Hakke Diene en haar drieling

1 - Drieling Noordhorn Van Sloten ansichtkaart ca 1907

Heb de laatste dagen een stuk of wat streektaal-opnamen bij Soundbites beluisterd en mocht weer constateren dat er juweeltjes van verhalen tussen zitten.

Zo bevat de opname die in 1971 te Zuidhorn werd gemaakt een conversatie over dorpstypen van weleer (9:15-12:00 min.; transcriptie pag. 9-12). Een van die mensen was Hakke Diene. Deze vrouw had een drieling – louter meisjes  – en met die drieling in een kinderwagen reisde ze stad en land af.

Volgens de zegsman die het meest over haar wist, een transportondernemer geboren te Noordhorn in 1925, werd een van Hakke Dienes dochters genoemd naar koningin Wilhelmina. Daarom zou de koningin geld hebben gestuurd, waarvan Hakke Diene die kinderwagen kon kopen. Op toernee met deze kinderwagen verkocht Hakke Diene ansichtkaarten waarop haar drieling stond.

In de omgeving van Zuidhorn was de vrouw vooral bekend van boeldagen. De lokale afmijner wilde niet met zijn werk beginnen, voordat Hakke Diene ook aanwezig was. Zij kreeg allerlei spullen toegeschoven waar niemand op wilde bieden, ook zijzelf niet, ze had er al de hele zolder ermee vol staan.

De man van Hakke Diene, “Haakke”, werkte bij de gemeente, aldus het latere verhaal. Het gezin woonde in een héél klein huisje en toen de dochters alle drie verkering hadden, bleven de vrijers in het weekend wel eens alle drie slapen. Buren vroegen Hakke Diene hoe ze dat deed, met die krappe ruimte. “O”, zei ze,

“Wie gooien d’heule kakkie bie mekoar ien en wie hebben er wat schotten en zo tussen zet, dat ze nie bie mekar komen kennen”.

Tot zover het verhaal op Soundbites. Natuurlijk was ik benieuwd, hoe Hakke Diene in het echt heette, en wanneer dit verhaal zich dan afspeelde, maar om nu meteen bij Alle Groningers te gaan zoeken, leek me gezien haar (bij-)naam onbegonnen werk. Drielingen waren echter, voordat de anticonceptiepil gemeengoed werd, tamelijk zeldzaam en zij haalden daarom gewoonlijk de krant. Dat bleek ook hier het geval. De eerste hit was een bericht in De Grondwet van 30 juni 1905:

“GRONINGEN, 22 Mei. Ze was te voet heel van Noordhorn gekomen, haar kinderwagen voortschuivende, waarin drie zusjes van denzelfden leeftijd, een drieling dus, een vreemde zaak, op de kermis op hare plaats. Althans zoo denkt de moeder er over, want zij rijst (sic) met haren schat over de marktpleinen om haar moederzegen den volke te vertoonen. ln het vertrouwen, dat het publiek voor het bekijken van deze merkwaardigheid een kleinigheid zal laten glijden in het blikken busje, dat zij wel zoo vriendelijk is u voor te houden. Met zekeren trots vertelt zij daarbij dat koningin Wilhelmina niet lang geleden van haar belangstelling in het welvarende drietal heeft doen blijken door toezending aan de ouders van f 25 bij gelegenheid van den eersten verjaardag van het trio, waarvan een naar H.M. is genoemd.”

Een soortgelijk, maar wat korter bericht – getiteld “Op de kermis te kijk” – bleek ruim een maand eerder in de Gooi en Eemlander te hebben gestaan en met deze berichten als uitgangspunt was het zoeken in Alle Groningers een peuleschil. Barberdina Kremer, de vrouw van de (gemeente-)arbeider Harke van Sloten, beviel op 19 juli 1904 te Noordhorn van de drieling. Terwijl de oudste naar de koningin Wilhelmina Paulina Helena Maria genoemd werd, heetten haar twee jongere zusjes respectievelijk heel eenvoudig Luiktje en Renske. Hoewel de zegsman van 1971 van een generatie later was, bracht hij het verhaal (uit overlevering) dus wel redelijk goed over. Alleen was de drieling niet op de verjaardag van de koningin geboren, zoals hij geloofde – Koninginnedag viel destijds immers op 31 augustus.

Nu louter zoekend met de zoekterm Noordhorn in de gedigitaliseerde krantenleggers van 1904, bleek dat de geboorte van de drieling toch ook niet onopgemerkt was gebleven. Het Nieuwsblad van het Noorden berichtte op 21 juli:

“NOORDHORN, 19 Juli. De vrouw van den arbeider H. v. S. alhier schonk heden aan drie meisjes het leven. Moeder en kinderen zijn zeer welvarend!”

Terwijl het Rotterdamsch Nieuwsblad een week later een enigszins kritisch kopje boven zijn ultrakortje plaatste:

“Van ’t goede te veel
Een werkmansvrouw te Noordhom vermeerderde haar gezin met een drieling: meisjes.”

Overigens was de vernoeming van het staatshoofd absoluut niet uniek. Toen in 1906 bij het gezin Heres te Bedum een drieling geboren werd, kreeg het meisje de naam Wilhelmina Helena Paulina, terwijl een van beide jongens naar de prins-gemaal Hendrik Wladimir Albert ging heten (het andere jongetje kwam er bekaaid af als: Jan). En bij een behoeftig huisgezin uit de Amsterdamse Jordaan kregen anno 1910 de drie gelijktijdig geboren kindertjes deze namen: Wilhelmina, Hendrik en Juliana! Mogelijk rekenden arme families, waar een drieling natuurlijk een hevige aanslag op het gezinsbudget vormde, met dergelijke vernoemingen bij voorbaat op een douceur van ons vorstenhuis.

Verder googelen leverde nog op dat Harm Renkema bovenstaande prentbriefkaart van de drieling op zijn Flickr-account heeft staan. Bij Zuidhorn-in-Beeld is zelfs nog een tweede te vinden (op tweederde van de gelinkte pagina). Blijkbaar heeft Hakke Diene meermalen een foto laten maken. Volgens het bijschrift op de Zuidhornster website, die de namen niet helemaal goed weergeeft, schonk de koningin de drieling zelfs heel wat meer dan enkel die 25 gulden, waarvan anno 1905 in de kranten sprake is:

“Wilhelmina werd naar de koningin genoemd. Hare Majesteit werd hiervan in kennis gesteld, die hierop reageerde door hun ieder jaar een cadeautje te zenden, tot hun 21e verjaardag. Op deze dag ontvingen de kinderen een naaimachine, onder de mededeling dat, nu zij meerderjarig waren, gestopt werd met het zenden van verjaardagsgeschenken.”

Volgens Vincent Sleebe, die zich daarvoor baseerde op een brief in het gemeentearchief van Zuidhorn, lieten Hakke Diene en haar man hun drieling nog in 1909 voor geld op de kermis zien.

Bij nazaten van de drieling blijkt het verhaal ook nog wel bekend.


De plaag van nieuwjaarslopers uit de achterbuurten (ca. 1860)

“Een grote plaag echter was het Nieuwjaarlopen van het volk uit de achterbuurten, o.a. uit het Olde Bosch, de afgebroken buurt waar zich nu het Emmaplein bevindt. Deze lieden gingen van deur tot deur. Niemand weigerde hen enig geld, want er zou een grote oploop uit voortvloeien. Het was zelfs niet uitgesloten dat de glazen werden ingegooid als de ontevredenheid van deze Nieuwjaarwensers werd opgewekt. En als er nu maar brood en turf voor het geld gekocht werd, was het nog tot daar aan toe. De opbrengst van deze ergerlijke bedelpartij werd omgezet in sterke drank zonder dat vrouw en kinderen er profijt van konden trekken. De overlast werd tenslotte zo groot, dat de burgemeester het Nieuwjaarlopen verbood.”

Bron: A. Pathuis, ‘Uit Groningens historie; wintergenoegens van onze voorouders’, Nieuwsblad van het Noorden 28 december 1957.

Commentaar: Pathuis schreef over toestanden van “een eeuw geleden”, dus over de periode 1850-1860. Wanneer het nieuwjaarslopen in de stad Groningen precies werd afgeschaft, ben ik nog niet gewaar kunnen worden, maar op het platteland werden in genoemd decennium vele Nieuwjaarscommissies opgericht, die geld voor de armen gingen inzamelen, een praktijk die gepaard ging met het gelijktijdige verbod op het Nieuwjaarslopen door armelui ter plaatse.


Reclame voor diverse vermakelijkheden

Het begin van de filmvertoning in Groningen (zie het artikel van Frans Westra en Karel Dibbets in de laatst verschenen Stad & Lande):

1895 NvhN 18-12-1895b

Nieuwsblad van het Noorden 28 december 1895.

Bedum had ooit een eigen fietsenfabriek – VEENO – waar ze toen al deden in opoefietsen:

1925, 22 mei VEENO rijielen Bedum

Nieuwsblad van het Noorden 22 mei 1925.

Curieuze vacantie-aanbieding van Zwartsenberg:

1926 d - 27 juli 1926

Nieuwsblad van het Noorden 27 juli 1926.

Dit fonds, Festa in Winschoten, opgericht in 1923 als niche van muziekhandel Hekman, bestaat formeel nog steeds.

Festa Winschoten Drentsch Dagblad 28 juli 1944

Drentsch Dagblad 28 juli 1944.

Vraag me gezien de datum af of het ook aangesloten was bij de Kultuurkamer. Veel zal het niet om hakken hebben gehad, Na de oorlog adverteerde het rustig door.


Winterliederen over de grup

Linde Nijland, Henk Scholte en Bert Ridderbos waren tussen Kerst en Oud & Nieuw even over de grup. Ze deden drie van hun winterliederen in het live-progamma Noardewyn (Noordenwind) van Omrop Fryslan:


Nieuwjaarswens van de Drekmenners (1852)

Wat we nu de Oosterpoort noemen, lag voor de ontmanteling van de vesting Groningen buiten de Oosterpoort van deze stad. En daar had je, zo’n beetje tussen het huidige cultuurcentrum en het tegenwoordige Zuiderpark in, een belangrijke stedelijke voorziening, namelijk de Drekstoep, oftewel de plek waar straat- en huisvuil, menselijke fecaliën en mest werden gemengd voor verzending naar de veenkoloniën.

Bij deze voorziening kon het behoorlijk stinken. Dat gold ook voor de mannen die er al het vuil heenbrachten, verwerkten en inlaadden. Drekmenners of Gele Rijders werden ze wel genoemd, en hun wagens heetten ook wel ironisch Boldootkarren.

Quasi uit naam van deze mannen nu, is een nieuwjaarsgedicht geschreven, dat ik aantrof op de eerste pagina’s van het Groninger tijdschrift De Huisvriend, jaargang 1852. Hoogstwaarschijnlijk was deze pastiche, die alle conventies van het toenmalige nieuwjaarsgedicht volgt, het werk van de bekende Jan Goeverneur. Als redacteur van De Huisvriend plaatste hij een noot bij het gedicht, waarin hij verantwoordde dat hij het bewuste ingezonden stuk plaatste in het vertrouwen, “dat niemand onzer Lezers uit dit stuk een booze lucht toewaaijen zal”.

Goeverneur hoopte dus, dat de lezer hem de plaatsing niet kwalijk nam. In zijn gedicht dringen de drekmenners namelijk aan op het verwijderen van wat resterende luchtjes uit de Groninger burgerhuizen en boerderijen – geurtjes die samenhingen met allerlei minder fraaie menselijke eigenschappen als twistzucht, drankzucht, eigenwaan, gokzucht, politieke en religieuze partijzucht, trots, behaagziekte en geldzucht. Hier is het gedicht:

OOK NOG VUIL IN HUIS?

——-

EEN NIEUW LIED,
AAN DE ACHTBARE BURGERS IN STAD EN LAND
BIJ DEN AANVANG VAN DIT NIEUWE JAAR
DOOR HUNNEN ONDERDANIGE DIENAARS
DE ASCH EN KARRELUI
EERBIEDIG OPGEDRAGEN.

Welvroede Mannen! van wat kleur,
Wat deeg of stof gij ook mogt wezen;
Wel schoone Vrouwen! als de geur
En bloem van de aard met regt geprezen:
Kortom, zeer achtbre Burgerschaar!
Gelijk al menig duizend jaar
De koopliên uit het Oosten kwamen
En bragten wierook, aloë,
Met kostelijke mirrhe meê,
Zoo ziet ge ons, aschliên, thans te zamen,
Optreên uit ons òòk riekend oord,
Gelegen buiten de Oosterpoort,
Waar de uchtendzonne bloost en gloort,
Om, zij ’t geen geur van specerijen,
Toch op den eersten dag van ’t jaar,
Als onze gave op ’t feestaltaar,
U heil en groet en beê te wijën.

——-

Gij weet, van tweeden nieuwjaarsmorgen
Tot ultimo December toe,
Betoonden wij ons ’t werk niet moe,
Maar zaagt ge ons onverdroten zorgen,
Dat wat in huis en stad niet hoort
Gebracht werd buiten de Oosterpoort.

Potscherven, lompen, lorren, vodden,
Tuig, afval, ’t vuile beddestroo,
Omballing, heel uw rommelzoô
Van oude sloffen, flarden, todden,
Gootmodder, asch, vuil en zoo voort,
Wij bragten ’t buiten de Oosterpoort.

Al wat ge onnuts, wat – met permissie! –
Ge vuils, naars, goors en stinkends vondt,
Met wat u stuitte of tegenstond,
Met heel uw smerige commissie
Belastet ge ons tot aan den boord,
En dan – ’t ging buiten de Oosterpoort.

Wat moet dus ’t geurig bij u wezen!
Wat moet, welk huis we ook binnengaan,
Een zoete lucht ons tegenslaan,
Nu al, wat kwaden reuk doet vreezen
En ’t rein van d’atmosfeer verstoort,
Gebragt is buiten de Oosterpoort!

Dus mijmerden wij, karremannen,
Toen wij, ons zondagspakjen aan,
Dees morgen kwamen aangegaan;
We waanden allen stank verbannen,
En toch…. uit menig huis komt voort
Een luchtje als van onze Oosterpoort.

Hoe, Burgers! kan dat mooglijk wezen?
Hoe Burgeressen! kan dat zijn?
Och, – wordt niet boos, weest niet sjegrijn,
Als we u in ’t kort de les reis lezen! –
Niet AL, wat bij u thuis niet hoort,
Gaaft gij ons mee naar de Oosterpoort.

Twist, Tweedragt, Ruzie, Kijverijen,
Verschil staag tusschen man en vrouw,
Rook ’t niet dààrnaar in dit gebouw,
We zouden de eigenaars benijen,
Och menschen, wat uw rust zoo stoort,
Geeft ’t mee, geeft ’t mee naar de Oosterpoort!

Drank! – Goede God! die stank der stanken
Verpest hier zoo de lucht in huis?
Kapot de flesch! Het glas in gruis!
Ge zult in eeuwigheid ’t ons danken.
Weg met de pest van de ergste soort!
Geeft ze ons mee buiten de Oosterpoort.

Mijnheer! we willen graag gelooven,
Dat wat gij denkt, schrijft, leert of speekt,
Goed is; doch: “Wijs- en waarheid steekt
Alleen in mijn begrip!” te boven
Gaat dat ons dom verstand. – Och voort
Met zulk een Waan naar de Oosterpoort!

Gij die bij dagen en bij nachten
Bij jas of lanter nederzit,
Slechts uit den Kaartenbijbel bidt,
En vrouw en kindren laat versmachten,
Och, eer soms ge in den grond u boort,
Geeft mee dat vuil naar de Oosterpoort!

En gij die, om gaauw rijk te wezen,
In ’t Koninklijk Hazardspel deelt,
Dat talloos tal van jammren teelt,
Och, ook uw hoopen en uw vreezen,
Dat u de rust der ziel vermoordt,
Geeft ons ‘t, geeft ons ’t voor de Oosterpoort!

Hier staan we voor een boerenwoning;
Had Praalzugt, Trots, Hoovaardigheid
Er niet zoo’n booze lucht verbreid,
Men zou er huizen als een Koning.
Mijnheer! Mevrouw! och hoort ons woord:
Geeft mee dat vuil naar de Oosterpoort.

Kabalen links; regts ook kabalen!
Het kuipen groot, de ambitie flaauw, –
Veel kiezers aan hun pligt ontrouw, –
Getob om stemmen op te halen, –
Och, jeetje! wien dat ook bekoort,
Wij wenschen ’t buiten de Oosterpoort.

Mejuffers die met gekke snufjes
Ons mannen, naar ge meent, behaagt,
Die roemt op wat ge al uitbaks draagt,
Niet op wat ge inbaks hebt, och nufjes!
Koketterij…. vertrouwt ons woord!
Wordt eens oud vuil voor de Oosterpoort.

Hier woont er een die al zijn dagen
Den snooden Mammon heeft gewijd.
Ligt, dat hem menigeen benijdt;
Maar wij, we moeten hem beklagen.
Geld-, Gouddorst, Woeker, al dat soort
Hoort thuis bij ons vòòr de Oosterpoort.

Religietwist, Verkettring, Hating
Van wie niet bidt, gelijk Gij bidt.
Van wie in andren kerkstoel zit,
Stank, stank is daarvan de achterlating;
Wàt ge ook gelooft, gelooft ons woord:
Die stank moet buiten de Oosterpoort.

Och, wat nog drek en vodderijen!
Wat kunnen we, eer het overal
Schoon, rein en geurig wezen zal,
Nog niet een vuil en modder rijen!
Dus Burgers! luistert naar het woord
Der mannen van uit de Oosterpoort:

——-

Elk huis in deze stad moet net en zind’lijk wezen;
Geen lucht waaije er, die er niet hoort!
Dat we onzen pligt niet doen, wilt, Burgers! dat niet vreezen,
Onze aschkar rolt bestendig voort;
Doch, ligt nog kwade stof bij genen of bij dezen,
Om ’t even maar van wat voor soort,
Geeft een nieuwjaarsfooi ons, voor ’t rijm door u gelezen,
En gooit ons al dat tuig aan boord.
We wenschen dat alom eens deze stad geprezen
Zij, als heel Neerlands geurigst oord,
Waar de allerfijnste neus op zijn gemak kan wezen,
Behalve…. buiten de Oosterpoort.


Hoe in Hoogkerk een eind aan ’t nieuwjaarslopen kwam

“Te Hoogkerk is ook nu weder, even als het vorige jaar vanwege het Dep[artement] tot Nut van ’t Algemeen, eene kollekte gedaan ten behoeve der armen, ter vervanging der gewone nieuwjaarsgiften en tot voorkoming der bedelarij, met dat goed gevolg, dat ook thans niet alleen het hoogst schadelijk rondloopen langs de huizen op nieuwjaarsdag kan worden voorgekomen, maar ook eene meer doelmatige tegemoetkoming ter herinnering nan dien dag kan worden bewerkt.”

Bron: Groninger Courant 24 december 1852.


“Denk niet dat alle koeken van eenerlei maaksel zijn”

“Brandewijn met boonen” is niet typisch Drentsch, omdat het velerwege in mode is. Maar wat zeker nagenoeg alleen den ouden Drentenaar eigen is, is het gebruik van een ouderwetschen zilveren “kop” (= brandewijnskom, HP) en dito lepel, welke beide traditioneele oudheden hier en daar op Nieuwjaar lustig rondgaan, d.w.z. alle dan aanwezigen nemen telkens, op de beurt af eenen hap met bedoelden lepel uit den “kop”. Reeds vroeg in den morgen wordt daarmee het nieuwe jaar ingewijd. 

Maar laat ik eerst al de drukte beschrijven, welke dien gewichtigen morgen en dag voorafgaat. Als ge, lezers, tusschen Kerstmis en Nieuwjaar vele Drentenaren bezoekt, vindt ge er stellig ettelijke meisjes en jonge mannen aan ’t bakken van Nieuwjaarskoeken, en niet slechts eenige dozijnen, maar in vele huisgezinnen hebben een paar jongelui een vollen dag druk werk met dat bakken. Dikke stukken keenhout worden vroeg in den morgen aan ’t vuur gelegd; een stuk spek afgesneden, gedoopt in olie en vastgestoken aan eene vork om zoo te dienen tot het telkens smeren der nieuwjaarsijzers; de eerste mengselpot wordt bereid en men vangt den arbeid aan. Diezelfde mengselpot wordt meermalen aangevuld, nu eens voor kwaliteit van zoo-zoo voor de echte “loopers”, dan weer voor het betere soort met het doel daarop buren en familie te trakteeren. 

Want denk niet dat alle koeken van eenerlei maaksel zijn. Anijs en stroop zijn vaste ingrediënten, maar meer of minder stroop, daar zit ‘m de knoop der welsmakendheid en dan … de meelsoort, die van rogge, gerst of tarwe kan zijn, de eerste beide vooral. 

Is het spek aan het einde van den dag niet afgeslreken, dan worden de laatste koeken van superieure kwaliteit, nl. dikke spek-nieuwjaars-koeken, die zich goed laten smaken.”

Bron: Drenticus (te B. = Borger?), ‘Zeden en gewoonten in Drente’ 1: Nieuwjaarsgebruiken, Nieuwsblad van het Noorden 7 januari 1900.


Ondanks het decemberdipje bestaat er geen reden voor ontevredenheid

De ontwikkeling van het aantal pageviews per maand, vanaf het begin van Groninganus in september 2011. Het incorporeren van de Gelkinghe-logjes in februari 2013 zorgde voor een flinke boost. Terugvalletjes zijn er in de vakantieperioden, als er vooral minder scholieren komen kijken:

Ondanks het decemberdipje etc blog


Een gezond en voorspoedig 2014 !

Nieuwjaarskaart B. Jacobs ca 1888 HJR blog

De kaart komt bij Harm Renkema vandaan, die er nog meer van dezelfde uitgever op zijn warm aanbevolen Flickr-site  heeft staan.