Afscheid met Prediker

Eerst iets van Bach op het orgel. Een toccata. Gekuch, terwijl achter ons de kerk volloopt. Ik zit op de eerste rij, helemaal rechts, en staar naar het primitief-rode, hoogmiddeleeuwse wijdingskruis vlakbij me op de kerkmuur.

Het is duidelijk een christelijke dienst, hoewel ik mijn vader nooit zo gekend heb en hij in het ziekenhuis ook geen sjoege op mijn vragen in die richting gaf. Het zij zo. Ik heb er vrede mee.

Er is een wijding, er is een gebed, er is een dankzegging. Naast Bach speelt het orgel ‘De Heer is mijn Herder’. En door mijn veto van het Drentse volkslied klinkt er bij wijze van compromis twee maal Ede Staal. Dat blijkt iets teveel van het goeie: achteraf komt er de klacht dat mensen Ede niet begrepen.

Er zijn vier adventskaarsen aangestoken en de dominee spreekt zijn welkom uit. Zegt dat het vreemd is zo aan de vooravond van Kerstmis. “Hoop op geboorte en nieuw leven mengt zich met verdriet op dit uur van afscheid.”

Voor de schriftlezing haakt hij in op de contrasten van de rouwbrief. Met de bekende tekst uit Prediker 3, dat er voor alles een uur en een tijd is. Dankzij The Byrds heb ik daar wel wat mee. Toepasselijke strofen: “Ik heb gezien de bezigheid, die God de kinderen der mensen gegeven heeft, om zichzelf daarmee te bekommeren”, en “dat er niets beters is, dan dat de mens zich verblijdt in zijn werken, want dat is zijn deel.”

De predikant geeft een redelijk geslaagd portret van mijn vader. Die vanaf zijn geboorte slechthorend was, en als schooljongen doorlopend voor dove kwartel uitgescholden werd. De opeenvolgende hoortoestellen trekken aan mijn geestesoog voorbij, van het lompe zwarte bakelieten geval op zijn borst, tot de gehoorbrillen met steeds dunnere stangen en het vierkante blokje, dat hij een jaar of wat geleden achter zijn oor gemonteerd kreeg. En ik zie zijn onbeholpenheid op verjaardagen en feestjes weer. Als het geluid van alle kanten kwam, verstond hij geen mallemoer. Dan keek hij om zich heen, en genoot wel, maar participeerde niet of nauwelijks.

Hij was bescheiden, mijn vader. Iemand die liever op de achtergrond bleef. Meningen uitte hij zelden of nooit. De dominee zegt het ook. En getuigt naar waarheid dat mijn vader maar één hobby had, zijn werk in het kantoor bij ons aan huis.

Toen mijn vader vlak na de oorlog bij de belastingdienst kwam, kon hij op een gegeven ogenblik niet hogerop, vanwege dat slechte gehoor. En dus begon hij voor zichzelf, als zelfstandig gevestigd administrateur voor allerlei boeren en middenstanders uit de omgeving. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat mijn grootvader, in ons dorp de strenge doch rechtvaardige commies van ’s Rijks indirecte belastingen, daar ook wel enigszins de hand in had. Maar eenmaal onder diens vleugels vandaan, bleef mijn vader als altijd toegewijd, nauwgezet, geduldig en zeer gestructureerd werken, vulde journaal na journaal in zijn heldere, strakke, bijna ijzeren handschrift, op basis van ordeloze stapels nota’s in schoenendozen, waar hij zich maar mee redden moest. Weldra zat er personeel op kantoor, er kwam een parttime spaarbankfiliaal bij, langzamerhand breidde de klantenkring zich uit, gestaag bleef het jaarinkomen stijgen. Na zijn 65-ste werkte hij gewoon door, beetje bij beetje en soms noodgedwongen afbouwend, maar op zijn 77-ste hielp hij nog steeds ouwe vaste klanten met hun belasting-aangiften. Zulke bilateraaltjes vormden zijn element.

Tegen ons, maar dat wist de dominee niet, sprak mijn vader vooral op afscheidsmomenten. Voor het slapen gaan schilde hij secuur een appeltje aan de woonkamertafel, sneed dat in vier gelijke partjes en deelde die partjes uit. ’s Zondagsavonds bracht hij zijn zoons naar de bus of de trein, een zwaaiende hand ten groet. Terwijl de bus op toeren kwam zag je hem dan in de verte omkeren en voorbij het schrale licht van de eenzame straatlantaarn oplossen in de nacht van het dorp, waar hij zijn leven lang thuis was.


Podzol en geel zand

Morgen is het een jaar geleden dat mijn vader overleed.

In september viel hij een paar keer flauw, waarbij hij ook een flinke hoofdwond opliep. In het Meppeler ziekenhuis onderzocht, bleek hij uiteindelijk een hersentumor zo groot als een kers in zijn hoofd te hebben. Hij kwam op de wachtlijst voor een operatie.

Die ingreep zou in Zwolle plaatsvinden. Maar mijn moeder en hij gaven de voorkeur aan het Academisch Ziekenhuis hier in Groningen. Een kwestie van goeie ervaringen vooral. Helaas bleek het voor de ziekenhuizen nog niet zo gemakkelijk om papieren van Zwolle naar Groningen te krijgen. En mijn broer, zelf werkzaam in het AZG, heeft nog ettelijke keren zitten soebatten om een wat hogere prioriteit.

Op woensdag 26 november vond de operatie plaats. Vooraf kregen we de waarschuwing dat die riskant was en vijf uur zou duren. Echter, in drie uur waren ze klaar. De kers hing slechts met een enkel steeltje aan één bloedvaatje. Ook een goed teken was dat hij op de intensive care ’s avonds even bijkwam en glimlachte. Een paar dagen later zat hij alweer fleurig rechtop in bed, was zelfs al eens op de been geweest, en at met smaak. De Werthers’ Echte maakte hij in een mum van tijd krakend soldaat.

Wel was hij af en toe flink in de war. Er hing een reproductie aan de muur, van een impressionistisch landschap uit het Boston Museum of Fine Arts. De naam van het museum stond in koeien van letters onderaan de reproductie. Maar toen hij die naam voor zichzelf hardop las, kwam er heel iets anders uit. Weer helder, had hij in moeilijke gesprekken geen zin. Je kon hem geen groter plezier doen dan te praten over koetjes en kalfjes, met een enkele kwinkslag er tussendoor.

De op kweek gezette kers bleek intussen een uitzaaiing van een melanoom, een huidkanker die meestal jonge mensen treft. Er moest nog worden gezocht naar eventuele andere uitzaaiingen, alsmede de bron, maar hij had een vergrote moedervlek op zijn lip, dus als je het mij vraagt zou daar die kiem wel eens kunnen liggen. Als het niet lukte om de bron en de andere metastasen te vinden, aldus de Nurse Practitioner tegen mijn broer, dan was de prognose nog een half jaar. In zo’n kwart van de gevallen konden de artsen ‘het’ niet vinden. In elk geval moest het gebied rond de weggehaalde kers nog bestraald, in tien sessies waar hij ontzettend tegenop zag.

In afwachting van die behandeling ging hij op 1 december naar huis. Ook daar at hij als een tijger. De haringen en garnalen die mijn broer uit Katwijk meebracht schrokte hij op alsof hij uitgehongerd was. Maar zijn krachten kreeg hij er niet door terug. Eerst kon hij nog enkele meters zonder ondersteuning lopen, na anderhalve week ging zelfs dat niet meer. Mijn moeder moest hem niet alleen wassen, maar ook gaan voeren. Bovendien kon hij zijn ontlasting niet meer goed ophouden. Het werd tijd voor thuiszorg.

Omdat hij geen hoofdpijn meer had, was een middel om vochtdruk van de hersenen te nemen al gestopt. Wellicht iets te voorbarig. Op 13 december kreeg hij ’s ochtends vroeg een verschrikkelijk zware epileptische aanval. Wat betekende dat hij opnieuw met zwaailicht naar het Meppeler ziekenhuis ging. Daar is hij niet meer bijgekomen, lag de eerste dagen te krimpen en te woelen van de pijn, tot ze de morfinedoses verhoogden. Wat restte was een hoorbaar steeds moeizamer ademhaling. Op maandag 20 december gaf hij onopgemerkt de geest in zijn slaap.

De middag voor kerst is hij begraven. Het was mooi weer, die dag. Vlakbij het pas gedolven graf – podzol en geel zand – zaten koolmezen in een eik te spelen. Hij zou er veel plezier aan hebben beleefd.


Oosterparknostalgie

Ter gelegenheid van de laatste competitiewedstrijd van FC Groningen in het Oosterparkstadion zijn we deze week overspoeld door Oosterparknostalgie. Zelfs jonkies blijken er niet vrij van. Zo haalt Onno Molenaar op De Jonge Journalist persoonlijke herinneringen op aan het afgedankte voetbalcomplex.

Merkwaardig is daarbij dat Molenaar de Euroborg, het nieuwe stadion van de FC, een en andermaal “een multifunctioneel complex” noemt, “waar als het nodig is ook Robbie Williams of Marco Borsato kunnen optreden”. De jonge journalist blijkt dus bepaald niet goed geïnformeerd, want in de Euroborg zullen geen grootschalige concerten plaatsvinden, zoals eind juni al bleek.

Overigens had ik hier geen logje van gemaakt als De jonge Journalist de gelegenheid bood om direct op haar artikelen te reageren. Dat dit ‘nieuwe medium’ die mogelijkheid nog steeds niet biedt, komt zacht gezegd nogal ouderwets over. Kennelijk hangt interactiviteit bij media niet van leeftijd af.


Skullpting

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Bij ‘Professor van Giffen en het geheim van de wierden’ lag ook weer een bult schedels. Het gekke is dat nog niemand heeft geopperd om de gezichten bij zulke uit de klei getrokken bekkenelen te laten reconstrueren.

In Groningen kennen we weliswaar het gezicht van de mummie Janus, maar dat is een notoire allochtoon. Ik kan me voorstellen dat de gezichten van autochtone wierdemensen ook wel op enige publieke belangstelling mogen rekenen.

Zo kreeg in Drenthe het meisje van Yde haar gezicht al terug. Nog dankzij dure Engelse specialisten, maar de technische kennis is de laatste jaren wel geprolifereerd en dus goedkoper aan het worden. Inmiddels kent ook Nederland een specialist in gezichtsreconstructie, de fysisch antropologe Maja d’Hollosy. Zij reconstrueerde onder meer Trijntje, de oudste vrouw van Nederland, gevonden onder de Betuwelijn.

Aan de andere kant: gezichtsreconstructies zijn nooit voor de volle honderd procent betrouwbaar. Over de haren, oren en lippen bijvoorbeeld, is zelden iets bekend. Bovendien lijken de gereconstrueerde gezichten vaak verdacht veel op gezichten die je vandaag ook nog tegen zou kunnen komen. Neem de boomkistman uit Vlaardingen die d’Hollosy tevoorschijn toverde. In het welvarende, maar ook gewelddadige vissersplaatsje van rond het jaar 1000 liep een kerel rond, die sprekend leek op Gérard Depardieu.

En als die gezichten dan toch zoveel op hedendaagse lijken, waarom zou je dan nog al die moeite doen? Voor veel minder geld kan je die wierdemensen de gezichten van Hollywoodsterren geven. Of nee, ik weet alweer iets beters. Ze krijgen de gezichten van sponsors, die ervoor in de buidel willen tasten. Zo heeft het museum er mooi een inkomstenbron bij.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Het geheim van de wierden

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Vanmiddag was de persrondleiding van ‘Professor Van Giffen en het geheim van de wierden’, de expositie in het Groninger Museum die morgen open gaat voor het publiek.

De tentoonstelling is gelukkig niet zo’n kermis vol effectbejag als Greenaways’ Hel en Hemel, de laatste grote historische expositie die het Groninger Museum organiseerde. Toch valt er wel op museaal gebied wel degelijk iets innovatiefs te zien. In een van de zalen draait doorlopend een filmpje met interieurscènes van een vroeg wierdenhuis, zoals archeologen dat reconstrueerden. Voor het filmpje zet je een 3d-brilletje op, zodat je de scènes driedimensionaal kunt bekijken, en als het ware in het huis zit, heel dicht op het koken, weven en vee verzorgen door de bewoners.

In de andere zalen meer het statische werk, al bevindt zich dat natuurlijk wel in een mooi vormgegeven setting. De centrale zaal sprak sprak mij het meest aan. Je waant je er temidden van een wierde-afgraving, met haar hoogopstaande aarden profielen. In het midden staat een ouderwetse lorry op een stukje smalspoor, zoals dat indertijd werd gebruikt bij wierde-afgravingen. In de verticale profielen langs de muren zijn kleine vitrines aangebracht met de topstukken van de tentoonstelling, zoals de Jupiter van Ezinge (ca. 300).

Indrukwekkend vond ik ook de maquette van de Duitse Feddersen wierde, de enige dorpswierde die ooit in haar geheel opgegraven is. Het paardengraf van De Bouwerd – de paarden zijn waarschijnlijk omgebracht bij de dood van een machtig heerschap – kende ik natuurlijk al van de Harmonie, waar het tot voor kort opgesteld stond. Ook is er voor de gelegenheid een ouderwetse Oudheidkamer ingericht, met in de houten vitrinekasten typologisch geordend organisch materiaal – zoals botjes, schaatsbeentjes en benen kammetjes – dat bijzonder goed bewaard bleef in de opeenvolgende mestlagen van de wierden.

Jammer genoeg bevatte de kaartenzaal niet de drie nieuwe kaarten die voor deze tentoonstelling gemaakt zijn van de kustlijnverschuivingen in het waddengebied tussen 500 voor Christus en de Middeleeuwen. Deze kaarten hangen nu in de trapzaal van het museum, die met boeken en computerspul een voorproefje geeft van het nieuwe Groninger Forum dat aan de oostzijde van de Grote Markt de functies combineren gaat van bibliotheek, historisch museum en debatcentrum.

Kees van Twist, de directeur van het Groninger Museum, noemde de nieuwe tentoonstelling over Van Giffen en de wierden “de inhoudelijke aftrap” van dit Groninger Forum. Al te wild was het nog niet, gaf hij toe, het ging om “een voorzichtige proeve”. Van Twist erkende volmondig de verantwoordlijkheid van het museum voor historische tentoonstellingen – “zolang het forum er niet is, doen wij het hier” – en had ook nog enige kritische opmerkingen in petto voor de staatssecretaris van cultuur, die vindt dat musea nog veel meer moeten doen om het grote publiek terwille te zijn. “Het opleuken”, vindt Van Twist,

“moet niet ten koste van de inhoud gaan, het is de opdracht van het Groninger Museum dingen op een andere manier te brengen, maar we willen het kind niet met het badwater weggooien.”

Van Twist had zelf nog een persoonlijke herinnering aan Van Giffen. Ooit had Kees als negenjarige jongen op zijn vrije zaterdagmiddag met een borsteltje in de hand geassisteerd bij een opgraving in Grijpskerk, daar waar nu het bejaardenhuis De Wierde staat:

“Van Giffen was toen een ouwe heer, keurig in het pak, maar met laarzen aan. Op een motor scheurde hij door het Groninger landschap. Achterop zat altijd een vriendin, maar niet steeds dezelfde. Bij de opgraving gaf hij aanwijzingen. En oh wee als je het niet goed deed, dan was het geen leuke man.”

Bij de tentoonstelling verscheen een prachtig, rijk geïllustreerd boek, dat ingaat op de wetenschappelijke betekenis van Albert Egges van Giffen (1884-1973) en de stand van zaken in de wierden-archeologie: Professor van Giffen en het geheim van de wierden, uitgeverij Heveskes, € 34,95.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Saul van Messel als leraar

JaapMeijer

Soms heb je als journalist veel te veel materiaal voor een stuk. Zo telde mijn interview met de nieuwe decaan bij theologie, Ed Noort, zelfs in uitgewerkte staat nog steeds ruim 600 woorden teveel voor een UK-pagina waar 1200, 1300 op konden. Domweg iets te enthousiast bezig geweest, zullen we maar zeggen. In zo’n geval is het adagium: kill your darlings, en dit keer betekende dat bijvoorbeeld het schrappen van een passage over Jaap Meyer, niet alleen de vader van Ischa Meyer, maar ook – onder zijn pseudoniem Saul van Messel – een zeer gewaardeerd Gronings dichter. Gelukkig heb je dan nog een weblog om zo’n om zeep gebrachte darling een wederopstandig te bezorgen.

Noort was op het Coornhert Lyceum in Heemstede leerling van Jaap Meyer geweest. “Voor zover ik weet, kwam dat dichterschap pas later”, zei Noort. Volgens hem was Jaap Meyer

“nog een echt ouderwetse gymnasiumleraar die in de wetenschap meedraaide en regelmatig publiceerde. Hij was een fascinerend verteller, maar ook best veeleisend. Het was niet iemand bij wie je alleen de jaartallen hoefde te leren, om er verder van af te zijn. Daar had hij niets mee. Maar als leerling moest je daar wel van houden.”

In de zoon, Ischa , zag Noort later veel van de vader terug:

“Qua grootte, lichaamshouding, gezichtsuitdrukkingen, de wijze van charmeren en het soms genadeloos doorprikken van iemand – bij beide waren die eigenschappen aanwezig.”

De hele familie Meyer was slachtoffer van onder meer het concentratiekamp Bergen Belsen. Legendarisch zijn de botsingen tussen vader en zoon:

“Jaap Meyer was zo’n vader die zijn kinderen inderdaad verstootte, en de deur niet meer voor ze open deed. Nee, dat gebeurde niet alleen bij Ischa.”

Noort bleef bij zijn omzwervingen als student en wetenschapper altijd contact houden met zijn oude leraar:

“We schreven nog wel en stuurden elkaar dingen op.”

Vanzelfsprekend kreeg Jaap Meyer ook een uitnodiging voor Noorts Groningse oratie, op 8 juni 1993. “Hij liet niets van zich horen”, vertelde Noort me,

“en dat vond ik al vreemd. Anders kreeg ik altijd een reactie in dat zwierige handschrift van hem. Naderhand hoorde ik dat hij precies op die dag is overleden.”

Hetgeen me nog deed denken aan een gedicht van Jaap Meyer / Saul van Messel:

De weg terug:
Voordat de kist van ongeschaafde planken zal worden gesloten
wordt volgens overoud gebruik in de diaspora het joodse lijk
plechtig bestrooid met aarde uit het heilige land
dat in kleine zakjes in joodse gemeenten wordt bewaard.
Als ik ooit nog eens naar Israël verhuis
zal ik niet vergeten een zakje zeeklei mee te nemen (uit het Oldambt)
en een zakje laagveen (uit Westerwolde)


Herepoort terug?

herepoort buiten a

Een nieuwe vereniging ‘Vrienden van de Herepoort‘ wil de oude Herepoort, die sinds 1885 achter het Rijksmuseum in Amsterdam staat, naar Groningen terughalen. Momenteel wordt het Rijksmuseum verbouwd en de vereniging denkt het ijzer te smeden nu het heet is. Alleen werkt het Rijksmuseum niet mee. “De poort hoort bij onze tuin”, aldus een woordvoerder.

Boegbeeld van nieuwe Herepoort-vriendenclub is Robert Prummel, fractie-assistent en raadscommissielid van de Stadspartij, tevens verzorger van zijn eigen biografie op de Wikipedia. Ook de twee andere bestuursleden van de stichting behoren tot het kader van de Stadspartij. Je zou dus bijna denken aan een verkiezingsstunt, ware het niet dat burgemeester Wallage zich eveneens al achter het initiatief heeft geschaard. Hij wil er zelfs wel de handen voor uit de mouwen steken.

De vraag is nu, of Wallage wel beseft wat hij zich op de hals haalt. Want het gevaarte repatriëren is één ding, maar de lokatie waar je hem neerzet blijft vers twee. Natuurlijk kan de Herepoort niet terug op het Hereplein, de oorspronkelijke plek. Daarom willen Prummel c.s. het op de route van het Groninger Museum naar de binnenstad. En dat kan gezien het ruimtebeslag eigenlijk maar op één lokatie, pal achter het museum, hetzij op de route, of er pal naast en haaks op, in het plantsoen.

Afgezien van de vraag of het museum en de omwonenden – zoals oud-wethouder RO Ypke Gietema – daar nou zo op zitten te wachten, zijn soortgelijke mogelijkheden ook tussen 1874 en 1885 al eens geopperd. De eerste plek die men toen in gedachten had was haaks op het Hereplein, op de plek waar nu het Jozef Israelsmonument ‘Naar moeders graf’ staat:

herepoort hereplein b

De tweede mogelijke lokatie was aan het eind van de Heresingel, waar zich nu het Werkman-monument van Armando bevindt:

herepoort plekje c

Beide mogelijkheden gingen toen niet door, werden kennelijk verworpen. Echt fraai kan ik ze ook niet vinden. Over fraai gesproken: hedentendage bedoelt men met Herepoort natuurlijk uitsluitend het monumentale front. Van het reconstrueren van de de lillijke achterkant is geen sprake:

herepoort binnen d

Zoals Max van Dendermonde ooit eens zei: “Je kan nooit zuiver meer naar vroeger”.


De ergste tijd

Am burgeroorlog - kaart 2

Volgens Amerikaanse historici was de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) de zwaarste periode uit de historie van hun land. Daarna komen pas de Onafhankelijkheidsoorlog (1773-1783), de economische crisis van de jaren ’30, de Vietnam-oorlog, de Tweede Wereldoorlog, de Koude Oorlog en de Eerste Wereldoorlog op hun lijstjes voor.

Onze eigen tijd vinden ze voor de VS nog de minst moeilijke der zware tijden. Dit blijkt uit een enquète (link verdwenen, HP 10.3.2013), waaraan 354 hoogleraren geschiedenis deelnamen. Aanleiding voor het onderzoek was, dat studenten juist de huidige periode zien als de meest problematische van de hele Amerikaanse geschiedenis.

Zoals dat wel vaker gaat, laten de kortzichtigen zich niet door historische relativering overtuigen. Van de aanslag op de Twin Towers en de oorlog in Irak kennen we alleen maar het topje van de ijsberg, zegt een student, gevraagd om commentaar op de enquète. En een andere is zo onder de indruk van de beelden van 9.11, dat hij zich onmogelijk ergere toestanden kan voorstellen, of het moet in de toekomst zijn.

Am burgeroorlog c


Gangster-acteur leeft zich teveel in

Gister overleed een New Yorkse politieagent na een schietpartij met inbrekers die hij op heterdaad betrapte. Een van de verdachte cop-killers blijkt de 29-jarige Lillo Brancato, een acteur die voorkwam in de maffia-televisieserie The Sopranos. Brancato kreeg in november al een lemma in de Wikipedia, dat meteen flink aangevuld is.

Brancato speelde in zes afleveringen van The Sopranos mee. Hij verdween uit zicht via een executie, uitgevoerd door de gangsterbaas, Tony Soprano. Brancato speelde altijd mobsters. Twaalf jaar geleden maakte hij als acteur zijn debuut in ‘A Bronx Tale’, een film onder regie van Robert De Niro, die daarin zelf de hoofdrol speelde. Om zijn sterke gelijkenis met de hoofdrolspeler pikte De Niro’s agent Brancato indertijd van een strandje op.

Je zou bijna nog vermoeden dat de acteur aan research deed, om te leren hoe dat nou echt voelt, een gewapende inbraak plegen. Maar nee, in juni ontdekte de politie bij een verkeerscontrole al eens meerdere zakjes heroïne in zijn auto. Blijkbaar leefde Brancato zich toch wat al teveel in zijn rollen in.


Wassalon

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Mien pracht van een wasserette heeft nu ook een website. Daarmee behoort ze tot de minderheid van de gewereldwijdewebbiseerde zaken aan de Meeuwerderweg. De familie Tiemes die de salon drijft is een beetje voorzichtig met het prijsgeven van haar tarieven, per slot van rekening surft de concurrentie mee, maar ik kan u verklappen dat ik 6,75 euro voor mijn wasje dok en het spul dan gedroogd en gevouwen van ze terugkrijg. Wat als grote voordeel heeft dat ik in mijn – kuch – studio niet tegen opgehangen kleren hoef aan te kijken.

Andere zaken aan de Meeuwerderweg met een website
Lux Avitro
Foto Vaszlovszky
Weening Keukens
Stripwinkel *
Hettema Wonen aan het water
4U-Com computers
Super de Boer
Webbict *

* = Webzaak zonder fysieke winkelruimte


De lemmingmens

1. Zawahiri. Aan het eind van dit recente, dociele interview met hem, roept Al Zawahiri, de nummer 2 van Al Qaida, de jihadi’s op hun aanvallen toe te spitsen op de olie-industrie:

“De meeste inkomsten gaan naar de vijanden van de Islam, en wat ze overlaten wordt geplunderd door de dieven die onze landen regeren. Dit is de grootste roof uit de geschiedenis der mensheid. De vijanden van de Islam verteren met een ongeëvenaarde hebzucht deze vitale bron. Om de bron te behouden voor de natie der Moslims moeten we deze diefstal op alle mogelijke manieren tegengaan. Als je de dieven alleen maar kan stoppen door ze te doden, doodt ze dan zonder pardon.”

2. Monbiot. In een column staat George Monbiot stil bij het geloof in biodiesel. Aan fossiele brandstoffen, zoals olie, verbruikt de mensenwereld per jaar maar liefst 400 maal wat de aarde in een jaar aan planten en dieren produceren kan. Het idee dat we de fossiele brandstoffen eenvoudigweg kunnen vervangen door een surrogaat is een fabeltje. Bovendien legt aanplant voor de productie van dit lapmiddel een enorm beslag op ruimte. Wat bijvoorbeeld in Maleisië en Indonesië ten koste gaat van enorme arealen tropisch regenwoud. Juist door de aanplant van palmolievelden komt daar gigantisch veel kooldioxide in de atmosfeer, waarmee de globale opwarming nog sneller verloopt. Het is zo klaar als een klontje dat we in het westen onze mobiliteit moeten beperken, maar in plaats daarvan wordt die gestimuleerd.

3. Rammstein. In de top 40 staat Benzin, een nummer van Rammstein, dat onze benzine-verslaving met al zijn gewelddadige implicaties adequaat verwoordt en in beeld brengt. Met name het omverrijden van de smalle bomenlaan maakt indruk als metafoor. En ook al geeft de clip de lemmingmens een sprankje hoop, dat blijkt al gauw een gruwelijk fata morgana.


Doe FF normaal ja!!!

Links van mij wonen studenten.Boven mij wonen studenten.En achter mij wonen studenten.Ik zou dus wat met deze actie moeten hebben. Maar feit is, dat ik normaliter niet of nauwelijks overlast ervaar. In elk geval geen geluidsoverlast.

De studenten van nu zijn veel rustiger dan wij in ‘onze’ tijd. Ze hebben het veel te druk met hun studie en hun bijbaantjes. Als je bij mij in de buurt om 1 uur ’s nachts rondkijkt, dan zie je dat bijna overal het licht al uit is in de straten met veel studentenpanden. Zo’n kwarteeuw geleden was dat wel anders. Toen brandde op dat tijdstip nog bijna in elk studentenhuis het licht.

Maar nu.
Vandaag en gister was het bijna niet te harden.
En vorig weekend was dat ook al zo.
Steeds maakt dat lawaai me wakker.
Steeds houdt die electronica me uit de slaap.

Het is de langdurig en doordringend tutende wekker van een afwezige buurstudent.
Gewoonlijk staat hij om 8.45 uur op, laat die wekker me merken.
Een beetje fatsoenlijk uitslapen is er op mijn vrije dagen niet meer bij.


Een zondvloed aan de Meeuwerderweg

9 zondvloed meeuwerderweg

De website is helaas alweer uit de lucht, maar er stond een totaal onbekende en zeer bijzondere foto uit 1924 op van een ondergelopen Meeuwerderweg – ziehier een grote en opschaalbare versie.

Doordat de kleine huizen op de foto allemaal gesloopt of samengevoegd en opgetopt zijn, is de situatie nu nog slechts aan de hoge panden te herkennen. Dan gaat het met name om het blok met het balkonnetje rechts van het midden, waarin nu Café Merleijn zit, en de puntdaken centraal in de verte, die bij de Frederikstraat horen.

De blik is zuidwaarts gericht. Getuige het hekje rechts op de voorgrond stond de fotograaf een meter voorbij de hoek van de Jacobstraat. Links zien we het hoekje van de Joachim Altinghstraat, waar zich nu DA-drogisterij Wildeboer bevindt. Voor het pandje staat nog een Jugendstil-achtige telefoon- of telegraafpaal. Op de plek van de kleine woningen rechts bevinden zich nu onder andere het Kaes- en Stoethuus, de Tabaksgemak, de Mitra en biologische winkel De Ingen.

Dat er ook indertijd in de pandjes hier al middenstand zat, laten de uithangborden zien. Op de uitvergrote foto zijn de opschriften gedeeltelijk leesbaar, maar met wat hulp van het Groninger Adresboek van 1924 is het hele strookje mooi in kaart te brengen:

  • 103 – D. Brouwer, ‘fijnwasscher’ met een machinale was- en strijkinrichting;
  • 105 – wed. J. Bakker (vaag in de deuropening te zien, de besnorde man aan de stoeprand met de bretels over zijn overhemd zou haar zoon kunnen zijn);
  • 107 – H. Carels, kapper (de man met vlinderstrik en giletje, achter hem staat waarschijnlijk een klant);
  • 109 – C. Born, in boter, kaas en eieren, fijne vleeswaren, wijnen en likeuren;
  • 111 en 113 – H. van Nieff, vishandel, tevens karrenverhuurder en schoorsteenveger (de karren zullen op de binnenplaats achter hebben gestaan);
  • 115 – R. Nieborg, werkman;
  • 117 – wed. L. van der Wal;
  • 119 – wed. W. Grol, magazijn voor gemaakte en gebreide manufacturen (haar inwonende zoon was chef in een tricotagefabriek, vermoedelijk die van Reinier Muller, achteraan de Meeuwerderweg);
  • 121 – J. Benus, kruidenierswaren in ‘De Hoop’;
  • 123 – wed. B. Oosterveld, suikerwaren.

Links en voorbij de Joachim Altingstraat zaten hier:

  • 108 – R. Thiescheffer in wollen garens en tricotages;
  • 110 – J. Strikwerda, stoker;
  • 112 – G. Sekuur, groentehandel;
  • 114 – wed. J.E. Wolff;
  • 116 – J. Kamphuis, horlogemaker.

Iedereen kwam de winkels en de huizen uit om zich te laten vereeuwigen, in totaal staan er zo’n zeventig mensen op de foto. Opmerkelijk is, dat de mannen bijna even vaak petten als hoeden dragen, een teken dat de buurt ook toen al een gemengde bevolking kende. Wel staan de hoeden achteraan – ze kwamen wat later – en behoren de petten meest toe aan mannen die bij de gemeentereiniging werkten. Midden op de weg zette de dorpsgek twee kratjes in het water neer, waarop hij soldatesk met een bezem over zijn schouder poseert. Links van hem een slagersbakfiets. Op de achtergrond zien we vooral vrouwen, waarvan een enkele een kind op de arm draagt. Rechtsonder zijn dan nog enkele duimafdrukken te ontwaren van de onbekende fotograaf.

Om precies te zijn dateert de foto van vrijdag 18 juli 1924. Klokke drie uur die middag goot een “ware wolkbreuk”, “zooals sedert vele jaren hier niet is waargenomen”, “geweldige watermassa’s” uit over het centrum en het zuiden van de stad. “Bij bakken viel het water uit de lucht.” Zelfs op hooggelegen plekken, zoals de Grote Markt en de Vismarkt, bereikte het de stoepranden.

Trams waadden er langzaam doorheen. Overal zag je kinderen met papieren bootjes in de weer, en winkeljongens fietsten met hoog opgestroopte broekspijpen. Het lager gelegen Zuiderdiep stond zelfs van gevel tot gevel blank. Hier liep het water het souterrain met de drukkerij van het Nieuwsblad van het Noorden binnen, zodat de machines er binnen de kortste keren een meter in stonden. Aanvankelijk wilde de brandweer de krant helemaal niet helpen, ook niet tegen vergoeding, en daarom wendde uitgever Hazewinkel zich tot de burgemeester, die de spuitgasten een dienstbevel gaf. Heel veel papier bleek intussen bedorven. Pas ’s avonds om negen uur gingen de eerste kranten naar de abonnees in de stad.


De dubbele agenda van DNA

7 dubbele agenda van dna ouwe groente

Ik zweer dat ik er werkelijk nog nooit eerder van gehoord had. Terwijl ik nog wel zo geïnteresseerd ben in bijna verdwenen groenterassen. Voor onze wijkkrant schrijf ik immers regelmatig over de moeskers of tuinbouwers die vroeger buiten de Groninger Oosterpoort woonden, en dan wil je ook wel weten wat ze precies teelden.

Maar goed, vandaag bracht het Dagblad van het Noorden het bericht dat een stichting De Nieuwe Akker in Veenhuizen, die zich toelegt op de zaadproductie van oude, bijna verdwenen groenterassen, dringend 15.000 euro nodig heeft voor een winteraccomodatie. Kennelijk heeft de stichting naarstig gezocht naar subsidiegevers, maar die niet kunnen vinden.

De bronnen voor dit nieuwsbericht blijken de website en vooral ook het nieuwe weblog van De Nieuwe Akker (DNA) zelf. Momenteel werkt de stichting nog vanuit een ouwe schaftkeet en een voormalige ziekenzaal van de strafkolonie Veenhuizen, maar ze heeft haar zinnen gezet op een geïsoleerde zaadopslag, een goed geventileerde werkplaats, een dito droogplaats, een kantoor, een kantine, en een overdekte laad- en losplaats.
In feite had ze ook al twee units besteld, die vorige week geplaatst zouden worden. Bij gebrek aan pecunia moest DNA die leverantie echter afbestellen. Van de leverancier krijgt de stichting nog een maand respijt om alsnog over de brug te komen, daarna spreekt hij haar aan op zijn kosten. Om die reden noemt DNA deze week “een beslissende” in haar bestaan. Komt het geld er niet, dan geven beide drijvende krachten er de brui aan. En gaat “het levenswerk” van een van hen verloren. “We hopen dat u ons wilt steunen waar u kunt.”

De met het DvhN-bericht gelanceerde publieksactie moet inderdaad een grandioos mislukte wervingscampagne bij fondsen, instanties en overheden goedmaken. Die zeggen weliswaar dat ze het werk van DNA “erg belangrijk” vinden, aldus de klacht van DNA, “maar als het aankomt op het geven van geld, geven ze niet thuis. Vooral fondsen en overheidspartijen lijken steeds weer nieuwe redenen te vinden voorlopig niet actief te participeren (…) Zelfs de Genenbank in Wageningen is terughoudender dan voorheen, nu we vragen om concrete hulp.”

Wat in het DvhN-bericht ontbreekt, is het antwoord op de vraag waarom fondsen, instanties en overheden DNA niet vooruit willen helpen. Dat er nog ergens bijvoorbeeld boerenkoolsoorten als gruine en broene mous, Groninger Withart of Zilverhart, Westerwoldse grofgekrulde, Oostfreeske en Holter Palme, Bellingwolder, Dickstrunk en smaragdgroene Terpenkool worden geteeld, zou met name Noordelijke fondsen en overheden aan moeten spreken. Mij doet het dat in elk geval wel. En hoe modieus en opportunistisch de DNA-subtitel “centrum voor biodiversiteit” ook klinkt, ontegenzeggelijk is de DNA-collectie van zo’n 500 groenten waardevol als genenbank, die bijvoorbeeld natuurlijk materiaal kan leveren in de strijd tegen plantenziekten.

Maar tegenover de nobele doelstellingen staat er ook een twijfelachtige. Want DNA bedrijft geestelijke koppelverkoop: “De andere doelstellingen van de stichting zijn samen te vatten in de begrippen spiritualiteit en zingeving”, zegt ze zelf. En ze noemt het

“vanzelfsprekend dat biodiversiteit en spiritualiteit in één adem worden genoemd. Het leven – ook het leven van planten – staat immers niet op zichzelf. Alle levensvormen zijn met elkaar verbonden en samen zijn ze verbonden met een Levensbron.”

Kijk, en van zulke zweefteverij gaan mij nou de nekharen recht overeind staan. Als ik dat lees, dan kan ik me levendig voorstellen dat fondsen, instanties en overheden weigeren om DNA te subsidiëren. Met een museum voor groente is helemaal niets mis, integendeel, maar DNA verkoopt ook nog eens een geloof of ideologie. En als je als fonds, instantie of overheid die gaat ondersteunen, krijg je binnen de kortste keren allerlei vage floepersgenootschappen op je dak.

Niet aan beginnen, dus, wat mij betreft. Ook niet als particulier.


Artistieke lingo

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Omdat gistermiddag de fietsenkelder van de Harmonie in verband met Sinterklaas al om vier uur dichtging, en mijn fiets alzo achter slot en grendel bleef, moest ik vanochtend lopend naar mijn werk. Dat nadeel heeft ook weer een voordeel: je staat sneller ergens bij stil. En je bent ook gauwer geneigd iets te fotograferen.

Zo kwam ik langs het Tschumi-paviljoen op het Hereplein, dat zaterdag weer eens een nieuw aanzicht kreeg. Er staan vijf panelen in, met elk 24 lichtgevende symbooltjes, al met al wel 120 verschillende. Een computer-programmaatje maakt daar per paneel weer een letter van en die letters vormen samen om de twintig seconden een nieuw vijfletterwoord. In feite vormt het geheel dus een soort van artistiek verantwoorde lingo.

Tot 1 maart kan iedereen zijn eigen vijfletterwoord nog opsturen naar de organisatie achter dit kunstwerk – deschool@home.nl – die plechtig heeft beloofd dat ze de ingezonden woorden zal opnemen in het aansturingsprogrammaatje.

Helaas kunnen mensen het ding niet rechtstreeks via internet beïnvloeden. Dat zou ik nog veel mooier gevonden hebben. Die Tschumi-redactie zal er ook wel terdege op letten, dat het allemaal verschillende woorden zijn. Daarmee is spijtig genoeg een stokje gestoken voor het spammen van mijn voornaam. Graag had ik een ferme verklaring tegen deze lieden afgelegd, maar het wordt me niet gegund. En daar zal ik dan maar in berusten.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA