Brooddronken wulpsheden van Winschoter ‘voesiefloiters’ geweerd met roderoede
Geplaatst op: 30 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties
Kerk Marktplein Winschoten. Foto: Ripperda (Flickr cc).
Ik had het er laatst over dat de Winschoter jeugd al vroeg vandalistisch was, omdat ze in 1796 stenen en ballen op het dak en door de ramen van de lokale kerk gooide, en dat – ’t was godgeklaagd – zelfs tijdens de preek, maar dat ze zò vroeg baldadig zou zijn, nee, dat had ik nou ook niet gedacht.
In 1731 deden de Winschoter kerkvoogden er namelijk al hun beklag over bij de drost. En daarbij herinnerden ze hem aan een maatregel die hij tien jaar eerder nam:
“…hoe uw Hoogwelgeboorne Gestr[enge] op den 13 Januarij 1721 de ingesetene van Winschoot heeft gelieven te inhibeeren en verbieden om tot eeniger tijd in gemelte kerke of op gemelte kerkhof te speelen en tappen in de huizen daar an gelegen, welke ordinatore ook is gepubliceert, soo is ’t nogtans dat niet alleen geduirende en onder de godsdienst zoo van prædicatiën als catechezatiën, maar zelfs ook tusschen de prædicatiën, veel speeleriën en andere brooddronkenheden, met speelen, vloeken, sweeren, op de vuisten te floejten als anders worden gepleegt, het welke strekt tot de uitterste disrespect van de godsdienst en grote schade van de kerke, welke mede door het smijten van steenen in de kerkglazen wort toegevoegt.”
Dit lijkt nog ernstiger geweest te zijn dan ruim zestig jaar later! Anno 1731 riepen de Winschoter kerkvoogden al om meer straf en een strenger optreden:
“verzoekende dat uw Hoogwelgeb[orene] bij dezen de ingezetenen van het zelve caspel of wie het ook mogte zijn naader en swaarder poenaal alle wulpsheden in de kerke [en ] op en om het kerkhof te plegen gelieve te inhiberen en verbieden en dat de orders gehouden zijn voor de delinquenten en de broodheeren en- vrouwen voor hare boden, zodane poenaal (als daarop gestelt zal worden) te moeten voldoen en verder de roroede gelast geduirende, onder en tusschen de prædicatië en cathechisatiën zig omtrent de kerke te mogen ophouden om alle delinquenten ingevolge vorige order met adsistentie van de gerigtsdienaar ter plaatze de facto te roven en te excuteren.”
Dat laatste klinkt veel dreigender dan het was. Met ‘roven’ werd inbeslagname van een sieraad of stuk kleding bedoeld, een onderpand dat ervoor garant moest staan dat de overtreder van het verbod, of anders diens kost- en werkverschaffer, de boete werkelijk betaalde. Executeren had destijds nog de brede betekenis van ‘uitvoeren’, in dit geval vooral handhaving van het gevraagde verbod om zich op zondag op het kerkhof te mogen bevinden.
In zijn tamelijk korte apostille of kantbeschikking zette de drost echter geen zwaardere boete dan er al stond op overtreding van het al tien jaar bestaande omgevingsverbod. Blijkbaar vond hij het probleem toch wat minder ernstig dan de kerkvoogdij het hem voorstelde. Wel gaf hij de roderoede (of veldwachter) opdracht om te doen wat er gevraagd werd, te weten ’s zondags toezicht houden op het kerkhof, om daar vandalistische jongeren te weren, aan te houden en te beboeten.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6117 (samengevatte verzoekschriften met kantbeschikkingen), 27 november 1731.
Luguber landschap in Beerta
Geplaatst op: 29 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Dik van Lokhorst, Hond achtervolgt schaap. Collectie Rijksmuseum.
“Hebben zig geaddresseert Hindrik Jans en cons[orten] hoe dat voor eenige dagen derselvere schapen door de honden van Sikko Fokkes zijn gebeeten, waarvan de gedooden alsnog op het land zijn liggende en de wolle wort gedistrueert, waarvan nogtans wel eenig zou kunnen worden geborgen, dog zulks zonder U Hoog Edele consent zig niet durvende anmatigen, derhalven versoeken de supplianten dat U Hoog Edele Geb[orene] dezelve salvo partium jure om de wolle der gedoode schapen tot zig te mogen nemen believe te authorizeren.
is geapostilleert:
Het versogte in dezen wort remonstr[anten] salvo jure geaccordeert en sal dezen ter secretarij worden geprothocolleert.
Actum den 3 Martius 1732
(onderstont)
G. Schaffer, drost“
Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 731 (gerechten Oldambt) 6117 (samengevatte rekesten met kantbeschikkingen).
Commentaar: Blijkbaar bleven de doodgebeten schapen dagenlang op het land liggen, hangende een gerechtelijke taxatie van de schade als opmaat voor een procedure om schadevergoeding tegen hondenbezitter Sikko Fokkes, die in Beerta woonde. In de maartse buien bedierf de wol en dat vonden de eigenaars zonde. Daarom vroegen ze toestemming de schapen te mogen scheren of villen. Zo’n toestemming van de drost ging meestal ook wel wat tijd overheen, intussen moeten de aangevreten schapenkadavers nog langer op het land hebben gelegen.
Grondgebruik en paardenbezit in Midwolda
Geplaatst op: 28 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
Het rechterlijk archief van het Oldambt bevat een lijst met alle boeren en andere paardenbezitters, anno 1797 aangetroffen te Midwolda, welke lijst zal zijn opgesteld met het oog op het leveren van wagenbeurten, bijvoorbeeld voor Franse troepen op doortocht. De lijst, oorspronkelijk getiteld “Overgave van die landgebruikers van Midwolda als meede de burgers van haar paarden” noemt primair de grootte van het grondgebruik van al deze paardenbezitter en moet daarmee primair opgesteld zijn aan de hand van het schatregister, zeg maar het kohier van de verponding, dat was een grondbelasting die door de lokale schatbeurder geïnd werd. De collector of gaarder van de commiezepenningen leverde de opsteller daarna waarschijnlijk de aantallen paarden. Hoe de systematiek verder was, is me onbekend, maar het lijkt erop dat er een route werd gevolgd van oost naar west langs de hoofdweg. Omdat het resultaat zo een bonte afwisseling van areaalgroottes was, heb ik die volgorde omgezet in eentje naar grootte van het grondgebruik. Met de aantekening dat een deimt ongeveer 0,45 hectare is, ziet de lijst er dan zo uit:
| Naam | Bijzonderheden: | Aantal deimten: | Aantal paarden: |
| Tonnis Ebels wed. | man was zijlvest etc. |
133 |
6 |
| Johan Hora Siccama | regent, Ennemaborg |
120 |
6 |
| Klaas Tonnis (Kremer) | zijlvest, kerkvoogd |
113 |
6 |
| Uipko G. Stikker |
88 |
4 |
|
| Aiso Daniels |
86 |
4 |
|
| Wypko Uidens |
85 |
4 |
|
| Poppo Hillenius wed. |
80 |
4 |
|
| Tiddo Pieters |
80 |
4 |
|
| Galtje Jacobs | (Geertsema) |
80 |
4 |
| Freerk Ubbes |
80 |
4 |
|
| Tonko Menses |
79 |
4 |
|
| Pieter Pieters |
76 |
3 |
|
| Gerrit U. Stikker |
75 |
4 |
|
| Menno Abels |
74 |
3 |
|
| Aiso Pieters |
73 |
3 |
|
| Hanno Juikes |
72 |
3 |
|
| Eltjo Jans |
70 |
3 |
|
| Wildrik Menkes |
70 |
3 |
|
| Harmannus Beerents |
70 |
4 |
|
| Luitjen Aalders |
68 |
3 |
|
| Luilf kinder kinder |
64 |
3 |
|
| Hinderk Jans |
63 |
3 |
|
| Febe Hinders | (Buiskool) |
60 |
3 |
| Beerent Pieters |
60 |
3 |
|
| Harm Heijes |
60 |
3 |
|
| Lubbert Jans |
55 |
2 |
|
| Eltjo Luitjens |
50 |
2 |
|
| Onno Jans |
50 |
2 |
|
| Harm Fokkens |
26 |
– |
|
| Jan Derks |
25 |
2 |
|
| Oewe Okkes Joling |
20 |
2 |
|
| G.J. van Hasselt | hervormd predikant |
20 |
2 |
| Engel Roelfs |
16 |
– |
|
| Roelf Engels |
16 |
– |
|
| Jacobus Molema | molenaar |
8 |
2 |
| Hindrik Olferts |
8 |
2 |
|
| Harm Tiddens wed. |
6 |
– |
|
| Jan S. Muller |
5 |
2 |
|
| Jan Themmen | koopman |
4 |
– |
| Emmo Cornelis |
– |
2 |
|
| Tonnis Duirkens |
– |
1 |
|
| Hindrik Alberts Krol | herbergier Praage |
– |
1 |
| Warner Willems | collector |
– |
1 |
| S.J. Bleeker | arts |
– |
1 |
| Gerrit Jacobs |
– |
1 |
|
| Eppo Tiddens | paardenhandelaar? |
– |
5 |
| Albers Fiebes | “van deze deimten wordt betaald.” |
10 |
|
| Jan Aalders |
10 |
||
| Meindert Jans |
8 |
||
| Okko Derksa |
8 |
Nog even van boven naar beneden: helemaal bovenaan staan de (stads)bestuurder en politicus Johan Hora Siccama, die ’s zomers op de Ennemaborg woonde, en vader en zoon Tonnis Ebels en Klaas Tonnis (Kremer), die o.a. zijlvest en kerkvoogd waren, de hoogste functies voor landbouwers op locaal niveau. Vader en zoon waren ook eigenerfden. Daarna volgt de bulk van de boeren, voor het leeuwendeel beklemde meiers met 50 tot 90 deimt grond in gebruik. Na die groep valt er qua landgebruik een gat – bij de burgers gebruikte de hervormde predikant nog relatief veel grond (20 deimt), maar de meesten zitten hier ver onder. De herbergier, de collector (= belastinggaarder) en de dokter hebben zelfs geen grond, maar wel paarden, die ze dan wel zullen hebben laten weiden op los gehuurd land of tegen betaling van weidegeld.
Omdat er ook mensen op de lijst staan, die wel de beschikking hadden over grond in het kerspel Midwolda, maar er niet woonden (zie de laatste vier namen) en hier dus ook geen paarden op stal hadden staan, is het paardenbezit nog het beste criterium voor een classificatie. Niet voor niets had men het elders, bijv. in Drenthe, over keuters, eenpaards-, tweepaards- en driepaardsboeren etc. om landbouwers naar stand te kunnen onderscheiden. Het kruistabelletje voor Midwolda ziet er dan als volgt uit:
| Aantal paarden: | Eigenaars met dat aantal: | Typering: |
| 0 | 8 | burgers en boeren van buiten |
| 1 | 5 | burgers |
| 2 | 11 | burgers, boeren tot 60 deimt |
| 3 | 12 | boeren met 60 tot 75 deimt |
| 4 | 10 | boeren met 75-90 deimt land |
| 5 | 1 | Paardenhandelaar? |
| 6 | 3 | bestuurders, eigenerfde boeren |
Hoop deze classificatie nog eens te kunnen vergelijken met een andere, veel bredere, op basis van de bekkenopbrengsten bij begrafenissen.
Wildervankster jager op ‘schadelyk wild’
Geplaatst op: 28 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Henry Alken – Spearing an otter. Van deze bezigheid lijkt me de familienaam Otterspeer afgeleid.
Hindrik B. Dost, woonachtig te Wildervank, kwam bij de Oldambtster drost om iets te verzoeken uit hoofde van een bijzondere kostwinning:
“zijn bestaan gedeeltelijk hebbende van het vangen van otters, vossen en roofvogels op gronden & langs wateren van diverse eigenaren die hem daartoe permissie verleenen.”
In je verbeelding zie je dan eerst een figuur, een soort trapper of pelsjager, dat de woeste gronden achter Wildervank afstroopte op die schadelijk gevonden dieren. Maar dan blijkt dat de opsomming uit diens verzoekschrift gewoon gecopieerd is, namelijk uit de publicatie van het Groninger Departementaal Bestuur de dato 28 december 1802, met nieuwe regels voor de jacht en visserij. Per 1 januari 1803 was het voorlopig streng verboden:
“enig wild hoegenaamd te schieten, of te vangen, op welke wyze zulks ook zoude mogen geschieden, het zy met schietgeweer, honden, strikken of anderszins na den laatsten december dezes jaars; met vrylating echter aan een iegelyk, op zyne eigene gronden of langs zyne eigene wateren, jagt te maken op schadelyk gedierte als: otters, vossen en roofvogels, mits daarvan vooraf aan het gerichte locaal kennis gevende.”
Iemand die deze regels overtrad – eigenlijk een stroper, al valt die term niet – kreeg de eerste keer 25 gulden boete. Kon hij die niet betalen, dan dreigde hem enkele dagen gevangenschap op water en brood. Bij een tweede keer werd de boete opgeschroefd tot 50 gulden en “in cas van onvermogen” omgezet in een verbanning van drie maanden uit het Departement. Recidiveerde iemand dan nog eens, dan kwam hem dat te staan op twee jaar ballingschap. Uiteraard volgde bij alle drie de sancties de verbeurdverklaring van het gebruikte jachtgereedschap.
Hindrik Dost jaagde dus op schadelijk gevonden wild, maar dat op àndermans terrein en hij had specifiek voor dat doel permissie nodig. Hij wilde die jacht graag ongemoeid uitoefenen, “ook in de verboden tijd”, zonder dat hem dergelijke sancties dreigden.
De drost gaf hem inderdaad de gevraagde jachtvergunning, maar Hindrik moest wel eerst even naar de wedman van Wildervank om deze de “instrumenten die hij gedenkt te gebruiken” te vertonen, en om daarbij te verklaren
“dat hij geen andere zal nemen, bij verlies van den concessie & onder de poenaliteiten daartoe staande”.
Met die “instrumenten” zullen de door Hindrik te gebruiken jachtwapens bedoeld zijn, maar ik denk dat Hindrik toch ook wel de vergunningen moest kunnen tonen van de diverse grondeigenaars, op wier terreinen hij jaagde. Kon Hindrik zo’n vergunning niet op en voor een bepaald terrein laten zien, of jaagde hij met ander gereedschap dan het getoonde, dan werd hij vast alsnog beschouwd als een stroper.
—
Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 731 (gerechtelijke archieven Oldambt) inv.nr. 6142 (samengevatte rekesten en apostilles), die van 3 mei 1803.
Sunt Steffen en ’t steffenrieden of steffenen
Geplaatst op: 26 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties“Twaide Kerstdag hait ’t in Stad. En ’t zegt de lu niks: houveul waiten, wat dat Kerst bedudt! Bie ons op ’t laand hait ’t bie d’aine „twaide Midwinter”, ieder vuilt wat dat is. Bie d’aander: Sunte Steffen. En dei dat zegt is van ’t boerwaark en denkt aan ’t steffenrieden. Peerden staon al zo laank op staal, van d’aine schonke op d’aander, worden weelderg en wensteg nao boeten. Nou, den ’t gele dek tr maor op en de braide boekraim aansjord, ’t haalf dek omslaogen en hup! dat zit. En nou maor rieden, aans wordt joe ’t gedaierte veurjaor maaldaartel op ’t laand…”
Bron: Geert Teis in Het Vaderland, 30 december 1923.
Over hetzelfde gebruik in Oost-Drenthe zie
‘Weg met al die kerstbomen en lichtvervuiling!’
Geplaatst op: 25 december 2016 Hoort bij: De actuele wereld 6 reacties
Het Kerstfeest zoals we dat nu kennen is vooral Germaans-heidens ritueel:
- De kerstboom werd hier in Nederland pas na 1860 geleidelijk aan populair en dat pas het laatst in orthodox-protestantse kringen. Mijn streng-hervormde overgrootouders hadden bewust geen boom in huis.
- Al dat kunstlicht herinnert aan de zonnewende, Joel.
Het Kerstfeest zoals we dat nu kennen , is ook nogal een late uitvinding. Voor pakweg 1830, 1840 sprak men hier in het Noorden meer over Midwinter dan over Kerstmis. Met Kerst werd bovendien nogal eens doorgewerkt. In de achttiende en negentiende eeuw kwamen kranten, bijvoorbeeld, nog ‘gewoon’ op 25 december uit.
Er zat destijds met Kerst, anders dan nu het geval is, ook niet meer volk in de kerk dan op gewone zondagen. Het belangrijkste christelijke feest was traditioneel nog Pasen. Dan gingen katholieken sowieso te biecht, om zich bij de mis van zonde vrijgewassente voelen. Dan stak je je zelfs als protestant op je paasbest in nieuwe kleren en deelden bakkers gratis broodjes uit. De opstanding van Christus was van veel grotere belang en werd dus veel meer gevierd, dan diens geboorte. Die opstanding staat ook veel dichter bij de centrale leerstelling van het christendom, namelijk die van het zoenoffer, gebracht door Christus aan het kruis.
De christelijke kerstviering die zogenaamd van de mensen afgepakt wordt, hebben de mensen dus zelf allang bij het grof vuil neergezet toen ze de kerstboom in huis haalden en buiten met licht gingen strooien. Wie zich opwerpt als beschermer van Kerstmis als christelijk erfgoed, doet er dan ook het beste aan de heidense rituelen met wortel en tak uit te roeien. Weg met al die kerstbomen en lichtvervuiling! Terug naar de oorspronkelijke, zeer sobere opzet. Eens kijken hoe populair men zich daarmee maakt.
Maar dat is natuurlijk ook weer niet de bedoeling. De zelfbenoemde kampioenen van de ‘christelijke’ traditie willen meestal ook helemaal niet weten wat de historische diepte van dingen is. Het gaat ze louter om de oppervlakkige aanschijn, en om daarmee zieltjes te winnen. Dat laatste is hun grootste prioriteit, de rest zal ze wezenlijk worst zijn. Laat ons dat vooral niet vergeten.
Hoe menslievend Beerta Kerstmis vierde
Geplaatst op: 24 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenBericht uit Beerta:
“Het Kersfeest werd alhier op eene waardige wijze gesloten met een declamatorium , afgewisseld door zangstukken, meesterlijk door het zangkoor uitgevoerd, ten voordeele van de drie hier bestaande naai- en breiseholen voor minvermogenden, dat de som van 70 gulden heeft opgebragt. De zang en tevens het menschlieveud doel waarmede men te zamen was, bragt alle aanwezigen in eene blijmoedige stemming, en velen gewis verlieten de zaal met het heiligend gevoel van wél te hebben gedaan. Eere en dank het zangkoor, dat deze nuttige inrigtingen jaarlijks door het geven van een concert een subsidie verschaft waardoor ze grootendeels bestaan.”
Bron: Groninger Courant 29 december 1854.
Bijenman blijkt smokkelaar
Geplaatst op: 23 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Op de boeldagen van dat voorjaar “eenige korven met ymen hebbende gemijnd”, betaalde koper Hiltjo Benes deze bijenvolken niet. Daarom zetten de wedmannen van Midwolda en Winschoten een invorderingsprocedure op gang. Weldra ontdekten ze dat
“de trekker weegens sluikerijen in detentie bij de geweldige te Groningen is geraakt”.
Als een debiteur gevangen zat, mochten de wedlieden (een soort gerechtsdeurwaarders) de gemijnde goederen zonder veel poespas terugnemen. Ondanks het al gesloten bijenseizoen – het was al eind oktober – stonden Benes’ imen niet in zijn woonplaats Beerta, maar nog in Westerwolde, waar ze waarschijnlijk ergens op de heide waren neergezet. Met een aanbevelingsbrief van de Oldambtster drost reisden beide wedlieden derwaarts, en in Vlagtwedde kregen ze van de Westerwoldse drost een gerichtsvoogd mee, zodat hun zoektocht naar Benes’ bijen geen al te groot probleem zal hebben gevormd.
—
Uiteraard was ik benieuwd naar de smokkel waaraan de onfortuinlijke bijenhouder zich schuldig zou hebben gemaakt . Dat delict deed zich ruim een maand eerder voor. Op donderdag 13 september 1798 hielden belastingcontroleurs even buiten het stad-Groninger Kleinpoortje aan
“een praamschip belaaden met elsenhout, waarin bij visitatie onder het hout verborgen zijn bevonden agtien ankers vaten en een aam vat alle gevuld met genever…”
De schuit kwam over het Winschoterdiep, helemaal vanaf de Winschoterzijl aan de andere kant van Winschoten en was op dat ellenlange traject voortgetrokken door één enkele scheepsjager met zijn paard. Die man was echter – wellicht tot zijn grote teleurstelling – niet de eigenaar van de omgerekend 839 liter jenever. Dat bleek de bovengenoemde Hiltjo Benes,
“oud in het 23ste jaar, geboortig van Finsterwolde en thans woonende in de Beerta, zijnde van kostwinning een bijeker”.
Op basis van getuigeverklaringen, verhoren en zijn bekentenis viel te constateren dat de imker deze jeneverplas de vorige dag had aangeschaft en ingeladen bij een koopman Huisinga in de Pekela, om precies te zijn in een Westerwolds gedeelte van deze veenkolonie, waar veel minder accijns lag op jenever en andere waren, en waar dus wel meer contrabande vandaan kwam.
Oorspronkelijk hadden er ook veel meer ankervaten jenever in Benes’ praam gelegen, wel 50 stuks, maar het grootste deel was bestemd geweest voor enkele kooplui in Winschoten. die hun aandeel in de smokkelwaar ’s nachts hadden laten afhalen bij de Winschoterzijl.
Enfin, Hiltjo Benes had zich schuldig gemaakt aan sluikerij, “een misdrijf, ten uitersten strafbaar”. Op 12 oktober was hij daarom veroordeeld tot een boete van 900 gulden, uiteraard met verbeurdverklaring van de jenever. Bovendien moest hij de rechtskosten betalen. Het gehele bedrag graag binnen tien dagen te voldoen, of anders volgde een andere straf.
De periode verstreek zonder dat Hiltjo Benes betaalde. Vandaar dat hij op 15 november voor acht jaar werd verbannen uit heel Groningerland. Durfde hij zich binnen die periode toch in dit gewest te wagen, dan zou hij de rest van zijn straf moeten uitzitten in het Tuchthuis.
Hiltjo Benes zag zijn bijen niet weer terug. Van hem ontbreekt verder ieder spoor.
En dan te bedenken dat hij uit zo’n goed nest kwam. Zijn vader was namelijk niet alleen boekweitmolenaar (of grutter of gorter) in Finsterwolde, en daarmee een gezeten middenstander, maar ook ouderling van de gereformeerde gemeente, een gezaghebbende functie die men in het Oldambt, eenmaal benoemd, voor de rest van zijn leven bekleedde. Het verhaal van de ouderlingszoon die wat bij wilde verdienen met jeneversmokkel moet dan ook het gesprek van de dag zijn geweest in Beerta, Finsterwolde en omgeving.
—
Bronnen: RHC Groninger Archieven,
- Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6140 (samengevatte rekesten met kantbeschikkingen of apostilles);
- Toegang 1 (Staten van Stad en Lande) inv.nr. 1354 (sententies in belastingzaken, meest wegens smokkel).
Het effect van een revolutie
Geplaatst op: 23 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenDe W van Willem, de prins-stadhouder, is ontsierd, maar nog wel leesbaar. Met drie lijnen zijn Borgemeesteren ende Raadt, de heren van het voormalig stadsbestuur, geroyeerd. Erboven staat nu de Municipaliteit, de patriotse opvolging:

De herziening doet denken aan bepaalde postzegels die je vroeger wel eens voorbij zag komen. Er was een regime vervangen, maar het duurde nog even voordat er nieuwe postzegels waren gedrukt. Intussen werd dan op de oude zegels het portret van het gevallen staatshoofd overgestempeld. Meen zulke zegels wel te hebben gezien van Duitsland, uit 1945. Hitler bleek daarop nog wel te onderkennen, als je er enige moeite voor deed.
In dit geval gaat het om een formulier voor een Groninger setma, een beslaglegging van huisraad bij een debiteur door een deurwaarder, uit 1797. Deze formulieren zitten in een band, het formulier ervoor, uit 1794, heeft nog de oude gedaante. Intussen vond de Bataafse Revolutie plaats.
—
Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 731 (rechterlijke archieven Oldambt) inv.nr. 280 (setmata).
Ongeloof is groot in Groningen, evenzo het geloof
Geplaatst op: 22 december 2016 Hoort bij: De actuele wereld 1 reactieDat verbaast me nou niets, dat de minst gelovige gemeente van het land in het Oldambt ligt. Alleen had ik verwacht dat het de gemeente Oldambt zou zijn en niet de gemeente Menterwolde.
Hoewel, in Noordbroek, een deel van Menterwolde, wilden ze in de jaren 60 de monumentale middeleeuwse kerk gaan slopen. Er ging toch niemand meer heen, een zwembad was veel belangrijker voor het volk.
Ik denk trouwens dat Muntendam de doorslag geeft in de topnotering voor Menterwolde. Het heeft een halve eeuw moeite moeten doen om een eigen kerk te krijgen, los van Zuidbroek, en het volk ging er lang door voor zeer vrijgevochten.
Dat enkele gemeenten in het Westerkwartier juist ver boven het landelijke gemiddelde scoren qua gelovigheid, vond ik wèl opmerkelijk. Maar de mensen zijn er veel zachtaardiger en gezeglijker dan in het Oldambt en rond 1800 liepen er al vrij veel gereformeerde oefenaars rond, met menigmaal een grote aanhang. Men was er zodoende goeddeels immuun voor het rode gespuis dat later in het Oldambt zo welig tierde.
Zondagavond was dé uitgaansavond
Geplaatst op: 19 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieOver de kerkeraad van de hervormde gemeente Midwolda lijkt in 1840 even weer een oude geest vaardig. Eerst wordt een ongehuwde zuster van de gemeente, die desalniettemin in staat van zwangerschap verkeert, het avondmaal ontzegd. Zoiets was lang niet vertoond. Ook nemen de consistorialen de ongebonden jeugd op de korrel:
“Aangemerkt zijnde, dat in sommige herbergen of kroegen zich vooral des zondagsavonds ene menigte jongelieden vereenigden en er een groot deel van den nacht bij drank en spel doorbrengt…”
Zondagavond was destijds nog dé uitgaansavond, na een vrije dag die volgde op een meestal zeer fysieke zesdaagse werkweek met veel meer werkuren per dag dan nu. Op maandag was men dan vaak brak, reden om niets uit te voeren, ‘maandag te houden’ op een ‘blauwe maandag”.
Enfin, de Midwoldiger kerkeraad keek er met argusogen naar. Zoiets kon alleen maar nadelig werken op “onze redelijkheid en goede orde”, oordeeelden de consistorialen niet geheel en al zonder reden. Ze stuurden dan ook een gezantschap naar de Heer Burgemeester. Die moest zulke nachtelijke gelagen tegengaan en erop toe laten zien.
Wat het resultaat van de missie was, staat helaas niet in het boek met kerkeraadshandelingen. Daarvoor moeten we naar het gemeentearchief.
Schipper stoot knecht met kloetstok
Geplaatst op: 18 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Twee Friese ducatons (1760 en 1776), redelijk gaaf en afgesleten. Zoek de verschillen!
In zijn gehoorkamer vond de Oldambtster drost die ochtend de schipper Hindrik Pieters,
“woonagtig in Friesland op het dorp Heeren Veen genaamt”.
De vorige dag had deze Pieters, zo vertelde hij, zijn schip ergens in de contreien achter Veendam vol laten laden met turf, om dat schip ’s avonds door een scheepsjager naar Veendam te laten slepen. Daar betaalde hij bij het “Collecthuis” de verschuldigde uitvoerrechten voor de turf. Hij wilde “met alle mogelijke spoed” zijn reis vervolgen, maar merkte toen hij op zijn schip terugkeerde, dat zijn knecht Wybe Deddes zijn werk niet goed had gedaan, waardoor het vertrek werd opgehouden. Terwijl de schipper zijn knecht over zijn laksheid onderhield,
“gaf dien knecht hem qualijk bescheid. Hierop wierd rem[onstran]t (= Pieters) min of meer toornig en heeft het ongelijk gehad, dien knegt in ijver met de boom of kloetstok, zijnde een instrument welke hij moeste gebruiken tot zijn arbeid, aan de wang te stoten, waarover de knegt een geschreeuw hebbende gemaakt en deze stoot su harder hebbende opgegeven, dan bevonden is te zijn, daarbij voegende dat zulks met opzet zoude zien geschied, van welk laatste hij rem[onstran]t ten eenenmaal ignorant is…”
Kortom, het was per ongeluk gebeurd en de knecht stelde zich nogal aan – de schade viel wel mee. Nu was de schipper bang dat het gerecht, waarbij de knecht blijkbaar zijn beklag al had gedaan, de zaak op zijn zwaarst (dus strafrechtelijk) zou opvatten, zodat er nog een gerechtelijk vooronderzoek zou plaatsvinden, wat dan voor nog meer vertraging zou zorgen. Daarom vroeg Pieters, ter vermijding van zo’n vooronderzoek, meteen om een schikkingsvoorstel, waarbij hij zich ook bij voorbaat neerlegde. Met de knecht was hij, zo zei hij, intussen al overeengekomen dat die kon vertrekken. Hij gaf deze het loon dat hij tot dan toe verdiend had met nog twaalf weken toe. Normaal gold in het Oldambt bij een dergelijk ontslag dat er zes weken loon extra uitgekeerd werd, dus het surplus was in dit geval het dubbele. Wellicht voelde de schipper zich, ondanks zijn bagatellisering van het geval, toch wel schuldig.
Hindrik Pieters diende zijn verzoekschrift in op 21 augustus 1798. Na overweging van wat er relevant was in deze zaak, veroordeelde de drost hem de volgende dag tot een boete van twee zilveren ducatons (= 6 gulden en 6 stuivers) naast de gerechtskosten. Voor het totale bedrag zal Pieters zeker een week hebben moeten varen.
Rest nog de vraag waarom een Friese schipper in Groningerland turf ophaalde. In de eigen provincie was immers turf genoeg voorhanden, zowel bij hoge als lage veenderijen. Maar wellicht vervoerde de Heerenvener de brandstof naar Holland. Daar werd in allerlei bedrijven immers nogal wat Groninger plaggeturf gebruikt. En of de vervoerder nou uit Friesland kwam, of uit Groningen, qua reistijd en kosten maakte dat weinig uit.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6139 (rekesten en apostilles 1796-1798).
Kinderen die men Moeder noemt
Geplaatst op: 17 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis, Taal 6 reacties
Bij het doornemen van de Oldambtster rekesten stuitte ik weer eens op de meisjesnaam Moeder. Een voornaam die heel verwarrend is, als je hem voor het eerst tegenkomt: het kind krijgt als het ware een volwassen functie toegedicht. Reden om nu eens te kijken wanneer en waar deze voornaam in zwang was.
Heden ten dage is de naam uitgestorven. In Drenthe kwam hij niet voor, in Friesland juist wel, maar sporadisch: 18 maal in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, maar daarvoor juist niet. Met zijn 85 dopen en geboorteaangiften van de zeventiende tot en met de negentiende eeuw lijkt Groningerland niet alleen de oudste papieren te hebben, maar is de naam Moeder vooral ook Gronings. Ook al hield hij het hier minder lang vol dan in Friesland.
Verdeeld naar halve eeuwen ziet de frequentie van de Groningse vernoemingen er zo uit:
| Voor 1650 |
2 |
| 1650-1699 |
29 |
| 1700-1749 |
38 |
| 1750-1799 |
12 |
| 1850-1849 |
1 |
| 1850-1899 |
3 |
Omdat het aantal bewaard gebleven doopboeken uit de zeventiende eeuw veel kleiner is dan dat uit de achttiende, zal het werkelijke aantal Moeders toen veel groter geweest zijn. Best mogelijk dus, dat het hoogtepunt in de eerste helft van de achttiende eeuw in werkelijkheid al een neergang impliceert. Vanaf die tijd is er werkelijk een neergang geweest, tot de naam in de twintigste eeuw uitstierf.
Alle Groninger Moeders zijn hieronder met kruisjes bij hun doop- en geboorteplaatsen in kaart gebracht:

Het kerngebied is duidelijk het Oldambt, vooral op de grens van klei en veen. Er is een uitstraling naar noordelijk Fivelingo en Hunsingo, De stad Groningen bracht een stuk of wat Moeders voort, het Gorecht een enkele. In Westerwolde en het Westerkwartier was de naam non-existent.
Zoomen we nog even in op de plaatsen met de hoogste frequenties:
| Meeden | 15 |
| Noordbroek | 8 |
| Beerta | 6 |
| Finsterwolde | 4 |
| Veendam | 4 |
| Hornhuizen | 4 |
Zowel Noordbroek als Beerta kende ooit een vrij forse doopsgezinde minderheid. Meen dat Meeden ook wel doopsgezinde inwoners had, maar weet dat niet zeker. Op het eerste gezicht zou de naam Moeder wel eens kunnen samenhangen met die minderheid. Hoewel die zelf natuurlijk niet vertegenwoordigd is bij de hervormde doopinschrijvingen – het zal dan gaan om een indirect effect.
Winschoter jeugd al vroeg baldadig
Geplaatst op: 15 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
“Op den ingediende req[ueste] van de kerkvoogden van Winschoot dat door het spelen en door het smijten van ballen en steenen door de jeugd op en om het kerkhof aldaar de glaazen in de kerk als ook de pannen op dezelve zoo zeer worden beschadigt, dat opgemelten (= de kerkvoogden HP) in hunne qualiteit niet alleen daar zeer groote kosten van hebben, maar zulks merkelijk tot verhindering van den Godsdienst is, en dewijle de orders op de klagten daarvan afgegeven het gehoopt effect niet hebben gehad, zoo verzoeken meergemelde kerkvoogden dat gij zodanige ordres daartegen gelievt te stellen, dat zulke insolentiën in ’t vervolg niet worden gepleegt ten welken einde in consideratie geven of niet dienstig was dat nevensgaande condigzedul aldaar worde gepubliceerd…”
Aldus het verzoekschrift dat de kerkvoogden van Winschoten op 12 april 1796 inleverden bij de drost van het Oldambt. Na een korte bespreking stond de drost inderdaad toe dat hun waarschuwing in de kerk zou worden voorgelezen.
Helaas is de tekst van het kondigcedeltje niet opgenomen in het rekestenprothocol van de drost, en beginnen de notulen van de Winschoter kerkvoogdij pas in 1821, maar heel misschien bevindt het in de kerk voorgelezen briefje zich bij de in- en uitgaande post die wèl voor dat baldadige jaar 1796 bewaard is. Binnenkort maar eens nagaan.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (drost Oldambt) inv.nr. 6138 (samengevatte verzoekschriften met kantbeschikkingen of apostilles 1794-1796).





Recente reacties