Tras
Geplaatst op: 19 augustus 2009 Hoort bij: Oosterpoort, Stad toen 4 reactiesVan 1737 tot 1800 stond er aan de oostzijde van het Winschoterdiep een rosmolen, die tufsteen vermaalde tot tras, het eerste cement. Hier het relaas van de eigenaars, hun produkten, hun profijt en het roemloze einde van hun bedrijf.
Begin 1737 maakten de gebroeders Daniel en Jan de Ringh, beide dan nog woonachtig te Leeuwarden, hun opwachting in het Groningse raadhuis. Met een fraai staaltje kanselarijtaal meldden ze daar aan Burgemeesteren en Raad, dat ze ertoe neigden zich in Groningen te vestigen. Geruime tijd handelden ze al in cement, een negotie die ze “wel breder wenschten te exerceren”. Daarom wilden ze hier een windmolen oprichten, “met welke de sementmalerie konde werden gedaan”. Ook moest die molen schelpzand, weedas (een wasmiddel) en schuurzand maken, allemaal produkten die de gebroeders De Ring “in een merckelijcke menagieuser prijs” konden leveren, “als voor tegenswoordig alhier te geldinge van jeder species is”.
Reken maar dat de Groninger heren hun oren spitsten. Van goedkoper cement kon immers ook de stadskas profiteren, want de stad had nogal wat kaden, muren en panden in onderhoud. Het verzoek van de gebroeders De Ringh om een octrooi, een alleenrecht op de productie van genoemde artikelen in de stad, willigden ze dan ook nagenoeg in. Op 19 januari 1737 kregen de gebroeders dat privilege. Voor vijftien jaar en met uitsluiting van anderen mochten ze hier cement, schelpzand, en weedas gaan maken. Alleen voor schuurzand wezen de Heren het octrooi-verzoek af – dat goedje mochten Daniel en Jan de Ringh “nevens een ander” produceren.
Een maand later bleken de broers al een lokatie op het oog te hebben voor vestiging van hun bedrijf. Maar op die plek deden zich “verscheiden swarigheeden” voor. Vanwege die problemen verzochten ze in plaats van een windmolen “een Rat te mogen gebruiken”. Anders gezegd: ze wilden nu een rosmolen bouwen, waarin een of twee paarden een aandrijfrad op gang hielden.
Zo’n rosmolen trok men ook wel op uit zwaar eikenhout en ijzer, maar ontwikkelde een stuk minder vermogen dan een windmolen, al was je niet afhankelijk van de wind en kon je er zelfs met nul Beaufort nog mee malen. De gebroeders De Ringh hadden hun ambitie dus bijgesteld. Ook met hun gewijzigde opzet ging het stadsbestuur accoord.
Op dat moment bezaten de gebroeders De Ringh nog niet de grond waar ze hun molen wilden neerzetten. Via een stroman verwierven ze die. Van 11 mei 1737 dagtekenen de acten waarbij deze stroman dit vastgoed kocht en doorverkocht aan Daniel de Ringh. Die telde 1425 gulden neer voor het huis, het koehuis en het kamerwoninkje ernaast, 100 meer dan de stroman ervoor betaalde.
Het goed lag aan de oostzijde van de Trekweg buiten het Klein Poortje, ruwweg tussen de herbergen De Vonk en ’t Wapen van het Oldambt in. De directe noordelijke buurman was Jan Bartels Noordhoorn, scheepstimmerman en baas van de helling aan de overzijde van het diep. Zuidelijk van De Ringhs nieuwe eigendom lag een tochtsloot en op het perceel aan de overkant van die sloot bevond zich weer de stal van de snikkevaarderspaarden. Om een hedendaagse plaatsaanduiding te geven – de beoogde rosmolen voor cement kwam waar nu de flat Het Baken staat, vlakbij de Griffebrug.
Met die plek voor ogen is het ook wel voorstelbaar waarom er problemen rezen bij de beoogde bouw van een windmolen. Van de vellen die een leerbereider eens in deze omgeving langs de Trekweg ophing, vreesde het stadsbestuur dat ze ongelukken met paarden en wagens zouden veroorzaken. En als een paard al op hol kon slaan van een drogende schapenhuid, eventueel klapperend in de wind, wat voor effect moesten ronddraaiende windmolenwieken dan wel niet op die schrikachtige dieren hebben? Vandaar dat de gebroeders De Ringh hun ambitie bijstelden.
In maart 1738 brachten ze opnieuw een bezoek aan het raadhuis, nu om te melden dat hun rosmolen klaar was. De bouw duurde “geruimen tijdt”, want ze hadden er nogal mee “gefluctueert” – de bouw ging dus met ups en downs gepaard. Ook deden de gebroeders “considerabele deboursementen” voor die bouw, ze gaven er met andere woorden een bult geld aan uit. Maar eindelijk konden ze dan beginnen met het echte werk, en de schenking van het “Octrooij van Sementmalerie” in herinnering roepend – “’t geen Rem[onstranten] ten hoogsten danckelijk erkennen” – verzochten ze het stadsbestuur of ze voortaan “de leverantie van haare waren an Haar Ed[el] Mog[ende] Stads wercken” mochten hebben, “onder offerte om immer soo dugtige leverantiën off in het groot off in het klein te doen”, en onder aanbod dat ze deze waren “in aegale prijs met die van buiten inkomende” zouden leveren.
Een “aegale prijs” was natuurlijk wel wat anders dan de “merckelijck menagieuser prijs”, die de gebroeders bij hun octrooi-aanvraag nog beloofden. In elk geval bleek het stadsbestuur, nu het er zo voor stond, een stuk minder toeschietelijk. Tot de gevraagde vaste klandizie wilde het zelf niet overgaan – de heren van de Rekenkamer moesten er maar over beslissen, van jaar tot jaar.
Ongeveer tegelijkertijd wendden Daniel de Ringh en Comp. zich ook tot Gedeputeerde Staten, met de boodschap dat ze “een nieuwe trafique” hadden opgezet voor het “pulveriseren” van allerlei materialen. Voorlopig wilden ze beginnen met het malen van de grondstoffen voor potas, weedas, verfstoffen, snuiftabak, schelp- en schuurzand en ze vroegen voor zichzelf en “de werkgasten, so an opgem[elde] trafique mogten worden geëmplojeert” vrijdom van de provinciale belastingen. Daarmee stemden de Gedeputeerden in en zo hoefden de De Ringhs en hun eventuele arbeiders tien jaar lang geen hoofd- en haardstedengeld te betalen. Een privilege, dat overeenkomt met dat van de Hugenootse en andere ‘buitenlandse’ ondernemers, die zich vanaf 1681 in Stad en Lande vestigden “met een nieuw fabrycq”.
Of andere cementmolenaars eerder zo’n provinciale belastingvrijdom in de wacht sleepten weet ik niet, maar in de stad waren er wel een paar voorgangers van De Ringh geweest.
Alle cement, dit vooraf, was in deze tijd nog tras, of fijngestampte en gemalen duif- of tufsteen, vrij zachte vulcanische sedimenten die uitsluitend uit steengroeven in de Eifel kwamen, vlakbij Keulen en Trier. Vermengd met kalk en water levert tras een krachtige metselspecie op, die ook onder water goed hardt en dus veel toegepast is in sluizen en kelders. Tras vulde kwalitatief het gat tussen enerzijds de wisselvallige schelpkalkmortels, en anderzijds de superieure Portlandcement die na 1870 de markt ging monopoliseren.
Tras was een produkt van trasmolens. In deze molens werden brokken tufsteen fijngestampt door zware stampers met ijzerbeslag, en/of vergruisd onder een kollergang, een door een as verbonden stel rechtopstaande molenstenen, die als wielen in een ronde goot rondreden. In zo’n molen heerste niet bepaald een gezond milieu. Horen en zien vergingen er je door kabaal en stof. Trasmulders en hun arbeiders liepen een grote kans op doofheid en silicose.
Dankzij verdragen met Duitse vorsten had Dordrecht in de zeventiende eeuw nog een stapelmarkt van tufsteen. Daar stonden ook verreweg de meeste trasmolens. Doordat Dordrecht de kwaliteit van de tufsteen scherp bewaakte, werd de Dordtse keur landelijk maatgevend. Naast het eindprodukt verstuurde Dordrecht ook wel goedgekeurde tufsteen naar elders. De eerste keer dat er in Groningen een verwerkingsbedrijf wordt genoemd is in een acte van 1681 waarbij Roelof Idskes een huis kreeg aan het Schuitendiep “daer die Sement Molen uithangt”. Zijn familie had ook een kalkwerk aan het Reitdiep en zat dus in de bouwnijverheid.
Maar als er inderdaad al een trasmolen bestond, dan was die niet erg levensvatbaar. Want in 1703 bleek het Groninger stadsbestuur bereid om zo’n molen te beschermen met een octrooi. De begunstigde heette Reinder Lolckens en diens alleenrecht gold 25 jaar. Op zijn uithangbord aan het Hoge der A stond een cementmolen. Nam Lolckens dit bord over van Roelof Idskes, met wie hij kalkovens aan het Reitdiep bezat? Hoe het ook zij, tot zijn dood, circa 1717, leverde Lolckens grote hoeveelheden cement aan de stad
Zes jaar later ontving ene Derk van Helder een nieuw trasmolen-octrooi voor Groningen. Zijn termijn was vijftien jaar, tien jaar minder dan die van Lolckens. Inmiddels vond het stadsbestuur de stimulerende maatregel bijkbaar iets minder urgent. Uitdrukkelijk mocht iedere stadjer cement “van buiten” (lees Dordrecht) ontbieden. Verder trof ik Van Helder nauwelijks aan, zijn bedrijf kwam vermoedelijk niet erg van de grond.
Ook bij deze voorgangers van Daniel en Jan de Ringh ging het om rosmolens. Om op hun terug te komen, over hun achtergrond is me niet veel meer bekend dan dat ze respectievelijk in 1704 en 1707 te Leeuwarden werden geboren. Ten tijde van het octrooi waren ze dus 33 en 30 jaar oud. Daniel, de oudste, was duidelijk de dominante van het stel. Niet alleen kocht hij in zijn eentje het onroerende goed buiten Klein Poortje, ook was hij de man die namens de gezamenlijke compagnie processen voerde.
Dat bleken er tijdens of vlak na de bouw van hun rosmolen meteen al drie. Hij won er twee, en verloor de derde smadelijk. Boven is al opgemerkt dat de bouw van de rosmolen met ‘ups and downs’ verliep. Welnu, dat klopt, want op 2 november 1737 eiste Daniel de Ringh voor het Volle Gericht van de stad dat de molenmaker Wyger Sjoerds, net als hijzelf waarschijnlijk een Fries, hun onderlinge aannemingscontract zou nakomen en de molen buiten het Kleine Poortje volgens bestek zou afbouwen. Ook wilde De Ringh dat Sjoerds hem een klein rad overhandigde, “zijnde een soort van model waar na een groote Sementmolen zoude werden getimmert”. Maakte Sjoerds zijn werk niet af, dan moest dat op zijn kosten door een andere molenmaker gebeuren.
Daartegenover beloofde De Ringh zelf nog wat uitstaande rekeningen aan de molenmaker te betalen, al gold dat dan niet voor bouwmaterialen die Sjoerds op zijn eigen naam van kooplieden betrok. Wel wilde De Ringh weer voor Sjoerds instaan en ervoor zorgen dat de molenmaker achteraf niet voor schulden werd aangemaand. Hoe beide partijen dit zaakje precies schikten is me onbekend, maar dat de molenmaker zijn werk voltooide staat buiten kijf, want toen De Ringh ruim dertig jaar later “zyn wel gelegene en nieuws getimmerde Behuyzinge benevens deszelfs Zement Molen” te koop aanbood, zette hij er in de advertentie als aanbeveling bij, dat deze in 1737 “door den welbekenden en vermaarden Molenmakers baas Wyger Sjoerds” gebouwd was.
De Ringh en Sjoerds bakenden hun verantwoordelijkheden niet goed af bij de bouw van de rosmolen, zo blijkt ook uit het tweede rechtszaakje. Begin 1738 eiste luitenant Dijk, een koopman in bouwmaterialen, namelijk voor het Nedergericht, dat Daniel de Ringh de schade aan een “stenge” van hem zou vergoeden. De Ringh voerde daartegen aan, dat Wicher Sjoerds dat stuk gereedschap bij de bouw van de cementmolen gebruikte, zodat Dijk de molenmaker maar moest aanspreken. Als getuige gaf Sjoerds de schuld uiteindelijk ook toe, zodat de notitie in het koopmansboek van Dijk van nul en generlei waarde was. Daarmee verloor Dijk het proces en moest hij aan De Ringh diens proceskosten betalen, een rekening die een veelvoud bedroeg van de oorspronkelijke inzet.
Zoals gezegd, verloor De Ringh een derde proces, en hoe. Ook deze zaak begon als een eenvoudig schuldzaakje, maar escaleerde tot een boetstraffelijk proces wegens valsheid in geschrifte. In oktober 1737 eiste de metselaarsbaas Roeleff Hansen voor het Nedergericht de betaling van ruim zestig gulden arbeidsloon van hem en zijn knechten door Daniel de Ringh. Nadat De Ringh de gebruikelijke inzage in de boekhouding van Hansen kreeg en ook een copie van diens rekening, en de zaak zich zoals gebruikelijk voortsleepte, besloot het Nedergericht haar echter op 17 februari 1739 “ter judicatuire van Burgemeesteren en Raad” te wijzen.
Voor het Volle Gericht beweerde De Ringh vervolgens, dat hij Hansen al betaald had en dat ook kon aantonen met een kwitantie van Hansen. De metselaarsbaas mocht dan wel beweren dat hij nooit zijn handtekening voor voldaan onder zijn nota had gezet en dat die handtekening dus “nagebootst” was, maar dat kon nergens uit worden opgemaakt.
De Ringh bezwoer de magistraat dat hij altijd “integer vitae scelerisque puris” geweest was, dat wil zeggen een deugdzaam leven had geleid, van misdaad vrij. Verklaringen uit Friesland, zijn geboorteprovincie konden dat staven. Dat de handtekening van Hansen precies overeenkwam met een handtekening onder een oudere nota, was weliswaar frappant, maar ovoldoende bewijs voor fraude, “geperpetreert van een man die ter goeder naam en faam staat”. Daarvoor moesten er meerdere getuigen zijn. Bovendien kwam de rekening van Hansen helemaal niet overeen met de post in diens boekhouding. Volgens De Ringh was die rekening maar een “gefabriceert chartebel” (verzonnen kattebelletje), waar de heren geen geloof aan moesten schenken. Daarom verzocht De Ringh ze, de eis van Hansen af te wijzen.
Hansen hield uiteraard staande dat zijn rekening wèl geloofwaardig was. Als metselaarsbaas kon hij weliswaar geen “correct koopmansboek” houden, maar “volgens gebruik” maakte hij dagelijks aantekeningen, “waar in gespecifeert wie, wat dag en hoe lang gearbeid waar”, notities die hij “dan alle week des saturdaags overbragte” (in het net overschreef). Aantekeningen en boek van Hansen waren door De Ringh onderzocht, nooit eerder tegengesproken en dus voor waar erkend. Ook betaalde De Ringh een andere rekening uit hetzelfde boek wel. De handtekening onder de kwitantie die De Ringh aanvoerde, noemde Hansen nogmaals “notoir nagebootst”, omdat het…
“…onmooglijk waar dat de handen op elkanderen gelegt sijnde selfs de grootheid van regulen en letters, ja ook de spatie tusschen deselve gemeten en met malkanderen geconfereert sijnde, dus in allen deele correct gelijk bevonden konden worden, voornamentlijk van Jemand die niet alleen seer slegt schrijft, maar ook selfs (gelijk uit de quitantiën blijkt) omtrend de spelkonst niet vast is”.
Met andere woorden: op elkaar gelegd kwamen de twee handtekeningen van Hansen onder de oudere nota en de kwestieuze rekening precies overeen, wat voor zo’n matig en inconsequent schrijver als Hansen bepaald niet in de rede lag. En daarom moest De Ringh maar eens bewijzen dat Hansen die tweede handtekening inderdaad had gezet. Bovendien zeiden de verklaringen uit Friesland alleen iets over De Ringhs vroegere gedrag en kwamen die in deze zaak niet van pas.
Uit beide bewaard gebleven rekeningen blijkt inderdaad dat beide handtekeningen precies overeenkwamen, en dat Hansen maar een krakkemikkig pootje had. Op 23 juni 1739 hakten Burgemeesteren en Raad de knoop door. Ze stelden Hansen in het gelijk. Aanvankelijk wilde De Ringh nog in hoger beroep, maar hij koos eieren voor zijn geld en liet de metselaarsbaas op 1 december van dat jaar betalen. En daarmee bevestigde hij stilzwijgend de uitspraak van de magistraat, die meteen de fiscaal (openbaar aanklager) opdroegen, onderzoek te doen naar de “falsiteit” van de kwitantie die De Ringh tegen de metselaarsbaas had ingebracht.
Voor de fiscaal herhaalde Hansen nog maar eens hoe de vork in de steel zat. Op 1 december werd hij ontboden naar het huis van Dr. Swanevelt, een advocaat, waar het geld dat De Ringh nog moest betalen al op tafel lag. Ook Burgemeester Geertsema was daar aanwezig. Waarschijnlijk omdat De Ringh zelf in velden noch wegen te bekennen viel, wilde Hansen zijn nota niet kwijten, en daarom zette Swanevelt er maar zijn handtekening onder, met Geertsema als getuige.
Nu kreeg Burgemeester Geertsema juist in deze tijd “de klem der regeringe” van
de stad in handen. Tot Geertsema’s bovenliggende, staatsgezinde regentenfactie behoorde ook Swanevelt. Enkele van de machtigste Groninger heren namen dus voor De Ringh waar. Maar als ze met hun betaling aan Hansen de zaak ‘onder de pet’ probeerden te houden, dan hadden ze het mis, want op 11 februari 1740 eiste de fiscaal voor het Volle Gericht de “arbitraire correctie” van Daniel de Ringh, wegens het gebruiken van een “vals instrument” in het civiele proces tegen Roeleff Hansen. En De Ringh kon dan wel weer aanvoeren dat hij in Leeuwarden “van een seer eerelijck gedrag” was geweest, zodoende bankroetgeruchten tegensprekend, dat haalde allemaal weinig uit.
Om te redden wat er nog te redden viel, maakte hij een knieval voor de heren,
“sig beklagende over sijn onvoorsigtigheid wegens ’t gebruik in seker proces van de hand ter correctie vermelt”.
Ook onderwierp hij zich “ten enemaal” aan hun uitspraak. Die kwam begin juni 1740 en hield een veroordeling in tot een boete van 100 gulden, met de kosten van het proces. Waarmee de trasmulder er nog genadig afkwam, want op valsheid in geschrifte stond voor minder geprotegeerde lieden zonder meer verbanning uit Stad en Lande.
PROFIJT
In zakelijk opzicht was het niet betalen van de metselaarsbaas en het vervalsen van diens rekening natuurlijk een stommiteit van jewelste, want metselaarsbazen waren de belangrijkste afnemers van tras. En reken maar dat het slachtoffer zijn gildebroeders en andere aannemers vertelde, hoe die De Ringh hem probeerde te bezwendelen. Door het akkefietje liep De Ringh reputatieschade op en maakte zijn trasmolen een slechte start.
Daniel de Ringh was ook niet het gemakkelijkste heerschap, blijkt uit de vele processen die hij voerde. Zo legde hij in 1739 beslag op de snuifdozen, de pennekoker en het geld van iemand die hem 108 gulden schuldig was, en eiste hij in 1739 gerechtelijk een lening van 300 gulden op. Won De Ringh deze zaakjes, anders was het gesteld met een proces dat zich in de jaren 1740-1746 afspeelde.
Eind 1740 bestelde De Ringh in Amsterdam 22 vaatjes weedas die naar Hollum op Ameland werden verscheept, waar hij ze zou laten afhalen door een Groninger schipper. Maar omdat de trasmulder niet per omgaande wissel betaalde, kreeg zijn schipper de weedas niet mee. De Ringh wilde vervolgens de ligdagen en de verteringen van de schipper korten op de rekening voor de weedas, maar dolf smadelijk het onderspit.
Uit de zaakjes blijkt al met al, dat de eerste jaren van de trasmolen inderdaad moeilijk moeten zijn geweest. Daniel de Ringh trok alles uit de kast om geld bijeen te schrapen en betaalde rekeningen met moeite. Wellicht vanwege het karakter van Daniel, maar misschien ook om minder monden van de trasmolen te laten eten, trok zijn inmiddels getrouwde broer Jan zich in 1746 terug uit het bedrijf. Dankzij het octrooi en de bijkomende privileges verkreeg hij alsnog het kleine burgerrecht van de stad. Gratis, zodat hij alleen nog maar admissiegeld hoefde te betalen om lid van het schildersgilde te kunnen worden, wat hij tot zijn dood in 1760 bleef.
Daniel de Ringh bleef vrijgezel en zou kinderloos sterven. Hoe rendeerde zijn bedrijf? Zijn belangrijkste potentiële klant was ongetwijfeld de stad, die nogal wat kaden, muren en huizen in onderhoud had. Niet voor niets vroegen Daniel en zijn broer in 1738, bij de gereedmelding van hun trasmolen, om voortaan de leverantie van cement aan de stadswerken te mogen hebben. Maar omdat ze hun tras even duur wilden leveren als de Dordse, terwijl ze een jaar eerder nog een veel lagere prijs beloofden, wilde het stadsbestuur daar niet aan. Het verwees de gebroeders naar de heren van de Rekenkamer.
Aanvankelijk bestelden die inderdaad cement bij de gebroeders De Ringh. Zo leverden Daniel en Jan in 1738 95,5 ton tras aan de stad en twee jaar later 104,5 ton. Opmerkelijk is, dat de veroordeling van Daniel, in 1740, nog niet betekende dat de stadsrekenmeesters zich tot andere leveranciers wendden. Aan het eind van dat jaar hadden de gebroeders ook een bestelling van de stad in voorraad van 300 ton. En omdat de opslag van deze “groote quantiteit” voor hen “seer schaadelijk” was “wegens de interessen van sulken Capitael”, nam de stad er begin 1741 op hun verzoek 195 ton van over, die de stadsbouwmeester liet opslaan in de stadstimmerschuur.
In 1742 leverden de gebroeders echter nog maar een kleine hoeveelheid cement aan de stad, en daarna is hun naam niet meer bij leveranties in de stadsrekeningen te vinden. Als vanouds betrok de stad haar tras weer uit Dordrecht, omdat ze daar toch goedkoper bleek. Zo kreeg stadsopzichter Luppe Tonkens in maart 1745 opdracht, om 100 ton cement van Dordrecht te laten ontbieden “wegens desselfs geringe prijs”.
Omdat hij de stadsleveranties verloor en zijn reputatie bij de particuliere doelgroep niet groot was, moest Daniel de Ringh flink aan werving doen. Terwijl andere moleneigenaars zelden adverteerden met hun produkten zoals meel, gort, planken, olie en papier, liet De Ringh regelmatig aan het begin van het bouwseizoen, in april of mei, een bekendmaking in de Groningsche Courant plaatsen, om potentiële klanten op zijn negotie te attenderen. In 1745 begon hij daarmee:
“D. de Ringh tot Groningen, het Tiende huys buyten het kleine Poortje, word tegenwoordig verkogt de Ton of Mudde Zement voor twee gl. met Contante, van nieuwe Keulse duyfsteen gemaalen. Als meede verscheiden zoorten Wydas, bekwaam voor Bleekers en om Gaaren in te kooken, alles uyt de eerste hant.”
Die weedas keerde in latere advertenties niet terug. Wel steenkalk. In die bekendmakingen heet het dat De Ringhs tras “op de keur gemaakt” werd en geschikt was “om Oly- en Regenbakken van te maaken”. Op de keur gemaakt betekende, dat er een vorm van kwaliteitscontrole bestond, die moest voorkomen dat er slechte waar op de markt verscheen. Midden jaren 1750 wijdde Daniel de Ringh daarover uit. Zijn tras, vertelde hij toen trots, werd
“door ervaarene Meesters, als ook door een Voornaam ARCHITEK deezer Stad op de Proef onderzogt en bevonden in qualiteyt te zijn boven de Dortsche Zement”.
In zijn advertenties noemde De Ringh ook steeds de prijs van zijn cement. Helaas valt daar bij gebrek aan vergelijkbare, gepubliceerde gegevens nauwelijks iets mee te doen. Hoogstens zou je kunnen zeggen dat hoge prijzen te wijten waren aan geschillen met of tussen Duitse keurvorsten bij de Rijn, waardoor de aanvoer van tufsteen stokte. Maar verder was de afzet van cement natuurlijk niet afhankelijk van de trasprijs. Veel bepalender voor de bouw was de import van hout over zee. Bij een oorlog met Engeland viel die stil, en daarmee de bouw. Zo’n zee-oorlog maakte De Ringh van zijn levensdagen niet mee en hij zal dus vrijwel altijd afzet hebben gehad.
Rond 1750 ging de stad haar werken meer en meer aanbesteden. In tegenstelling tot de stad zelf betrokken haar particuliere aannemers wel weer cement van Daniel de Ringh. En dat moet het eerdere verlies van de stadsleveranties weer enigszins hebben goedgemaakt. Jammer genoeg is er geen enkele aannemersboekhouding bewaard, maar dankzij rechtszaakjes krijgen we wel zicht op een paar van die klanten. Zo eiste De Ringh in 1751 ruim 173 gulden van de aannemer Theile Uilkens en 137 gulden van Jan Hensuma wegens geleverd cement. Hensuma was poortier van de Oosterpoort, maar ook aannemer van stadswerken. De Ringh zijn tras gebruikte hij voor de reparatiewerkzaamheden aan het Kleine Poortje.
Naast deze stadsaannemers leverde De Ringh tras aan pure particulieren. Zo vinden we zijn naam op de schuldenlijst van de Bengaalse Sichterman uit 1764, voor een bedrag van bijna 47 gulden. Mogelijk werd ’t hiervoor geleverde cement gebruikt voor reparaties aan het kolossale pand van de oud-koloniaal aan de Ossemarkt, dat er nu nog steeds staat.
Winst werd in deze tijd voornamelijk geïnvesteerd in onroerend goed, en dergelijke beleggingen zouden dan ook een aardig inkijkje kunnen geven in het reilen en zeilen van De Ringhs negotie. In de achttiende-eeuwse verzegelingen van de stad komt zijn naam echter maar twee keer voor. Ten eerste bij de aanschaf van het goed buiten Klein Poortje in 1737, en de tweede maal als voogd over andermans goed, in 1759. En daarmee mag je concluderen dat Daniel de Ringh nooit veel overhield van zijn handel.
In elk geval schrok hij behoorlijk, toen er een eindje zuidelijker en aan andere kant van het Winschoterdiep een concurrent verscheen. Al vanaf 1680 stond hier een windmolen voor het pellen van gort, die de doopsgezinde gebroeders Hulshoff verbouwden tot een pel- èn trasmolen. Voor het uitbaten van een wind-trasmolen kregen zij in mei 1768 een stedelijke octrooi, dat zes jaar gold.
Hun molen mocht dan wel afhankelijk van de wind zijn, ze kon ook een stuk meer vermogen ontwikkelen. Dadelijk zag koopman De Ringh de bui hangen. Nog in dezelfde maand dat de Hulshoffs hun octrooi kregen, bood hij zijn vastgoed te koop aan. Dat bestond uit “zyn wel gelegene en nieuws getimmerde Behuyzinge, benevens deszelfs Zement Molen, gemaakt in het Jaar 1737 door den welbekenden, en vermaarden Molenmakers baas Wyger Sjoerds”. Opmerkelijk is dat die cementmolen dan ook ingericht is “tot het Olyslaan”. Kennelijk had De Ringh het al gezocht in produktdiversificatie.
Een groentje die het bedrijf zou willen overnemen hielp hij trouwens graag een eind op weg:
“den genen die van dezen handel onkundig is, kan ik door een dertigjarige behandelinge, van alles op het naukeurigste onderrigten”.
Maar ondanks dit educatieve aanbod raakte Daniel de Ringh zijn bedrijf niet kwijt. In mei 1775 adverteerde hij voor het laatst. Dan blijkt hij de concurrentie van Hulshoff’s windmolen te hebben bestreden met verbijzondering van zijn produkt. Door het te zoeken in extra kwaliteit hoopte hij het verlies aan afzet te compenseren, want over zijn cement meldt hij dan dat
“die gezift word door een Zeef daar in de duim vierkant 484 gaatjes zijn, en dus meer als drie maal fynder als die te Dort of elders gemaalen word en is bekwaam om met de Kalk in een Lighaam te verenigen, om het allervoornaamste Werk (als Zeepzieders Loogbakken, Olybakken en Kelders) van te maaken. (…) Ook word by my gemaakt de Bloem uit de Cement en uit de steenkalk om verborgen lekken digt te maaken, als ook tot gesneeden voegen aan de Gevels, het leggen van marmeren vloeren en inzonderheid tot het bepleisteren waarop in Frisco geschildert kan worden.”
Nog geen jaar later kondigden zijn zusters en erfgenamen de veiling aan van
“haare hegt sterk en net doortimmerde Behuisinge, benevens de Cement Molen (…) waar de Cement Fabriek en Steenkalknegotie thans nog wordt gecontinueerd, gelijk als door wijlen haar broer Daniel de Ringh zedert veele Jaaren met zeer goed succes is geëxerceert”.
BEDRIJFSOPVOLGERS
De veiling van huis en molen vond plaats op donderdag 11 juli 1776 in het Provinciale Koffiehuis op de Grote Markt. Maar het hoogste bod was kennelijk onaanvaardbaar, want nog dezelfde maand maakten de gezusters De Ringh bekend dat ze doorgingen met het bedrijf van hun broer, waarbij ze wel geïnteresseerd bleven in een onderhands bod. Iets wat Theodora de Ringh aan het begin van het bouwseizoen 1777 nog maar eens in de courant liet zetten.
Uiteindelijk vond ze een gezelschap kopers. Van 5 maart 1778 dateert de acte, waarbij de zaakgelastigde van de juffers De Ringh de behuizing, de cementmolen en alle daarbij horende gereedschappen overdroeg aan een consortium, gevormd door de kooplieden Haitzen Haitzema, Jannes Wyndels en Roelof Hoekzema. De koopsom bedroeg 3000 gulden, maar geld ging er niet over de tafel. De juffers schoten dat hele bedrag voor en het goed werd onderpand van hun hypotheek.
Half april 1778, aan het begin van het nieuwe bouwseizoen, maakten de nieuwbakken trasmulders zich bekend in de Groningsche Courant:
“De Kooplieden H. Haitzema, J. Wyndels en R. Hoekzema adverteeren dat zy door Inkoop Eygenaars zyn geworden, van de Cement Moolen van Daniel de Rink, buyten het Kleine Poortje tot Groningen, alwaar zy thans en zullen continueeren met maken en Verkopen van alderbeste Proefhoudende Dortze Cement en Steenkalk. Recommandeeren zig in een jegelyks gunst kunnende een ieder van best goed en een civiele behandelinge verzeekert zyn.”
Na anderhalf jaar besloten Haitzema, Wyndels en Hoekzema grootscheeps te investeren. Aan het stadsbestuur vroegen ze toestemming voor de verbouwing van de rosmolen tot een windmolen. Tot dusver gebruikten ze paarden, betoogden ze, en het was “gemakkelijker en voordeliger” die aandrijving te vervangen door “een vlugt”, “hetgeen geen algemeen noch een particulier nadeel veroorzaakt”.
Haitzema c.s. kregen nul op hun rekest. Dat gebeurde zonder opgaaf van redenen, maar natuurlijk waren de oude bezwaren tegen een windmolen nog onverminderd van kracht. Op de vlakbij liggende Trekweg liepen volop paarden en die mochten niet schrikken en op hol slaan door draaiende molenwieken.
Nu de zaken er zo voor stonden, wilden Haitzema c.s. de rosmolen wel weer kwijt. Begin oktober 1779, nog geen drie maanden na hun vergeefse bezoek aan het stadhuis, verkochten ze hem onderhands aan de heer Engelbert Theodorus van Berckel. Hoewel hun investeringen niet door waren gegaan, maakten ze toch een heel aardige winst. Want de koopsom bedroeg 6300 gulden, ruim twee maal zoveel als het bedrag waarvoor ze de trasmolen anderhalf jaar eerder hadden overgenomen.
Ook Van Berckel meldde zich dadelijk in de krant:
“De Heer Engelbert Theodorus van Berkel adverteert dat hy door Inkoop is Eigenaar geworden van de Cement Moolen van de kooplieden Haitsema, Wyndels en Hoeksema buiten het Kleine Poortje, alwaar dezelve continueert met het maaken en Verkoopen van beste Dortze Cement en Steenkalk. Recommandeert zig in een iegelyks gunst, zal tragten een ieder genoegen te geven.”
Van Berckel zou slechts een half jaar baas van de trasmolen blijven. Aan zijn titel en naam valt al af te lezen, dat hij niet uit ondernemershout gesneden was. Als zoon van een Rotterdamse stadssecretaris was hij van regentenkomaf. Meerdere Hollandse ooms en neven van hem ontpopten zich in de jaren 1780 tot invloedrijke patriotten, en zelf gold Engelbert als de aanstootgevendste patriot buiten de Oosterpoort, zodat zijn woning aan de Houtzagersteeg in 1787 grondig door oranjeklanten geplunderd werd. Dat hij de trasmolen tegen zo’n hoge prijs overnam, kwam waarschijnlijk doordat zijn vrouw, een Bothenius, staat maakte op een erfenis van de juffers De Ringh. Met die erfenis zou de gehandhaafde hypotheek van de juffers op de rosmolen vervallen.
Als de molen tenminste van Van Berckel bleef. Maar in maart 1780 verkocht hij al een tweederde aandeel terug aan Haitzen Haitzema en Jannes Wyndels, die er 4000 gulden voor betaalden. Omgerekend was de hele trasmolen dus 6000 waard, zodat Van Berckel een verlies van 300 nam. Overigens zal de 6000 gulden bij deze gelegenheid een veel reëlere waarde zijn geweest dan de 6300 bij de vorige overdracht.
Andermaal introduceerde de nieuwe firma zich:
“De kooplieden H. HAITZEMA en J. WYNDELS voor Twee Derde eigenaar geworden, zynde van de Cement Moolen (…) zoo door haar te vooren in Eigendom gebruikt is onder Firma Haitzema, Wyndels en Hoekzema, zullen van nu af aan maaken en Verkoopen allerbest Proefhouden Cement voor de laagste prys, onder het Firma van Haitzema, Wyndels en van Berckel”.
In de firmanaam kwam Van Berckel dus op het derde plan. Naderhand gingen er blijkbaar praatjes dat hij nota’s van de trasmolen inde, maar het geld niet doorgaf aan zijn compagnons. Al op 5 mei 1780 liet hij namelijk in bedekte termen weten, dat hij met ze wilde afrekenen:
“De Heer E.T. van BERCKEL adverteert by deezen dat al die geene die iets van hem te pretendeeren hebben, voor het eind van May om haar geld gelieven te koomen, dewyl door baatzugtige en kalonniatie Lieden werd uitgestrooit dat hy niet in staat is zyne Creditoren te voldoen”
Dat er ruzie in de tent was blijkt uit de schielijke verkoop van zijn resterende derde aandeel aan Haitzema & Wyndels, drie dagen later, voor 2000 gulden. En uit nog weer een bekendmaking in de courant, van weer een dag daarna:
“De Kooplieden H. HAITZEMA en J. WYNDELS de geheele Cement Moolen (…) in eigendom hebbende bekoomen, met alle uitstaande Kredieten, adverteeren een iegelyk die van gemelde Moolen Cement heeft gehad aan niemand anders als an haar in Perzoon betalinge te doen…”.
Van de twee overgebleven compagnons was Haitzema het meest betrokken bij de trasmolen. In zijn winkel aan de Steentilstraat noordzijde verkocht hij cement, naast onder andere ‘ekkelhammen’, een Westfaalse delicatesse. Bovendien bleef zijn familie tot het einde toe in het bedrijf, terwijl Wyndels er al spoedig mee ophield.
Dat ging zo. In 1786 wilde de weduwe Haitzema de met Wyndels mandelige trasmolen laten veilen. Dat gebeurde ook, maar zij zelf en Donko Zageman, een zwager, boden het hoogst, en kregen de onderneming voor 5000 gulden in handen, waarmee ze dus 1000 gulden minder waard bleek dan in 1780.
Donko Zageman was cipier van het provinciale Hof van Justitie in de Oude Boteringestraat en exploiteerde ook nog een herberg aan de Nieuwe Ebbingestraat. Daarmee had hij genoeg te doen en hij zal zich dus niet al te veel met de trasmolen hebben kunnen bemoeien. De leiding van het bedrijf lag eerst in handen van de weduwe Haitzema, en na haar dood in die van haar kinderen. Zo kondigde een zoon die de familienaam tot Atzema verbasterde eind 1789 de volgende veiling van de trasmolen aan. Op die veiling verkocht echter alleen Zageman zijn halve aandeel, en wel aan de nog minderjarige Jan van der Schuur, die in 1791 Anna, een dochter van Haitzen Haitzema zou huwen. Omgerekend kwam de waarde van de trasmolen en wat erbij hoorde nu neer op 3325 gulden, waaruit men concluderen mag, dat het er beslist niet op vooruit ging met het bedrijf.
Naast het halve aandeel in de molen nam Jan van der Schuur ook de helft van het gereedschap, het oudste paard en de helft van het hooi over. Wat betreft de voorraden cement en steenkalk gold echter een afzonderlijke regeling.
Gaandeweg de jaren negentig werd Jan van der Schuur de enige eigenaar. Hij had een koopmansbehuizing en kaarsenmakerij aan de Zwanestraat, waar hij ook cement verkocht, en Petersburgse waskaarsen. Eind 1797 bood hij dat huis onderhands te koop aan, en liet hij zijn cementmolen en olieslagerij buiten Klein Poortje veilen. Maar verkocht werd die niet. Ook bleef een overdracht van de trasmolen uit na maar liefst drie veilingen in 1798 en 1799. Bij de laatste, van eind april 1799, vlak voor de dood van Jan van der Schuur, werd de trasmolen zelfs “op afbreuk” aangeboden, dus voor een sloopprijs. En nog haalde dat niets uit.
Koud was Anna Haitzema de weduwe van Jan van der Schuur, of ze raakte financieel zwaar in de nesten. In het kader van haar schuldsaneringsprocedure kwam de trasmolen in maart 1800 opnieuw onder de hamer. Eindelijk diende zich dan een koper aan, Roelf Haitzema, wiens magere bod van 2685 gulden voldoende werd geacht. Nog dezelfde maand ontmantelde hij het bedrijf, dat zo’n twintig jaar in de familie was geweest:
“Uit de hand te koop een extra groote SCHUUR staande buiten het klein Poortje, waar in een aanzienlyke party Hout waaronder extra zwaare Balken zyn, benevens een zo goed als nieuw Kamrad en een extra groot Paarde Rad. Iemand gading makende vervoege zig by R. Haitzema in de Steentilstraat tot Groningen”.
Het lege onroerende goed buiten Klein Poortje verhuurde Roelf Haitzema eerst voor honderd gulden per jaar aan twee huishoudens. Maar na een paar jaar besloot hij het te laten verbouwen. Eind 1802 bood hij via een metselaarsbaas “de WOONINGEN uitgemaakt hebbende de geweezen Cementmolen buiten de Kleine Poort, voor een groot deel nieuw opgemetseld” te koop aan. De behuizing bestond toen uit “3 boven en 3 benedenkamers onder een dak”. In mei 1803 trok Marten Hylkes, een gewezen boer uit Noorddijk, erin. Het geheel kostte hem slechts 2550 gulden. Hij begon er een herberg, naar het uithangbord ‘de Koppel Paarden’ geheten. Geen erg originele naam, maar een die op een bepaalde manier nog wel aan de rosmolen herinnerde.
Alle overdrachtstransacties nog even overziende, maakte het bedrijf van Daniel de Ringh gedurende diens leven toch wel een zekere opgang. In 1737 betaalde hij 1425 gulden voor het onroerende goed buiten Klein Poortje, terwijl zijn zusters dat in 1778 van de hand deden voor 3000. Dat laatste bedrag bleek echter ver onder de prijs. Van Berckel bood weliswaar over in 1780, maar de waarde van 6000 gulden die even later gold, was wel een reële. En wat er daarna voorviel, was alleen maar neergang.
Waar die neergang door veroorzaakt werd, ligt voor de hand. In de periode tussen 1780 en 1813 was ons land maar liefst negentien jaar in oorlog met Engeland, dat de zeeën beheerste. Door gebrek aan hout van overzee stagneerde de bouw. Bovendien nam de concurrentie in de tras alleen maar toe. Na de multifunctionele windmolen aan de westkant van het Winschoterdiep (1768), kwam er nog zo’n trasmolen aan het Damsterdiep (ca. 1785). Rosmolens voor tras verschenen er verder in 1792 aan de Schuitemakerstraat, en in 1800 aan de Zwanestraat. De rosmolen voor tras buiten Klein Poortje zat dus in de tang van een krimpende bouwmarkt en een toenemende concurrentie. Maar door de voortdurende oorlogstoestand legden de meeste concurrenten ook spoedig het loodje. Zo was er anno 1813 nog maar één trasmolen in de stad over, die aan de westkant van het Winschoterdiep. Een andere keer ga ik het daar eens over hebben.
Harry Perton
(Herziene versie van een vervolgverhaal dat eerder in de Oosterpoorter heeft gestaan. Nogmaals geredigeerd en gecorrigeerd op 18 mei 2013. )
Lustrumharddraverij
Geplaatst op: 18 augustus 2009 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenToen Berend Doornbusch in 1814 zijn pel- en trasmolen aan het Winschoterdiep westzijde verkocht, hield hij voorlopig al zijn land in de Meeuwerd en aan de overkant van het Winschoterdiep aan. Een van die weilanden, welke is onzeker, stelde hij op 12 oktober dat jaar ter beschikking voor de harddraverij, die enige “enige liefhebbers van de Paardefokkkerij” organiseerden wegens het 200-jarig bestaan van de Groninger universiteit.
Naast een tent voor de “hooge autoriteiten”, die met Hollandse en oranje vlaggen versierd was, stond er langs de afgezette renbaan “een ontelbare menigte” toeschouwers, “die elk ogenblik de lucht deden weergalmen van het Vivat Oranje, leve onze Vorst Willem I, leve de Groninger Academie!”
Zestien harddravers deden er mee aan de wedstrijd. Winnaar van de gouden zweep werd het paard van de graanhandelaar J. ten Post uit Groningen, bereden door pikeur Juursema van de Leek. Op de prijsuitreiking, waarbij het vorige, Franse regime nog even een duchtige veeg uit de pan kreeg, volgde “het luidruchtigste hoezee”.
Gilderol geeft Groninger schip uit 1686 prijs
Geplaatst op: 14 augustus 2009 Hoort bij: Stad toen 1 reactieEen zich vervelende olderman, heuveling of schrijver die de leden-administratie van het Groninger Koopmans- en kramergilde bij moest houden, heeft deze rol in 1686 voorzien van dit tekeningetje. Uit die tijd zijn niet zoveel plaatjes van Groninger schepen bekend, en dan is het toch leuk dat je zoiets bij toeval tegenkomt.
Bron: Groninger Archieven, Archieven Gilden Groningen, toegang 1325, inv. nr. 30 (rol Koopmans- en Kramergilde), fo. 232.
Reinder Lolckens, de eerste geoctroyeerde trasmulder van de stad
Geplaatst op: 13 augustus 2009 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenIndertijd schreef ik voor wijkkrant De Oosterpoorter twee series over beide trasmolens aan het Winschoterdiep, het centrum van de Groninger trasproduktie in de achttiende en negentiende eeuw. Omdat ik me natuurlijk concentreerde op de bedrijven in de buurt, kwamen twee eerdere octrooihouders er bekaaid af. Vanmiddag heb ik in het archief gekeken of ik wat meer over Reinder Lolckens kon vinden, de eerste octrooihouder van een trasmolen in de stad.
Over deze Reinder Lolckens wist ik al dat hij in 1703 voor 25 jaar octrooi – het alleenrecht – kreeg voor zijn tras- of cementmolen. Voor deze gunst moest hij een ‘pond groot’ of zes gulden per jaar octrooigeld aan de stad betalen. In de stadsrekeningen van 1706 tot 1717 komt Lolckens vrijwel steeds voor, en dan ook altijd voor leveranties van enige honderden guldens aan cement. In 1717 echter, leverde hij de stad nog slechts voor veertig gulden, terwijl de stadsbouwmeester zeker zes maal zoveel van Dordrecht liet halen. Het octrooigeld werd ook niet meer betaald, en Lolckens’ weduwe, die de zaak op haar beloop liet, verkreeg op haar verzoek in 1722 ontslag van het octrooi, met kwijtschelding van de drie jaar octrooigeld die ze nog verschuldigd was. Voor de betaling van deze somma was ze al tot twee maal toe gerechtelijk aangesproken.
In het archief eerst maar even naar de retro-acta burgerlijke stand gekeken. Lolckens, geboren in 1661 te Groningen, bleek hier in 1683 het Gildrecht en Buirmaal te hebben verworven, een soort brevet voor de koophandel. In 1688 trouwde hij met een Nieltjen Alberts. Ze kregen tot 1706 twaalf kinderen, waarvan de helft weldra doodging. Al die kinderen worden geboren bij de A.
Ook gekeken wat er van Lolkens in Rechterlijke Archieven III x zit, de verzegelingen.
Als die woonplaats aan de A het al niet deed, dan komt daaruit wel het beeld naar voren van een koopman-ondernemer. Ik beperk me tot de meest relevante transacties.
In 1692 verkoopt hij met de andere erfgenamen van Lolcke Douwes een huis aan de zuidkant voor de A-poort met nog een loodsje en lijnbaan op de A-poortenwal. Zijn vader was dus touwslager geweest.
Samen met zijn compagnons Roelof Itskes en een Wolter Harderwijk koopt hij in 1702 een huis en schuur tegenover de Ebbingepoortenbrug, met een kalkschuur en opslag. Bij die koop in zit een kalkwerk aan de noordzijde van het Reitdiep. Lolckens zat dus al in de bouwnijverheid, voordat hij het octrooi voor zijn trasmolen verkreeg..
In 1710 verkopen hij en zijn vrouw een kalkwerk, bestaand in een woning, een leshuis en drie kalkovens ten noorden van het Reitdiep. Er is geen sprake van dat dit mandelig vastgoed is, en blijkbaar gaat het dan niet om het derde kalkwerk van 1702. Wel zit er nog een woning extra bij die mandelig is met de compagnons van dat jaar. Hebben Lolckens en vrouw al eerder de andere aandelen in het kalkwerk verworven, of hebben ze een geheel nieuw gesticht?
En waar stond die trasmolen? Aan de A of aan het Reitdiep noordzijde? De soort molen hangt samen met de plek. Buiten de stad zou het een windmolen kunnen zijn. Binnen de stad was dat voor een industriemolen uitgesloten en zou het een rosmolen moeten zijn.
Het antwoord zit in een verzegeling van 1713, waarbij Lolckens en zijn vrouw de door hen bewoonde behuizing aan de oostkant van het A-diep verkopen. Dat huis is zeker niet klein, er zitten kamers, een keuken, kelders, een pakhuis en zolders in. Buiten de verkoop valt echter het uithangbord, dat de verkopers blijkbaar willen houden voor hun volgende adres. Op dat uithangbord staat de Cementmolen. Het lijkt er derhalve op dat Lolckens een rosmolen had aan het Hoge der A.
De barbier, de studenten en het meisje
Geplaatst op: 8 augustus 2009 Hoort bij: Stad toen 4 reactiesIn het oud rechterlijke archief van de stad bevindt zich de aangifte van Andreas Tuzee waarmee dit verhaal een aanvang neemt. Tuzee, ook wel eens Andries Terzee of Touzee genoemd, was op zijn oude dag nog barbier, zeg maar baardscheerder. Zijn ooit in het leger geleerde ambacht van chirurgijn – oftewel aderlater, ledezetter en amputeerder – had hij er daarentegen al enige tijd aangegeven. In zijn wat ruimer geworden vrije tijd bewerkte hij een tuin aan het uiteind van de Witlattensteeg vlakbij het groenland, ongeveer op de plek waar je nu de hoek Polderstraat/Meeuwerderweg hebt.
Begin juli 1772 kreeg Tuzee daar nieuwe buren. Er kwamen drie studenten in de tuin naast de zijne, een hof met een “hoog verheeven soomerhuis”. Tussen de barbier en die studenten boterde het niet zo en dat lag ook aan de hemelsbreed verschillende levensopvattingen van beide partijen. Tuzee was vroom, zeer vroom en ergerde zich aan het gedrag van de studenten, waarvan er één af en toe zelfs zo ver ging een jonge juffrouw – helemaal zonder toezicht, begeleiding, chaperonne of wat dan ook – mee te nemen naar de gezamenlijk gehuurde hof.
Hoe het precies tot handtastelijkheden kwam is onbekend, alleen ziet het er naar uit dat er het nodige aan vooraf ging.
Tuzee, zo moet men weten, zong bij het werk op zijn hof graag liederen. Vooral uit een bundeltje van Hoofdman Ter Borgh, een van de rechters van Stad en Lande. Dat “liedeboekyn”, zo schrijft Tuzee in zijn aangifte, had de Hoofdman hem zèlf ooit nog eens ten geschenke gegeven. In het zingen van de gezangen uit het bundeltje vond hij “veel verquikingh” voor zijn ziel. Welke teksten de barbier precies zong en of dat ook zuiver en zachtjes gebeurde, staat er helaas niet bij, maar in elk geval waren zijn nieuwe buren er op een gegeven ogenblik flauw van. De studenten verzochten Tuzee om een ander repertoire en zij deden dat in weinig diplomatieke termen:
“Oude hont, singh reys een hoerenlietyn; die kenst stoe ook wel.”
Dat was de lont in het kruitvat. De gebelgde Tuzee beschuldigde de studenten min of meer van hoeren en snoeren met de ongechapperonneerde juffrouw voornoemd, en zijn nieuwe buren van hun kant scholden de barbier uit voor “alles wat sij maer bedenken konden”. Daar bleef het niet bij, ze gooiden ook met stenen naar hem en één van hen sloeg en schopte hem “deerlijk”.
Dat staat in de aangifte van Tuzee. Op een apart briefje gaf hij een aantal getuigen op:
- de zoon van een arbeider op de zaagmolen aan het Winschoterdiep, die staande in het groenland de kloppartij aanschouwd had;
- de zoon van bakker Wieringa, die zo schrok van het gejammer en “moord! moord!” geroep van Tuzee, dat hij dwars door een heg wegvluchtte;
- en een anonieme schoolmeester, die het geval ’s avonds gelukkig aan de zadenkoopman Jan van Alsema en diens zoon verteld had, zodat hij nog wel te achterhalen zou zijn.
De namen van de daders wist Tuzee nog niet. Zij staan weer in een derde stuk in hetzelfde procesbundeltje, een zogenaamde “wondcedel”. Dat is een verklaring van medische beroepsbeoefenaren waarin zij aan het gerecht rapport uitbrengen over verwondingen. Deze wondcedel was opgemaakt door de gerenommeerde chirurgijn Quaestius, die “verscheidene aanmerkelijke kneuzingen” aan de linkerwang, het linkeroog, de rechterhand en beide dijen van zijn oud-collega constateerde en hiervoor de studenten Koppel en Bymholt verantwoordelijk achtte.
De derde van het stel studenten kende Quaestius niet, maar ook met de twee namen die hij wel gaf zat hij fout, zoals nog zal blijken. Het is een teken dat burgers met een toch tamelijk grote kennissenkring – die in dit geval ook medische en andere hoogleraren omvatte – verder niet erg thuis waren in de nog tamelijk overzichtelijke studentenwereld.
Op vrijdag 10 juli, drie dagen na het voorval, werden de wondcedel van Quaestius en de aangifte van Tuzee voorgelezen in een vergadering van Burgemeesteren en Raad, het Groninger stadsbestuur dat ook recht sprak, tenminste over gewone burgers. De heren gaven hun advocaat-fiscaal (dat was hun aanklager of officier van justitie) opdracht om het geval te onderzoeken. Een afschrift van de wondcedel ging naar de Rector Magnificus, de voorzitter van de academische Senaat, welk college van professoren het dagelijks bestuur over de universiteit uitoefende, en recht sprak over studenten die hun boeken te buiten waren gegaan.
In de rechterlijke archieven van de stad is er verder niets meer over het geval te vinden, voor het vervolg moeten we bij de Acta (de handelingen of notulen) van de Senaat zijn. Op 22 juli deed de Rector Magnificus in dit orgaan verslag van een bezoekje dat barbier Tuzee hem bracht. Tuzee, inmiddels iets wijzer wat betreft de identiteit van zijn kwelgeesten, had in zijn onderhoud met de hooggeleerde nog eens zijn grieven naar voren gebracht. Het waren, zo zei hij, student Koocken – dus niet Koppel – en consorten, “door welke hij zwaarlijk bij zijnen hoofd gewond was”.
De bedoelde Antonius Wilhelmus Koocken, de 22-jarige zoon van dominee Henricus Koocken van Valkenswaard, was derdejaars theologie en zou dus net als zijn pa predikant gaan worden. Ook de andere naam was in de wondcedel van Quaestius verkeerd gespeld. Het ging niet om een Bijmholt, maar om een Wijnholt. De juffrouw die op de hof van de jongens kwam was zijn vriendin. Om de Acta van de Senaat te citeren:
“In het gezelschap dier studenten was daar ter plaatse geweest met Wijnholt een zeekere Juffrouw, die daagelijks met Wijnholt wandelt en met zijn consorten meermalen in dien tuin geweest is, dog welke zij alle zeggen niet te weeten wie zij is.”
Wijnholt was zesdejaars en geboren en getogen in de stad. Zijn ‘onbekende’ vriendin verscheen braaf bij de Rector, maar ze weigerde daar haar naam te noemen of iets te vertellen over de toedracht van de mishandeling, waarbij ze kennelijk aanwezig was geweest. Ondanks haar geringe mededeelzaamheid kwam de Rector toch achter haar naam, en wel via haar logeeradres. De juffer was namelijk vreemd in de stad en ze verbleef in herberg het Vaandeltje, waar men haar naam opgaf als Johanna d’Amoor.
Johanna d’Amoor. Het kan inderdaad wel eens een lichtekooi geweest zijn, ware het niet dat er ook een keurig nette orgelmakersfamilie Amoor in de stad woonde en ik me niet graag zou vergissen.
Hoe dan ook, de Senaat nam de zaak behoorlijk hoog op en op zijn verzoek hoorde de stadsfiscaal alle getuigen nog eens onder ede. De fiscaal moest ook een requisitoir opstellen. Helaas zijn de verhoren en dat strafpleit verloren gegaan, we weten alleen dat deze stukken pas na de academische vakantie, om precies te zijn op 18 september 1772, werden voorgelezen in de Senaat, die een paar dagen later tot vonnissen kwam
Student Koocken werd veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten en de “kosten der geneesinge, mitsgaders der geleedene pijn” van barbier Tuzee. Over dit smartegeld moesten de student en zijn advocaat nog een robbertje onderhandelen met de barbier en diens raadsman. Partijen maakten het later af op zestien gulden en twaalf stuivers, een lieve som in die tijd (het equivalent van een maandloon van een ongeschoold arbeider). Ook schorste de Senaat Koocken voor acht dagen “van de publyke tafel der Burse”, dat wil zeggen: hij mocht gedurende die periode niet mee-eten in de gratis mensa. Bovendien kreeg hij duchtig de oren gewassen door de Rector, in het Latijn.
De brutaliteit in woord en gebaar van Koockens kameraad Wijnholt strafte de Senaat af met een boete van vier ducatons (twaalf gulden en twaalf stuivers, ook niet mis) en een gelijksoortige reprimande door de Rector.
Of beide vrinden deze vonnissen zonder wrok hebben aanvaard, kan men betwijfelen. Zowel in de nacht van 26 op 27 april 1773, als die van 12 op 13 februari 1774 werden er glazen ingegooid bij Tuzee’s huis op de hoek van het Zuiderdiep en de Pelsterstraat. De barbier mocht dan aan de ene kant doof geworden zijn, in zijn andere, goeie oor moet een daarbij uitgeroepen scheldwoord toch aardig bekend hebben geklonken: “Oude hond!” Wel bleven de daders onbekend.
Voor Koocken, wiens reputatie naar alle schijn ook verder niet al te best was, kreeg de muis nog een kerkelijk staartje. In juli 1774 verhuisde hij terug naar zijn geboorteplaats Valkenswaard, waar hij zich bij zijn vader thuis voorbereidde op de twee kerkelijke examens. Wilde hij die kunnen afleggen, of in Valkenswaard aan het avondmaal kunnen deelnemen, dan moest hij een attestatie van lidmaatschap tonen, een verklaring dat er op zijn geloofopvattingen en gedrag niets aan te merken viel. Zo’n verklaring moest de kerkelijke gemeente van herkomst, Groningen dus, afgeven. Koocken schreef echter niet zelf een brief naar Groningen, zijn vader deed dat voor hem. En de Groninger kerkeraad weigerde om vader Koocken de attestatie voor zijn zoon toe te sturen. Om op het oog nogal formele redenen: De vader kon wel zeggen dat hij die attestatie voor zijn zoon wilde, maar de wens van de zoon zelf bleef de kerkeraad onbekend, en ook wist de kerkeraad niet of de attestatie alleen voor een kerkelijke gemeente bestemd was, of voor een classis, een examinerende predikantenvergadering. In het laatste geval waren de eisen aan een attestatie natuurlijk wel wat hoger.
Door deze kink in de kabel zat er voor de student Koocken niets anders op, dan zelf de Groninger kerkeraad te vragen om een attestatie. Hij deed dat bij de jaarwisseling van 1774 op 1775 in een kort briefje. Hij had, schreef hij, de verklaring nodig voor Valkenswaard, de kerkelijke gemeente waar hij inmiddels woonde. De Groninger kerkeraad besloot hem inderdaad een attestatie van lidmaatschap te sturen.
Meer in het algemeen constateerde de kerkeraad, dat er nogal wat indirecte aanvragen van attestaties kwamen, dus van vaders en voogden voor studenten die vanwege hun “slordig gedrag” de Academie hadden verlaten. Voortaan zou de kerkeraad bij zulke indirecte aanvragen altijd eerst gaan onderzoeken. waarom iemand de aanvraag niet persoonlijk deed.
Kennelijk had een dergelijk onderzoekje naar student Koocken het een en ander aan het licht gebracht. Want in de attestatie die naar Valkenswaard ging, zei de kerkeraad met opzet helemaal niets over het gedrag van student Koocken in Groningen. En dat leverde een nieuw epistel op van vader Koocken.
De predikant van Valkenswaard beklaagde zich over de omissie. Op deze manier, zo betoogde hij, voldeed de attestatie niet aan de maatstaven, zoals neergelegd in de Kerkorde. Op deze manier kon hij zijn eigen zoon niet eens aannemen als lidmaat. Hij verzocht de Groninger kerkeraad om een nieuwe attestatie, maar dan een naar de vereiste vorm.
Zijn epistel liet Koocken senior gepaard gaan met een verklaring van de kerkeraad van Valkenswaard, dat Koocken junior zich vanaf juli 1774 stichtelijk had gedragen. Desondanks had de Groninger kerkeraad er opnieuw een probleem mee om het verzoek van collega Koocken in te willigen. Dit keer wilde men eerst de afgegeven attestatie weer terugontvangen, waarna men de zaak opnieuw zou gaan bekijken. De Groninger kerkeraad schreef naar Valkenswaard, dat men weliswaar met genoegen de verklaring van de kerkeraad van Valkenswaard had gelezen. maar dat Koocken junior berouw moest tonen over zijn gedrag in Groningen.
De Groninger kerkeraad kreeg zijn zin, want in april 1775 ontving ze weer een brief van ds. Koocken, waarin deze de onvolledige attestatie van zijn zoon retour zond. Pa Koocken schreef dat zijn zoon gewillig zijn spijt wilde betuigen over zijn gedrag in Groningen, niet alleen voor hem, maar ook voor de kerkeraad van Groningen. Dat bleek ook wel uit de bijgevoegde brief van student Koocken zelf. Antonius Wilhelmus zegt daarin berouw te hebben “van de zonden zijner jonkheid in ’t gemeen, en van die der Academie in ’t bijzonder”. Pas na deze voetval streek de kerkeraad met de hand over het hart en kreeg Koocken junior zijn volledige attestatie.
Misschien is het wel aardig om nog iets te zeggen over de loopbaan van Antonius Wilhelmus Koocken als predikant. Die stelde niet echt veel voor. Zijn eerste gemeente was pas in 1778 het kleine dorpje Est in de Betuwe. Daarna stond hij in het Zuid-Nederlandse Doornik, een garnizoensstad, ook niet iets waar je als predikant veel aanzien mee verwierf. Vanaf 1784 stond hij zeventien jaar lang in de Zeeuws-Vlaamse gemeenten Hengstdijk en Sint Pauluspolder en Hoek of Oosthoek, een omgeving waar protestanten een piepkleine minderheid vormden in een zee van katholieken.
In 1801 vroeg de hervormde gemeente Valkenswaard Koocken junior als opvolger van zijn “waardige vader”. Valkenswaard zou ook zijn laatste gemeente zijn, omstreeks 1820 ging hij hier met emeritaat. De schande van zijn jongelingsjaren zal toen wel ongeveer weggepoetst zijn. In zijn laatste jaren als dominee was hij enigszins populair, want je ziet hem in de verschillende gemeenten in de omgeving op de nominatie preken, en als emeritus leidde hij ook diensten, bijvoorbeeld in Roermond.
Op zijn oude dag verhuisde hij nog met zijn vrouw naar Nijmegen, waar ze waarschijnlijk bij een dochter en schoonzoon inwoonden. Daar overleed dominee Antonius Wilhelmus Koocken, ooit de kwelgeest van barbier Tuzee, in het najaar van 1822.
(Herziene en zeer uitgebreide versie van een verhaal dat ooit in wijkkrant De Oosterpoorter gestaan heeft.)
‘Civis Gruningensis in Phrysia’
Geplaatst op: 8 augustus 2009 Hoort bij: Stad toen 7 reactiesZo zag een burger van Groningen er in 1577 uit volgens het Duitse klederdrachtenboek van Hans Waigel. Als je niet naar zijn beenhozen en zijn kanten kraag kijkt zou je hem zo voor een Taliban-aanhanger kunnen houden, of niet soms?
Een ander voor mij nieuw plaatje in de research-databank van het British Museum is dit Castellum Groeninghen,afkomstig uit Jacob Le Roy’s Notitia Marchionatus Sacri Romani Imperii (1678). Welke burcht er bedoeld wordt is mij een raadsel.
Roaring twenties in stad
Geplaatst op: 8 augustus 2009 Hoort bij: Stad toen 5 reactiesTikte van de week in het antiquariaat van De Slegte een programmaboekje op de kop van het Vindicat-lustrum in 1924. Er staan leuke, erg tijdgebonden advertenties in, zoals deze van:
– Schoenhandel K.T. Meijer bij het Koude Gat:
– Het Groninger Jagershuis, Gelkingestraat (“Het adres voor Padvinders”):
– Frans Vos zijn schrijfmachinehandel aan de Munnekeholm:
– Garage Renkema & Koets, Veemarktstraat bij de Bonte brug:
Ontdek je plekje Groningen
Geplaatst op: 2 augustus 2009 Hoort bij: Stad toen 6 reactiesIemand die zich HilversumTV noemt, in juni lid geworden van YouTube, dumpt op zijn kanaal allerlei TV-uitzendingen uit de oude doos. Zoals een hele serie afleveringen van AVRO’s ‘Ontdek je Plekje’, onder andere die over Groningen, uitgezonden omstreeks 1977. Te zien zijn de traditionele hoogtepunten van een monumenten-wandeling door de stad, waar het Nieuwe Stadhuis uit 1962 nog recht overeind staat en het busstation zich nog aan de noordkant van de Grote Markt bevindt. >>>
Parafernalia van de Ranja-fabrikant
Geplaatst op: 27 juli 2009 Hoort bij: Stad toen 1 reactieVanavond bij Andries E. geweest, die oude spullen van binnenlandse distilleerderijen verzamelt, en daarbij ook aan ranja doet. U weet wel;, dat oer-Groningse product. Van CP.
H. wilde namelijk weten wat voor limonademerken CP zoal nog meer voerde en herinnerde zich een deskundige in een uitzending van Beno’s Stad van een paar jaar geleden. Dus die uitzending opgezocht op de site van OOG, en Andries gebeld. Hij wist die merken niet meer uit het hoofd, kon het wel opzoeken, en omdat ik hem een Ranja-dienblaadje uit de jaren dertig wilde laten zien, ging ik bij hem langs.
De namen van het hele assortiment waren: Eanja, Rojo, Risso (citroen), Cerisso (kersen), Grefita (grapefruit), Framboos, Boudoir, Hawaii en Grenadine.
Andries bleek ook het CP-kwartet te hebben, dat het Joods Historisch Museum laatst voor mijn neus wegkaapte (en dat volgens hun website nog steeds niet in de collectie zit) . Volgens hem wordt het wel vaker aangeboden. Hij kijkt voor me uit.
Van zijn verzameling herinner ik me vooral ook een etiket van Hannes, een merk gedestilleerd van Jos Beeres. Op dat etiket stond dezelfde tekening van de aapjeskoetsier als bij diens In Memoriam in de Studentenalmanak van 1958.
Andries zijn CP-verzameling begon ooit met speldjes. Daar had hij nu een paar van over en die kreeg ik mee.
Oud kraam en jong zog – aangeboden: een min
Geplaatst op: 26 juli 2009 Hoort bij: Stad toen 3 reactiesEr staat een opmerkelijke personeels-advertentie in de Groninger Courant van 3 juni 1794:
“Zoo iemand genegen is om een vaste MINNE te hebben, is zes weken oud Kraam, te bevragen buiten de Ooster Poort, by de Weduwe van de Korbeijer.”
Misschien is dit voor veel lezers abracadabra. Maar het valt uit te leggen. Een min was een vrouw die tegen betaling de zuigeling van een andere vrouw de borst gaf. Met een vaste min werd waarschijnlijk een min bedoeld, die niet op zichzelf bleef wonen, maar bij de ouders van de baby introk. ‘Oud kraam’ gold als de tijd, die verliep sinds de min zelf een kind baarde, en dus melk had. Met ‘buiten de Oosterpoort’ duidde men het gebied ter weerszijden van de Oosterweg aan. En ‘Korbeijer’ was een verbastering van koddebeier.
Het woord koddebeier werd in de negentiende eeuw een ietwat minachtend synoniem voor veldwachter. Maar anno 1794 zat de negatieve bijklank er nog niet aan vast. De term betekende toen ook niet politie-ambtenaar in het algemeen, maar jacht- en visserij-opziener. Letterlijk was een koddebeier iemand die zwaaide met een ‘kodde’, dat is een knots of een knuppel. En zodoende stropers bedreigde, of mensen die visten in verboden tijd of water.
Nu was de enige koddebeier die in de tweede helft van de achttiende eeuw buiten de Oosterpoort woonde Berend Scharpenborg, de opzichter van het Provinciale Jachtgericht van Stad & Lande. Vlak na zijn benoeming tot jachtopziener, in 1753, kochten deze oud-soldaat en zijn vrouw Leentien, die oorspronkelijk uit Zwartsluis kwam, voor 200 gulden een hof met een stenen zomerhuis aan het begin van de Houtzagersteeg, vlakbij het begin van de Oosterweg. Bovendien kreeg het echtpaar van ’t stadsbestuur de beschikking over een strookje grond ernaast, schuin tegenover de toenmalige Drekstoep, daar waar de stad eerder een houtopslag had. Op de hof en het stukje stadsgrond bouwden Scharpenborg en vrouw voor 250 gulden een woning. Ook kochten ze in 1756 voor 112 gulden nog een perceeltje tussen hun eigen hof en het pad langs de Griffe, zodat ze de hele tip tussen Houtzagersteeg en het pad langs Drekstoep en Griffe in bezit hadden.
Bijzonder was, dat hun huis naderhand ging fungeren als jeneverkroeg. Als er weer eens wat in de omgeving voorviel, kwam de stadsfiscaal (aanklager) hier de getuigenverklaringen opnemen. Kennelijk vormde het établissement van de Scharpenborgs hèt aanlooppunt voor de omgeving.
Omstreeks 1778 overleed de koddebeier en bleef zijn weduwe achter. Gezien het feit dat het echtpaar Scharpenborg al in 1727 trouwde, was de weduwe ten tijde van de advertentie minstens 80. En dus kan ze onmogelijk zelf de min zijn geweest, die zich in de advertentie aanbood. Eerder was de weduwe een vertrouwenspersoon, die bemiddelde voor een onbekende vrouw uit haar buurt.
Ik vermoed dat de min zelf afkomstig was uit de achterliggende Houtzagersteeg, waar niet bepaald de rijkste mensen woonden. Het enige kind van buiten de Oosterpoort dat voldeed aan de kwalificatie ‘zes weken oud kraam’ en dat gedoopt werd na half april en voor de datum van de advertentie, was Geertruid, dochter van Jan Vaandryn en Geertje Wiggers. Wellicht was dat meisje overleden en zochten Vaandryn en vrouw voor haar betaalde plaatsvervanging. Van Vaandryn, noch zijn vrouw is me verder iets bekend. De koddebeiersweduwe kwam ik ook niet meer tegen in zo’n rol als bemiddelaarster voor een min. De weduwe Scharpenborg was dus eerder iemand die eenmalig een grijpstuivertje bijverdiende, dan iemand die dit soort zaken professioneel aanpakte.
Een ‘uitzendbureau avant la lettre’ had wel de knechten-, meiden-, en minnenbesteedster Annegie Geldersma aan het Nieuwe Kerkhof, die anno 1752 om ieders gunst vroeg. Een volstrekt unieke advertentie in de Groninger Courant van de jaren 1743 – 1795, waaruit je kan opmaken dat er weinig emplooi in deze vorm van dienstverlening zat. Althans in Groningen – in grotere steden als Amsterdam kwamen er in deze periode wel wat meer professionele minnenbesteedsters voor, al werd hun bemiddelingswerk meer en meer overgenomen door vroedvrouwen en vroedmeesters.
Of Groninger vroedvrouwen ook voor minnen bemiddelden is me onbekend. De weduwe Scharpenborg was in elk geval geen vroedvrouw.
Elke jaargang van de Groninger Courant in de laatste decennia van de achttiende eeuw bevatte een stuk of wat advertenties voor minnen. Slechts één maal werd er op die manier een min gevrààgd, via de krant boden zich dus bijna uitsluitend minnen aan. In driekwart van de gevallen konden mensen die op zo’n advertentie wilden reageren, nadere inlichtingen krijgen in het kantoor van Hoitsema, de drukker van de Groninger Courant. Terwijl de bemiddelaarsters die de overige advertenties plaatsten, dat stuk voor stuk slechts eenmalig deden. Net als bij de koddebeiersweduwe buiten de Oosterpoort ging het in deze gevallen om een incidentele en niet-professionele vorm van dienstverlening.
Afgaande op de advertenties gaven Groninger minnen er de voorkeur aan, de babies bij zichzelf in huis te nemen. Veel minder waren ze bereid om bij de ouders in te wonen.
De Groninger minnen bevalen zich in de advertenties verder aan met een burgerlijke en “fatsoenlijke” afkomst, goed gedrag en een goede gezondheid. Een enkele maal werd er eveneens van de beoogde werkgevers gevraagd dat het “fatsoenlijke” lieden waren.
De advertenties noemden vaak ook de tijd van “oud kraam”, wat van alles tussen een drie weken en een jaar kon zijn. Later volstonden ze wat dit betreft meer met de aanduiding “jong zog”. In deze tijd gold als advies baby’s hooguit een half à een heel jaar borstvoeding te geven, omdat men dacht dat moedermelk na die periode langzamerhand bedierf. Vandaar dat ‘jong zog’ tot aanbeveling strekte.
De eisen die ouders aan een min stelden, kwamen uiteraard aan bod als ze op een advertentie reageerden, in gesprekken met de bemiddelaars en de minnen zelf. Uit historische literatuur is er wel wat over die eisen bekend. Het liefst moest de baby geen concurrentie ondervinden bij de min, wier eigen zuigeling dus of overleden, of al gespeend, of bij een andere min uitbesteed was. Ook geloofde men in deze tijd dat sperma de melk bedierf. De min moest zich dus van “vleeschelijke conversatie” (seks) onthouden. Daarom bestond er een voorkeur voor weduwen, waarvan de man tijdens de zwangerschap gestorven was, vrouwen wier mannen op zee zaten of in Oost- of West-Indië vertoefden, en ongehuwde moeders. Hoewel er over die laatsten verschillend werd gedacht, omdat ze ook wel golden als “hoeren”, die met hun moedermelk een bedenkelijke moraal aan de zuigelingen konden doorgeven.
Naast een mentaal, bestond er een fysiek gevaar, waardoor ouders bij het aannemen van een min maar beter kieskeurig konden zijn. Sowieso moest een min goed op gewicht blijven en dus goed eten. Maar ook moest er gewaakt worden tegen ziekten die via borstvoeding op baby’s overdraagbaar zijn, met name syfilis. Ook in Groningen is het inderdaad wel eens voorgekomen dat de “Venusziekte” zich openbaarde bij een zuigeling, in de periode dat een min dit kind zoogde. Maar het juridisch waterdichte bewijs dat de schuld bij de min lag, bleek in zo’n geval moeilijk te leveren, ook omdat de eigen moeders of eerdere minnen de kwaal konden hebben doorgegeven en er op die manier een grotere groep verdachten bestond, die indirect ook mannen omvatte, al bleven die altijd buiten schot.
Als een min fysiek, psychisch en sociaal geschikt bevonden was, verdiende ze hier in Groningen 24 stuivers à twee gulden per week. Dat hield iemand niet in leven, maar was zeker een mooie bijverdienste. Waarschijnlijk hing die beloning ook samen met de vraag naar en het aanbod van minnen, en daarmee kom ik op de kwestie, of er in Groningen veel gebruik van minnen werd gemaakt.
In een tijd dat er nog geen gepasteuriseerde koemelk, alternatief babyvoedsel en rubberen spenen bestonden, moest men voor baby’s, waarvan de moeders waren gestorven – bijvoorbeeld aan de veel voorkomende kraamvrouwenkoorts – gebruik maken van minnen. Maar naast noodzaak was er ook sprake van ‘luxe’, in gradaties. Vrouwen van ambachtslui en winkeliers, die moeilijk konden worden gemist in het gezinsbedrijf, besteedden hun kinderen uit aan een min. Dat deden ook vrouwen uit hogere standen, maar dan meer uit gewoonte, of om hun eigen gezondheid en goede figuur te behouden. Juist dit ‘luxe’-gebruik van minnen nam in de tweede helft van de achttiende eeuw sterk af, onder invloed van verlichte medici en vroedmeesters, die vonden dat moeders zelf hun kinderen de borst moesten gaven.
Specifiek voor Groningen zijn er geen kwantitatieve gegevens over het gebruik van minnen, maar dat er in deze periode tussen de Nederlandse steden en Parijs een groot verschil was, staat buiten kijf. In Parijs kreeg slechts een op de dertig zuigelingen borstvoeding van de eigen moeder. Voor alle andere baby’s werd er een min ingeschakeld en voor het zoeken van minnen bestonden er zelfs kolossale, officiële bemiddelingsbureaus.
Geen wonder dat de Nederlandse schrijver Le Francq van Berkhey zwolg van nationale trots, toen hij omstreeks 1770 Frankrijk en Nederland op het punt van borstvoeding vergeleek
“Onze Hollandschen dames stellen er, met eene vermaaklijke aandoening, eere in dat zij zelven hun eigen kroost de moederlijke melk laaten zuigen en hunnen kinderen niet buiten noodzaak aan vreemde borsten toevertrouwen. Ook zijn onze Hollandsche vrouwen in dit stuk teerhartiger dan de Fransche dames, die hare kinderen zoodra ze gedoopt zijn veelal naar ’t land ter zooginge en opvoedinge zenden. Men ziet dus in Parijs dagelijks boerinnen met manden op den rug den kinderen afhalen, of geheele wagens vol dorpelingen met de kinderen van deftige lieden, onder het opzigt van eenige kloosterzusters, ter stede uitrijden. En zoo de kinderen der grooten in ’t moederlijke huis gehouden worden, dan vind men er altoos eene minnemoeder die ’t kind zoogt en oppast.Dit is op verre na zoo algemeen niet onder onze landzaaten. Zeldzaam zend men de kinderen buitens huis, en ’t geschied bijkans nooit dan in dringende omstandigheeden. Het moederlijke hart eener recht Hollandsche vrouwe is te teder, om de kinderen buiten noodzaak van zig te verwijderen.”
(Licht herziene versie van een stuk dat eerder in De Oosterpoorter verscheen.)
GVAV-legende verkocht voetbalschoenen
Geplaatst op: 18 juli 2009 Hoort bij: autobio, Stad toen 1 reactie
Mijn allereerste voetbalschoenen waren van het merk Quick. Inderdaad, met die halfronde stalen neuzen waarmee je kon punteren, een techniek die thans niet geheel en al ten onrechte in vergetelheid is geraakt.
Laatst zat ik wat te googelen op het merk, dat weer bleek te bestaan. Ik wilde weten welke bekende GVAV-voetballer er eind jaren zestig ook alweer vertegenwoordiger van was geweest. Indertijd vertelde schoenmaker Mulder, tevens onze elftalleider en de winkelier die de voetbalschoenen leverde, met gepaste trots de naam van die vertegenwoordiger, die ik echter vergat. Mij stond bij dat het Martin Koeman was geweest, maar diens naam gecombineerd met Quick leverde googelend niets op.
Het was Tonny van Leeuwen, weet ik nu weer, dankzij de Pronkjewail, jaargang 1970. Voor dat personeelsorgaan van de gemeente Groningen interviewde ene Sw. de legendarische keeper, die toen net met GVAV naar de eerste divisie gedegradeerd was. Na een afschuwelijke wedstrijd tegen DOS, meen ik me te herinneren – de hele wedstrijd volgde ik nagelbijtend via Langs de Lijn, een radio-uitzending die een diepe ontgoocheling bewerkstelligde.
Van Leeuwen, om op de zoekvraag terug te komen, was semi-prof, zoals het gros van de betaalde voetballers in Nederland, toentertijd. Tegen de Pronkjewailman vertelde hij dat hij een poos een sigarenzaakje had, maar dat hij zich te jong voelde om alleen maar pakjes over de toonbank te schuiven. Daarom verkocht hij die zaak, om met het geld een woning in Peize te kopen:
“De eerste maanden in Peize had ik geen baan. Toen kwam er iemand van Quick bij mij praten. Die mensen wilden mij graag op die sportschoenen hebben en ik vertelde de vertegenwoordiger, dat ik op dat moment geen baan had en wel interesse had om in de sport-branche te gaan.
Na verloop van een week of drie kreeg ik bericht, dat de vertegenwoordiger die hier zat en die niet zo jong meer was, wat minder zou gaan doen. Zo werd dat voor mij een bijbaantje. Ik heb mij daar echt voor ingezet en na een jaar kreeg ik de drie noordelijke provincies.”
Hoe de Groninger veemarkt de Drentse jaarmarkten leegzoog
Geplaatst op: 18 juli 2009 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsenSchrijvend over de achteruitgang van de Noord- en Oost-Drentse jaar- en veemarkten zegt Harm Tiesing in 1922:
“In de eerste plaats moet hier gewezen worden op den stalhandel, die, vooral in tijden van stijging der veeprijzen, van veel grootere beteekenis is dan vroeger. De handelaren bewegen zich op fietsen snel door het landschap en doen hunne inkoopen aan de huizen, om de gekochte dieren te Groningen en elders ter markt te brengen, waardoor zij niet op de Drentsche markten komen.”
Hieruit zou je kunnen concluderen dat de wekelijkse Groninger veemarkt de Drentse voor- en najaarsmarkten als het ware leegzoog.
Dat kopen aan de stal was overigens in het voordeel van de boeren. Niet alleen waren de dieren meer op hun gemak in hun eigen leefmilieu, ook miste de handelaar de prijsdempende kritische blik van zijn collegae. Tiesing:
“Te Rolde leerden de boeren, die het nog niet wisten, hunne paarden kennen. Koopers van veulens of enterpaarden toonden de paardegebreken wel aan of brachten den eigenaar door hun bod wel op de hoogte, hoe het met hun veulens gesteld was.”
De marges van de veekoopman werden dus geringer.
De Veemarkt, in herinneringen van vlak na de sluiting
Geplaatst op: 13 juli 2009 Hoort bij: Stad toen 8 reacties
“Veel geschiedenis heeft de oude markt niet gekend. Geen mens heeft er ooit wakker om gelegen”, aldus Ed Figee. Maar toen de veemarkt eenmaal weg was uit de Oosterpoort, voelden “de trouwe marktgangers pas goed, hoe dierbaar dit stuk Groningen voor hen wel geweest is.”
Figee schreef deze taxaties op voor het eerste nummer van het gemeentelijke personeelsblad Pronkjewail, jaargang 1970, in twee stukken over de pas verhuisde veemarkt. Thema’s: de geschiedenis van deze gemeentelijke instelling, de horeca eromheen, de sfeer en de openbare orde.
Die geschiedenis blijft in eerste instantie beperkt tot wat faits divers. De op 11 oktober 1892 geopende veemarkt mat 17.000 vierkante meter, de aanlegkosten bedroegen ruim 235.000 gulden, en ze vormde een “aanzienlijke verbetering” vergeleken bij de oude constellatie op de Ossenmarkt en het Noorderkerkhof.
Volgens Figee besteedde geen krant aandacht aan de opening van de nieuwe veemarkt . Misschien dat de officiële opening later plaatsvond dan de feitelijke ingebruikneming?
Het marktgeld bedroeg in 1892 een kwartje voor een paard, twee dubbeltjes voor een koe en een stuiver voor een schaap. Daar kwam dan nog eens de helft bij voor het wegen.
Weldra reisden zelfs Hollandse boeren en veehandelaren naar de veemarkt in het verre Groningen. Zij zullen dan gebruik hebben gemaakt van de trein voor zichzelf en hun beesten. Tijdens het Interbellum nam het vervoer per vrachtauto een grote vlucht. Vlak voor de oorlog ging 75 % van de aanvoer al met vrachtwagens, in 1949 was dat toegenomen tot 90 %:
“Het was natuurlijk duidelijk, dat deze stroom veewagens onmogelijk bij de veemarkt geparkeerd kon worden. Er was geen ruimte”
Een economisch rapport uit 1950 achtte nieuwbouw urgent:
“De aanvoer van het vee werd steeds hoger, er moest met de ruimte geschipperd worden, de verkeerschaos was haast onontwarbaar”
Steeds nijpender werd het ruimtegebrek. Daarom ging de veemarkt over van de openstelling met zonsopgang op een openstelling eerst om 7 uur (1954) en later (1956) om 6 uur ’s ochtends. Zodat de aanvoer wat meer gespreid kon gebeuren
De veewagens arriveerden meestal ruim voordat de poort openging. In 1969 stonden de meeste er al om een uur of vijf:
“Het lawaaiige rumoer van de markt is tot ver in de nog donkere omtrek te horen.”
Ook in 1969 ging de veemarktpoort nog om zes uur open, terwijl de grootste drukte om acht uur alweer voorbij was. Veel Groningers moesten op dat tijdstip nog naar hun werk. Volgens Figee ging de veemarkt dan ook goeddeels buiten hen om. De werelden van stadjer en veemarkt stonden ver van elkaar af.
Met de opkomst van de vrachtwagen, omstreeks 1930, waren de eerste verhuisvoorstellen gedaan. Door de economische crisis en de oorlog werden die eerst op sterk water gezet, maar na de oorlog kwamen ze weer tevoorschijn. Eind 1964 viel het definitieve besluit in de gemeenteraad, al zou het nog tot eind 1969 duren, voordat de veemarkt in de Oosterpoortwijk echt dicht zou gaan.
Figee sprak met Arend Dirk de Groot (70) en diens zoon Rieks, stadsboeren van de Moesstraat, over veranderingen op de veemarkt. “De oorlog”, zei de eerste:
“…is eigenlijk het grote keerpunt geweest. Zeventig tot tachtig procent van de handel was in handen van joden. Dat zijn echte handelsmensen, zij maakten de handel levendig. Na de oorlog is dat veranderd. Slechts een procent of tien van alle handel werd toen nog maar door joden gevoerd.”
Zo herinnerde De Groot senior zich een kalverkoopman Marcus die elke keer de show stal.
Nog een verschil tussen voor en na de oorlog was, dat de handel voor de oorlog “veel langer” doorging:
“Om elf uur waren ze nog druk bezig.”
Zoals gezegd was eind jaren zestig om acht uur de grootste drukte al voorbij. Ook werd de handel anders van aard. Vroeger handelde men vooral in vet vee, voor de dood. Maar eind jaren zestig ging het slachtvee direct naar het slachthuis, en kwam er eigenlijk alleen nog gebruiksvee op de veemarkt.
Rieks de Groot voegde hieraan toe dat de boeren door de schaalvergroting in de landbouw minder tijd hadden om zelf naar de veemarkt te gaan, en daarom meer en meer via commissionairs werkten. Die uitspraak doet me een beetje onwezenlijk aan, net of Plan Mansholt eind jaren zestig al zijn beslag gekregen had.

Voorheen werden er ook niet veel handelaren rijk van de handel, kennelijk was dat in de jaren zestig anders geworden. Je zou hier een samenhang kunnen vermoeden met de alcoholconsumptie, want uit de stukken van Figee krijg je de indruk dat die na de oorlog aardig terugliep.
Het verhaal van De Groot senior dat de oorlog een keerpunt was, wordt in elk geval bevestigd door het teruglopende aantal café’s. Dat de dinsdaagse veemarktdag een “boerenzondag” was, met veel cafébezoek en borrels, moet dan bij uitstek voor de vooroorlogse periode hebben gegolden.
Net als de NvhN-reporter in 1965 ging Figee in 1970 langs bij Jan de Vries (65), eigenaar van “een van de bekendste cafeetjes aan de veemarkt”, te weten De Veehandel op Veemarktstraat 5. De Vries had zijn hotel op hetzelfde adres in 1965 al opgedoekt, “omdat ze nu allemaal met de auto komen (en ook daardoor minder borrels drinken)”. Voor Figee somde hij zijn vroegere hotelgasten op, mannen uit Leiden, Bodegraven, Aduard. Een heette Arie Poot. Of ook wel De Stomp, omdat hij een stijf been had.
’s Ochtends om half zeven zat Figee bij café Kok oftewel Marktzicht op Veemarktstraat 25. Dirk Kok (28) schonk op dat moment net zijn honderdste kop koffie. Deze caféhouder opende om drie uur al de deur voor chauffeurs van veewagens. Over zijn klandizie vertelde hij:
“Wij krijgen hier meestal dezelfde boeren en veehandelaren. Hier handelen ze hun transacties af, hier kletsen ze met elkaar. Vroeger was het veel intiemer: iedere boer had zijn eigen cafeetje, waar hij elke dinsdag zijn borreltje dronk. Tegenwoordig drinken ze minder jenever en des te meer koffie.”
Figee vertelt ons over de café-interieurs:
“Bepaald gezellig en comfortabel zijn die cafeetjes niet; er is meer gelet op het aantal mensen dat er kan zitten, dan op de gezelligheid. Maar dat kan de veehandelaar niets schelen. Hij komt er voor zijn werk, voor zijn collega’s, en niet om er luxueus te zitten; dat zou hij niet eens willen en niet kunnen, vanwege de “drek die automatisch mee naar binnen komt”.”
Volgens Figee leek het er heet aan toe te gaan tussen de veehandelaren en boeren, kerels die hun welgevulde portefeulles aan kettingen om de hals droegen. Maar caféhouder Kok noemde dat maar schijn. In zijn ogen waren z’n klanten geen geldwolven. Toen er een boer een beurs met 12.000 gulden verloor, zamelden zijn collega’s 7000 gulden voor hem in.
Er bestond dus onderling hulpbetoon. De vrijgevigheid strekte zich ook uit tot een vreemde eend in de bijt, de heilssoldaat Strabbing die al vijftien jaar lang iedere dinsdag in de café’s op de veemarkt collecteerde.

Over sfeer en openbare orde praatte Figee met Kruize en Dijksterhuis, van 1947 tot het eind de politie-agenten die een oogje in het zeil hielden op de veemarkt. Oud-brigadier J. Kruize, van 1947 tot 1957 in functie, was degene die de vervroegde openstelling van de veemarkt bepleitte:
“Er was ’s morgens vaak geduvel, wanneer marktmeester Muda de markt opende en het een dringen van jewelste werd om het eerste binnen te komen en het beste plaatsje in te pikken. Dan kon het er hard toegaan”
In zijn tijd was er “wel eens behoorlijk trammelant” geweest, zegt Kruize eerst. Naderhand komt hij daarop terug. Sporadisch deed zich een exces voor, merkt hij dan op, maar het ging nooit om iets ernstigs. In het algemeen heerste er een “prachtsfeer” op de veemarkt. Het was “een echte gezellige boel”. De mensen van de veemarkt noemt hij eerlijke lui, die fair waren tegen de politie.
Die eerlijkheid, daar kon Figee inkomen. Hij verbaasde zich erover dat er op de veemarkt voor tonnen verhandeld werd zonder dat er ook maar een kwitantie aan te pas kwam.
Kruize:
“In mijn tijd had je nog die echte veedrijvers ruwe bolsters blanke pit (…). Kreeg een koe de kolder in de kop, dan wisten zij de dieren altijd wel te pakken. Ook al kwam er eens een terecht op een bovenverdieping bij twee thee-nippende oude dametjes”
Dijksterhuis (62), die Kruize in 1957 opvolgde als veemarkt-agent, kon zich vinden in het oordeel van zijn voorganger. Alleen:
“Soms moest je wel eens met de knuppel zwaaien. Het kwam wel eens voor dat oude vetes in de cafeetjes werden uitgevochten. Dan moest je er even bovenop.”
Toch kon hij zich geen gevallen van openbare dronkenschap herinneren. Het was inderdaad not done om compleet in de lorum over de veemarkt te zwalken. Wel lag een boer eens een stevige roes uit te slapen in de caravan van de veterinaire inspectie, maar de mensen daar vonden dat dat maar beter geheim kon blijven voor zijn collega’s. Het was dus zeker niet een geaccepteerd iets. Iemand in al te kennelijke staat maakte zich tot de risée van het veemarktvolk.
Om nog even terug te komen op die ronkende vrachtwagens met loeiende koeien in het holst van de nacht, Volgens brigadier Kruize was de veemarkt een “ergernis voor degenen die er niets mee te maken hebben”. Nu zij eindelijk vertrokken was uit de Oosterpoort, zouden de omwonenden wel “een gat in de lucht springen”,
Foto’s: Cees Smit (1965)

Pims Groninger spullen
Geplaatst op: 8 juli 2009 Hoort bij: Stad toen 10 reactiesDoor een portret van Pim Fortuyn op Flickr, bleek me dat Hessinks’ veilingcatalogus van eind juni nog steeds online staat. En dat gaf me aanleiding om een UK-stukje van februari eens te checken.
Allereerst de opbrengst. Volgens Het Parool bedroeg die 492.000 euro, hetgeen “ruimschoots de verwachtingen oversteeg”. Dat laatste betwijfel ik, want veilingmeester Richard Hessink zei in februari nog een opbrengst van 5,5 ton te verwachten. Tussen februari en eind juni 2009 daalde de koers Fortuyn dus met meer dan tien procent.
Het UK-stukje ging over de spullen uit de Groninger tijd (1972-1990) van Fortuyn. Wat Hessink indertijd noemde, kwam inderdaad onder de hamer. Maar er bleken nog meer spullen die aan Fortuyns Groninger tijd herinnerden, dan de veilingmeester toen dacht. Misschien heeft hem dat zelfs omzet gescheeld.
Het ging onder meer om de volgende kavels, onder te verdelen in Groningen algemeen, de universiteit waar hij werkte en promoveerde, en de in Groningen gedomicilieerde stichting OV-jaarkaart waarvan hij de eerste directeur was:
- Bronzen Martinitoren
- Rode kraantjespot
- Groninger stoeltjesklok
- Schilderij ‘Weg naar Adorp‘van Arie Zuidersma
- Ingelijste kleurenfoto van de Trompkade (jaren tachtig)
- Portret uit Fortuyns’ jonge jaren
- Portret van Marx
- Portret van Lenin
- Wandbord met het wapen van de RUG
- Verjaardagscadeau RUG 19.2.1988, door Huub Drenth
- Promotiebul met lakzegel (opbrengst 6000 euro)
- Portret na zijn promotie gemaakt door een vriend
- Collage OV-jaarkaart
- De allereerste OV-jaarkaart
Baksteen met molenspel
Geplaatst op: 7 juli 2009 Hoort bij: Stad toen 6 reacties
Deze vrij grote, laat-middeleeuwse baksteen, komt uit de Martinikerk. Er is een molenspel ingekrast.
Getuige de opstaande randjes is dat inkrassen niet gebeurd toen de baksteen al gebakken, of een flink gedroogde groenling was. Nee, dat geschiedde in het stadium van natte vormeling, die nog maar pas op de droogplaats in de open lucht lag. En gezien de voren eerder met een spijker dan met een mes.
Voor een eigendoms- of adresseringsmerk lijkt me zo’n molenspel iets te bewerkelijk. Ik denk dat tichelaars het inkrasten, omdat ze dat spelletje wilden spelen.
Een deel van het spel lijkt a) weggeslagen of b) weggedrukt. Bij mogelijkheid b betrapte de baas van het tichelwerk misschien een paar lanterfantende knechten. Met een haastige veeg van zijn onderarm probeerde een van die spelers dan zijn ondeugden luiheid en speelzucht te verdoezelen. Maar tevergeefs.
Hoe dan ook, het molenspel was populair. Er zijn wel meer van dit soort inscripties gevonden. In Eindhoven stond een molenspel op een daklei van een kerk, in Enkhuizen was het ingekrast in de stenen van een historische gevangenisvloer. Zoals uit de Nederlandse, de Engelse en de Duitse Wikipedia blijkt, waren de Egyptenaren, oude Chinezen, Grieken, Kelten, Romeinen en Vikingen er al dol op. In Europa taande de populariteit pas aan het begin van de negentiende eeuw.







Recente reacties