De meid en de moordenaars
Geplaatst op: 27 januari 2010 Hoort bij: Kunsten, Taal 3 reactiesZoals verteld door een dame uit Muntendam:
Ime, yme, iem, imme, yemken
Geplaatst op: 16 november 2009 Hoort bij: Geschiedenis, Taal 10 reacties
“Het woord Imen kende ik niet, imker natuurlijk wel. Is het Gronings?”,
Daar was ik ook wel nieuwsgierig naar. Ik keek even in het WNT, maar de oud-Groningse spellingsvarianten ime en yme leken er niet in voor te komen. Ik nam dus aan dat het streektaal was, Nedersaksisch, al zou het ook een Fries relict kunnen zijn.
Dat was iets te snel aangenomen, blijkt me nu. De zoekwoorden ime en yme leverden weliswaar niets op in het WNT, maar er blijkt ook nog de variant iem te zijn. En op die pagina geeft het WNT een verwijzing naar imme, wat staat voor
“een bijenzwerm; een bijenvolk met de korf te zamen”.
Bij zo’n WNT-lemma moet je voor de contextuele duiding altijd even onderaan de pagina kijken. Daar staat wanneer zo’n lemma precies geschreven is. In dit geval dateert het van 1908. Over de verspreiding van het woord imme op dat moment zegt het WNT:
“Thans slechts in het oosten van Noord-Nederland in gebruik.”
Toch komen de erbij gehaalde historische voorbeelden uit een veel groter gebied: Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht en Zeeland. De vorm ‘iemen’ zou in Overijssel voorkomen. Maar in Drenthe evenzo, getuige het aangehaalde over een “jonge Yme ofte Zwerm” uit het Drents Landrecht van 1614. Wel vreemd dat een query binnen het WNT op yme je dan niet bij ’t lemma imme brengt.
Voorbeelden van imme met een korte i geeft het WNT uit het westen van Gelderland (1889) en uit Utrecht (1614), terwijl de tevens aangehaalde ‘Zeeusche Nachtegael’ uit 1623 het heeft over
“een Yemken uyt den gront van een bloemken”,
Imme lijkt dus vooral een term uit Utrecht, en, neem ik bijna voetstoots aan, Holland. Als mijn intuïtie me dit keer niet bedriegt, heeft het WNT bij het lemma imme een voorkeur voor het taalgebruik in de machtigste regio van Nederlaand.
Dit allemaal opschrijvend, valt me ineens in de zin, dat iem oorspronkelijk wel eens een onomatopee geweest kan zijn. Neurie maar een een i met de lippen op elkaar en je bent sprekend een bij. Met imme is dat veel minder het geval. De taalvorm die de voorkeur kreeg, stond het verst af van de taalgenererende situatie.
Essent-directeur is een van ons
Geplaatst op: 27 december 2008 Hoort bij: De actuele wereld, Taal 6 reactiesEssent stuurt ons een brief over zijn opsplitsing in een netbeheerder en een energieleverancier. En wat schrijft directeur Arthur van Wylick in zijn eerste zin?:
“Als klant van Essent wil ik u graag informeren over de splitsing van ons energiebedrijf.”
Wat een empathie! Ik heb zo’n idee dat de energie veel goedkoper wordt, in 2009.
Van Quast naar kwast
Geplaatst op: 10 november 2008 Hoort bij: Geschiedenis, Taal Een reactie plaatsenPieter Quast (1606 – 1647) was een meester van de tweede garnituur. Er bestaat zelfs geen biografie van hem op de Nederlandse wikipedia. (Merkwaardig genoeg wel op de Spaanse.)
En dat terwijl Quast met zijn serie prenten van narren en zotten mogelijk aan de wieg heeft gestaan van de term kwast in de zin van malle vent, kwibus. pedante gek. Althans, volgens het Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) is kwast in die betekenis “van onzekere oorsprong”, terwijl het eerste literaire werk waarin de term zo voorkomt, Het koddig en vermakelyk leven van Louwtje van Gerrit van Spaan, in 1700 verscheen, dus na de dood van de kunstenaar.




Het is weer eens uniek
Geplaatst op: 24 juni 2008 Hoort bij: Media, Taal Een reactie plaatsenHet Dagblad had een zichzelf tegensprekende kop: “Weer unieke scheepsvondst in Leidsche Rijn”. Volgens de krant kan iets eenmaligs dus opnieuw gebeuren. Zouden ze er teveel Nietsche hebben gelezen? Nee, de term uniek is al enige tijd aan een Zimbabwaanse inflatie onderhevig en dan krijg je zulke potsierlijke constructies.
Gloepens, van algemeen-Nedersaksisch naar standaard-taal
Geplaatst op: 5 mei 2008 Hoort bij: Taal Een reactie plaatsen
Zelfportret met gloepens rode neus.
Mijn schoonzuster, bepaald geen dialectspreekster, bezigde opeens de term ‘gloepens‘. Gloepens in de zin van: ontzettend, buitengewoon, heel erg. Vervolgens ontstond er tussen Tim en mij een discussie over de herkomst van de term. Tim, afkomstig uit Hoogkerk, dacht dat het woord uit Drenthe kwam. Maar ik wist dat zo zeker nog niet.
Tim keek in zijn Groninger woordenboek en vond het niet. Zelf sloeg ik aan het googelen. Recent bleek de Westerwoldse bard Alex Vissering het woord nog te hebben gebruikt in zijn zondagochtendpraatje voor radio Noord. Over een oude schooljuffrouw zei hij:
“Ze kon gloepens vergreld over heur mit jampotbodems oetgevoerde brille hinkieken…“
Ook collega-zanger Eltjo Doddema, werkzaam als schoolmeester in Harkstede, gebruikt het in een column:
“Nou ja, ze hebben t natuurlek gloepens drok vanzulf. Ze lopen vervast nait te hakvegen.“
Terwijl het woord eveneens voorkomt in de officiële Groningse vertaling van het bijbelboek Deuteronomium:
“En ale volken zellen zeggen: ‘Woarom het de Heer dit laand dit aandoan. Woar komt dizze gloepens glènne kwoadens heer?‘”
Bovendien gebruikt Jan Blaauw senior, gepensioneerd schoolmeester te Noordhorn, maar afkomstig uit het Oldambster Midwolda, het in een stukje:
“…rug dut hum gloepens zeer“
En laat Koba Schlemmer, een in Amsterdam woonachtige Groninger, de term eveneens vallen:
“Ook instrumentoale begelaaiden is gloepens schier!”
Kortom, het woord mag getuige de Google-resultaten dan het meest voorkomen in Drentse, Twentse, Sallandse en Achterhoekse contexten, het komt zeker ook in Groningse voor. Gloepens is zelfs op te vatten als algemeen Nedersaksisch.
Dankzij datzelfde Google blijkt overigens, dat mijn schoonzus lang niet de enige is, die de term in een puur Nederlandse context gebruikt. Blijkbaar gaat het om een stukje streektaal, dat de oversteek naar de standaardtaal maakte.
Compendium voor binnenvaarttaal
Geplaatst op: 28 april 2008 Hoort bij: Taal, Webdinkies Een reactie plaatsenBij het zoeken naar een lijst met visserij afkortingen, stuitte ik op Binnenvaarttaal.nl, een soort compendium voor binnenvaarttermen, bijgehouden door Pieter Klein uit Schoonoord. Googelen met de term Groningen binnen die site, leverde meteen al een mooi lijstje reders op, zoals de Groningen-Lemmer Stoomboot Maatschappij, vanaf 1870 bekend van de ‘Lemmerboot’, en de Groninger-Rotterdammer Stoomboot Maatschappij, vanaf 1876 met de zogenaamde Hunzeboten vracht varend op het westen. Beide rederijen, volgens oude adresboeken gevestigd in de hoek Winschoterdiep – Oosterhaven, gingen in 1948 op in de Groninger Beurtvaart.
Verder bevat de website onder meer een lijst met scheepswerven, en drie filmpjes van een konvooivaart met ijsbrekers van Amsterdam naar Groningen, ongeveer twaalf jaar geleden.
Slapsma-Tiessens op fiedelsepee bij Fongers
Geplaatst op: 19 maart 2008 Hoort bij: Stad toen, Taal 9 reacties
Toen het DvhN vorige maand een vertaalwedstrijd rond een lang citaat van mevrouw Slapsma-Tiessens aankondigde, mailde ik Siemon Reker: “Slapsma-Tiesens overzetten is ja helendal niet slim moeilijk ja.” Maar Siemon was het, geloof ik, niet geheel met me eens. Zijn antwoord: “Je lijken wel aan de pijpkan!”
De boerenweduwe Slapsma-Tiessens, een creatie van Jo Rietema, was decennialang een zeer populair literair personage in het Groningse. Ze had het wat hoog in de bol, probeerde Nederlands te spreken, maar dat was vooral een vertaald dialect dat nogal op de lachspieren werkte.
Vanmiddag tikte ik in een antiquariaat ‘Bloemkes uit mijn dagboek’ op de kop, haar bundel uit 1940. Het eerste verhaal is meteen al raak. Daarin leert zij na twintig jaar weer fietsen, en wel bij de wielrijschool van Fongers aan de Hereweg. Eerst stuurde ze daar vanuit haar dorp, Kleistrum, een briefkaartje heen:
“…om te hooren wanneer ik komen kon en of ik ook oud goed aan trekken moest, om vallerij en zoo. Ik was wat gezet schreef ik erbij, wat zwaar van stuk, en als ’t daar ieder oogenblik ’n valbrudje wier, dan kwam dat vanzelfs nogal wat op mijn goed aan.
Nu twee dagen later had ik al eenen brief weerom en daar stond in dat ik kon alle dagen komen, zoo druk was ’t er niet in ’t volle zeizoen, meeste leerders kwamen vroeg in ’t voorjaar. En voor vallerij hoefde ik mij heel niet benauwd maken, ’t ging altemaal slim geleidelijk, dat ik kon mij gerust schier aankleeden, ongelukken waren er nog nooit gebeurd en net gelijk hoe zulke krukken er ook kwamen, in zo’n paar uur tijds had elk ’t rijden al goed aan ’t hoofd.”
Het viel haar niet mee, dat oefenen bij Fongers:
“Geeneen die ’t zelfs niet met gemaakt heeft kan begrijpen wat een zweetdruppen dat kost, dat fiedelsepeerijden, ook voor een als ik die ’t vroeger jaren al daan heeft. Maar ja, toen was ik zoo’n twintig jaar jonger en nog lang niet zoo gezet en al die jaren van mijn huwelijk had ik er nooit weer op geweest. Dat zoodoende viel dat altemaal slim af en ‘k was nog geen half uur aan gang daar in Fongers zijn wielrijschool of ik had geenen droogen draad meer aan ’t lijf. Slim begrootelijk, omreden ik had net altemaal schoon goed aan daan eigenste morgen, maar dat was nu niet anders en als ’t er op aan kwam had ik er ook best een goed zwetertje voor over.”
Het was flink heet in de wielrijschool, maar ze beloofde haar wielrijleraar een rijksdaalder als ze het diezelfde middag nog onder de knie had, en na twee uur durfde hij wel met haar naar het Sterrebos:
“Eerst naar een laantje daar ’t niet als te druk was, maar ’t duurde maar even of ik mocht op ’t middenpad, mank auto’s en wagens en ander fiedelsepees. Daar wier ik vanzelfs wel eerst slim zeenig van, maar ’t is best af loopen, ik ben nergens onder komen en zelfs heb ik ook geeneen ondersteboven reden, dat zodoende zei hij op ’t laatst ik kon ’t best avonturen om op fiedelsepee naar huis te gaan.”
Wat vinden jullie, is dit gemakkelijk vertaalbaar of niet?
Butje, van Groninger komaf
Geplaatst op: 22 december 2007 Hoort bij: Stad toen, Taal 16 reacties“Wat een sneu budje ben jij”, schreef DoovenJabik gisteren op de DvhN-ste: “Gaat heen en vermenigvuldig je vooral niet”. Door de manier waarop de Dagblad-reaguurder dat butje opschreef, lijkt het wel alsof hij het woord voor een vernederlandsing van het Engelse buddy houdt. Op Myspace zou hij zich er de woede van Butje (20, female) mee op de hals halen. In een discussie bij haar profiel riep zij eens uit: “Het is BuTje met een T – je schrijft toch ook geen kuDje met een D!”
Mensen spellen butje niet consequent met een t, en blijkbaar kennen niet alle jongeren het woord. Maar in tegenstelling tot wat sommige Groningse ouderen menen, is het woord butje allang niet zuiver plaatselijk meer, want een grotere groep jongeren door heel Nederland bekend. Ook in dezelfde betekenis als het woord in de stad Groningen heeft: die van een slome en domme persoon.
Onlang kreeg het jongerengebruik van butje weer een impuls door de rap-pastiche van De Huilende Rappers, een formatie uit Groningen. Hun ‘Butje’ schijnt enigszins een cult-status te hebben verworven. “Vergeet De Jeugd Van Tegenwoordig”, luidt een oordeel op het forum van Fok.: “Hier zijn De Huilende Rappers. Woord. Minstens net zo waus.” Dit jaar zingen alle eerstejaars van de Delftse katholieke studentenvereniging Virgiel het nummer. En er is zelfs al een speedshift van.
Maar butje is zeker al twintig jaar jongerentaal. “Het is gesignaleerd in diverse publikaties over de taal van de jongeren in heel Nederland”, schreef Siemon Reker, nu hoogleraar Gronings, in 1992 al in de NRC. Reker nam het woord op in een grote taalenquête en concludeerde toen: “Butje’ is bij de jongeren bekend, zij het niet als dialectisch woord.” Dat het woord uit het stad-Gronings sluipend overging in jongerentaal verwonderde hem allerminst: “Jongerentaal bestaat voor een groot deel uit ‘negativa’ en een studentenstad als Groningen kan extra makkelijk als exportcentrum juist voor zo’n woord fungeren.” Op een congres van een jaar later zou hij het wat stelliger zeggen: “Mede doordat Groningen een universiteitsstad is vanwaar veel jongeren weer over het land uitzwermen, is butje een landelijk scheldwoord geworden.”
Waar het woord vandaan kwam wist Reker ook. “De achtergrond is heel eenvoudig deze: in 1914 is in Groningen een school voor zwakzinnige leerlingen opgericht, gevestigd aan ’t Klooster, een doodlopend straatje dat uitkomt op de Butjesstraat. Door de ligging ging de naam van de straat in de volksmond gedeeltelijk op in die van de school en als gevolg daar weer van kon de ‘Butjesschoule’ geinterpreteerd worden als “school voor/van butjes”. Uiteraard ging er enige tijd over de inburgering van van de term heen, vandaar dat Reker bij zijn alleroudste respondenten, geboren voor zeg 1920, het woord niet aantrof, terwijl jongere generaties het wel kenden en bezigden.
De stadjers die het woord gebruikten waren zich ook wel bewust van de samenhang tussen butje als scheldwoord en de Bekenkampschool (BLO en LOM) in de Butjesstraat. Jean-Paul Franssens, toen 65, herinnerde zich in een Volkskrant-interview (2003) hoe hij na een jaar van lagere school wisselde:
“Een jaar zat ik op een katholieke jongensschool in de Butjesstraat. Je had daar ook een andere school, voor kinderen die niet goed snik waren, daar zat ik niet op. Toen mijn moeder hoorde dat zij niet in de hemel zou komen, want zij was niet rooms, zei ze: ‘Dan neem ik mijn kinderen meteen van school en mee naar de hel, want ik hou van ze.’ ‘Ik ging met mijn vriend Jan mee naar de protestantse school. Daar trof ik meester Nuyen (…). ‘Zo’, zegt meester Nuyen, ‘waar is die school waar uw jongen vandaan komt?’ ‘In de Butjesstraat’, antwoordt mijn moeder. ‘Maar mevrouw, wij nemen hier geen Butjes aan!’ Als je een Butje was, betekende dat dat je een halvegare was. ‘Nee’, riep ik verschrikt, ‘ik ben geen Butje!’. O, dan was het goed.”
De Butjes heetten naar hun school, zoals de school naar de straat vernoemd werd. Maar waarom heette die straat dan Butjesstraat? Ook daarover had Reker een idee, dat hij ontvouwde op de Tweede Nederlandse Dialectendag in 1993. Volgens hem kwam butje van het laat-middeleeuwse muntje butke of botke (bekend van het botje bij botje leggen). Volgens de Wikipedia echter heeft de naam te maken met een familie Butken, en die stelling vindt steun in een straatnamengids, die hopelijk niet al te lang meer van het web blijf. Over de Butjesstraat zegt die gids:
“Genoemd naar het geslacht Butken (vermeld 1454) dat hoekpand met O. Ebbingestraat bewoonde.”
In Folkert Bakkers’ boek over de bedelorden en begijnen in de stad Groningen (1988) wordt deze familie inderdaad genoemd, zij het als Butkens. Er bleven zelfs meerdere stukken van het geslacht met gemelde woonplaats in de archieven bewaard, zodat ik op dit punt Reker in het ongelijk moet stellen.
Toch aardig dat een uitgestorven middeleeuwse familie nog in jongerentaal voortleeft. Maar of ze er trots op zou zijn?
Univeest – aanstekers mee svp
Geplaatst op: 21 juni 2007 Hoort bij: Taal Een reactie plaatsen“Het Univéest geeft invulling aan de kernwaarden Dichtbij, Persoonlijk en Betrokken”, schrijft Univé met het oog op haar 125-ste verjaardag. Het PR-bureau van de Drents-Overijsselse verzekeraar vergat vast en zeker een woordenboek te raadplegen, voor ze met dat woordspelige Univéest op de proppen kwam. De geur van andermans veest is immers zelden een feest. Uit het woordenreservaat:
“De scheet is lawaaiig, terwijl de veest eerder een geluidloze buikwind is.”
Groningse of Groninger, dat is de kwestie
Geplaatst op: 10 juni 2007 Hoort bij: Taal 10 reactiesBij de discussie over Gronings of Groninger viel me in dat ik er al eens over geschreven had. In oktober 2004 was dat, voor een afscheidsbundel. Hier volgt dat stukje, dat ik licht heb geredigeerd:
“Ik zat in 1997 een week of wat bij de redactie van de UK, en daar werd verdikkeme het door mij geproduceerde bijvoeglijke plaatsnaamwoord ‘Groninger’ vervangen door ‘Groningse’! Want onze nota bene zuidelijke hoofdredacteur zei dat het ‘Groningse’ was, en niet ‘Groninger’.
En dat terwijl ‘Groninger’ vaak veel mooier en stoerder qua ritmiek en klank is dan dat serpentig nasissende Gronings. En al gebruik ik zelf wel eens ‘Groningse’ als het niet anders kan – niets zo Gronings als de Martinitoren, nietwaar – toch is ‘Groninger’ mijn eerste keus.
In 1967 blijkt Albert Sassen, lector en even later hoogleraar Nederlandse taalkunde aan de RUG, zich al eens over deze kwestie te hebben gebogen. Sassen constateerde toen al dat vooral noordoostelijk Nederland vasthield aan dat ‘Groninger’, omdat men het er beter in het gehoor vond liggen, en dat ‘Groningse’ maar als import beschouwde. In de rest van Nederland werd ‘Groninger’ daarentegen regionaal Nederlands geacht en daarom keek men er ook wel op neer. Ten onrechte natuurlijk: de hoogwelzeergeleerde Sassen verklaarde beide vormen voor correct. Ze waren gelijkwaardig en het kiezen voor één ervan kwam neer op “een taalpolitieke keuze”.
Historisch heeft de er-vorm voor bijvoeglijke toponimica in heel Nederland zelfs zonder meer de oudste rechten. Tot in de zestiende eeuw eindigden die in Holland algemeen nog met -er (bijv. Amsterdammer, Haarlemmer, Alkmaarder). De s-formatie heeft zich hier omstreeks 1600 vanuit – let wel – Zuid Nederland met calvinistische bijbelvertalers en klassieke literatoren als Joost van den Vondel ingedrongen. Ze kreeg anklang, werd van meet af aan beschaafder gevonden en begon een zegetocht door heel Nederland.
Medio negentiende eeuw dreigde die s-vorm zelfs in het laatste er-bolwerk Noordoost Nederland in te nemen. Daarna maakte de er-vorm er echter een glorieuze comeback. Zo werd in 1899 de ‘Groningsche’ Maatschappij van Landbouw herdoopt in de ‘Groninger’ Maatschappij van Landbouw’, en veranderde in 1939 het ‘Groningsch’ Studentencorps Vindicat zijn naam in ‘Groninger’ Studentencorps, een voorbeeld dat sedertdien alle subverenigingen en bijna alle universitaire clubjes hebben gevolgd.
Ook de redactie van het Nieuwsblad van het Noorden nam intussen ‘Groninger’ als voorkeursvorm aan. Dat gebeurde in 1936 op instigatie van Gerrit Overdiep, als hoogleraar de voorganger van Sassen, die als arbiter was gevraagd om een hoogoplopende vete binnen de redactie bij te leggen. Professor Overdiep achtte ‘Groninger’ de inheemse en voor Noord-Nederlanders “enige juiste” variant. “Zuiderlingen”, zo zei hij letterlijk, “mogen zich gelukkig achten met den Hollandschen vorm”. Nog midden jaren zestig hield het Nieuwsblad stevig aan deze lijn vast, want Sassen vond in haar kolommen toen in zes weken tijd slechts tien maal de term ‘Groningse’ tegenover tweehonderd maal ‘Groninger’.
Dankzij de electronische full-text archieven van regionale en landelijke kranten is dat onderzoekje van Sassen voor 2004 heel gemakkelijk te herhalen op veel ruimere schaal. In dit jaar gebruikte het Dagblad van het Noorden nog steeds in 65,6 % van alle gevallen het woordje ‘Groninger’ in plaats van ‘Gronings’ of ‘Groningse’. De Leeuwarder Courant hanteerde ‘Groninger’ nog in 56,6 % van de gevallen. Het Eindhovens Dagblad scoorde echter 34,2 % en het Brabants Dagblad 24,8 % .
Nog steeds is dat ‘Gronings(e)’ dus een zuidelijk fabricaat. En een westelijk, want de Volkskrant doet slechts voor 34,9 % van de gevallen recht aan de keuze van het noorden, terwijl met name Trouw (29,5 %) , NRC (29,2 %) en het Financieel Dagblad (19,7 %) daar nog weer verder onder zitten. Hoe kapitaalkrachtiger, liberaler en confessioneler een lezerspubliek is, hoe meer lak een krant aan de noordelijke keuze heeft, lijkt het wel.
Kortom: De term ‘Groningse’ is een zuidelijk en westelijk inkruipsel, dat bij de UK ten koste ging van het oeroude ‘Groninger’. Bij het vertrek van de hoofdredacteur is er eindelijk de kans dat recht te zetten. Als daad van taalpolitieke bevrijding eist ‘Groninger’ zijn rechtmatige plaats op, naast en wellicht boven ‘Groningse’.
Media enkelvoud
Geplaatst op: 9 juni 2007 Hoort bij: Media, Taal Een reactie plaatsen“De media is massaal uitgelopen”, zegt rtv Noord. Foei. Wat voor voor-opleiding hebben ze daar eigenlijk, dat ze niet weten dat media meervoud is?
Of zou de samenwerking met het DvhN inmiddels al zo ver gevorderd zijn, dat de medewerkers inderdaad het besef verloren dat er meerdere media zijn?
Of, wat ook nog kan, zouden ze daar bij rtv Noord de media-complexen delen van de Fortuyn-adepten die de media als éépot nat wensen te zien en die daarom systematisch een honend enkelvoud hanteren?
Hoe doe je dat trouwens, massaal uitlopen in je eentje?
Verhoezing
Geplaatst op: 6 juni 2007 Hoort bij: Taal Een reactie plaatsenHouken mit hoesgehaaimen
komen bloot.
Vlouer schoamen zuk dood.
Laampe hangt leeg en groot,
want toafel is votnomen.Zai, dei noar boven komen,
breken bliend kepöt
wat was in slöt, ontnomen
wodt elk ding an zien löt;
mor laifde is oet God,
en God is laifde. Amen.Deure dei binnen was,
is nou boettendeure worren.
Onner handen van dei horde
staarft ’t glas.Spaigel mit aaiwig licht
zwikt langzoam veurover,
en döt koamer dicht.
D’r ligt spinrag over.Woar divan en duuster stonnen,
is, heur gehaaim bespot,
’n Vraauwenslofke vonnen;
mor laaifde is oet God.
En boeten stoan de honnen.(Met lichte vrijheden naar Achterberg)
Leidt stijl niet tot oppervlakkigheid?
Geplaatst op: 6 maart 2007 Hoort bij: Taal Een reactie plaatsen“Nee. Stijl is diepgang. De door mij bewonderde E.B. White heeft eens gezegd dat een eerlijke, oprechte keus van woorden noodzakelijk tot inzichten leidt. Niet alleen bij de schrijver, maar ook bij de lezer. Dat is een bijna metafysische uitspraak van hem, een morele uitspraak ook, maar ik denk dat-ie klopt..”
Mokum slim benijd noar ’t Grunnegers
Geplaatst op: 4 februari 2007 Hoort bij: Taal Een reactie plaatsenIk had het nog niet in de krant zien staan, en Google-Nieuws zwijgt er ook over, maar de cursus Gronings in Amsterdam is volgeboekt.

Recente reacties