of airedale in het riet rondstruinen, nog redelijk dichtbij de weg, maar toch: onaangelijnd. Uit de tegenoverliggende richting kwam een vrouw aangelopen, maar die liep de hond voorbij zonder dat ze naar hem omkeek, of dat de hond haar volgde. Dus vroeg ik de man en de vrouw die bij het richtingenbordje stonden te praten, of de hond misschien van hen was.
“Ja” zei de man. “Wat dan?”
“Och”, zeg ik, “zou u die hond astublieft willen aanlijnen?”
“Waarom dan?”
“Nou, het is broedseizoen, een hond die in het riet struint verstoort de vogels”, zeg ik.
Hij weer: “Mijn hond gaat niet achter vogels aan”.
Ik zeg: “Dat heb ik wel meer gehoord, maar toch”.
“Nou”, zegt hij, “Ik ben ecoloog meneer”. Hij wees achter zich om die bewering geloofwaardig te maken: “Daarginds zitten kemphanen en ik hoorde ook drie roerdompen en die hebben absoluut geen last van mijn hond.”
“Jaja,” zeg ik, ik heb ook een roerdomp gehoord, maar toch is het beter dat u uw hond aanlijnt. Mag ik een foto van u maken?”
“Ja” zegt hij. Terwijl ik de foto neem: “En wie bent u, als ik vragen mag?”
“Ik ben Harry Perton”, zeg ik. “En wat is uw naam?”
“Ik ben [naam geschrapt], zegt hij. Hij wees in de richting van de Groningerweg, Peizermade. “Als daarginds nu een bordje had gestaan, dan had ik mijn hond aangelijnd, maar er stond geen bordje.”
Dat nu, vond ik een vreemd argument voor iemand die zich ecoloog noemt. Of je weet alles van de natuur en kunt tevens extreem goed met waterhonden omgaan, of je beroept je op de afwezigheid van een extern verbod. Hoewel ik dus alweer op de fiets was gestapt, maakte ik nog even rechtsomkeert.
“Ik vind het vreemd dat u zich op de afwezigheid van een bordje beroept, terwijl u als ecoloog zou moeten weten wat het effect van een rondstruinende hond op vogels is”, zeg ik, als ik weer vlak bij ze sta. “Trouwens, de afwezigheid van zo’n bordje ontslaat u als nog niet van uw morele plicht.”
“Er zijn mooimakers en er zijn moemakers”, zegt hij, “en u bent een moemaker”. En met een veeggebaar met zijn hand van zich af: “En nu wegwezen”.
“Nou”, zeg ik, ik sta hier op de openbare weg en laat me niet door iemand van jouw soort wegsturen.”
“Mijn soort?”, vraagt hij.
“Ja”, zeg ik, “Jij bent van het soort klootzakken dat zich beroept op de afwezigheid van bordjes, bordjes die het eerst zèlf heeft weggehaald.”
Dit had ik natuurlijk niet moeten zeggen; dit loste niets op, maar goed, ik was toch al betiteld als een moemaker.
“Dus u begint te schelden?, zegt hij.
Hij begon natuurlijk zelf met schelden, maar enfin. Ik zeg: “Mensen die hun honden los laten lopen in natuurgebieden zijn in mijn ogen klootzakken”.
En daarmee was onze conversatie wel uitgeput. Ik ben weer op de fiets gestapt en heb mijn hand nog even ten afscheid opgestoken met het vaste voornemen om dit verhaal hier op te schrijven.
Eenmaal thuis, blijkt dat hij géén valse naam opgaf. De titel ecoloog is wellicht wat hoog gegrepen, gezien het “Ing.” voor zijn naam, maar meneer [naam geschrapt] werkt wel degelijk bij een ecologisch onderzoeks- en adviesbureau.
Rest nog de vraag: als een “ecoloog” zijn hond in de natuur mag laten struinen, waarom zouden anderen dit voorbeeld dan niet mogen volgen?
Ben nu inderdaad finaal genezen van het aanspreken van mensen. Dat kost me veel te veel gemoedsrust. Heb geen zin in een hartaanval of beroerte. Laat er maar gewoon toezicht komen, die voelbare bekeuringen verstrekt, graag te verdriedubbelen voor zogenaamde ecologen.
Naschrift 27 maart 18.30 uur:
Hoewel meneer zichzelf kenbaar maakte als ecoloog en als zodanig ook allerlei overheidsrapporten blijkt te schrijven, zodat er een publiek belang bij het noemen van zijn naam en bedrijf gemoeid is, heb ik besloten die gegevens toch maar te schrappen. Het punt is wel gemaakt, de man is bereikt en dit hoeft hem niet eeuwig nagedragen te worden.
Rondje Peize
Geplaatst op: 24 maart 2017 Hoort bij: Drenthe, Onlanden 3 reactiesNarcissus de scholekster:

Dood riet, Omgelegde Eelderdiepje:

Fouragerende zilverreiger, Onlanden:

In de Onlanden achter Peize heb je een intrigerende verhoging in het landschap met wat andere bomen dan de gewone elzen en wilgen:

Eenden op hun paasbest:

Buizerd boven mijn hoofd:

Een waardig kampioen:

Stoppelveld bij het Achterstewold, Peize:

Qua schrikdraad weinig effectieve afrastering:

Achterstewold – kat en muis op rand van erf:

Anemonen op slootwal, Bommelier:

Onlanden bij Roderwolde – wulp:

IJsco bij der A
Geplaatst op: 24 maart 2017 Hoort bij: Stad nu Een reactie plaatsenOm precies te zijn bij de Eelderbrug:

Ommetje Lettelberterdiep
Geplaatst op: 23 maart 2017 Hoort bij: Hoogkerk, Westerkwartier 1 reactieRoderwolderdijk, Hoogkerk:

Het gebouwtje dat overbleef van ’t stoomgemaal de Oude Held (1883). Daarvoor stond er een forse watermolen hier aan het Aduarderdiep oostzijde, bij Hoogkerk:

Wat dichterbij met minder zon – als die mensen oranjerode dakpannen nemen, hebben ze een nationale bezienswaardigheid:

De Christina passeert Leegkerk:

Zwanenstel bij Den Horn:

Den Horn, aankondiging horsepowerrun:

Den Horn – insectenhotel op tuin:

Bij het Lettelberterdiep:

Onder aan de dijk – geïmproviseerd sluitwerk:

Onder aan de dijk – tinten:

Bovenop de dijk:

Hutten langs het Hoendiep bij Vierverlaten:

Huize Tavenier
Geplaatst op: 22 maart 2017 Hoort bij: Stad nu Een reactie plaatsenDe gewezen kraamkliniek, waar duizenden Groningers geboren zijn, nu opeens volop in de bloesem:

Voedselpakket voor gijzelaar Jan Tuin
Geplaatst op: 21 maart 2017 Hoort bij: Familie, Geschiedenis 2 reactiesTwee dagen voor D-Day kreeg Jan Tuin, gijzelaar van de Duitsers te Sint Michielsgestel, een voedselpakket van het Amerikaanse Rode Kruis. Dit kaartje diende als ontvangstbewijs. Het is getekend –

– maar nooit verzonden:

Jan Tuin werd in 1942 door de Duitsers ontslagen als burgemeester van Hoogezand en vervolgens in gijzeling genomen. In de Brabantse gijzelaarskampen hielden de Duitsers veel meer prominente Nederlanders vast. Bij verzet in hun thuisomgeving konden deze bij wijze van represaille worden geëxecuteerd. Dat is inderdaad enige malen gebeurd.
Na de overval op het gemeentehuis van Hoogezand in februari 1944, waarbij de ondergrondse een opperwachtmeester van de politie doodschoot, schijnt Jan Tuin in Brabant voor het vuurpeloton te hebben gestaan. Deze executie is op het nippertje afgelast.
Raam met gebrandschilderd glas, ooit geplaatst uit naam van weduwe smid uit Bedum
Geplaatst op: 19 maart 2017 Hoort bij: Kunsten, Stad toen 18 reacties
Waar dit raam met gebrandschilderde ruitjes zich tegenwoordig bevindt, is onbekend. Het zat ooit in de collectie van een tandarts De Maar te Den Haag, welke verzameling in 1996 (deels) onder de hamer kwam.
Een stel correspondenten en ik zouden graag wat meer willen weten over het raam. Allereerst is er een probleem met de transcriptie van de tekst. Deze is zo te lezen:
“Remcke Gerrits die Weduwe van Salighe Jan Nannincks In Sijn Leven Smit tot bedum Anno 1648”
Maar dan blijft er twijfel knagen over de achternaam van de smid. Het zou dus ook Hanninck of Hamminck kunnen zijn. Alle drie de namen komen voor in het Groningerland van de zeventiende eeuw, al moet je de c soms wegdenken (dat de uitgang -in[c]k ook wel ing werd, spreekt vanzelf).
Indien het Hamminck is, zou het kunnen gaan om de Jan [van] Hamminck, die volgens zijn inventaris uit 1648 een huis genaamd Het Wapen van Amsterdam in Groningen bewoonde. Dat huis moet een zekere standing gehad hebben, want er zat nog een “zaal” in, een hoog vertrek met een representatieve functie. In die zaal bevond zich een eiken ingelegde tafel, ook bepaald geen meubelstuk dat iedereen bezat.
Dan de oorspronkelijke lokatie van het raam. Dergelijke gebrandschilderde glazen kwamen zeker voor in particuliere huizen, maar ze werden ook nogal eens geschonken aan kerken of liefdadige instellingen. De vraag is dan in wat voor bouwwerk dit stuk kan hebben gezeten.
Allereerst zal de glazenmaker die het maakte vermoedelijk niet in Bedum hebben gewoond, maar in de stad Groningen. Wie deze maker was, zal wel voor altijd onbekend blijven, maar van dergelijke drieslag-bovenlichten heeft het Groninger Museum enkele latere voorbeelden in zijn collectie.
Qua plaatsing van het raam denk ik aan een gasthuis. Het lijkt op een bovenlicht van een deur. Heeft de smidsweduwe misschien een verbouwinkje in een gasthuis bekostigd, of een nieuw portaal?
Als dat gasthuis zich in de stad Groningen bevond, dan zou je dat moeten kunnen nagaan in de rekeningen van de gasthuizen, zowel aanwezig in de archieven van die instellingen zelf als dat van het stadsbestuur. Voor de onderzoeker is het dan vervelend dat er nogal wat van die gasthuizen zijn geweest, maar de zoekprocedure is te verkorten door eerst achterin de gasthuisrekeningen van 1647-1649 bij de bewonerslijsten te kijken. In die rekeningen kom je in elk geval dezelfde soort calligrafie tegen als op het raam.
—
Met dank aan Sneuper Dokkum.
Bijkomende bronnen:
- Johan de Haan, Hier ziet men uit Paleizen (diss. Nijmegen 2005) 142 en noot 482 op p. 526.
- RHC Groninger Archieven, rechterlijke archieven III (stad) oude orde J deel 2, folio 225.
Toaldag
Geplaatst op: 18 maart 2017 Hoort bij: Stad nu Een reactie plaatsenSchrieverspetretten op ’t Cascoadeplaain:

Lezen van Wout van Bekkum over Saul van Messel, Grunnen en ’t Grunnegs

Kwam ook nog stokje Drenth in veur:

Informoatsiemaart:

Varioatsie op zien putdekseldroksel deur marzjedrukker Elze ten Harkel:

Jan Groenbroek is zug an ’t oploaden veur zien lezen over Grunneger toal en cultuur vanoaf 1793 in roem 180 ploatjes:

Nog eem keken bie Harry Niehof etc.:

En vot moar weer:

Ganzen op mijn pad
Geplaatst op: 18 maart 2017 Hoort bij: Hoogkerk, Stad nu 3 reactiesNijlgans op de richel van het Wolvendijksbrugje bij de Peizerweg:

Brandganzen bij het Hegepad:

Aan de Klinkerweg in Finsterwolde (2)
Geplaatst op: 17 maart 2017 Hoort bij: Familie, Geschiedenis 8 reactiesMocht vandaag bij de familie Tuin het prachtige fotoalbum bekijken, dat burgemeester Jan Tuin bij zijn afscheid in 1965 cadeau kreeg van de gemeente Groningen. De fotograaf was onder andere langs geweest bij diens geboortehuis aan de Klinkerweg in Finsterwolde, volgens dichter Jan Boer, die de teksten in het album verzorgde, een “Vaailig hoeske” mit “vrundelk zicht” :

Mogelijk zit in deze regels de herinnering van Jan Tuin zelf aan de krimpjeswoning verwerkt. Ik verbeeld me dat hij hier voor het huisje met de postbode over vroeger staat te praten:

Ging hij met de fotograaf mee? Achter de postbode zie je het huis waar mijn grootvader Harm Perton geboren is. Hij was een neef van Jan Tuin, zijn moeder en de vader van Jan Tuin waren zus en broer.
Kennelijk had Jan Tuin ook herinneringen aan de molens van Finsterwolde. Maar die waren verdwenen:

Het Oude Rechthuis van Finsterwolde stond er in 1965 nog wel:

In 1972 is dat eeuwenoude pandje alsnog gesloopt. Het stond op de hoek van de Hoofdweg en de Leeuwerkeslaan, waar naderhand dorpshuis De Pyramide verrees:

Rondje Lagemeeden
Geplaatst op: 17 maart 2017 Hoort bij: Westerkwartier 5 reactiesDe Zuidwendinger watermolen met het belendende boerderijtje:

Oprijlaan bij de Nutweg met ram en lammeren:

Afgedankte hooiwagen met ponderboom:

Beetje vreemde katjes (van een treurwilg?):

Groep zwanen in de velden tussen Lagemeeden en Den Horn:

Dode soortgenoot in sloot bij de Kerkweg:

Stuifmeelbom bij de Nieuwebrug:

Friese schipper dacht slim te zijn
Geplaatst op: 16 maart 2017 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenZoals wel meer schippers uit die tijd had Tiete Wijpkes (65), geboren te Bolsward, nergens een vaste woon- of verblijfplaats en was hij “altoos in zijn schip zig ophoudende”. Sinds een jaar of tien, twaalf voer hij vaak in de provincie Stad en Lande “om zeezand, zark en schulpzand te verkopen”. Dat zand zal hij, getuige zijn historie in december 1773, vooral van het eiland Ameland hebben betrokken. Daar bracht hij dan goederen uit Groningen heen, om plaatselijke producten als retourlading mee terug te nemen.
Dat we dit kunnen concluderen, komt door een vonnis van Gedeputeerde Staten van Stad en Lande. Want Tiete dacht slim te zijn, maar haalde een enorme stommiteit uit.
Op 2 december dat jaar kocht hij bij de koopman Wilhelmus Schneijder in de stad Groningen drie ankers (= al met al 114 liter) brandewijn, die hij contant afrekende. Net als een identieke hoeveelheid op 13 november was de brandewijn bestemd voor een Pieter Johannes van Ameland, wonend op Ameland. Omdat de brandewijn op dat eiland geconsumeerd zou worden, was de koper er er in Groningen geen accijns voor verschuldigd. Tiete Wijpkes kon dus volstaan met het afhalen van een vrijcedel bij het Goudkantoor, het provinciale belastingbureau bij de Grote Markt. Op 3 december stak Tiete van wal en voer langs het Reitdiep naar Zoutkamp, zo leek het. Diezelfde avond echter, kwam hij via de Aduarderzijl weer “binnen” en voer het Aduarderdiep op. Daar werd hij de volgende dag om een uur of 12 tussen Garnwerd en het Bolshuis (nu Bolshuizen) aangehouden door een stel Landsbedienden. Zij doorzochten zijn schip, troffen de vaatjes brandewijn aan en constateerden dat Tiete daar geen aangifte van had gedaan in het inklaringskantoortje bij de Aduarderzijl. Ze bevonden daarmee dat hij
“alzo de meergemelde drie ankers afgeschrevene brandewijn wederom ter sluik in deze Prov[inci]e heeft ingevoerd”.
Bij Gedeputeerde Staten , die als fiscale rechters over dit geval moesten oordelen, beriep Tiete zich op zijn onwetendheid. Ook zou er een timmermansknecht uit Aduard bij hem gekomen zijn, toen hij voor de Aduarderzijl lag. Die man wilde graag meevaren naar Ameland, en zou daar 4 gulden reisgeld voor betalen, als Tiete tenminste zijn spullen bij de Steentil zou komen afhalen. Maar Tiete wist geen naam van deze passagier-in-spe te noemen, en ook trapten de heren niet in Tietes geveinsde onwetendheid. Met zijn ervaring als schipper wist hij immers donders goed hoe het er in Groningerland aan toe ging. De heren veroordeelden Tiete daarom tot levenslange verbanning uit de provincie Stad en Lande en vonden dat nog een lankmoedig vonnis, hoewel ze toch geweten moeten hebben dat ze hiermee de Groninger negotie onmogelijk maakten, waarmee de Friese schipper zih in zijn levensonderhoud voorzag.
Niet alleen de Groninger negotie, trouwens, want naar gewoonte zou met de contrabande het schip verbeurd worden verklaard. Tiete was echter niet de eigenaar, zo bleek nog net op tijd. Een paar dagen voordat hij in de provinciale nor zijn vonnis te horen kreeg, diende namelijk ene Schelte Douwes, een collega-schipper, namens de voogden van het (diaconale) Armenhuis te Bolsward een verzoekschrift in met (notariële) bewijsstukken die konden aantonen
“hoe eenen Tijte Wijpkes hebben laaten vaaren op een kofschipje zoo aan gezeide voogden in eigendom is toebehorende (…) op welke kofschipje gezeide Tijtte Wijpkes alleenlijk geplaatst hebben om hem met zijn vrouw en kinderen aan de kost te helpen en dezelve van de diaconie opgenoemd af te houden..”
Als het kofscheepje vanwege Tietes smokkelarij “na strict recht” verbeurd verklaard zou worden, zou dat “ten eenemaal ongelukkig” voor genoemde instelling uitpakken, omdat deze haar armen moest onderhouden uit slechts weinig bezittingen. Daarom verzochten de Bolswarder armvoogden GS om het beslag op ‘t schip weer op te heffen en het terug te geven aan hun Armenhuis. Na bestudering van de stukken besloten Gedeputeerden dit verzoek te honoreren. De Bolswarder instelling kreeg het schip, “bevorens bij Tijtte Wijpkes bevaaren”, inderdaad “om Gods wille” terug “met zijn toebehorend zeil en treil”. Of dat schip nog weer aan Tiete ter beschikking werd gesteld, onttrekt zich aan mijn waarneming, maar lijkt me hoogst twijfelachtig, want hij maakte toch ook misbruik van het vertrouwen, door zijn weldoeners in hem gesteld.
—
Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 1352 (sententies GS in belastingzaken) het vonnis d.d. 20 december 1773; idem inv.nr. 445 rekest met apostille 16 dedember 1773.
Rondje Terheijl
Geplaatst op: 12 maart 2017 Hoort bij: Drenthe, Westerkwartier 7 reactiesRee of opgang boerderij bij Lettelbert voorlopig alleen passabel met fietsen:

We houden je in de gaten.

Gerestaureerde boerderij bij het Lettelberterdiep:

Oude schuur bij doodlopend zijweggetje van Oostindië:

Min of meer het uitzicht van een huis dat te koop staat bij de Langewijk:

Vlakbij Nieuw-Roden:

Bouwval Terheijlsterweg:

Tussen Leek en Roderwolde – op fietse noar stad:

Saluutschoten trillen huis kapot
Geplaatst op: 11 maart 2017 Hoort bij: Stad toen 2 reacties
Toen de stad Groningen in augustus 1773 prins Willem V een week lang op bezoek kreeg, een week waarin ook de verjaardag van diens gemalin prinses Wilhelmina zou worden gevierd, stond zij bol van het feestgedruis. Niet iedereen echter, kon er louter met plezier op terugkijken.
De prins, de prinses en hun gevolg werden buiten de Apoort bij het Hoendiep ontvangen. Terwijl zij en de gastheren na de welkomstceremonie in koetsen de Apoortenboog (= Abrug) passeerden, begon achter de stoet bij de Apoortendwinger een omvangrijk saluut van kanonschoten. Vanaf die dwinger ging dat saluut met de zon mee: na de kanonnen bij de Apoort waren die bij de Kranepoort aan de beurt en zo ging dat verder tot alle 51 kanons op de stadswallen waren gelost. En dit gebeurde niet één keer, niet twee keer, maar wel drie keer, steeds op een startsein vanaf de Martinitoren.
In de stad moet dat een merkwaardig audioeffect hebben gegeven, die wave van gebulder in de rondte. Naderhand echter, dienden Pieter Bijmholt en zijn vrouw Aafke Jans een verzoekschrift in bij Gedeputeerde Staten. Zij woonden buiten de Apoort en memoreerden
“hoe onlangs ter occasie der blijde en heuchelijke komst van zijne Doorl[uchtigste] Hoogh[eid] den Heere Ervstadhouder door het iterative lossen van het canon van de stadswallen der suppl[ianten] wooninge zeer is beschadigt, zodat thans in groot gevaar in het zelve logeren, alwaarom de suppl[ianten] daardoor in de noodzakelijkheid zijn gebragt, om derzelven behuizing wederom eenigsins te moeten herstellen…”
Ze waren beiden oud en zwak en “in weinig omstandigheden van verdienste”, vertelden ze. Daarom vroegen ze GS om een schadevergoeding. “opdat in staat zijn hunne behuizinge wederom te kunnen behelpen”.
De heren erkenden hun verantwoordelijkheid en reageerden positief op dit verzoek, want kamerbewaarder Gout kreeg opdracht 5 ducatons aan het bejaarde echtpaar uit te tellen ter compensatie van de schade die het kanongebulder aangericht had. Hoe groot de schade werkelijk bedroeg en of de som van omgerekend bijna 16 gulden toereikend was, melden de stukken niet.
—
Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 197, de akte van 17 juni 1777 (opzet van het rondzingende saluutschotenproject) en inv.nr. 445 (rekesten) waarbij ik helaas de datum vergat te noteren (ergens in het najaar).
D

Recente reacties