Valkje in de ochtendzon

dsc00275

(Bij het Hegepad vanmorgen)


Groningen fietsstad nummer 1? Niet als het aan de Milieudienst ligt!

Gisteravond werd er om een uur of acht, negen al gemopperd door Wim van de Onlanden. Hij was op de fiets van Stad naar Peize gegaan. De fietspaden in de stad waren bagger. Er bleek niet gestrooid. De Drentse fietspaden daarentegen, lagen er mooi schoon bij.

Dan denk je dat de Groninger Milieudienst wel flink zijn best zal doen voor het forenzenfietsverkeer dat maandagochtend o.a. vanuit Peize op gang komt. Helaas, dat bleek een vergissing:

Situatie Johan van Zwedenlaan:
dsc00273
Situatie Hegepad:
dsc00277
Nogmaals Hegepad:
dsc00280
Bij de Eelderbrug:
dsc00281
Op het fietspad langs de Peizerweg was het middelerwijl niet veel beter. Stukjes waren schoon, op andere stukken trok je spoortjes door de proeksel.

En dan denk je dat de Groninger Milieudienst wel zijn stinkende best zal doen voor het forenzenfietsverkeer dat maandagavond  op gang komt, maar de situatie bleek nauwelijks verbeterd. Een eind voorbij de Eelderbrug, net voor de Eendrachtbrug was het zelfs ronduit gevaarlijk: spoortjes door de opgestaste proeksel, links een bus die je passert op 50 cm afstand. Gewoon eng.

Langs het Hoendiep leek het op het fietspad langs de Peizerweg vanochtend: stukken schoon, andere stukken glad. Bij de afslag Diamantlaan weer sporen door de proeksel.

NB: Intussen was het minimaal dooi, zonder sneeuw.  De hele dag is er dus niets gebeurd. Groningen fietsstad nummer 1? Niet als het aan de Milieudienst ligt!

Bij Gravenburg schenen de fietspaden vanochtend mooi schoon te zijn. Het kon dus wel. Iemand merkte tegen me op dat dat de Milieudienst zo weinig oog voor Hoogkerk heeft, omdat hier nauwelijks medewerkers van de Milieudienst wonen. Je zou het bijna geloven.


Over hondepaden (2)

Op zoek naar honde(n)paden in woordenboeken, dienen zich voor Groningerland twee definities aan. De eerste komt uit Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19de eeuw (1887):

“Een binnenpad bijlangs of door het koren, waarvan men niet dan ter sluips gebruik durft maken. Een pad dat geen recht van bestaan heeft.”

Anno 1912 kwam deze omschrijving terecht in het WNT als:

“Naam voor een (ongeoorloofd) binnenpad bijlangs het koren.”

Hoewel het WNT met de haakjes gas terugneemt, benadrukken beide omschrijvingen het illegale of op zijn minst dubieuze karakter van een hondepad. Het bestaat, maar het mag eigenlijk niet bestaan. In Zuiderveen, anno 1802, was er echter geen sprake van illegaliteit. De gedupeerde Zuiderveensters meenden een gebruiksrecht te hebben op het af te snijden Hondepad, en dat recht werd zowel door de grondeigenaars als de regionale magistraat gerespecteerd.

De andere definitie, die van Ter Laan in zijn Nieuw Groninger Woordenboek (1952), is wèl op het Zuiderveenster geval van toepassing. Dat woordenboek omschrijft hondepad veel korter en globaler, maar ook beduidend minder karakteristiek als:

“Pad door ’t veld.”

Daarbij verwijst het nog naar hondeloane als “laan met onaanzienlijke huizen”. Dit zijpad van Ter Laan laat ik verder buiten beschouwing, al wil ik nog wel wijzen op twee officiële straatnamen, een eerste ten zuidoosten van Schildwolde en de tweede ten zuidoosten van Zuidbroek op grondgebied van Muntendam. In tegenstelling tot Hondelaan is Hondepad tegenwoordig nergens in Groningerland een officiële straatnaam, maar een pad is dan ook geen laan.

Welke van de twee definities – die van Molema of die van Ter Laan – deed nu het meeste opgeld? Dat valt te onderzoeken aan de hand van gedigitaliseerde kranten (Delpher) en andere publicaties (Google Books), die nog hondepaden opleveren te Meeden, Bellingwolde en Vriescheloo. Opvallend genoeg allemaal in Oost-Groningen, maar daar was het areaal (half)natuur of ‘veld’ dan ook veel groter dan in de Ommelanden ten westen van het Damsterdiep.

Meeden

Het pad in Meeden wordt slechts een enkele keer genoemd, namelijk in de bekendmaking uit 1849 van een vastgoedveiling, waarbij onder de hamer kwam

“een eind bovenbouwte tot aan het Hondepad”.

Dit Hondepad lag net als de gelijktijdig te veilen percelen ten zuiden van de Hereweg, dat is de hoofdweg door Meeden. Wellicht lag het Hondepad parallel daaraan en betrof het een nu verdwenen bovenstreekje. In elk geval impliceert het verschijnen van de naam Hondepad in een dergelijke bekendmaking dat die naam hier geen al te negatieve bijklank had waardoor men kopers zou kunnen afschrikken. Het Meedener Hondepad was dus meer conform de omschrijving bij Ter Laan, dan die bij Molema.

Bellingwolde

Anders was het gesteld met het hondepad bij Bellingwolde. Al eerder citeerde ik hier een rechtbankverslag uit 1895, dat over de omgeving van Bellingwolde opmerkt:

“De smokkelaars verdienden (?) een aardigen stuiver en kenden de hondepaadjes over heide en veld zoo goed, dat ze moeielijk te snappen waren.”

Dat rechtbankverslag gaat over een recent verleden, maar de Staatscourant rept in 1815 al over contrabande, aangetroffen

“op het zogenaamd Hondenpad onder Bellingwolde.”

Om wat preciezer te zijn gaat het in januari dat jaar om 4,5 kroes jenever, achtergelaten door een meisje dat op de vlucht sloeg, en in augustus om een ongemerkt roggebrood van 12 pond. Via bekendmakingen wilde de overheid graag achterhalen wie de wettige eigenaars waren.

Toch is dat Hondenpad bij Bellingwolde ook een (bijna) officiële gehucht- en straatnaam geweest. A.J. van der Aa maakte er in zijn Aardrijkskundig Woordenboek (1844) zelfs een apart lemma van, waarbij hij dit Hondenpad aanduidt als een

“voorname boerenstreek en voetpad in Westerwolde.”

Volgens hem lag dit pad parallel aan de rijweg Bellingwolde-Vriescheloo, op 5 minuten (= ruim 400 meter) lopen ten oosten daarvan. In totaal had het een lengte van anderhalf uur gaans (ongeveer 7,5 kilometer). Het begon in het noorden bij De Lethe en liep in zuidwestelijke richting over de Bovenstreek ten zuidoosten van Bellingwolde door langs Vriescheloo, om bij de Ossedijk te eindigen. Een topografisch-militaire kaart uit die tijd, die de naam Hondepad ook noemt (zowel bij Bellinwolde als bij Vriescheloo) geeft een indruk van het tracé, hoewel dat er niet helemaal op staat:

Het Hondenpad bij Bellingwolde (lila aangezet).

Het Hondenpad bij Bellingwolde (lila aangezet).

Van der Aa noemt dit Hondenpad eveneens bij zijn lemmata over Bellingwolde en Wittenburg (een hofstede of boerderij). Een wegwijzer voor Groningerland van enkele decennia later vermeldt het als de naam van een buurt bij Bellingwolde. Van het tracé lijkt nu weinig meer over, wat deels zal komen door de aanleg, omstreeks 1910, van het Boelo Tijdenskanaal, maar ook door herinrichting van het gebied. Zo bood de ruilverkavelingscommissie Blijham-Bellingwolde in 1963 voor afbraak te koop aan een huis met twee woningen onder één kap, op de adressen Hondepad 1 en 2, welk vastgoed het eigendom was geweest van een H. Renken Gzn. Of het hier een officiële straatnaam betrof, zou ik niet durven zeggen, maar het Hondenpad te Bellingwolde dook in 1972 nog op in een wervingsadvertentie van dagblad De Tijd.

De conclusie voor dit hondepad moet luiden, dat het zowel de negatieve als de neutrale naam had. Daarmee voldeed het aan de beide definities, gegeven door Molema en Ter Laan.

Vriescheloo

Een eind zuidelijker, bij het westzuidwestelijken uiteind van Vriescheloo, pal op de grens van de gemeenten Bellingwolde en Wedde, lag het volgende hondepad, dat in het najaar van 1873 aanleiding gaf tot een rechtszaak bij het Kantongerecht in Winschoten.

In de avond van 9 mei dat jaar betrapten hier twee Weddenaren, H.H. Kemies en K. Bos, een wandelaar wiens naam in de berichtgeving helaas niet genoemd wordt. De man liep op een perceel dat Kemies en Bos hadden verpacht aan hun dorpsgenoot, de landbouwer W. Leta, die de grond geschikt had gemaakt als bouwland, waarop hij haver inzaaide. Noch van de eigenaars, noch van hun pachter had de voetganger toestemming zich op Leta’s grond te begeven. Daarom diende de boer een klacht in bij het Kantongerecht, welke klacht gepaard ging met een eis tot schadevergoeding.

Bij de kantonrechter bekende de gedaagde grif de overtreding, waarop volgens het Wetboek van Strafrecht (art. 471) nog een geldboete van 1 tot 5 frank stond, bij wanbetaling te vervangen door een celstraf van één tot drie dagen. De gedaagde bestreed echter dat het wetsartikel van toepassing was. Volgens hem was het namelijk zo

“dat niet alleen hij, maar ook ieder ander sedert onheugelijke tijden herwaarts bedoeld land in de rigting van het noorden naar het zuiden en omgekeerd plagten te begaan, zonder dat zulks immer of ooit bevorens door of vanwege de eigenaren of gebruikers was verboden of te keer gegaan.”

Om dit te staven nam de beklaagde twee getuigen mee: de weduwe B. Holstein-Smook en H. Beishuizen, beiden uit Vriescheloo. De wed. Holstein gaf aan dat zij en wijlen haar man vroeger het behuisde plaatsje, nu door W. Leta gepacht, hadden bewoond en gebruikt. Dat plaatsje bevond zich nog net op Vrieschelooster grondgebied, maar het haverland in kwestie lag er onmiddellijk ten zuiden van op grondgebied van Wedde. Ertussenin lag een sloot, die tevens de gemeentegrens vormde. Beaamde zij eenvoudig de bewering van gedaagde, Beishuizen gaf aan dat hij en andere kinderen uit het zuidwestelijk deel van Vriescheloo ruim een halve eeuw eerder over het land in kwestie naar hun school in Wedde liepen.

Voor de kantonrechter vormde het meningsverschil aanleiding om ter plaatse poolshoogte te nemen. Dat deed hij in aanwezigheid van de officier van justitie en de beide partijen en hun vertegenwoordigers. Door dit uitstapje kwam hij tot de conclusie dat er geen sprake kon zijn van ontslag van rechtsvervolging. Dat buren eerder niet klaagden “om elkander onderling door eene meer gemakkelijke gemeenschap te gerieven”, sprak zijns inziens de overtreder niet vrij en evenmin deed dat het feit dat de schade altijd zo beperkt bleef dat er nooit vervolging werd ingesteld. Mensen uit de buurt mochten het onlangs in bouwland veranderde stuk veldgrond dan wel langdurig zonder tegenspraak hebben gebruikt als openbaar voetpad, maar dat was alleen maar omdat de eigenaar zulks gedoogde. Daarmee was er nog niet werkelijk sprake van een recht van overpad, temeer niet daar het vermeende buurtpad ontbrak op de gemeentelijke leggers.

Wel hield de kantonrechter in zijn strafmaat rekening met het aangevoerde. Hij legde dan ook de minimumsanctie op, te weten een boete van 50 cent. Betaalde de verdachte deze niet binnen twee maanden, dan ging hij voor één enkele dag de gevangenis in.

Ook wat betreft de civiele eis tot schadevergoeding hield de kantonrechter er rekening mee dat vroegere eigenaars en pachters van het land gedoogden dat het werd gebruikt

“als overgang of (gelijk het in de taal der landlieden in deze streken veelal wordt genoemd), als hondenpad“.

Het door Leta geëiste bedrag, dat niet als overdreven werd bestreden, hield de kantonrechter daarom beperkt tot 1 gulden terwijl de veroordeelde ook de proceskosten moest voldoen.

De veroordeelde accepteerde de uitspraak niet en vroeg cassatie aan bij de Hoge Raad. Eind dat jaar besloot dat rechtscollege echter, het bij de uitspraak van de kantonrechter te laten blijven. ‘Eenmaal een hondepad altijd een hondepad’ ging dus niet op.

Nog even weer de beide definities van Molema en Ter Laan ernaast leggend, moet gezegd worden dat die van Ter Laan hier meer van toepassing was. De term hondepad werd in deze zaak neutraal gebruikt.

Tot besluit alle genoemde hondepaden namelijk die van Zuiderveen, Meeden, Bellingwolde en Vriescheloo recapitulerend, blijkt dat de term slechts in één geval, namelijk dat van Bellingwolde, ook een negatieve klank had. De neutrale woordenboekdefinitie van Ter Laan is daarom, ondanks zijn beknoptheid, beter dan die van Molema, al zou ikzelf de smokkelconnotatie niet buiten beschouwing hebben gelaten.


Over hondepaden (I)

Zuiderveen en omgeving. Bron: Hisgis.

Zuiderveen en omgeving, ca. 1830. De heide met het veen is roze, bouwland wit en weiland groen. Bron: Hisgis.

Tussen Wester- en Heiligerlee, Winschoten en de Pekela bevond zich nog in 1830 een enorm heideveld, waar een eeuw eerder broodsmokkelaars uit Westerlee een lokale belastinggaarder hadden doodgeslagen. De oostelijke kant van die heide heette Zuiderveen, ook wel eens verlengd tot Winschoter Zuiderveen, of verkort tot Zuirveen.

De heide was hier al wel in veenplaatsen verkaveld, in lange stroken opstrekkend vanaf een slingerende bewoningsas in het oosten, eveneens Zuiderveen geheten. Waar de heide nog relatief de meeste plaats innam op die stroken, wat meer naar het zuiden toe, bezat de in Zuiderveen woonachtige wed. Harm Melles een veenplaats. Samen met de eigenaren van twee belendende veenplaatsen, ds. Tiddo Waldrik Siertsema van Eexta en de erven van de gezworene Amsingh uit Noordbroek, vatte zij het plan op, om hier turf te laten graven. Daarvoor moest er echter eerst een kanaaltje komen voor de afvoer van water en turf.

Zo’n kanaaltje kon je niet zomaar aanleggen, in dit geval al helemaal niet doordat het een voetpad en een rijweg tussen Winschoten en Pekela kruiste. Daarom wilden de weduwe Melles en consorten ten behoeve van dat voetpad “een genoegzaam bat of klap” over de wijk aanleggen, “en over de weg eene klapbrug”. Beide projecten zouden uiteraard op hun kosten worden uitgevoerd, evenzo het toekomstig onderhoud. Eind juli 1802 legden de weduwe Melles & co. hun plan met een “figurative kaart” voor aan de Winschoter dijkrichters en de Oldambster drost, “als de schouwing [en] overschouw respective hebbende over gemelde voetpad en rijdweg”. Zonder hun instemming konden beide benodigde doorgravingen immers niet doorgaan.

Op 21 september dat jaar lag er een advies van de dijkrichters, waarmee de wed. Melles & co. genoegen namen. Vervolgens zouden zij en de dijkrechters een contract opstellen, maar bleef het maandenlang stil.

Toch begon nog in 1802 het wijkgraven. Toen de arbeiders hiermee in het voorjaar van 1803 het voetpad naderden, kwamen echter vijf gezinshoofden van het Zuiderveen in het geweer:

  • Jan A. Udes
  • Hindrik Harms
  • Engelke Geerds
  • Jan Folkers
  • en Roelf Jans

Zij vertelden de drost dat ze in het bezit waren van een gebruiksrecht op

“zeker pat genaamd het Hondepat, lopende van het (Winschoter) Agterholt tot over de Zuiderveenster veenbouwten na de Pekela.”

Langs dit Hondepad lagen hun huizen of hemen. Ze gebruikten het om naar de Pekela te komen. Maar nu ervoeren ze dat de wed. Melles & co. op het punt stonden om dat pad door te laten graven en daarmee waren ze het volstrekt oneens,

“aangezien nu daardoor voor de rem[onstran[ten een omweg na de Pekela van meer dan een quartier uurs staat te worden geobtineert.”

Vandaar dat ze stopzetting van het werk wilden, wat de plaatselijke wedman door middel van een bevelschrift aan de wed. Melles & co. zou moeten overbrengen. Op 2 april 1803 willigde klerk Ogterop in afwezigheid van de drost het verzoek om zo’n bevelschrift in.

Blijkbaar was er te weinig rekening gehouden met deze Zuiderveensters die van het Hondepad gebruik maakten. De communicatie door de Winschoter dijkrichters zal dan ook vast niet optimaal geweest zijn. Hangende het geschil werden de rekesten van de adspirant-verveners ook niet afgeschreven in het Oldambtster rekestenprothocol. Dat gebeurde pas toen de hobbel gladgestreken was. Op 3 mei 1803 verleende de drost eindelijk zijn goedkeuring aan de plannen van de wed. Melles & co.,

“ter aansnijding van van eenig veen en de daartoe nodige doorsniding van het voetpat en rijdweg na de Pekela.”

Waar de nieuwe wijk kwam te liggen, is niet moeilijk te raden. Tussen Winschoten en Pekela kruiste even later namelijk maar één water de toenmalige rijweg en dat was de Zuiderveenster Hoofdwijk, tevens het enige kanaaltje van het Zuiderveen. Op bovenstaande HisGis-kaart, gebaseerd op het kadaster van ca. 1830, steekt dit kanaaltje vanuit het oosten als een winkelhaak in ‘t roze van de Zuiderveenster heidevelden. Even ten noorden van Oude Pekela (en het verdwenen Strobos) lost het nog steeds zijn water in het Pekelder Hoofddiep.

Waar het Hondepad precies lag, is een moeilijker te beantwoorden vraag. Van bovengenoemde vijf bezwaarmakers, zijn er dertig jaar later echter nog drie te herkennen in het kadaster, te weten Jan Alberts Udes, Engelke Geerds van der Veer en Roelf Jans Start. Alle drie woonden zij op het noordwestelijke uiteind van Zuiderveen.

Ook geeft de kadasterkaart een eindje ten westen van de klapbrug in de rijweg Winschoten-Pekela een tweede overbrugging weer, wat de bat of klap zou kunnen zijn die er werd neergelegd voor het voetpad.

Verder zijn wat oudere detailkaarten van Zuiderveenster veenplaatsen, die elk een glimp van het voetpad geven. Op een kaart van 1725 ligt dat een eind ten westen en parallel aan de rijweg, vlak langs enkele boerderijtjes. Op de kaart die de wed. Melles & co. in 1803 lieten maken, wordt dit voetpad inderdaad het Hondenpad genoemd en ligt het eveneens een eind ten westen van en evenwijdig aan de rijweg, min of meer op de grens van afgeveend land en heide. Op een schetskaartje van 1800-1810 tenslotte, vinden we de naam Hondenpad bovendien, opnieuw een eind ten westen van de rijweg en pal  ten oosten van een aantal herkenbare kadastrale nummers, die echter veel later met potlood op de kaart aangebracht zijn.

Een en ander geeft wel aanwijzingen, maar geen uitsluitsel waar we het Zuiderveenster Hondepad moeten zoeken. Zekerheid komt er pas door de kaart die Huguenin omstreeks 1825 maakte. Deze bevat een stippelllijn, die ik op onderstaande uitsnede met lila heb gemarkeerd:

Het Hondepad door Zuiderveen (lila). A = Woonplaats vande bezwaarden tegen afsnijding Hondepad ; B = Bat over door Zuiderveenster Hoofdwijk; C = Klap in de rijweg; D = Strobos; E = De toenmalige rijweg Winschoten-Pekela (nu verdwenen).

Het Hondepad door Zuiderveen (lila). A = Woonplaats van de bezwaarden tegen afsnijding van het Hondepad ; B = Bat over door Zuiderveenster Hoofdwijk; C = Klap in de rijweg; D = Strobos; E = De toenmalige rijweg Winschoten-Pekela (nu verdwenen).

Gemakkelijk is nu ook te zien, waarom nu juist de bewoners van het noordwestelijke uiteind van Zuiderveen (A) klaagden. Als ze naar de Pekela wilden, vormde de rijweg (E) voor voetgangers een enorme omweg, vergeleken bij het Hondepad. Afgaande op de kadasterkaart (maar niet op Huguenin) lagen hun boerderijen en andere huizen ook het verst van de rijweg af.

Intussen laat de kaart van Huguenin nog een andere, vanuit het zuiden recht doorgaande stippellijn zien. Dit andere pad blijkt deels de voorganger van de N972.

Morgen een vervolg over hondepaden in het algemeen en die bij Meeden, Bellingwolde en Vriescheloo in het bijzonder.

Bronnen, behalve de gelinkte: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief gerecht Oldambt) inv.nr. 6142 (rekestboek).


Leta – een familienaam thuisgebracht

Vastgoed van Albert Wirtjes Leta, volgens het kadaster van ca. 1830. Bron: HisGis.

Vastgoed van Albert Wirtjes Leta, volgens het kadaster van ca. 1830. Bron: HisGis.

Op zoek naar gegevens over hondepaadjes, kom ik in een rechtbankverslag van 1873 de familienaam Leta tegen, in dit geval toebehorend aan een boer, woonachtig op de Smokerij onder Wedde.

Leta. In mijn UK-tijd was onze redactie-secretaris altijd heel goed te spreken over een gewezen student-redacteur die zo heette. Je zou denken dat de naam Italiaans, Frans of Zwisers was, maar ze blijkt zo Gronings als wat.

En ook nog bijzonder honkvast, zo leert een query in Alle Groningers. In totaal komen er in die databank 179 meldingen van de familienaam Leta voor en 150 daarvan (84 %), zijn afkomstig uit de gemeente Bellingwolde.

De naam is voor het eerst geregistreerd in een geboorteakte van die gemeente uit 1812. Een boer Albert Wirtjes Leta geeft dan ten gemeentehuize aan, dat zijn vrouw en hij een dochter hebben gekregen.

Deze Albert Wirtjes Leta heeft volgens het kadaster van ca. 1830 een boerderij te Leijte, oftewel op De Lethe, tussen Bellingwolde en de landsgrens, maar de grond erbij is een opstrekkende heerd van die grens tot een eind voorbij Bellingwolde. Bovendien heeft deze Leta nog zo’n langgerekte heerd op de Vriescheloër Vennen en Veenlanden ten zuiden van Bellingwolde, naast losse percelen op de Bellingwolder Binnenlanden richting Oudeschans en op Hebrecht. Voor al dat land hoefde Albert Wirtjes Leta maar weinig grondbelasting te betalen, maar toch moet hij een van de rijkere ingezetenen zijn geweest van het smokkelaarsnest De Lethe.

Alleen, waarom laat iemand zich naar zijn eigen woonplaats noemen? De Lethe heette immers ook wel Leta, bijvoorbeeld in kranten, zelfs vrij laat nog.

Achternamen moesten identificatie faciliteren. Als ergens twee bewoners bijvoorbeeld Jan Pieters heetten, dan ging men de ene Bos noemen en de ander Dijk, naar hun woonplaatsen. Maar er was geen andere Albert Wirtjes bij leven van  deze Albert Wirtjes, in heel Groningerland niet. De naam Leta diende er dus niet ter bevordering van een lokaal onderscheidingsvermogen.

Bewoners van De Lethe konden zich allemaal wel zo noemen. Het onderscheid dat de naam Leta in 1812 officieel aanbracht (en mogelijk eerder inofficieel als bijnaam, al weten we dat niet) moet dan hebben gegolden voor een wijdere omgeving. Albert Wirtjes was dus niet zozeer op zijn directe woonomgeving gericht, toen hij zich in 1812 zo liet noemen. Het is paradoxaal, maar juist door zijn wijdere oriëntatie liet hij zich precies plaatsen.

(Licht herzien op 14.1)


De Pekelder esculaap

beckeringh-pekela-blog

De Pekela’s, op de grens van ’t Oldambt en Westerwolde, naar de weergave van Beckeringh (1781). De rode grens  tussen beide landschappen slingert meermalen over het Pekelderdiep heen. Het beeld lijkt op dat van een esculaap draaiend rond zijn staf.

In Westerwolde (rechtsonder) gold een milder belastingregime dan in het Oldambt (linksboven), wat de smokkel in die richting van o.a. brood en jenever in de hand werkte. Vooral de stukken waar Westerwolde het Pekelderdiep overstak, leken wat dat betreft aantrekkelijk. Je kon er zonder verdere barrière met je contrabande het Oldambt intrekken en dat door een omgeving waar nog veel rauw, onaangetast veen was. Als de gewestelijke overheid hier greep op wilde houden, dan moest ze er aardig wat controleurs rond laten lopen.


Oldambtster verlotingen

Mijn oud-tante Siene herinnerde zich levendig dat haar vader, de schoenmaker Geert Perton te Finsterwolde, eens een hevige aanval van astma had. Daardoor kon hij niet naar de verloting van een geit zonder hoorns in logement Ufkes, en moest hij zijn al gekochte lot aan een buurman meegeven. Dat zal ongeveer in 1910 geweest zijn.

Voor haar als kind – ze was van 1900 – vormde de consequentie van die astma-aanval een klein trauma. Hoe graag had ze die geit gewild. Op mij als kind dat haar verhaal aanhoorde, kwam die prijs licht exotisch over. Ik kende natuurlijk wel geiten, maar dat er ooit publiekelijk geiten werden verloot, dat vond ik tamelijk raar. Bij een loterij kon je honderdduizend gulden winnen, of kleiner geld. En bij een verloting van de korfbalclub misschien een fiets, maar geen geit. Absoluut geen geit.

Toen ik in de jaren 90 de rekesten van de stad Groningen doornam, kwam ik dergelijke verlotingen met dieren als hoofdprijs pas opnieuw tegen. Ik heb deze en andere verlotingen systematisch genoteerd. Die gegevens wachten nog op verwerking.

Maar bij de Oldambtster rekesten bleken er ook weer te zitten, die verlotingen betroffen. Wel veel minder dan in de stad. Omdat het er tussen 1730 en 1807 in totaal 36 bleken te zijn, kostte het verwerken daarvan wat minder moeite. Het viel in een avond te doen.

In principe waren publieke verlotingen in de achttiende en negentiende eeuw verboden, tenzij de overheid er vergunning voor gaf. Op zulke verlotingen kwamen nogal wat mensen af, daar wilde de overheid graag wat greep op houden. Daarom mocht zo’n verloting ook alleen geschieden onder toezicht van de gerichtsdienaar of wedman. Verder moest altijd een klein deel van de loten, de zogenaamde ‘vrije loten’ gratis aan het gerecht, en een ander klein deel gratis aan de diaconie worden gegeven. Wanneer de armen een prijs wonnen, staat dat in het diaconieboek verantwoord.

Dit zijn de 36 verlotingen die ik in de Oldambtster rekesten aantrof:

Datum apostille Organisator Woonachtig te Prijs
       
3 november 1731 Harm Bonjes (Winschoten) Enige sitzen en katoenen.
21 februari 1732 Mighiel Harms ? Holschen of hozen?
27 januari 1733

 

Otto Jacobs, meester timmerman Beerta Drie kisten en enige stoven
16 januari 1735 Jan Geerts Timmer ? Enig handwerk
17 december 1736 Klaas Uities (Nieuwolda) Vette koe
5 februari 1737 Egbert Jacobs (Zuidbroek of Nieuwe Pekela) Kist
26 februari 1737 Jacob Eppes (Scheemda) Nieuwe boerenwagen.
10 maart 1772 Substituut Jacob Egges (Winschoten) Vette koe
3 november 1772 substituut Jacob Egges (Winschoten) Vette koe
13 januari 1773 Salomon Philippus Nieuw-Beerta Koebeest
18 januari 1773 Tammo Tammen & co. Een paar wagengereiden c.a., een zilveren zakhorloge, enige spiegels
1 maart 1773 Geert Geerts Oostwold Koe
5 april 1774 Jan Krijns Klok
19 april 1777 Onno Jurriëns postiljon Winschoten Twee zilveren zakhorloges
31 januari 1778 Onno Jurriëns postiljon Winschoten Extra gouden zakhorloge
19 januari 1790 A.W. Janeke Winschoten Tinkast, kabinet, stelsels porselein, hoekbuffet, 3 tafels, 6 verlakte breedjes, nog een hoekbuffet
2 november 1790 Klaas J. Kuiper, kastelein Winschoten Ruinpaard
1 februari 1791 Albert Hindriks Buiskool Beerta Vette koe
15 februari 1791 Jan Bruinius, zijlwaarder en tapper Oostwold (polder) Twenter melkvaars D.
31 januari 1797 Klaas J. Kuiper, kastelein Winschoten Paard
24 oktober 1797 Wijpke Wijpkes Winschoten Vette os
6 maart 1798 Sikke S. Muller (Midwolda of Zuidbroek) Vette koe
31 mei 1802 E of G of O.J. van Dijk, kastelein Winschoten Zwart merriepaard
16 november 1802 Jan Jurjens (Nieuwe Pekela of Veendam) 4 of 5 boerenwagens
6 december 1803 Harm Geerts Beerta Speel uurwerk
6 december 1803 Wiert Gerrits Lohman Veendam Vet zwijn en 2 “harolgien”
20 december 1803 H.H. Vaalman (Winschoten) Spelend uurwerk, en een gouden zakhorloge
24 januari 1804 A.J. Folkers (Winschoten) Hangend uurwerk, gouden horloge, enige zilveren horloges, enige zilveren lepels en 3 gouden gespen.
20 november 1804 H.D. Klein Winschoten, in een der herbergen Enig zilverwerk
10 december 1805 Marieke Maijers Zuidbroek Enige goederen
10 december 1805 Jan J. Timmer, schrijnwerker Meeden Enig door hem vervaardigd schrijnwerk als kabinet, pulpitrum, tafels e.a. meubiliën van die aard.
17 december 1805 Tiddo Reints Beerta 2 Koebeesten
28 januari 1806 Willem Holle Veendam 3 gaande uurwerken, w.o. fraaie speelklok
2 december 1806 Wessel Geerts Midwolda Lakens, manchesters e.d.
ca. 20 december 1806 Pieter Berends Meeden Kabinet en 2 pulpitrums
31 december 1806 Harm Hindriks Meurs Veendam 2 vette varkens

Bij de jaartallen in de eerste kolom valt op, dat de verlotingen niet mooi over de hele periode verdeeld zijn. Van 1738 tot en met 1771, van 1778 tot en met 1789 en van 1792 tot en met 1796 waren er immers geen verlotingen. Dat kan en zal met de opvattingen van de dan fungerende drosten te maken hebben gehad, maar ook met de angst dat zulke samenkomsten uit de hand zouden lopen, bijvoorbeeld in tijden van grote religieuze of politieke onrust. Opvallend is dat er na 1800 relatief veel verlotingen waren, namelijk 14 van de 36 of een kleine 40 % bam het totale aantal. Bij orthodoxen was er waarschijnlijk veel meer weerstand tegen verlotingen dan bij de wat meer vrijzinnigen, ik denk dat die groei na 1800 te maken heeft met het veldwinnen van de Verlichting in het Oldambt, dat voordien nog een tamelijk orthodox-bevindelijke regio was.

Qua maanden spanden december (met 10) en januari (met 9 verlotingen) de kroon. November en februari scoorden beide 5 maal een verloting. Eind oktober, na de Zuidlaardermarkt, als het al aardig donkerde, begon voorzichtig het seizoen voor verlotingen, dat verder samenviel met de winter. Dan had men er ook de tijd voor. Vanaf februari nam het aantal weer af en ’s zomers, van mei tot in oktober, werden er helemaal geen verlotingen georganiseerd. Dan riep het werk.

Aan de namen van de organisatoren in de tweede kolom, kan je zien dat er niet veel doublures bij zitten. Het gros van de verlotingen was voor de organisator een eenmalige zaak. Veel beroepen staan er niet bij de namen, maar mijn zeer voorlopige indruk is dat er nogal wat kasteleins bij zitten, verder timmerlui en schrijnwerkers, wagenmakers, horlogemakers en slachters, mogelijk ook wat boeren.

Qua plaatsen spande Winschoten de kroon, met 14 verlotingen. Van de dorpen bij of in de Dollardpolders stak Beerta er bovenuit met 4. Ondervertegenwoordigd waren de veenkoloniën – Veendam had er maar 3 en daar kwam het verschijnsel ook nog laat op.

Dan de prijzen. In 15 gevallen bestonden die uit levende have: vooral koeien (10), veel minder vaak paarden (3) en varkens (2). Bij de koeien en varkens wordt nogal eens opgemerkt dat ze vet zijn. Mogelijk ging het om overgebleven slachtvee, dat de eigenaars niet de hele winter konden of wilden aanhouden.

Qua voorwerpen scoorden luxe uurwerken het hoogst (10 gevallen). Bij 6 verlotingen ging het om luxe meubilair, in 3 gevallen om toch ook niet goedkope boerenwagens en in 3 andere om luxe stoffen. Ook voor deze zaken geldt, dat de eigenaars er in de gangbare handel wellicht moeilijk vanaf kwamen. Dan diende een verloting zich aan als uitkomst, al moest je dan wel eerst alle loten zien te verkopen wilde je er nog wat winst aan overhouden.

Helaas gaven maar weinig organisatoren enige opening van hun zaken. Voor de koe die in 1773 te Oostwold verloot werd, deed Geert Geerts 56 loten uit voor een rijksdaalder per stuk, terwijl Albert Hindriks Buiskool te Beerta 80 loten à 2 gulden liet meedingen naar zijn vette koe. Beide aantallen waren echter inclusief de vrije (gratis) loten voor het gerecht en de diaconie. In Oostwold zullen dat er 6 zijn geweest, in Beerta mogelijk 5. Bij het wegzetten van alle loten bracht de koe in Oostwold dus 125 gulden op en die van Beerta 150. Ik heb zo’n idee dat dit best wel hoge prijzen waren, maar we kennen het formaat en de kwaliteit van deze koeien niet en er zat, nogmaals, voor de organisator ook het risico aan vast dat hij niet alle loten verkocht.

Over de verlotingsmethode, en dit tot besluit, worden we slechts in twee late gevallen iets gewaar. Op 28 januari 1806 liet de Veendammer Willem Holle zijn gaande uurwerken verloten door middel van het gooien met dobbelstenen. Terwijl Wessel Geerts in Midwolda eind dat jaar zijn lakens en manchesterse stoffen kwijtraakte door kinderen met een soort van molentje de trekking te laten verrichten.

Nog even de belangrijkste conclusies op een rijtje:

  • Verlotingen kwamen soms jarenlang niet voor. Dan zat er een wat strengere drost of speelde de religieuze en-politieke constellatie een rol. Na 1800 groeide het aantal verlotingen onmiskenbaar, wat verband houdt met de baanbrekende Verlichting.
  • Verlotingen had je vooral ’s winters. In Winschoten kwamen ze het vaakst voor, daarna in Beerta. In de veenkoloniën had je ze relatief weinig.
  • Bij ruim 40 % van de verlotingen ging het om levende have, m.n. slachtkoeien. Verder verlootte men nogal eens luxe uurwerken en huisraad, spullen die de eigenaars op de normale manier maar moeilijk aan de man konden brengen.

De schrik van het kerspel

In 1750 mocht de Oldambtster drost ze eens in zijn gehoorkamer verwelkomen: de predikant en kerkvoogden van Nieuwolda,

“op het versoek van de caspellieden begerende eenen schrik voor hun caspel…”

De ‘schrik’ die ze op dat moment hadden (samen met een of twee andere kerspelen) deugde namelijk niet.

Met die aanduiding ‘schrik’ bedoelde men de roderoede of veldwachter, of, om het Groninger Woordenboek van Ter Laan aan te halen: “oudtijds den politiedienaar ten plattelande”. In deze betekenis schijnt de omineuze term ‘schrik’ (hij jaagt een kwajongen meteen de stuipen op het lijf) typisch Gronings te zijn geweest, want je vindt hem zo niet in het Drents Woordenboek van Hadderingh en ook niet in het het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT).

Afgaande op het woordenboek van Ter Laan, was de term ‘schrik’ voor veldwachter in de eerste helft van de twintigste eeuw nog bekend in Westerwolde. Maar ontstond de term daar dan ook, of was Westerwolde de regio waar die betekenis overleefde? Dit valt enigszins te toetsen met als uitgangspunt een andere opmerking van Ter Laan, te weten dat de term nog steeds voorleeft als geslachtsnaam.

In Ter Laans tijd had je geen Alle Groningers, maar nu wel, en een simpele query op de familienaam Schrik levert op dat die naam in 1740 voor het eerst in een Groninger doop-, trouw-, of begraafboek opdook. Tot 1810 treffen we in zulke registraties in totaal 21 meldingen aan van 13 mannen die Schrik heetten. Gezien de patroniemen kunnen de later genoemde echter slechts in enkele gevallen familie van de eerder genoemde zijn geweest. Afgaande op de retroacta burgerlijke stand is de naam dus op meerdere plaatsen ontstaan en dit betreft bijna louter plaatsen in het Oldambt, met achtereenvolgens eerste verschijningen te Finsterwolde (1740), Beerta (1758), Woltersum (1763), Winschoten (1767), Nieuwe Pekela (1773), Nieuwolda (1775), Zuidbroek (1780), Noordbroek (1783), Nieuw-Beerta (1788) en Meeden 1790). De opmars van de achternaam Schrik kent weliswaar zijn grillige momenten, maar lijkt globaal toch begonnen te zijn in het oosten van het Oldambt – pas later wordt die naam in de meer westelijk gelegen Oldambtster kerspelen geregistreerd.

Westerwolde had dus vast niet de primeur van de bijnaam Schrik die tot familienaam evolueerde, al bleef de veldwachter daar wel het langst zo heten.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (Rechtsarchief Oldambt) inv.nr. 6119 – 10 juni 1750 (Nieuwolda); 23 september 1754 (Finsterwolde); inv.nr . 6122 – 2 april 1770 (Finsterwolde); en inv.nr. 6128 – 15 juni 1779. In alle gevallen betreft het rekestboeken.


De eerste junkie van Sodom

De kwakzalver of de Europese dodendans. Ingekleurde prent (1814). Collectie British Museum.

De kwakzalver of de Europese dodendans. Ingekleurde prent (1814). Collectie British Museum.

We zijn geneigd om verslaving aan opiaten te associëren met de jaren 60, of, als we wat verder terugkijken, met artsen en zeelui of met excentrieke schrijvers als Slauerhoff en Bilderdijk. Dat het een veel ouder verschijnsel is, dat ook een eenvoudige huisvrouw kon overkomen, blijkt uit een verzoekschrift, in 1752 ingediend bij de Oldambtster drost. Ene Geert Jans vertelde de regionale magistraat in dat stuk hoe zijn

“ehevrouw Swaantie Jans zig an het gebruik van filonium zodanig heeft overgegeven dat ze ter obtenue van hetselve zig niet ontsied, om de mobilia tot suppl[ian]ts hemden en zijne kinderen lyfstoebehoren incluis te verkopen, en zulks wel voor minder dan de halvscheid van de waarde der goederen, zoodat de suppl[ian]t daardoor notoir in de uiterste armoede moet vervallen, temeer daar zijne vrouw door het geobtinueel gebruik van opgemeld filonium ten eenemaal buiten staat is gesteld om de huishoudinge waar te nemen en suppl[ian]ts onnosele kinderen behoorlijke handreikinge te doen… ”

Met andere woorden: Swaantje, de vrouw van Geert Jans, was dusdanig verslaafd aan ‘filonium’ dat ze er zelfs huisraad en kleding van haar man en kinderen voor versjacherde, en dat voor minder dan de helft van de waarde. Geert vreesde voor hun totale ruïnering, temeer daar Swaantje door het middel ook haar huishouding en jonge kinderen verwaarloosde.

Dat middel filonium of philonium waaraan ze zich overgaf, was in de Late Middeleeuwen al bekend. Volgens een compendium van medisch vocabulaire in die tijd werd het samengesteld uit opium, zaden van bilzekruid en goudenregen en allerhande in- en uitheemse kruiderij, terwijl honing en arabische gom als smaak- en bindmiddel fungeerden. De consument moest het voor gebruik mengen met wijn of anijswater en het vond hoofdzakelijk toepassing bij longkwalen, maar ook wel bij een simpele verkoudheid. “Beneemt het hoesten terstont”, aldus de Nieuwe veldmedicine, een handboekje voor legerchirurgijns uit 1693. Het Huishoudelyk woordboek van Chomel (1743) noemt filonium bij het lemma “Verdoofmiddelen, narcotica of slaapmiddelen”, terwijl het Nieuw en volkomen woordenboek uit 1777 het schaart onder de opiata of “middelen onder welken de opium geteld wordt”. Tot zover het voornaamste bestanddeel. Erg veel moeite kostte het niet om aan philonium te komen, want je kon het destijds gewoon kopen bij de barbier om de hoek, die het dan vast in een minder fraaie pot zal hebben bewaard dan de apotheker dat deed.

Geert Jans voegde een getuigenverklaring bij zijn verzoekschrift om zijn relaas te staven. “Met uiterste verlegenheid teffens schaamte angedaan” vroeg hij de drost om een maatregel, liefst het “prodiga” verklaren van zijn vrouw. Dat betekende dat ze officieel tot een verkwistster en doorbrengster bestempeld werd, zodat ze onder curatèle gesteld kon worden.

De drost willigde dit verzoek in. Van de prodiga-verklaring zou een akte in de daarvoor gebruikelijke vorm worden opgesteld,

“om ter plaatse van haar woninge gepubliceeerd en angeslagen te worden tot een jeder narigt.”

Daarmee stond Swaantje er in haar woonomgeving als een paria op, want mensen die hun eigen en andermans goed erdoor jasten werden met de nek aangekeken. Iemand die daarna nog spullen van haar durfde kopen kon worden beschouwd als een heler. Iemand die haar daarna nog geld leende, had het geheel aan zichzelf te wijten als hij dat geld niet terugkreeg.

Uiteraard heb ik geprobeerd om Geert en Swaan via Alle Groningers wat beter in beeld te krijgen. Hij bleek uit Oostwold te komen en zij uit Winschoten, toen ze in 1740 in Winschoten trouwden. Daar in Winschoten werden ook hun kinderen geboren:

  • 1742: Sijben
  • 1743: Jan
  • 1750: Geesien
  • 1753: Geesien

Uit het feit dat beide laatste kinderen dezelfde naam kregen, mag je aannemen dat het voorlaatste overleed. Mogelijk drukte Swaantje het verdriet daarover weg met philonium?

Hoe het ook zij, aan het rekest danken we de eerst bekende drugsverslaafde van Winschoten, en waarschijnlijk ook de eerste cold turkey.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (rechtsarchief Oldambt) inv.nr. 6119 (samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen), die van 4 mei 1752.


‘Een ondraaglijke, onnodige en zelfs schadelijke order’. Onrust in Zuidbroek over wegschouw

Pieter van Loon, Vegende vrouw. Collectie Rijksmuseum.

Pieter van Loon – Vegende vrouw. Collectie Rijksmuseum.

Al mocht zijn preektrant niet helemaal naar de smaak zijn van de nazaten, in zijn eigen tijd gold ds. Conradus Klugkist van Zuidbroek en Muntendam als een zeer geleerd en achtenswaardig man. Hij publiceerde een prekenbundel over “des Heilands geboorte in Betlehem” (1736), terwijl hij ook een stichtelijk werk uit het Duits vertaalde (1737), boeken die in beide gevallen kennelijk in een behoefte voorzagen, gezien de herdrukken die ze beleefden.

Dat ds. Klugkist niet helemaal aan de wereld ontstegen was, daarvan getuigt een verzoekschrift dat hij in mei 1738 bij de Oldambtster drost indiende namens een aantal nabers in het Zuidbroekster kerkbuurtje:

“Op den ingediende request van pastor C. Klugkisten en verder ondergeschreven bewoners van huisen an de strate te Zuidbr[oek], dat op sondag laast voorleden is afgekondigt een order der dijkrigteren, waarin onder anderen de remonstr[ant] opgelegt wort de strate nevens de goten en pompen by deselve àlle weken te schonen, met bedreiginge van de nalatige de breuk ten scherpsten te zullen afnemen, welke order alsoo door (= voor, HP) de remonstr[ant] ondraaglijk is, gelijk in sigself onnodig, indien niet schadelijk, de ondergeschrevene haar genootzaakt vindende U Wel Ed[ele] Hoogwijse Gestr[enge] in desen om redens te versoeken, temeer daar van ondenkelijke tijden of altoos door de caspeldienaar (die daarvoor tractement geniet) ansegginge word gedaan om de straate, goten en pompen te schonen wanneer de dijkrigteren zulks nodig oordelen, met bepalinge van dag wanneer geschout zal worden.”

Met andere woorden: de predikant hoorde in zijn eigen kerk na de preek een bekendmaking voorlezen namens de dijkrichters – d.w.z. degenen die toezagen op het onderhoud van allerlei voorzieningen in de openbare ruimte – waarbij hij en zijn buurtgenoten werden verplicht om èlke week de straat, de goten en de duikers onder hun dammen schoon te maken. Gebeurde dat niet, dan zouden ze bij betrapping zonder meer de daarop gestelde boete moeten betalen. Klugkist en zijn nabers verzetten zich uiteraard niet tegen het schoonhouden op zich, maar ze vonden deze algemene bekendmaking ondraaglijk, overbodig en zelfs contraproductief, omdat het tot dan toe altijd zo was geweest dat de kerspeldienaar de mensen individueel aansprak als er op een tevoren bepaalde dag een schouw van de dijkrichters aan zat te komen en er dus nog het nodige moest gebeuren. Die kerspeldienaar werd daar ook nog eens voor betaald; door de nieuwe methode zou hij erbij in kunnen schieten. Klugkist en zijn buren wilden daarom graag, dat de dijkrichters hun oekase nader zouden motiveren.

Op vrijdag 16 mei beloofde de drost om Klugkist en de dijkrichters “nader te verstaan en soo doenlijk te reguleeren”. Beide partijen kregen daarom een uitnodiging om op maandag 19 mei in het rechthuis van Noordbroek te verschijnen.

Van deze bijeenkomst vond ik geen verslag. Merkwaardig is, dat hierna in het rekestprothocol een verzoekschrift van de Zuidbroekster dijkrichters is ingeboekt, dat (deels) lijkt te reageren op het rekest van Klugkist en zijn buren, maar waarvan de kantbeschikking gedateerd is op 10 mei, dus nog voor de apostille op het rekest van Klugkist. Misschien maakte de klerk een foutje bij het overschrijven – dat gebeurde wel vaker – maar beide rekesten zijn überhaupt laat ingeboekt, namelijk pas tussen 16 juli en 4 augustus, zodat ik vermoed dat er wat anders aan de hand is geweest. Ik denk dat de dijkrichters wel even voor of op 10 mei een verzoekschrift hebben ingediend, maar dat afschrijving vanwege het protest door Klugkist c.s. alsnog is aangehouden tot na de bespreking met beide partijen, waarbij de tekst, in elk geval die van de kantbeschikking, alsnog is aangepast.

Onder aanvoering van wedman Swijghman, beweerden de dijkrichters van Zuidbroek en Muntendam dan,

“dat in dit caspel de gewoonte is de anseggingen en kerkenkundigen prævie te doen voor en al eer de wegens en straten (gemaakt) wordende, sijn in dit variabel saisoen seer nadelig, als wordende op gestelde dagen dickwijls door de regen daarvan belet en de kerkenkundiging niet haastiger als van 14 dagen tot 14 dagen kennende geschieden, passeert te mets de bekwame tijd [en] dewijl door de lange droogte de kleywegen en straten haast te hart en enbekwaam werden deselve na behoren te kunnen maken en schonen, ’t geen niet te redresseren is, tensy de dijckrigteren in haar q[ua]l[i]te werden geouthoriseert een generale kundiging te laten doen, dat een jegelijk der ingesetenen van Zuidbroek en Muntendam ten allen tijden gehouden zijn haar wegen en straten goet en schouwvry te hebben, en de dijkrichters dieswegen vrei staat alle saturdag of wat dag in de week goet vinden, na manier der naburige kaspels, deselve te schouwen en de nalatigen te breuken na gewoont.”

Met andere woorden: In Zuidbroek en Muntendam was het volgens de dijkrichters de gewoonte om iedere periodieke schouw op zich aan te kondigen, maar door het veranderlijke weer en onvoorziene regen ging naderhand vaak de goede gelegenheid voorbij voor schoonmaak en -schouw. Anderzijds maakte langdurige droogte de kleiwegen te hard en ongeschikt voor elk onderhoud. Verder speelde parten dat er (om wat voor reden dan ook) slechts eens in de twee weken een kerkdienst was waarbij een schouw kon worden aangekondigd. In plaats van een aankondiging per schouw, vonden de dijkrichters het daarom beter (eens per jaar in het voorjaar) een algemene aankondiging te doen. De dijkrichters mochten en konden dan ook op elk gewenst moment, vooral op zaterdag maar in principe op elke werkdag, schouwen en nalatigen beboeten. Op die manier was het geregeld in de naburige kerspelen en zo wilden de dijkrichters van Zuidbroek en Muntendam het ook gaan doen. Daarvoor vroegen ze toestemming van de drost.

Wat de dijkrichters er niet bij vertelden, dat ze zo veel meer armslag kregen bij hun controles. Naast een disciplinerend, zat er ook een financieel kantje aan de zaak. Telkens opnieuw een schouw moeten aankondigen, kostte nu eenmaal meer geld dan een algemene afkondiging ineens. Bovendien werd het telkens aankondigen van een schouw door de kerspeldienaar overbodig. Dat spaarde toch ook menig stuivertje uit.

Hoe dan ook, de drost willigde het verzoek van de dijkrichters in. Dominee Klugkist en zijn nabers dolven het onderspit. Wel vond de drost dat de zijlvestendienaar (dezelfde als de kerspeldienaar?) niet mocht worden benadeeld. Die bleef zijn inkomen houden uit het doen van aanzeggingen inzake wegonderhoud, gedaan uit naam van de drost.

Bron: RHC Groninger Archieven toegang 731 (rechtsarchief Oldambt) inv.nr. 6118 (samengevatte rekesten met kantbeschikkingen).


Goa van mien laand oaf! (4)

Voordat er in 1769 een polder voor Oostwold in de Dollard kwam, werd dat kerspel aan de Dollardkant nog begrensd door de oude dijk van 1701. Echt ver van de parallelle weg met de huizen lag die dijk niet. Ertussen lag een strook met landerijen, die in 1737 deels in handen was van dominee Klugkist van Oostwold en Ebel Reints, een grote boer ter plaatse. Met lede ogen zagen zij aan

“dat enige visschers en andere personen te Oostwold van of na de dijk gaande over der Remonstr[an]ten landerijen met koorn bezaaayt of bewassen, bijpaden maken, tot groot nadeel van de eijgenaars…”

Ze wilden graag dat de drost hier maatregelen tegen nam, in dier voege

“dat jedereen mag worden geïnterdiceert over der remonst[ran]ten landerijen bijpaden te maken, maar dat zij de ordinarisse passagie zullen moeten gaan, bij zeekere poena voor de overtreders, als moge worden toegestaan dat hiervan kerkenkundinge werde gedaan.”

De drost antwoordde dat hij de zaak “tot genoegen” van de verzoekers zou regelen. Er kwam dus inderdaad een verbod, zo ook een kerkenkondiging van dat verbod. De armetierige garnalen- en botvissers van Oostwold moesten voortaan wat verder lopen naar de zee. Met name aan de westkant van Oostwold zal ze dat best moeite hebben gekost.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (rechterlijke archieven Oldambt) inv.nr. 6118 (samengevatte rekesten met kantbeschikkingen).


Arme, maar nijvere schoenlapper krijgt gratis woning

schoenmaker-uit-welk-beroep-kiest-gij-ca-1862

“Op den ingediende requeste van Jacob Klasens en cons[or]t[en], diaconen des carspels Nieuwolda, hoe dat dezelve wel genegen waren met beraat en goedkeuring der overige kerkeraad door handtekening hieronder blijkbaar, an eenen Pieter Hindricks schoenlapper alhier met zijn zwaar gaande huisvrouw en twie kleyne kinderen toe te staan, an zeker armhuisje alhier een kamer en agterhuisje te laten timmeren en afschieten met het gebruik der halve tuin, en hem daarin zonder beswaringe van gront of huis voor zijne en zijns vrouws leven te laten wonen, zijnde en blijvende hetzelve diaconiegoet, alleen het vrieje gebruik desselfs an hen voor hun leven.

En zijn hiertoe bewogen door het goede getuignisse en gedrag dezes mans, zijn diepe armoede, zijn swaklijk lighaam, zijn swaar gaande vrouw en kleyne kinderen, en dus grote nootsake om vrie te wonen, zijn ijverlust en neerstigheijd om met zijn eijgen handen werkende zijn broot te gewinnen, de liefdadigheijd van andere om hem te geven alles wat deeze timmering moet kosten en ingevalle deeze kosting meerder mogte kosten dan het gegevende beloopt, dat genoemde Pieter Hindriks ’s jaarlijks na vijf ten hondert daarvoor tot rente zal betalen zonder aflossinge van het capitaal, blijvende de diaconie dus hierin niet alleen kosteloos, maar zullen ook eijndelijk het profijt desselfs genieten…”

Met andere woorden: de diaconie en de kerkeraad van Nieuwolda wilden de arme en ziekelijke schoenlapper Pieter Hindriks, wiens vrouw zwanger ging van hun derde kind, toestemming geven tot de aanbouw van een eenkamerwoninkje met achterhuis (schuur) aan een al bestaand armhuisje, waarbij Pieter en zijn vrouw dan de halve tuin zouden mogen gebruiken en dat hun leven lang voor niets. Dat de diaconie dit wilde doen kwam, afgezien van ’s mans armoe etc., vooral door zijn vlijt. Anderen gaven de schoenlapper het geld om zijn huis te kunnen laten bouwen, en mochten de bouwkosten hoger uitvallen dan door deze liefdadigheid binnenkwam, dan leende de diaconie Pieter de rest tegen 5 % rente, waarbij hij en zijn vrouw niets van de hoofdsom hoefden af te lossen. Uiteindelijk zou het huisje overigens wel aan de diaconie toekomen.

Voor dit plan vroeg de diaconie van Nieuwolda in 1737 om toestemming aan de drost, die deze grif gaf. Pieter genoot veel krediet onder de mensen!

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (rechtsarchief Oldambt) inv.nr. 6118 (rekesten met apostilles), het verzoekschrift d.d. 12 april 1737.


Werken voor nop en toch belasting betalen – Oldambtster timmerlui dubbel gepakt

galg-nl-gevangenismuseum

Voor 1764 was alle werk aan de Oldambtster terechtstellingsplaats in Zuidbroek collectief ‘beewerk’. Dat wil zeggen dat de kerspelen mannen leverden, die dit werk zonder loon, maar met gratis eten en drinken moesten doen. In 1764 werd besloten het anders te doen, omdat aanbesteding toch wel wat goedkoper was en ik denk niet dat het wat middeleeuws aandoende systeem daarna terugkeerde.

Het timmerwerk op de executieplaats gebeurde voor 1764 eveneens collectief en wel door de timmerlui van drie of vier kerspelen gezamenlijk. Bij elke terechtstelling trad dan een ploeg uit een ander dorpenkluster aan. Naar dat collectieve werk verwijzen “de gezamentlijke timmerluiden in het Woldoldambt woonagtigh”, als ze in 1732 onder aanvoering van hun Veendammer voorman Jan Jans Bruins de drost eraan herinneren

“hoe genootsaakt zijn bij alle execuitiën (in cas door UWelgeboorene haar wort geordonneert) de voorvallende zaken, hetzij maken van een galg, rad, kaak of jeets anders, wat name mogten hebben, præsent te moeten wezen en haar werk te doen bij poenalen daar op gestelt, of door UWelgeb[oren] Gestrenge te statueren…”

Desalniettemin moesten in alle kerspelen die timmerlui ook nog eens het hunne bijdragen aan de misen van justitie, ter betaling van de scherprechter en zijn personeel. Volgens het verzoekschrift van de Omdambtster timmerlui was dit “zeer schadelijk voor de remonstranten”. Daarom vroegen ze de drost om een vrijstelling van deze last.

De drost zag duidelijk de billijkheid van hun verzoek in, maar bevrijdde de timmerlieden er niet categorisch van. Hij hield het op 25 november 1732 bij een zware aanbeveling aan de kerspelen:

“verwagt van de ingezetenen van het Wold Oldambt de timmerluiden van de mijzen der justitie te libereren, mits dezen an de respective schatbeurderen zal worden geïnsinueert.”

De timmerlui moesten het rekest met deze kantbeschikking dus aan de schatbeurders van hun dorpen laten zien, die het dan eventueel nog in een kerspelvergadering konden brengen. Die schatbeurders werden door de boeren gekozen, ze inden o.a. verponding (grondbelasting), zijlschot, misen van justitie, roderoedegeld (voor het salaris en het kloffie van de veldwachter) en meentelasten (aan onderhoud wegen en waterlopen). Als een timmerman in een kerspel zo’n schatbeurder en de boeren tegen had, dan kon hij naar die vrijstelling fluiten.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerecht Oldambt) inv.nr.  6117 (samengevatte verzoekschriften met kantbeschikkingen).


Veul hail en zegen

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Het verdriet van Winschoten – de torenklok kwam almaar niet klaar

042

In september 1732 stonden de Winschoter kerkvoogden alweer in de gehoorkamer van de Oldambtster drost, maar nu voor een heel andere kwestie. Dit keer stelden ze aan de orde

“hoe door Roelf Kunst woonagtigh bij ’t Waar is angenomen om een nieuwe wijzer als mede de oude wijzers an de Winschoter toren te maken, repareren en verbeeteren, als mede het uirwerk in goede orde te brengen, waarmede nu al een geruimen tijt is bezig geweest en ten deele geperfecteert, maar nalatig zijnde om alles in order te brengen, strekkende tot groot nadeel van rem[onstran]ten in haar q[uali]te…”

Waarschijnlijk kregen de kerkvoogden regelmatig van hun kerspelgenoten te horen dat de torenklok nog steeds niet werkte, want in het algemeen was men daar wel wat afhankelijker van dan nu: veel mensen hadden geen klok in huis, laat staan een horloge op zak. Als de torenklok het dan ook nog eens niet deed, moesten ze steeds anderen vragen om de tijd, een afhankelijkheid die wellicht vooral de dienstbaren, die toch al in alles afhankelijk waren, beschroomde en tegenstond.

De naam Kunst, om weer terug te komen op het rekest, doet uiteraard denken aan de bekende schilder van pastelportretten, wiens geboorteplaats Nieuwolda ook vlakbij Het Waar ligt, de woonplaats van de man over wie de Winschoter kerkvoogden klaagden. Roelf Kunst zou bijvoorbeeld een oudoom van de portretschilder kunnen zijn geweest, maar in de gauwigheid heb ik geen familierelatie kunnen vaststellen. Belangrijker vind ik ook de vraag waarom iemand in een tijd van bijna louter patroniemen Kunst heet, of zich zo laat noemen. En dan kom ik erop dat de onderscheidende (bij)naam) samenhangt met de uitzonderlijke beheersing van een ambacht, waarbij het niet uitmaakt of dat schilderen, vergulden of heelkundig opereren betreft.

In elk geval lijkt de Roelf Kunst van Het Waar te maken te hebben gehad met de handicap of karakterzwakte dat hij iets niet kon afmaken, en/of dat voltooien steeds uitstelde. Procrastinatie, daar hebben wel meer mensen last van, tot groot verdriet van henzelf en opdrachtgevers. Maar aan het bestek waarop de Winschoter kerkvoogdij Kunst aan het werk zette, mankeerde blijkbaar ook wel iets, namelijk een duidelijke opleverdatum met een boeteclausule. Anders had de kerkvoogdij helemaal niet naar de drost hoeven stappen. Deze vroegen ze nu om toestemming

“…ten laste van hem Roelf Kunst gemelte angenomen werk te laten verveerdigen in cas door hem zelfs inwendig korten tijd niet werd geperfecteerd.”

Met andere woorden: ze wilden alsnog een onverbiddellijke deadline op korte termijn en als Kunst die niet haalde, het werk op zijn kosten aan een ander gunnen.

De drost gaf de kerkvoogden hun zin. Roelf Kunst kreeg nog drie weken de tijd, en zo hij de tijdwijzers en torenklok van Winschoten dan nog niet klaar had, mocht een ander het gaan doen, na een aanbestedingsprocedure die Kunst dan zou moeten betalen.

Aangenomen dat de kerkvoogden wel eens in Kunst zijn werkplaats waren wezen kijken en dat Kunst inderdaad een (aaanzienlijk) deel van de klus geklaard had, zal hij wel razendsnel aan het werk zijn gegaan. Hij moet toch immers ook hebben geïnvesteerd in materialen, zoals verguldsel. Dat zou allemaal verloren geld zijn, als hij niet aan het drostenbevel voldeed.